Chapter 22
Daar John Dashwood evenmin pleizier had in muziek als zijn oudste zuster, kon hij eveneens zijn gedachten naar believen bij iets anders bepalen, en in den loop van den avond viel hem iets in, dat hij bij zijn thuiskomst aan zijn vrouw meedeelde, in de hoop dat het hare goedkeuring zou wegdragen. De vergissing van Mevrouw Dennison, die zijne zusters als zijn logeergasten had beschouwd, had hem op het denkbeeld gebracht, of het misschien ook gepast zou zijn, hen werkelijk te logeeren te vragen, zoolang Mevrouw Jennings zooveel tijd buitenshuis doorbracht. Veel onkosten zou 't hun niet veroorzaken; veel last evenmin, en het was dan toch eene attentie, die zijn teergevoelig geweten hem als noodzakelijk deed beschouwen, ter volkomen kwijting van de belofte, tegenover zijn vader afgelegd. Fanny schrikte van het voorstel.
"Ik zie niet in, hoe dat zal gaan," zei ze, "zonder onbeleefd te zijn jegens Lady Middleton; want ze zijn elken dag bij háár; anders zou ik het met pleizier doen. Je weet wel, dat ik altijd bereid ben, hun wáár ik kan, een beleefdheid te bewijzen, zooals ik door dezen uitgang van avond weer heb getoond. Maar ze zijn de gasten van Lady Middleton. Kan ik haar nu wel van hen berooven?"
Haar echtgenoot vond, in alle bescheidenheid, hare tegenwerping toch eigenlijk niet afdoende. Zij hadden nu al een week op deze wijze gelogeerd in Conduit Street, en het zou Lady Middleton stellig niet hinderen, wanneer zij hetzelfde aantal dagen doorbrachten bij hun eigen naaste familie.
Fanny zweeg een oogenblik, en zei toen, met nog grooteren nadruk: "Beste man, als het maar kon, zou ik niets liever doen. Maar ik had juist bij mij zelf overlegd, dat we de meisjes Steele een paar dagen te logeeren moesten vragen. Dat zijn heel geschikte, aardige meisjes; en ik vind, dat we 't eigenlijk wel verplicht zijn, omdat hun oom zich zooveel moeite heeft gegeven met Edward. Dan kunnen we je zusters 't volgend jaar vragen; maar de dames Steele komen misschien dan niet weer in de stad. Je zult ze stellig héél aardig vinden; trouwens ik weet, dat je dat nu al doet; evenals mama, en Harry mag ze zoo graag lijden!"
De Heer Dashwood was overtuigd. Hij zag dadelijk in, dat het noodig was, de dames Steele te inviteeren; en zijn geweten werd gerustgesteld door het besluit, zijn zusters te vragen in het volgend jaar. In stilte vermoedde hij wel, dat de uitnoodiging een jaar later overbodig zou zijn; want dan kwam Elinor natuurlijk als Kolonel Brandon's vrouw, en Marianne als de gast van dàt echtpaar.
Fanny, blij over die onverwachte uitkomst, en trotsch op de handigheid waarmee ze zich had weten te redden, schreef den volgenden morgen aan Lucy, om haar en hare zuster een paar dagen in Harley Street te logeeren te vragen, zoodra Lady Middleton hen kon missen. Dat was voldoende om Lucy waarlijk en met reden tevreden te doen zijn. Het scheen wel, of Mevrouw Dashwood haar plannen in de hand werkte, alsof zij dezelfde hoop koesterde als zij, en háár geluk wilde bevorderen! Zulk een gelegenheid om met Edward èn zijn familie samen te zijn, was voor haar van het allergrootste belang, en zulk eene uitnoodiging vond zij wel buitengewoon vleiend! Het was een voorrecht, dat zij niet dankbaar genoeg kon erkennen en niet spoedig genoeg zich ten nutte maken; en het bezoek bij Lady Middleton, waarvan de duur te voren niet was bepaald, bleek plotseling over twee dagen aan zijn afgesproken einde te zullen zijn gekomen.
