Chapter 24
Ik hoop dat mijn waarde Juffrouw Dashwood mij niet kwalijk zal nemen, dat ik zoo vrij ben aan haar te schrijven; maar ik weet dat uw vriendschap voor mij de reden zal zijn, dat het u genoegen doet zooveel goeds te hooren van mij en mijn beste Edward, na al 't verdriet dat we in den laatsten tijd hebben doorgemaakt, en wil ik daarom niet doorgaan met verontschuldigen, maar verder vermelden dat wij, hoewel we beiden veel hebben geleden, nu goddank allebei gezond en wel zijn, en zoo gelukkig, als wij steeds moeten zijn in elkanders liefde. Wij hebben zware beproevingen en vervolgingen doorstaan; maar mogen ons toch tevens dankbaar verheugen in 't bezit van vele vrienden, uzelf niet in de laatste plaats, wier groote vriendelijkheid ik altoos dankbaar zal gedenken, en Edward ook, die ik het verteld heb. Het zal u pleizier doen te hooren, en de lieve Mevrouw Jennings ook, dat ik gisteren twee gelukkige uren met hem doorbracht; hij wilde niet hooren van een scheiding tusschen ons, hoewel ik, zooals ik dacht dat mijn plicht was, er ernstig bij hem op aandrong, uit voorzichtigheid, en zou meteen afscheid van hem hebben genomen voorgoed, als hij erin had toegestemd; maar hij zei, dàt nooit; hij gaf niet om zijn moeder's boosheid, zoolang hij mijn liefde bezat; onze vooruitzichten zijn niet schitterend, maar wij moeten wachten en het beste hopen; hij zal spoedig de wijding ontvangen, en als u ooit in de gelegenheid komt, hem aan te bevelen aan iemand, die een predikantsplaats heeft te vergeven, zoo zult u ons wel niet vergeten, en weet ik wel zeker dat de lieve mevrouw Jennings een goed woordje voor ons zal doen bij Sir John, of Mijnheer Palmer, of wie ook, die ons op de eene of andere manier helpen kan.--Die arme Anne heeft wel erg verkeerd gedaan; maar zij deed het om bestwil, en zeg ik dus maar niets; hoop, dat Mevrouw Jennings niet tegen de moeite zal opzien om ons eens te bezoeken als zij dezen kant uitkomt, we zouden 't erg vriendelijk vinden, en mijn nichtjes zouden haar erg graag leeren kennen. Het papier is bijna vol, en blijf ik, met veel dankbare en eerbiedige groeten aan haar en aan Sir John en Lady Middleton, en de lieve kinderen, als u ze ziet, en veel complimenten aan Juffrouw Marianne de uwe, enz."
Zoodra Elinor den brief had gelezen, gaf zij dien, zooals zij begreep, dat de bedoeling der schrijfster was geweest, aan Mevrouw Jennings, die het schrijven hardop voorlas, met vele uitroepen van voldoening en lof.
"Aardig gezegd!--wat schrijft ze goed!--ja zeker, dat was best, hem vrij te laten, als hij 't wenschte. Net iets voor Lucy.--Arm kind, ik wou dat ik hem een predikantsplaats _kon_ bezorgen, 'k zou 't graag doen.--"De lieve mevrouw Jennings," zegt ze, zie je wel? Ze is een best meisje, met een hart van goud.--'t Is bepaald mooi. Ze kan 't maar aardig zeggen.--Ja stellig ga ik haar eens gauw opzoeken.--Wat is ze oplettend, ze denkt aan iedereen!--Dank je wel, kind, dat je hem mij hebt laten lezen. 't Is een echt _mooie_ brief, die Lucy's hoofd en hart tot eer strekt."
