Gevoel en verstand

Chapter 23

Chapter 234,093 wordsPublic domain

"Je schoonzuster," ging hij voort, "heeft het zich ontzaglijk aangetrokken. Mevrouw Ferrars ook,--we waren allen in een rampzaligen toestand; maar ik durf toch hopen, dat we den storm weerstand zullen bieden, zonder dat een van ons totaal bezwijkt. Die arme Fanny; gisteren had zij het den geheelen dag op de zenuwen. Maar ik wilde jelui niet al te ongerust maken. Donovan zegt, dat er geen reden is, iets ernstigs te vreezen; haar gestel is sterk, en haar geestkracht stelt haar in staat, het ergste te dragen. Met engelengeduld heeft zij alles verduurd! Zij zegt, dat ze van niemand ooit meer iets goeds zal verwachten; en geen wonder, na zoo te zijn bedrogen!--zulk een verregaande ondankbaarheid te hebben ondervonden, als vergelding van zooveel vriendelijkheid, zulk vertrouwen. Uit pure, oprechte goedhartigheid had ze die meisjes te logeeren gevraagd, enkel omdat ze vond, dat hun wel eenige attentie mocht worden bewezen; ze waren aardig, wisten zich goed voor te doen, en zouden prettig gezelschap voor ons zijn; want anders zouden we allebei stellig liever jou en Marianne gevraagd hebben, terwijl je lieve gastvrouw zich wijdde aan haar dochter. En dan op deze wijze te worden beloond! "Ik wou om een lief ding," zegt Fanny met haar natuurlijke hartelijkheid, "dat we je zusters maar hadden gevraagd, inplaats van hen."

Hier wachtte hij even, om bedankt te worden, en toen dat gebeurd was, praatte hij door.

"Wat dit arme Mevrouw Ferrars uitstond, toen ze 't van Fanny het eerst kreeg te hooren, is met geen woorden te omschrijven. Terwijl zij in haar trouwe genegenheid, zulk een uiterst wenschelijke verbintenis voor hem had weten voor te bereiden, kon men toch niet veronderstellen, dat hij al dien tijd in 't geheim met iemand anders was verloofd!--dat vermoeden kòn eenvoudig niet bij haar opkomen. Wanneer ze hem al verdacht van eenige bijzondere voorkeur, dan was het toch niet _hierheen_, dat die verdenking zich richtte. "_Daar_," zei ze, "dacht ik nu toch, dat geen gevaar was te duchten." Zij was letterlijk ten einde raad. We overlegden samen, wat nu te doen stond, en ten laatste besloot zij, Edward bij zich te laten komen. Hij kwam dan ook. Wat toen volgde, verhaal ik ongaarne. Al wat Mevrouw Ferrars kon zeggen, om hem te bewegen de verloving te verbreken, terwijl zij toch werd bijgestaan, zooals je kunt begrijpen, door mijn redeneering en Fanny's smeekbeden, het baatte niets. Plicht, genegenheid, alles verloor hij uit het oog. Ik had nooit gedacht, dat Edward zoo stijfkoppig, zoo ongevoelig kon zijn. Zijn moeder deelde hem mede, wat haar plan was, als hij trouwde met Juffrouw Morton; ze zei dat ze hem hun bezitting in Norfolk zou schenken, die zonder grondbelasting ruim duizend pond in het jaar opbrengt; ze bood zelfs aan, toen het begon te spannen, zijn inkomen op twaalfhonderd te brengen terwijl zij aan den anderen kant, als hij deze ongepaste verbintenis wilde doorzetten, hem wees op de onvermijdelijke armoede, waartoe dit huwelijk hem zou veroordeelen. Zijn eigen tweeduizend pond zouden alles zijn wat hij bezat, verklaarde zij; zij wilde hem nooit weerzien, en zóó weinig zou zij gezind zijn, hem den geringsten steun te verleenen, dat zij, wanneer hij een beroep zou kiezen, om in zijn onderhoud te voorzien, alles zou doen wat in haar macht stond, om te beletten, dat hij vooruit kwam."