Toen het briefje, tien minuten nadat het was ontvangen, aan Elinor werd vertoond, deed het haar voor de eerste maal, eenigszins deelen in Lucy's verwachtingen; want zulk een ongewoon bewijs van vriendelijkheid, na zóó korte kennismaking, scheen te duiden op een welgezindheid, die haar oorsprong vond in méér dan louter kwaadwilligheid jegens haarzelve, en misschien op den duur en met wat behendigheid kon worden aangewend om Lucy's verlangens te vervullen. Haar vleierij had Lady Middleton's trots reeds doen buigen, en haar den weg gebaand naar het moeilijk toegankelijk hart van Mevrouw John Dashwood; uitwerkselen, die nog grootere mogelijkheden deden verwachten.
De dames Steele vertrokken naar Harley Street, en al wat Elinor ter oore kwam omtrent hun invloed daar aan huis, droeg ertoe bij haar verwachting te versterken. Sir John, die hen meermalen ging opzoeken, bracht verhalen mee omtrent de gunst waarin zij stonden, die ieder versteld deden staan. Mevrouw Dashwood had nog nooit in haar leven zulke lieve meisjes ontmoet; ze had hun ieder een naaldenboekje gegeven, het werk van een of anderen vreemden vluchteling; zij noemde Lucy bij haar voornaam, en zij wist niet, hoe zij het ooit zonder hen zou stellen.
HOOFDSTUK XXXVII
Na een paar weken was Mevrouw Palmer zóó wel, dat haar moeder het niet meer noodig vond, zich geheel en al aan haar te wijden; zij bezocht haar dan nu ook slechts eens of tweemalen per dag en keerde terug naar haar eigen huis en tot haar oude gewoonten; waarbij zij de dames Dashwood zeer bereid vond, deze te deelen, zooals zij dat reeds vroeger hadden gedaan.
Den derden of vierden morgen nadat zij het oude leventje in Berkeley Street hadden hervat, kwam Mevrouw Jennings, bij haar terugkomst van het gewone bezoek aan Mevrouw Palmer, den salon binnen, waar Elinor alleen zat, met zulk een haast, en zulk een vertoon van gewicht, dat Elinor zich reeds op iets heel bijzonders voorbereidde; maar zonder haar tijd te gunnen tot méér dan die eene gedachte, begon haar gastvrouw deze aanstonds te rechtvaardigen door te zeggen: "Mijn lieve Elinor! heb je 't nieuws al gehoord?"
"Neen, mevrouw. Wat is het dan?"
"O, zoo vreemd! Ik zal je alles vertellen. Toen ik bij mijn dochter kwam, was Charlotte doodelijk ongerust over 't kind. Ze dacht dat het erg ziek was;--'t schreide, 't was lastig, en 't had uitslag overal. Ik ging gauw kijken, en ik zei: Lieve kind, zei ik; dat is niets; een beetje roos, en dat zei de baker ook. Maar Charlotte had er geen rust bij; dus werd Dr. Donovan gehaald; en hij was gelukkig juist thuis gekomen uit Harley Street, dus liep hij even bij ons aan, en zoodra hij 't kind zag zei hij ook net als wij, dat het een beetje roos was in het tandvleesch, en toen was Charlotte gerust. En juist toen hij wou heen gaan, kwam 't mij zoo in de gedachte, ik weet niet hoe 't zoo was, maar 't viel mij zoo in, om hem te vragen of hij ook iets nieuws had te vertellen. Nu, toen lachte hij zoo'n beetje, en trok een gek gezicht, en keek dan weer ernstig, en scheen wel iets bijzonders te weten, en eindelijk zei hij zachtjes: "Als de jonge dames die bij u logeeren, misschien ongunstige berichten mochten hooren omtrent hun zuster's ongesteldheid, dan wil ik nu maar vast tot hun geruststelling zeggen, dat er geen reden bestaat tot bezorgdheid; het zal, denk ik, met Mevrouw Dashwood wel goed afloopen, daar ben ik niet bang voor."
"Wat? is Fanny ziek?"