HOOFDSTUK XXXIX
De dames Dashwood waren nu reeds ruim twee maanden in de stad geweest, en met iederen dag groeide Marianne's verlangen aan, om te vertrekken. Zij snakte naar de buitenlucht, de vrijheid, de rust van het landleven, en verbeeldde zich, als zij ergens tot kalmte kon komen, dat het in Barton moest zijn. Elinor was bijna niet minder verlangend dan zijzelve om te gaan, en slechts in zooverre minder geneigd om het plan aanstonds ten uitvoer te brengen, als zij de bezwaren inzag, verbonden aan zulk een lange reis, die Marianne niet verkoos in aanmerking te nemen. Zij begon echter thans ernstig te denken over het vertrek, en zij had haar wensch reeds te kennen gegeven aan haar vriendelijke gastvrouw, die zich met al haar hartelijke welsprekendheid ertegen verzette, toen een plan werd geopperd, dat, hoewel het hen nog een paar weken langer van huis zou doen blijven, Elinor toch verkieselijker scheen dan eenig ander. De Palmers zouden in het laatst van Maart naar Cleveland vertrekken, voor de Paaschvacantie, en Mevrouw Jennings werd mèt haar beide vriendinnen, allerhartelijkst door Charlotte uitgenoodigd, met hen mede te gaan. Dit zou op zichzelf niet voldoende zijn geweest om Elinor's schroomvalligheid te overwinnen; doch het verzoek werd zoo beleefd en dringend ondersteund door den Heer Palmer, wiens houding tegenover hen zeer was verbeterd, sedert hij wist van haar zuster's teleurstelling, dat zij de uitnoodiging met genoegen aannam. Toen zij het aan Marianne vertelde, was het eerste antwoord, dat zij ontving, niet zeer gunstig.
"Naar Cleveland!" riep zij zenuwachtig. "Neen, dáár kan ik niet heengaan."
"Je vergeet," zei Elinor op zachten toon, "dat het niet zoo dichtbij... dat het niet in de buurt is van..."
"Maar 't is in Somersetshire,--ik kàn niet naar Somersetshire gaan.--Daar, waar ik eenmaal hoopte te komen... Neen, Elinor, dat kan je van mij niet verwachten."
Elinor wilde maar niet met haar redeneeren over de verplichting, zulke gevoelens te bestrijden; zij trachtte ze alleen tegen te gaan, door te werken op andere, en bracht haar dus onder het oog, dat deze maatregel het tijdstip van háár terugkeer naar haar lieve moeder, die zij zoo verlangde weer te zien, veel nader zou brengen, en wel op een meer gemakkelijke en verkieselijke wijze, dan eenig ander plan zou kunnen doen; misschien zonder veel langer uitstel. Van Cleveland, dat een paar mijlen van Bristol was gelegen, duurde de reis naar Barton niet langer dan één dag; hoewel dan een langen dag reizens, en hun eigen knecht kon hen daar gemakkelijk komen afhalen. Daar zij wel niet langer dan een week te Cleveland zouden behoeven te logeeren, konden zij nu reeds over ruim drie weken weer thuis zijn. Daar Marianne's liefde voor haar moeder oprecht was, behaalde zij, zonder veel moeite, de overwinning over de denkbeeldige bezwaren, door haar opgeworpen.
Mevrouw Jennings was het gezelschap harer gasten zoo weinig moede, dat zij er ernstig bij hen op aandrong weer met haar terug te keeren van Cleveland. Elinor was haar dankbaar voor haar vriendelijkheid; maar het voorstel kon hun plan niet doen veranderen; en nadat hun moeder gaarne hare instemming ermede had te kennen gegeven, werd alles voor de terugreis, zooveel doenlijk was, in gereedheid gebracht. Marianne vond eenige verlichting in het opmaken van eene lijst der uren, die haar nog scheidden van Barton.
"Ach, Kolonel, ik weet niet, wat u en ik zullen beginnen zonder de dames Dashwood," zei Mevrouw Jennings, toen kolonel Brandon haar voor het eerst bezocht, nadat hun vertrek was bepaald,--"ze zijn vast van plan van de Palmers naar huis te gaan; wat zullen wij het dan eenzaam hebben, als ik terugkom! We zullen elkaar zitten aan te gapen als twee kikkers op een kluitje."