Hier sloeg Marianne, wier verontwaardiging thans haar hoogtepunt had bereikt, de handen ineen en riep: "Goede hemel! kan zoo iets mogelijk zijn?"

"Je moogt je waarlijk wèl verbazen, Marianne," antwoordde haar broeder, "over een onverzettelijkheid, die zulke argumenten kon weerstaan. Je uitroep is zeer natuurlijk."

Marianne wilde heftig antwoorden; maar zij herinnerde zich haar belofte en hield zich in.

"Alles echter," ging hij voort, "werd te vergeefs hem voorgehouden. Edward zei heel weinig, maar dat weinige op den meest beslisten toon. Niets zou hem bewegen, zijn verloving te verbreken. Hij hield zich aan zijn gegeven woord, het mocht dan kosten wat het wilde."

"Dan heeft hij gehandeld," riep Mevrouw Jennings, die zich niet langer kon stilhouden, met rondborstige oprechtheid uit, "als een eerlijk man. Neem mij niet kwalijk, mijnheer Dashwood, maar als hij zich anders had gedragen, dan zou ik hem een schurk hebben genoemd. Ik ben ook eenigszins bij de zaak betrokken, zoo goed als u; want Lucy Steele is mijn nichtje, en ik geloof, dat er geen beter meisje in de wereld is te vinden, géén, die 't zoo goed waard is, een besten man te krijgen."

John Dashwood was zeer verbaasd; maar hij had een kalme geaardheid, zou niet licht aanstoot nemen, en wenschte niemand te beleedigen, vooral niet iemand met geld. Hij antwoordde dus, zonder eenige ergernis te laten blijken.

"Ik zou in geen geval oneerbiedig willen spreken van iemand die familie is van u, mevrouw. Ik wil gaarne gelooven, dat Juffrouw Steele een zeer verdienstelijke jonge dame is, maar in dit geval kan toch van een engagement geen sprake zijn. En dat zij zich in 't geheim heeft verloofd met een jongen man, die aan de zorg van haar oom was toevertrouwd, den zoon nog wel van een zoo vermogende dame als Mevrouw Ferrars, dat is toch op zich zelf wel een beetje vreemd. Maar het spreekt vanzelf, dat ik geen ongunstig oordeel vel over 't gedrag van iemand, die door u wordt gewaardeerd, Mevrouw Jennings. We hopen allen dat zij gelukkig zal worden, en Mevrouw Ferrars' houding is in alle opzichten zóó geweest, als men van elke goede moeder, die zich van haar plicht bewust is, in hare omstandigheden zou verwacht hebben. Zij heeft zich waardig en grootmoedig gedragen. Edward heeft zijn eigen lot gekozen, en ik vrees dat het niet gelukkig zal zijn."

Marianne gaf met een zucht die zelfde vrees te kennen; en Elinor's hart bloedde bij de gedachte aan Edward's gevoelens, terwijl hij zijn moeder's bedreigingen trotseerde voor een vrouw, die hem niet kon beloonen.

"En hoe," zei Mevrouw Jennings, "liep het toen af?"

"Helaas, mevrouw, het kwam tot een treurige breuk tusschen beiden; Edward werd door zijn moeder voor goed uit haar huis gezonden. Gisteren is hij vertrokken; waarheen weet ik niet, en ook niet, of hij nog in de stad is; want _wij_ kunnen natuurlijk geen navraag doen."

"Die arme jongen; en wat moet er nu van hem worden?"

"Zegt u dat wèl, mevrouw! 't Is droevig om aan te denken. Gewend aan 't vooruitzicht van eenmaal schatrijk te zullen worden! Ik kan mij geen beklagenswaardiger toestand voorstellen. De rente van tweeduizend pond--hoe kàn iemand daarvan leven!--en als daarbij dan nog moet worden bedacht, dat hij door zijn eigen dwaasheid zich de kans liet ontgaan binnen drie maanden een inkomen te bezitten van tweeduizend vijfhonderd pond in het jaar (want Juffrouw Morton bezit dertigduizend),--ik kan mij geen bedroevender omstandigheden denken. We moeten allen met hem meegevoelen; te meer, daar we geheel onmachtig zijn, hem te helpen."