"Precies wat ik zelf zei, kind. "Heden", zei ik, "is Mevrouw Dashwood ziek?"--Dus toen kreeg ik alles te hooren, en naar ik wèl heb begrepen, komt het hierop neer: Mijnheer Edward Ferrars, dat zelfde jongemensch met wien ik jou wel eens geplaagd heb (ik ben intusschen maar blij, nu 't zoo uitkomt, dat dààr niets van aan was) die Mijnheer Edward Ferrars dan schijnt al langer dan een jaar verloofd te zijn geweest met mijn nichtje Lucy!--Wat zeg je dáárvan, kind. En geen mensch, die er van wist dan Anne! Zou je zooiets hebben kunnen gelooven?--Dat ze van elkaar houden is zoo'n wonder niet; maar dat het zóóver tusschen hen was gekomen, en niemand er op verdacht was! _Dat_ is vreemd!--ik heb ze nooit samen gezien,--anders had ik het natuurlijk gauw in de gaten gehad. Nu, het werd dan diep geheim gehouden, uit vrees voor Mevrouw Ferrars, en noch zij, noch je broer en zuster hadden 't flauwste vermoeden ervan,--tot dat Anne, die een goed schepsel is, zooals je weet, maar de wijsheid niet in pacht heeft, er van morgen op eens mee voor den dag kwam. "Kom," denkt ze bij zichzelf, "ze zijn allemaal zóó dol op Lucy, ze hebben er bepaald niets op tegen," en zóó loopt ze naar je zuster, die in haar eentje aan haar handwerk zit, en weinig wist, wat haar boven 't hoofd hing,--want ze had geen vijf minuten te voren tegen je broer gezegd, dat zij van plan was, het klaar te spelen tusschen Edward en een andere dame, de dochter van een Lord... dat weet ik niet meer, hoe die heette. Dus je kunt denken wat een slag dit was voor haar ijdelheid en haar trots. Ze kreeg het verschrikkelijk op de zenuwen en gilde zoo hard, dat je broer het beneden hoorde; die zat in zijn kamer, van plan een brief te schrijven aan zijn rentmeester. Hij vloog naar boven; en toen werd het daar een scène van belang, want Lucy was er ook op afgekomen, weinig vermoedende, wat er gaande was. Dat arme schepsel! háár beklaag ik. Ze hebben haar ook niet mooi behandeld, moet ik zeggen; want je zuster schold haar uit voor al wat leelijk was; en al heel gauw viel Lucy flauw. Anne viel op de knieën en schreide allerjammerlijkst, en je broer liep de kamer rond en wist niet, wat te beginnen. Mevrouw Dashwood riep maar, dat ze geen minuut langer in haar huis mochten blijven, en toen moest je broer óók wel voor haar op de knieën vallen, om haar te bewegen, hen te laten blijven, tot ze hun goed hadden gepakt. Toen kreeg ze weer een zenuwtoeval, en hij werd zoo bang, dat hij Dr. Donovan liet halen, en Dr. Donovan had hen met elkaar gevonden in zóó'n toestand. Het rijtuig stond al klaar om mijn arme nichten weg te brengen, ze stapten juist in, toen hij wegging; Lucy kon bijna niet loopen, zei hij, en Anne was haast even erg. Ik kan 't niet uitstaan van je zuster, en ik hoop van harte dat ze toch een paar worden, tegen haar zin. Och, och, wat zal die arme Edward wel zeggen als hij ervan hoort! Dat zijn meisje zoo minachtend wordt behandeld! want ze zeggen dat hij dol op haar is, en geen wonder. 't Zou mij niet verwonderen, als hij er half razend door wordt, en dat dacht Dr. Donovan ook. We hebben er samen lang en breed over gepraat, en het trof gelukkig, dat hij weer terugging naar Harley Street, om bij de hand te zijn, wanneer ze 't vertelden aan Mevrouw Ferrars; want die werd gehaald, zoodra mijn nichtjes het huis uit waren; en je zuster wist vooruit, dat zij 't óók op de zenuwen zou krijgen; nu, dat gun ik haar graag. Ik heb met geen van beiden een ziertje medelijden. Daar heb ik geen begrip van, hoe de menschen zoo'n drukte kunnen maken over geld en voornaamheid. Ik zie volstrekt niet in, waarom Mijnheer Edward en Lucy niet zouden kunnen trouwen; want Mevrouw Ferrars kan haar zoon genoeg meegeven, en al heeft Lucy zoo goed als niets, ze weet beter dan de meesten met weinig rond te komen; en als Mevrouw Ferrars hem maar vijfhonderd pond in 't jaar wou geven, dan zou zij ermee voor den dag komen, als een ander met achthonderd zou doen. Wat zouden ze 't niet genoeglijk kunnen hebben samen, in zoo'n soort huisje als dat van jelui,--of een beetje grooter--met twee dienstmeisjes en twee knechts; en ik zou ze dadelijk een kamermeisje kunnen bezorgen, denk ik, want de zuster van mijn Betty zoekt een dienst, en die zou juist voor hen passen."