Misschien hoopte Mevrouw Jennings door die levendige voorstelling van hun toekomstige verveling, hem uit te lokken tot het aanzoek, dat hem aan die verveling zou kunnen doen ontsnappen,--en als dit zoo was, dan kreeg zij iets later goede reden om te denken, dat haar doel was bereikt; want toen Elinor naar het venster ging, om met meer juistheid de afmetingen na te gaan van eene plaat, die zij voor haar vriendin wilde copieeren, volgde hij haar, blijkbaar met een bijzondere bedoeling, en bleef een tijdlang met haar in gesprek. De uitwerking daarvan op Elinor kon haar aandacht niet ontgaan; want ofschoon zij te veel eergevoel bezat om te luisteren, en zelfs opzettelijk, om _niet_ te hooren, haar plaats had verlaten, om dicht bij de piano te gaan zitten, waarop Marianne speelde, zij moest wel zien, dat Elinor bleek werd, zenuwachtige spanning liet blijken en te veel aandacht schonk aan 't geen hij zeide, om met hare bezigheid voort te gaan. Wat haar hoop nog meer aanmoedigde, waren enkele woorden van den Kolonel, die haar oor bereikten in een tusschenpoos, waarin Marianne naar een nieuw stuk zocht, en waaruit bleek, dat hij zich scheen te verontschuldigen over den slechten toestand, waarin zijn huis verkeerde. Nu viel aan de zaak niet meer te twijfelen. Zij vond het wel vreemd, dat hij dit noodig achtte,--maar dacht, dat het zeker wel zoo zou hooren. Wat Elinor hierop antwoordde kon zij niet verstaan; maar uit de beweging harer lippen leidde zij af, dat zij dàt geen overwegend bezwaar vond; en Mevrouw Jennings prees haar in stilte om haar eerlijkheid. Daarop praatten ze nog een paar minuten door, zonder dat zij een woord verstond, totdat een tweede welkome pauze in Marianne's spel haar gelegenheid schonk, den Kolonel met zijn bedaarde stem te hooren zeggen:
"Ik vrees ten minste dat het niet zeer spoedig kan plaats hebben."
Verbaasd en bijna geërgerd over deze in den mond van een minnaar weinig passende woorden, had zij bijna hardop gezegd: "Lieve deugd, wat kan er nu tegen zijn?"--maar zij hield zich nog bijtijds in, en vergenoegde zich met de in stilte gemaakte opmerking: "Dàt is al heel raar! Hij behoeft waarlijk niet te wachten tot hij de jaren heeft"... Deze neiging tot uitstel van des Kolonels kant scheen echter zijne uitverkorene volstrekt niet te beleedigen of te grieven; want toen zij kort daarna hun gesprek afbraken en uiteengingen, hoorde Mevrouw Jennings Elinor duidelijk zeggen, op een toon, waarin haar oprechtheid doorklonk: "Ik zal u hiervoor altijd van harte dankbaar zijn." Mevrouw Jennings vond die dankbaarheid allerliefst van haar, en verbaasde zich alleen, dat de Kolonel, na zulk eene uiting, in staat was, zooals hij thans deed, doodbedaard afscheid te nemen, en heen te gaan, zonder haar zelfs te antwoorden!--Zij had niet gedacht, dat haar oude vriend zulk een onverschillig minnaar zou zijn. Wat werkelijk tusschen hen voorviel was het volgende: "Ik heb gehoord", zeide hij op medelijdenden toon, "van het onrecht, uw vriend den Heer Ferrars door zijn familie aangedaan; want als ik wèl heb begrepen, is hij door hen voorgoed verstooten, omdat hij zijne verloving met een goed en achtenswaardig meisje niet wilde verbreken. Heeft men mij wèl ingelicht?--Is dit werkelijk het geval?"
Elinor antwoordde bevestigend.