"Arme jongen!" riep Mevrouw Jennings, "ik weet wel, dat hij in mijn huis gerust mag komen slapen en eten, en dat zou ik hem zeker vertellen, als ik hem zag! 't Is niet zooals 't hoort, dat hij nu zich zelf moet bedruipen, en logeeren op kamers, of in hôtels."

Elinor bedankte haar in haar hart voor die vriendelijke gevoelens jegens Edward, al kon zij niet nalaten te glimlachen om den vorm, waarin deze werden uitgedrukt.

"Als hij maar even goed voor zich zelf had willen zorgen," zei John Dashwood, "als al zijn vrienden geneigd waren voor hèm te doen, dan zou hij nu zijn natuurlijke positie hebben ingenomen, en aan niets gebrek hebben gehad. Maar zooals het nu is, kan niemand hem helpen. En nog iets hangt hem boven het hoofd, wel haast het ergste van alles--zijn moeder heeft besloten,--en ik vind dat zeer natuurlijk van haar,--nu al dadelijk _die_ bezitting aan Robert te schenken, die van Edward had kunnen zijn, als hij zich naar haar voorwaarden had willen schikken. Toen ik haar van morgen verliet, was zij bezig, met haar zaakwaarnemer hierover te spreken."

"Nu," zei Mevrouw Jennings, "dat is nu háár wijze van wraaknemen. Ieder doet dat op zijn eigen manier. De mijne zou het, dunkt mij, niet zijn, den eenen zoon onafhankelijk te maken, omdat de andere mij had geërgerd."

Marianne stond op en ging de kamer uit.

"Wat kan meer verbittering wekken in iemands gemoed", ging John voort, "dan zijn jongeren broeder in 't bezit te zien van een goed, dat _zijn_ eigendom had kunnen zijn? Arme Edward, ik beklaag hem van harte."

Na nog een paar minuten te hebben gewijd aan dergelijke ontboezemingen, nam hij afscheid, en vertrok met de herhaalde verzekering aan zijn zusters, dat Fanny's ongesteldheid niet van ernstigen aard was, en dat zij zich dus niet ongerust behoefden te maken. De drie dames bleven achter, volkomen eensgezind in hun gevoelens ditmaal, althans wat het gedrag betrof van Mevrouw Ferrars, de Dashwoods en Edward.

Marianne's verontwaardiging barstte los, zoodra hij de kamer uit was, en daar haar heftigheid het voor Elinor onmogelijk, en voor Mevrouw Jennings onnoodig maakte, terughouding te betrachten, gaven zij eendrachtig en met groote levendigheid uiting aan hun afkeuring van het drietal.

HOOFDSTUK XXXVIII

Mevrouw Jennings prees Edward's gedrag met groote warmte, maar alleen Elinor en Marianne beseften de ware verdienste ervan. _Zij_ alleen wisten, hoe weinig hem verlokte tot ongehoorzaamheid, en hoe gering de troost was, die hem overbleef, bij het verlies van vrienden en fortuin, buiten de zekerheid, goed te hebben gehandeld. Elinor was vervuld van blijden trots om zijn rechtschapenheid, en Marianne vergaf hem al zijn wandaden uit medelijden met zijn straf. Maar hoewel, na deze openlijke ontdekking, het oude vertrouwen tusschen hen was teruggekeerd, was dit toch niet een onderwerp, waarover zij gaarne spraken, als zij alleen waren. Elinor vermeed het uit beginsel, daar het door Marianne's al te vurige, al te stellige verzekeringen, licht kon leiden tot een te aanhoudend verwijlen van haar gedachten bij de voorstelling van Edward's blijvende genegenheid voor haarzelve, welke zij liever van zich wilde afzetten; en Marianne ontzonk spoedig de moed, als zij poogde te spreken over een onderwerp, dat haar altijd een ontevreden gevoel gaf met zichzelve, door de vergelijking, die het wel moest oproepen tusschen Elinor's gedrag en het hare. Het treffende van die vergelijking gevoelde zij ten volle; doch dit noopte haar thans niet tot inspanning, zooals hare zuster had gehoopt; het ging gepaard met de pijn van een aanhoudend zelfverwijt, waarin zij bitter betreurde zich te voren nooit te hebben ingespannen; doch het bracht enkel de kwelling mede van berouw, zonder hoop op verbetering. Haar geest was zoozeer verslapt, dat zij het nog steeds onmogelijk waande, haar kracht te beproeven, en daardoor te meer ontmoedigd werd.