Hier hield Mevrouw Jennings een oogenblik op, en daar Elinor tijd genoeg had gehad, haar gedachten te verzamelen, was zij in staat, juist dàt antwoord te geven, en precies díe opmerkingen te maken, die in dit geval als voor de hand liggend mochten worden beschouwd. Al blijde, te bespeuren, dat zij niet werd verdacht van eenige buitengewone belangstelling, en dat Mevrouw Jennings (zooals zij reeds dikwijls had gehoopt in den laatsten tijd) al lang niet meer in de meening verkeerde, dat zij iets gevoelde voor Edward; maar vooral blij, omdat Marianne niet in de kamer was, kon zij zeer goed, zonder verlegenheid te toonen, over de zaak spreken, en een, naar zij meende, onpartijdig oordeel uiten over het gedrag van allen, die erbij waren betrokken.
Zij kon bijna niet uitmaken, wat zij zelve verwachtte dat deze gebeurtenis ten gevolge zou hebben;--hoewel zij zich ernstig trachtte te verzetten tegen het denkbeeld, dat de zaak bij mogelijkheid op iets anders kon uitloopen dan het huwelijk van Edward en Lucy. Wat Mevrouw Ferrars zou zeggen en doen, scheen wel allesbehalve twijfelachtig; maar zij was er toch benieuwd naar, en nog veel meer benieuwd, hoe Edward zelf zich zou gedragen. Met hèm had zij medelijden;--met Lucy heel weinig, en dat weinigje riep ze met moeite te voorschijn;--met de anderen in 't geheel niet.
Daar Mevrouw Jennings over niets anders kon praten, zag Elinor spoedig in, dat Marianne op de bespreking van de zaak moest worden voorbereid. Er viel geen tijd te verliezen; zij moest op de hoogte worden gebracht, de volle waarheid vernemen, en leeren, erover te hooren spreken door anderen, zonder te laten merken, dat zij bedroefd was om hare zuster, of verontwaardigd over Edward's gedrag.
Het was een pijnlijke taak voor Elinor. Zij moest haar zuster ontnemen, wat zij werkelijk als Marianne's grootsten troost beschouwde,--moest haar dingen omtrent Edward vertellen, die zij vreesde, dat hem voor altoos haar goede meening zouden doen verliezen, en zij zou Marianne door de gelijkenis van beider omstandigheden, die haar wel treffend moest schijnen, al haar eigen teleurstelling opnieuw doen gevoelen. Doch hoe onwelkom die taak ook mocht zijn, zij moest vervuld worden, en Elinor haastte zich te doen, wat haar te doen stond.
Allerminst wenschte zij, lang stil te staan bij haar eigen gevoelens of het te doen voorkomen, alsof zij zwaar verdriet had, behalve dan in zooverre, als het zelfbedwang, dat zij zich had opgelegd, sedert zij voor het eerst Edward's verloving vernam, voor Marianne eenigermate eene aansporing kon zijn, dit ook van hare zijde te betrachten. Zij vertelde alles duidelijk en eenvoudig; en ofschoon niet onbewogen, liet zij zich toch geenszins vervoeren tot heftige aandoening of onstuimige smart. _Deze_ bleven overgelaten aan haar die luisterde; want Marianne hoorde haar aan met ontzetting, en schreide bitter. Elinor scheen de troosteres te moeten zijn van anderen, zoowel in haar eigen verdriet, als in het hunne, en bereidwillig bood zij al de geruststelling aan, die zij kon schenken, door de verzekering, dat zij zelve nu volkomen kalm was, en door haar ernstige voorspraak van Edward, dien zij vrijpleitte van alle schuld, behalve onvoorzichtigheid.