"De wreedheid, de onverstandige wreedheid," zeide hij met diepgevoelde verontwaardiging, "van zulk een poging om twee jongelieden, die elkander reeds lang hebben liefgehad, te scheiden, is ontzettend; Mevrouw Ferrars weet niet wat zij doet,--waartoe zij haar zoon wellicht drijven zal. Ik heb den Heer Ferrars een paar malen in Harley Street ontmoet, en hij maakte op mij een zeer aangenamen indruk. Hij is niet iemand met wien men binnen korten tijd vertrouwelijk bekend kan zijn; maar ik weet thans toch genoeg van hem om hem persoonlijk alle goeds te wenschen, te meer nog, omdat hij een vriend van u is. Ik hoorde dat hij zich voorbereidt voor het predikambt. Wilt u zoo goed zijn hem mede te deelen, dat de predikantsplaats te Delaford, die juist, naar ik vandaag vernam, is vrijgekomen, hem wordt aangeboden, als hij geneigd is ze te aanvaarden,--en dááraan valt in zijn omstandigheden nu wel allerminst te twijfelen; ik wilde alleen wel, dat hij beter bezoldigd werd. De vorige predikant verdiende, naar ik meen, niet meer dan twee honderd pond in het jaar, en ofschoon die som stellig nog wel iets verhoogd kan worden, vrees ik toch, dat die verhooging niet zooveel zal bedragen, dat hij er eenigszins ruim van leven kan. In elk geval echter doet het mij groot genoegen hem in dezen van dienst te kunnen zijn. Dat wilt u hem zeker wel vertellen."
Elinor's verbazing over deze opdracht kon moeilijk grooter zijn geweest, als de Kolonel haar werkelijk zijn hand had aangeboden. Zulk een aanbieding, die zij een paar dagen geleden nog als iets had beschouwd, waarop voor Edward niet te hopen viel, stelde hem nu reeds in staat, te trouwen;--en _haar_ viel, onder alle lieden ter wereld, de taak ten deel, hem die gave over te brengen!--Zij gevoelde werkelijk de aandoening, die Mevrouw Jennings had toegeschreven aan eene geheel andere oorzaak;--maar welke andere gevoelens, minder zuiver en minder bevredigend, zich in die aandoening mochten mengen, haar achting voor de algemeene menschlievendheid en haar dankbaarheid voor de bijzondere vriendschap, welke Kolonel Brandon bewogen tot deze handeling, waren diepgevoeld, en werden met warmte uitgedrukt. Zij dankte hem van ganscher harte, sprak van Edward's beginselen en karakter met den lof, dien zij wist, dat ze verdienden, en beloofde zich met genoegen van de opdracht te zullen kwijten, als hij waarlijk wenschte zulk een aangename taak aan een ander over te dragen. Intusschen kon zij niet nalaten te denken, dat niemand deze zoo goed zou kunnen vervullen als hijzelf. Het was een plicht, waarvan zij, ongeneigd als zij was, Edward pijn te doen, door hem van háár eenig gunstbewijs te doen ontvangen, zich zeer gaarne had willen ontheven zien;--doch Kolonel Brandon, die zich eveneens uit kiesche terughoudendheid eraan onttrok, scheen zoozeer erop gesteld, dat zij de brengster der goede tijding zou zijn, dat zij in geen geval langer wilde blijven weigeren. Edward was, naar zij meende, nog in de stad, en van Juffrouw Steele had zij zijn adres vernomen. Zij kon dus beloven, hem nog in den loop van den dag het bericht te zullen doen toekomen. Toen dit was afgesproken, gaf kolonel Brandon zijn genoegen te kennen over het feit, dat hij zulk een achtenswaardigen en beminnelijken buurman kreeg, en bij die gelegenheid uitte hij zijn spijt, dat de pastorie klein en niet heel mooi was; een bezwaar, dat Elinor, zooals Mevrouw Jennings goed had gezien, al heel licht telde, ten minste wat de grootte van het huisje betrof.
"Dat het huis klein is," zei ze, "zal, dunkt mij, voor hen niet hinderlijk zijn; want het is dan in overeenstemming met het aantal bewoners en met hun inkomen."