In de eerstvolgende paar dagen vernamen zij niets nieuws, noch uit Harley Street, noch uit Bartlett's Buildings. Maar hoewel zij reeds zooveel van de zaak wisten, dat Mevrouw Jennings genoeg te doen zou hebben gehad met het verder verbreiden van die kennis, zonder naar meer te verlangen, had zij dadelijk besloten, zoodra ze kon, haar nichten een bezoek te brengen, om hen te troosten en navraag te doen, en alleen een grootere toeloop van bezoek dan gewoonlijk had haar verhinderd dat plan ten uitvoer te brengen.

De derde dag nadat het bericht hun ter oore was gekomen, was een prachtige Zondag, die velen uitlokte tot een bezoek aan Kensington Gardens, hoewel het nog slechts de tweede week was van Maart. Tot die bezoekers behoorden ook Mevrouw Jennings en Elinor; doch Marianne, die wist, dat de Willoughby's weer in de stad waren, en altijd bang was, hen te ontmoeten, wilde liever thuisblijven dan zich vertoonen op een plaats, waar zooveel menschen bijeen kwamen.

Een goede kennis van Mevrouw Jennings voegde zich bij hen, zoodra zij het hek waren binnengegaan, en het speet Elinor niet, dat zij hun gezelschap bleef houden, en druk doorpraatte met Mevrouw Jennings, zoodat zij zelve rustig kon nadenken. De Willoughby's zag zij niet; Edward evenmin; en een tijdlang vertoonde zich niemand, die om eenige reden, 't zij van ernstigen of vroolijken aard, haar belangstelling kon wekken. Eindelijk echter werd zij, tot haar verwondering, aangesproken door de oudste Juffrouw Steele, die, hoewel een weinig verlegen kijkend, toch haar genoegen te kennen gaf, hen te zien, en, aangemoedigd door Mevrouw Jennings' buitengewone vriendelijkheid, haar eigen gezelschap een poosje verliet, om zich bij hen te voegen. Mevrouw Jennings fluisterde Elinor haastig toe: "Zie, dat je alles te weten komt, kind. Ze vertelt je, wat je wilt, als je maar vraagt. Je ziet wel, ik moet bij Mevrouw Clarke blijven."

Het trof gelukkig voor Mevrouw Jennings' nieuwsgierigheid, en die van Elinor eveneens, dat Anne alles wel wilde vertellen, _zonder_ gevraagd te worden; want anders hadden zij niets vernomen.

"Ik ben zoo blij, dat ik u hier tref," zei Juffrouw Steele, haar vertrouwelijk in den arm nemend; "want ik verlangde juist erg om u eens te spreken"; en met zachtere stem voegde zij erbij: "Mevrouw Jennings heeft zeker al alles gehoord. Is ze boos?"

"Op u, geloof ik, in 't geheel niet."

"Dat treft. En Lady Middleton, is _die_ boos?"

"Dat lijkt mij haast niet mogelijk."

"Wat ben ik dáár blij om! Och lieve deugd, wat heb ik al niet uitgestaan! Ik heb Lucy nog nooit van mijn leven zóó woedend gezien. Ze hield bij hoog en laag vol, dat ze nooit weer een hoed voor mij zou opmaken, of wàt ook voor mij doen, zoolang ze leefde; maar 't is nu al weer bijgetrokken en we zijn weer beste maatjes. Zie eens, dien strik op mijn hoed heeft zij gemaakt; gisteravond heeft ze er de veer op gezet. Kijk, nu lacht u óók alweer om mij. Maar waarom zou ik geen rose mogen dragen! _Ik_ kan toch niet helpen, dat het de lievelingskleur van den dokter is. Ik zou 't waarlijk niet hebben geweten, dat hij aan die kleur boven alle andere de voorkeur geeft, als hij 't niet zelf gezegd had. Mijn nichtjes hebben me toch zóó geplaagd! Ik zeg wel eens, ik weet niet, waar ik mijn gezicht zal bergen, wanneer zij beginnen."