Doch een tijdlang wilde Marianne noch het een, noch het ander gelooven. Edward scheen wel een andere Willoughby, en als Elinor toegaf, zooals ze _deed_, dat zij hem innig had liefgehad, kon zij dan minder gevoelen dan Marianne zelve? Wat Lucy Steele betrof, zij beschouwde haar als zoo volkomen onaantrekkelijk, zoo absoluut ongeschikt om de liefde van een verstandig man te winnen, dat zij aan een vroegere genegenheid van Edward voor Lucy eerst niet wilde gelooven, en hem die in geen geval vergeven kon. Zij wilde zelfs niet inzien, dat zooiets natuurlijk had kunnen zijn; en Elinor gaf het maar op, en liet haar bij hare meening, totdat die overtuiging haar zou zijn bijgebracht door het eenige, dat haar overtuigen kòn, eene grootere mate van menschenkennis.
Haar eerste mededeeling had zich niet verder uitgestrekt dan tot het feit van de verloving en den duur ervan. Daarop was Marianne's gevoel tusschenbeide gekomen en had een einde gemaakt aan allen geregelden samenhang. Een tijdlang rustte op Elinor de taak, haar droefheid te doen bedaren, haar ongerustheid te doen verminderen en haar verontwaardiging te bestrijden. De eerste vraag van Marianne's kant, die tot verdere bijzonderheden leidde, was:
"Hoe lang heb je dit al geweten, Elinor? Heeft hij het je geschreven?"
"Ik wist het al vier maanden. Toen Lucy pas te Barton was gekomen, in November, vertelde ze mij in vertrouwen, dat ze verloofd was."
Bij deze woorden drukten Marianne's oogen de verwondering uit, die haar lippen niet konden uitspreken. Na een oogenblik van zwijgende verbazing, riep ze:
"Vier maanden?--Heb je dit vier maanden lang geweten?"
Elinor antwoordde bevestigend.
"Dus... terwijl je deelde in al mijn verdriet, hadt je _dit_ op het hart? En ik maakte je er een verwijt van, dat je gelukkig waart!"
"Het zou niet goed voor je zijn geweest, toen te weten, hoe zeer het tegendeel bij mij 't geval was."
"Vier maanden!" riep Marianne nogmaals. "En zoo kalm, zoo vroolijk! Wat stelde je daartoe in staat?"
"Het gevoel, dat ik mijn plicht deed. Mijn belofte aan Lucy verplichtte mij tot geheimhouding. Ik moest dus om harentwil vermijden, ook maar een zweem van de waarheid te doen vermoeden, en bij mijn familie en goede vrienden mocht ik geen bezorgdheid wekken, die ik niet bij machte zou zijn te verdrijven."
Marianne scheen diep getroffen.
"Ik heb dikwijls verlangd, jou en moeder alles duidelijk te maken," voegde Elinor erbij, "en een paar malen beproefde ik dat zelfs;--maar zonder het in mij gestelde vertrouwen te verraden, had ik je nooit kunnen overtuigen."
"Vier maanden!--en toch hadt je hem lief!"
"Ja. Maar ik had niet hem alléén lief,--en zoolang het geluk van anderen mij ter harte ging, was ik blijde, hun de wetenschap te kunnen besparen van wat ik gevoelde. Nu kan ik eraan denken en erover spreken zonder heftige aandoening. Ik zou niet willen dat je om mijnentwille verdriet hadt, want feitelijk heb ik zelf nu géén verdriet meer. Ik heb veel dingen, die mij steun geven. Ik ben mij niet bewust, mij te hebben blootgesteld aan deze teleurstelling door eigen onvoorzichtigheid, en ik heb die zooveel mogelijk gedragen zonder anderen erin te laten deelen. Ik kan in gemoede verklaren dat Edward zich niet heeft misdragen. Ik hoop, dat hij gelukkig zal worden, en ik weet zóó zeker, dat hij altoos zijn plicht zal doen, dat hij het ten slotte worden zàl, al mag hij nu ook nog een weinig bedroefd zijn. Verstand heeft Lucy genoeg, en dat is een grondslag, waarop zich veel goeds laat bouwen. En dan, Marianne, wel beschouwd, ondanks al wat er betooverends moge zijn in de voorstelling van ééne duurzame getrouwe genegenheid, ondanks al dat roemen in een geluk, dat uitsluitend afhankelijk is van één bepaalden persoon, het is ons niet beschoren,--het is niet geoorloofd,--het is niet mogelijk, dat dit waarheid zij. Edward zal trouwen met Lucy; hij zal trouwen met een vrouw, die, wat uiterlijk en verstand betreft, de meerdere is van de helft harer seksegenooten, en tijd en gewoonte zullen hem leeren vergeten, dat hij ooit eene andere als de meerdere van háár heeft beschouwd."