De Kolonel bespeurde hierdoor tot zijn verwondering, dat _zij_ hun huwelijk als het onvermijdelijk gevolg van deze aanbieding beschouwde; hij had het niet mogelijk geacht, dat de predikantsplaats te Delaford genoeg zou opbrengen, om iemand, gewend aan een levenswijze als de zijne, in staat te stellen tot het waagstuk, een huwelijk aan te gaan,--en hij bracht die meening onder woorden.
"In die kleine pastorie en met dat beperkte inkomen kàn de Heer Ferrars alleen als vrijgezel eenigszins behoorlijk leven;--erop trouwen kan hij niet. Het spijt mij, dat ik niet meer voor hem kan doen; maar verder reikt mijn invloed niet. Als het echter, door eenig onvoorzien toeval, ooit in mijn macht mocht staan, hem verder van dienst te zijn, dan moest ik al geheel anders over hem zijn gaan denken dan ik nu doe, wanneer ik ook dan niet even bereid zou zijn, hem hulp te verleenen, als ik oprecht wensch, dat nu te kunnen doen. Wat ik thans voor hem doe is van geringe beteekenis, daar het hem zoo weinig nader brengt tot hetgeen zijn eerst en eenig oogmerk moet zijn ter bereiking van zijn geluk. Zijn huwelijk moet vooreerst nog een toekomstdroom blijven;--ik vrees ten minste, dat het niet zeer spoedig kan plaats hebben."
Dit waren de woorden, die, daar zij verkeerd werden begrepen, met recht kwetsend schenen voor Mevrouw Jennings' kiesch gevoel; doch na dit getrouw verslag van 't geen werkelijk voorviel tusschen Kolonel Brandon en Elinor, toen zij bij het venster stonden, kon allicht de dankbaarheid, door de laatste bij het afscheid uitgedrukt, over 't geheel evengoed zijn gewekt door, en behoefde in geen andere bewoordingen te zijn vervat geworden na een huwelijksaanzoek.
HOOFDSTUK XL
Nu, Elinor", zei Mevrouw Jennings met een veelzeggenden glimlach, zoodra de Kolonel was vertrokken, "ik vraag je maar niet, wat Kolonel Brandon je had te vertellen; want al deed ik, op mijn woord van eer, mijn best om er niets van te hooren, ik ving toch, zonder dat ik er iets aan kon doen, genoeg op om te begrijpen, waarover het ging. Ik moet je zeggen, dat ik er van harte blij om ben, en ik wensch je oprecht geluk ermee."
"Dank u, mevrouw," zei Elinor. "Het verheugt mij ook innig, en ik ben werkelijk getroffen door Kolonel Brandon's goedheid. Er zijn niet veel menschen, die gehandeld zouden hebben als hij. Zoo vol meegevoel zijn er maar weinigen! 't Heeft mij meer verwonderd, dan ik kan zeggen."
"Lieve kind, je bent wel heel bescheiden! Mij verwondert het in 't minst niet; want ik heb in den laatsten tijd dikwijls gedacht, dat niets zoo waarschijnlijk was als dit."
"U leidde dat oordeel af uit wat u wist van Kolonel Brandon's edelmoedig karakter; maar u kon niet voorzien, dat de gelegenheid zich zoo spoedig zou aanbieden."
"Gelegenheid," herhaalde Mevrouw Jennings, "och, wat dàt betreft, als zoo'n plan eenmaal vaststaat bij een man, dan vindt hij, hoe dan ook, de gelegenheid gauw genoeg. Nu, lieve kind, ik zeg nog eens, ik ben er hartelijk blijde om, en als er ooit een gelukkig paar is geweest in de wereld, dan weet ik nu wèl, wáár ik dat binnenkort zal kunnen vinden."
"U wilt het zeker te Delaford komen zoeken," zei Elinor met een flauwen glimlach.