Zij was afgedwaald tot een onderwerp, waarover Elinor niets had te zeggen, en vond het dus geraden, tot het eerste terug te keeren.

"Hoor eens, Juffrouw Dashwood," zei ze zegevierend, "de menschen mogen nu zeggen wat ze willen, van dat Mijnheer Ferrars beweerd had, dat hij Lucy niet wou hebben; maar daar is niets van aan, hoor; en 't is schande, dat er zulke leelijke praatjes worden rondgestrooid. Wàt Lucy zelf er ook van vond, andere menschen hadden volstrekt niet noodig, dat maar zoo voor waar aan te nemen."

"Ik heb in de verste verte niets van dien aard gehoord," zei Elinor, "dat kan ik u verzekeren."

"O zoo! niet? Maar 't _werd_ toch verteld; dat weet ik zeker, en door verschillende menschen; want Juffrouw Godby had tegen Juffrouw Sparks gezegd, dat niemand die bij zijn verstand was, kon verwachten, dat Mijnheer Ferrars iemand als Juffrouw Morton, die dertig duizend pond meebrengt, zou laten loopen voor Lucy Steele, die geen cent bezat; en dat hoorde ik van Juffrouw Sparks zelf. Mijn neef Richard zei trouwens ook al, als 't er zóó voor stond, dan was hij bang, dat Mijnheer Ferrars ons liet zitten, en toen Edward zich in geen drie dagen bij ons vertoonde, wist ik zelf niet, wat ik ervan moest denken; ik geloof dat Lucy in haar hart ook alles al had opgegeven; want we gingen Woensdag weg bij uw broer, en Donderdag, Vrijdag en Zaterdag kregen we hem niet te zien, en we wisten ook niet, wat er met hem gebeurd was. Eenmaal dacht Lucy erover, hem te schrijven; maar dat kon ze toen toch weer niet van zichzelf verkrijgen. Nu, maar van morgen is hij dan toch gekomen, juist toen wij thuiskwamen uit de kerk; en toen kregen we alles te hooren, dat hij Woensdag in Harley Street had moeten komen, en hoe zijn moeder en allemaal hem hadden willen bepraten, en dat hij ronduit had gezegd, hij hield van niemand dan Lucy, en hij wou Lucy hebben, en geen ander. En dat hij er zoo ellendig over geweest was, dat hij, zóó als hij uit zijn moeders huis kwam, te paard was gesprongen en de stad uit was gereden, ik weet niet meer waarheen; en dat hij den heelen Donderdag en Vrijdag daar ergens in een logement was gebleven, om zich eroverheen te zetten. En toen hij alles nog eens weer goed overdacht had, zei hij, leek het hem zoo, nu hij geen geld had en niets in de wereld bezat, dat het tegenover haar niet goed zou zijn, als hij haar gebonden hield door die verloving, omdat zij erbij zou verliezen; want hij bezat niets dan tweeduizend pond en kon niets meer verwachten; en als hij predikant zou worden, waar hij over dacht, dan werd hij toch maar hulpprediker vooreerst, en hoe zouden ze dan moeten rondkomen?--Hij vond dat voor haar een te treurig vooruitzicht, en hij vroeg haar, als ze ook maar in 't minst ertoe geneigd was, er een eind aan te maken; en dan zou hij wel voor zichzelf zien, hoe hij er kwam. Dat hoorde ik hem alles duidelijk zeggen. En 't was enkel om háár, en voor haar bestwil, dat hij een woord zei over afmaken, niet om hemzelf. Ik verzeker u heilig, dat hij zich geen woord liet ontvallen van dat hij genoeg van haar had, of dat hij liever met Juffrouw Morton zou trouwen, of zoo iets. Maar natuurlijk, Lucy wou van dat alles niets hooren, dat zei ze hem dadelijk (met nog een heelen omhaal van verliefde praatjes en zoo--och, u weet wel, dat kan je zoo niet oververtellen); ze zei, ze dacht er niet over om het af te maken, want ze kon met hem best van een klein inkomen leven, en hoe weinig hij ook bezat, ze zou blij zijn als ze 't kreeg, of zoo iets, dat kan u zich wel voorstellen. Nu: toen was hij in de wolken natuurlijk, en praatte erover wat ze nu zouden beginnen, en ze spraken af, dat hij zoo gauw mogelijk zou zien de wijding als geestelijke te ontvangen, en dat ze zouden wachten met trouwen tot hij als predikant zou worden aangesteld. Toen kon ik niet méér hooren, want mijn nichtje riep van beneden, dat Mevrouw Richardson een van ons beiden in haar koets mee naar Kensington Gardens wou nemen; dus moest ik wel in de kamer gaan en hen storen, om Lucy te vragen, of zij misschien wou gaan; maar zij wou Edward niet alleen laten; dus liep ik gauw naar boven om een paar zijden kousen aan te trekken, en nu ben ik hier met de Richardsons."