"Ja zeker, kind; dat ben ik stellig van plan. En dat het huis niet goed genoeg zou zijn, ik weet niet, wat de Kolonel dáármee kan bedoelen; want ik zou niet weten, wat erop viel aan te merken."
"Hij zei, dat er in lang niets aan gedaan was."
"Nu, wiens schuld is dat? waarom laat hij het dan niet opknappen--wie zou het ànders doen dan hij?"
Zij werden gestoord door de komst van den bediende, die kwam zeggen, dat het rijtuig vóór was, en Mevrouw Jennings zei, vlug opstaande: "Nu moet ik al weg, kind, eer we nog half erover zijn uitgepraat. Van avond kunnen we 't in elk geval nog eens overdoen; want we zijn onder ons. Ik vraag je maar niet om mee te gaan, want ik denk dat je te veel hiermee vervuld zult zijn, om nu graag vreemden te spreken; en je zult wel verlangen, het aan je zuster te vertellen."
Marianne was de kamer uitgegaan, eer hun gesprek begon.
"Zeker, Mevrouw, ik zal 't aan Marianne zeggen; maar vooreerst spreek ik er nog met niemand anders over."
"O, heel goed," zei Mevrouw Jennings, ietwat teleurgesteld. "Dus dan mag ik het nog niet aan Lucy vertellen; want ik dacht erover, naar Holborn te gaan vandaag."
"Neen, mevrouw, zelfs niet aan Lucy. Een dag uitstel maakt weinig verschil; en mij dunkt dat er niet met anderen over moet worden gesproken, eer ik aan den Heer Ferrars geschreven heb. Dat zal ik nu aanstonds doen. Het komt er voor hem op aan, geen tijd te verliezen, want hij zal natuurlijk nog veel te doen hebben, met het oog op zijn aanstelling, als predikant."
Nu begreep Mevrouw Jennings er niets meer van. Waarom er zoo'n haast bij was, dat de Heer Ferrars op de hoogte zou worden gebracht, was haar eerst niet recht duidelijk. Maar na een oogenblik nadenken ging haar een licht op, en zij riep uit: "Aha! nu begrijp ik je. Op Mijnheer Ferrars is de keus gevallen. Kom, dat is aardig. Ja natuurlijk, eerst moet hij predikant zijn, en ik ben blij, dat je al zoover heen bent met je plannen. Maar kind, is dit nu toch eigenlijk niet wat vreemd? Moest de Kolonel hem dat zelf niet schrijven? Mij dunkt, dat is toch meer _zijn_ werk."
Elinor begreep niet precies, wat Mevrouw Jennings bedoelde met haar eerste woorden; maar vond navragen niet de moeite waard, en antwoordde dus alleen op haar laatste opmerking.
"Kolonel Brandon is zóó fijngevoelig, dat hij het liefst aan een ander overlaat, den Heer Ferrars omtrent zijn voornemen op de hoogte te brengen."
"En dus moet _jij_ dat nu wel doen. Dat is toch een vreemd soort van fijngevoeligheid, dunkt mij!--Maar ik wil je niet storen." (Zij zag dat Elinor haar schrijfgereedschap klaarlegde). "Je kunt zelf alles 't beste beoordeelen. Adieu, lieve kind. Sedert Charlotte's bevalling is er niets gebeurd, dat mij zooveel pleizier deed." Zij ging, maar kwam een oogenblik later terug.
"Ik dacht daarjuist aan Betty's zuster, kindje. Ik zou blij zijn voor haar, als ze zoo'n goeden dienst kreeg. Maar of ze geschikt is voor kamenier, dat weet ik niet. Als kamermeisje voldoet ze uitmuntend, en ze kan goed met de naald terecht. Nu, dat kan je nog wel eens op je gemak overleggen."
"Zeker, mevrouw," antwoordde Elinor, die niet veel hoorde van Mevrouw Jennings' gepraat, en meer verlangde alleen te zijn dan te weten, waarover zij het had. Hoe te beginnen--welke woorden te bezigen in haar briefje aan Edward, daarop kwam het voor haar nu aan. Hun bijzondere omstandigheden maakten datgene moeilijk, wat voor een ander de gemakkelijkste zaak van de wereld zou zijn geweest; maar zij vreesde evenzeer te veel, als te weinig te zeggen, en zat met de pen in de hand te overwegen, hoe zij zich zou uitdrukken, tot er een einde kwam aan haar aarzelen, doordat Edward zelf binnentrad.
Hij had Mevrouw Jennings aan de deur ontmoet, toen zij in haar rijtuig wilde stappen, terwijl hij zijn afscheidsbezoek kwam brengen; en na zich te hebben verontschuldigd, omdat zij niet met hem mee terugging, had zij hem doen besluiten, naar boven te gaan, door te zeggen, dat Juffrouw Dashwood alleen was, en hem gaarne wilde spreken, daar zij hem iets van gewicht had mee te deelen.
Elinor had juist, midden in haar weifelingen, zichzelve met dankbaarheid voorgehouden, dat een brief, hoe moeilijk het ook mocht zijn, de juiste woorden ervoor te vinden, toch verre te verkiezen was boven eene mondelinge mededeeling van het bericht, toen de bezoeker binnentrad, die haar noodzaakte tot deze nog veel grootere inspanning. Zij was zeer verwonderd en verward, toen hij daar zoo plotseling voor haar stond. Sedert zijn engagement publiek was geworden, had zij hem nog niet gezien; dus ook niet, sedert hij wist, dat zij ervan had vernomen; en dit alles, gepaard met het bewustzijn van 't geen zij daareven had gedacht, en wat zij hem had te vertellen, maakte haar in de eerste paar minuten geheel van streek.
Hij was ook alles behalve op zijn gemak, en zij gingen beiden zitten in een toestand van verlegenheid, die niet veel goeds beloofde. Of hij haar bij het binnenkomen om verschooning had gevraagd, dat hij haar zoo onverwacht kwam overvallen, herinnerde hij zich niet meer; maar voor alle zekerheid verontschuldigde hij zich behoorlijk, zoodra hij iets kon zeggen, nadat hij had plaatsgenomen.
"Mevrouw Jennings vertelde mij," zei hij, "dat je mij wenschte te spreken; tenminste dat meende ik te begrijpen;--anders zou ik je stellig niet zoo zijn komen overvallen; hoewel het mij toch ook erg zou hebben gespeten, uit Londen weg te gaan, zonder jelui beiden nog eens te zien; vooral omdat het nog al eenigen tijd zal duren... omdat het niet waarschijnlijk is, dat ik spoedig het genoegen zal hebben, je weer te ontmoeten. Ik ga morgen naar Oxford."
"Je zoudt toch niet zijn vertrokken," zei Elinor, zichzelve nu weer meester en vastbesloten, zoo spoedig mogelijk datgene af te doen, waartegen zij zoo opzag, "zonder onze goede wenschen te ontvangen, ook al hadden we je die niet persoonlijk kunnen doen toekomen. Het was waar, wat Mevrouw Jennings je heeft gezegd. Ik heb je iets van belang mee te deelen, dat ik je juist wilde melden in een brief. Een zeer aangename taak is mij opgedragen," ging zij, ietwat sneller ademhalend dan gewoonlijk, voort: "Kolonel Brandon, die nog pas tien minuten geleden hier was, heeft mij verzocht, je te zeggen, dat hij, wetende van je plan om predikant te worden, je met groot genoegen de standplaats te Delaford aanbiedt, die juist is vrijgekomen, en alleen maar wenschte, dat zij beter bezoldigd mocht worden. Laat mij je gelukwenschen met zulk een achtenswaardigen en verstandigen vriend, en mèt hem den wensch uitspreken, dat het traktement--omstreeks tweehonderd pond in het jaar,--grooter mocht zijn, zoodat het je beter in staat zou kunnen stellen om te... dat het meer kon worden dan een tijdelijke tegemoetkoming... dat het in één woord de hoop zou kunnen verwezenlijken op een toekomstig geluk."