"Ik begrijp niet, wat u bedoelt met "hen storen," zei Elinor; "u waart toch met hen in de zelfde kamer, niet waar?"

"Welnee! hoe komt u erbij?--Heere, Juffrouw Dashwood, denkt u, dat zulke verliefde lui vrijen, waar anderen bij zijn? O foei, neen; ik dacht, dat u wel beter wist!" (Hierbij lachte ze gemaakt). "Neen, neen, ze zaten samen in den salon, en ik hoorde alles, omdat ik aan de deur stond te luisteren."

"Maar hebt u dan nu," riep Elinor, "voor mij herhaald, wat u zelf hebt gehoord door te luisteren aan de deur? Het spijt mij wel zeer, dat ik dit niet eerder heb geweten; want ik zou stellig hebben geweigerd, uit uw mond bijzonderheden te vernemen, die u zelve niet behoordet te weten. Hoe kondt u zoo oneerlijk zijn tegenover uw zuster?"

"Och kom, wat doet dàt er nu toe! Ik stond alleen maar bij de deur, en ik hoorde wat ik kon opvangen. Ik weet zeker dat Lucy tegenover mij precies 't zelfde zou hebben gedaan, want een jaar of wat geleden, toen ik altijd geheimen had met Martha Sharpe, vond zij er niets in, zich in de kast te verstoppen, of onder den schoorsteen, om af te luisteren wat wij elkaar vertelden."

Elinor poogde over iets anders te spreken; maar Juffrouw Steele kon geen twee minuten afblijven van het onderwerp dat haar op dit oogenblik vervulde.

"Edward sprak ervan, gauw naar Oxford te gaan," zei ze; "maar vooreerst logeert hij in Pall Mall, no. 14. Wat een akelig mensch toch, die moeder van hem! En uw broer en zuster waren ook lang niet aardig! Maar tegen _u_ wil ik van hen geen kwaad zeggen; ze stuurden ons toch nog naar huis in hun eigen rijtuig; dat was meer dan ik verwachtte. _Ik_ was maar bang, dat uw zuster ons naar die mooie naaldenboekjes zou vragen, die ze ons voor een paar dagen had gegeven; maar niemand zei er iets van, en ik stopte 't mijne weg. Edward zegt, dat hij nu een poos in Oxford moet werken; dus daar blijft hij nu een tijdje, en zoo gauw hij dan maar een bisschop kan vinden, wordt hij gewijd. Ik ben benieuwd in welke plaats hij dan wordt aangesteld!--O jé, (hier begon zij te giegelen) "ik wed, dat ik weet wat mijn nichtjes zullen zeggen, als ze ervan hooren. Dan willen ze, dat ik aan den dokter zal schrijven, om voor Edward een goed woordje te doen. Dat weet ik stellig; maar ik zou 't niet doen, al was 't ook nòg zoo. "Verbeeld je," zal ik tegen hen zeggen, "ik begrijp niet, waar jelui 't vandaan haalt. _Ik_ aan den dokter schrijven, stel je voor!"

"Nu," zei Elinor, "'t is altijd goed, op alles te zijn voorbereid. Uw antwoord hebt u ten minste klaar."

Juffrouw Steele wilde verder doorgaan op dat onderwerp; maar daar zij haar eigen gezelschap nu zag aankomen, scheen iets anders haar meer dringend.

"O jé, daar komen de Richardsons aan. Ik had u nog een heeleboel te zeggen; maar ik mag ze niet langer in den steek laten. 't Zijn deftige lui, hoor. Hij verdient geld als water, en ze hebben eigen rijtuig. Ik heb nu geen tijd om 't Mevrouw Jennings zelf te vertellen, maar zegt u haar maar, dat ik blij ben, dat ze niet boos op ons is, en Lady Middleton ook niet; en als u en uw zuster misschien eens zoudt moeten weggaan, en Mevrouw Jennings graag wat gezelschap heeft, dan zouden wij met pleizier bij haar komen, zoolang ze maar wil. Ik denk niet, dat Lady Middleton ons ditmaal nog wéér verzoeken zal. Nu, tot ziens; 't spijt mij dat Juffrouw Marianne niet hier was. U wilt haar wel van mij groeten. Heden--hebt u die dunne japon met de moesjes aan?--was u niet bang dat het goed zou scheuren?"--

Met die bezorgde vraag nam zij afscheid; want zij had nog slechts even den tijd om Mevrouw Jennings goeden dag te zeggen, eer Mevrouw Richardson haar kwam afhalen, en Elinor bleef achter met de wetenschap van 't een en ander, dat haar stof tot nadenken gaf, hoewel zij weinig meer vernomen had, dan 't geen zij reeds in stilte zelve voorzien en overlegd had. Edward's huwelijk met Lucy stond even vast, en het tijdstip der voltrekking ervan bleef even onzeker, als zij verwacht had;--alles hing af, precies zooals zij had gedacht, van de mogelijkheid, dat hem een predikantsplaats zou worden aangeboden; iets, waarop voorloopig niet de minste kans bestond.

Zoodra ze weer in het rijtuig zaten, wilde Mevrouw Jennings alles hooren; maar daar Elinor zoo min mogelijk dingen wilde verder vertellen, die, om te beginnen, door ongeoorloofde middelen te harer kennis waren gekomen, beperkte zij zich tot de korte mededeeling van die bijzonderheden, welke zij begreep, dat Lucy, terwille van haar eigen waardigheid, gaarne algemeen bekend zou zien. Zij had niet anders te berichten dan het voortduren van de verloving, en de middelen die zouden worden aangewend om het einde ervan te bespoedigen; 't geen Mevrouw Jennings het zeer natuurlijke antwoord ontlokte: "Wachten tot hij een predikantsplaats krijgt--ja, dat weten we allemaal wel, waarop _dat_ uitloopt;--dat houden ze een jaar vol, en als ze dan zien dat het niets helpt, nemen ze een betrekking voor lief als hulpprediker, en dan moeten ze 't stellen met vijftig pond in 't jaar, de rente van zijn tweeduizend pond, en het beetje, dat Mijnheer Steele en Mijnheer Pratt haar kunnen afstaan. Dan komt er ieder jaar een kind! en och, och, wat zullen ze zich moeten behelpen!--ik moet eens zien, wat ik hun kan geven voor 't inrichten van hun huisje. En gisteren praatte ik nog van twee meisjes en twee knechts! 't lijkt er niet naar.--Neen, ze moeten een flinke werkster hebben.--Betty's zuster zou hun _nu_ niet meer passen."

Den volgenden morgen bracht de post Elinor een brief van Lucy zelf. Zij schreef:

Bartlett's Buildings, Maart.