"Als je er zóó over denkt," zei Marianne, "als het verlies van wat je het hoogst schatte, zóó gemakkelijk kan worden vergoed door iets anders, dan zijn je vastberadenheid en je zelfbedwang misschien een beetje minder verwonderlijk te achten. Althans meer binnen 't bereik van mijn begrip."
"Ik weet, wat je zeggen wilt. Je gelooft niet, dat ik ooit veel gevoeld kan hebben. Vier maanden, Marianne, ben ik van dit alles vervuld geweest, zonder dat het mij vrijstond, er met één sterveling over te spreken; begrijpende, dat het jou en moeder bitter verdriet moest doen, wanneer je het te weten kwaamt, en toch niet in staat, je er ook maar in 't minst op voor te bereiden. Het werd mij verteld; het werd mij, om zoo te zeggen, opgedrongen door de persoon zelve, wier vroegere verbintenis al mijn verwachtingen neersloeg; en verteld, naar het mij voorkwam, met zegevierenden trots. Háár achterdocht dus moest ik ontwapenen, door onverschillig te schijnen voor wat mij het allerdiepst ter harte ging. En dat gebeurde niet éénmaal; nogmaals en nogmaals moest ik de uitingen aanhooren van haar hoop en haar verrukking. Ik heb beseft, dat ik voor altijd van Edward gescheiden zou zijn, zonder te weten van ééne omstandigheid, welke mij die verbintenis minder wenschelijk had kunnen doen schijnen. Hij heeft zich noch onwaardig betoond, noch onverschillig te mijnen opzichte. Ik heb het hoofd moeten bieden aan de onheusche bejegening van zijn zuster en de beleedigende houding zijner moeder, en de straf moeten ondergaan voor eene genegenheid, waarvan ik de vreugde gemist had. En dat alles is gebeurd in dagen, die, zooals je maar al te goed weet, nog andere droefheid brachten. Wanneer je mij tot éénig gevoel in staat acht, waarlijk, dan mag je veronderstellen, dat ik _thans_ geleden heb. De kalmte, waarmede ik nu van mijzelf verkregen heb, de zaak te beschouwen, de troostgronden, die ik bereid was te erkennen, zijn de vrucht geweest van aanhoudende en smartelijke inspanning;--zij meldden zich niet vrijwillig aan; zij kwamen aanvankelijk mij geen verlichting brengen,--neen, Marianne. Toen--wanneer mij geen belofte het zwijgen had opgelegd, zou mij _toen_ misschien niets, zelfs niet wat ik mijn liefsten vrienden verschuldigd was, hebben kunnen weerhouden openlijk te toonen, dat ik mij _diep_ ongelukkig gevoelde."
Marianne had niets meer in te brengen.
"O Elinor," riep ze, "je maakt, dat ik voor altijd een hekel zal hebben aan mijzelf! Wat ben ik barbaarsch wreed tegenover je geweest!--tegenover jou, die mijn eenige troost waart, die mij trouw bijstondt in al mijn ellende, die alleen om mij scheent te lijden! Is dat mijn dank? Is dat mijn eenige vergelding? Ik heb je verdienste trachten te verkleinen, omdat zij _mijn_ tekortkoming aan het licht brengt."
Op die bekentenis volgden de teederste liefkoozingen. In de gemoedsstemming, waarin ze thans verkeerde, kon Elinor zonder moeite elke belofte van haar vergen, die haar gewenscht voorkwam; en op haar verzoek nam Marianne zich vast voor, niemand over de zaak te spreken met den geringsten schijn van bitterheid;--als zij Lucy ontmoette, geen de minste toename van haar afkeer te doen blijken, en zelfs Edward, mocht het toeval hen doen samenkomen, niet minder hartelijk te begroeten, dan zij vroeger placht te doen. Het waren zware eischen, die hier werden ingewilligd; maar als Marianne besefte, dat zij een ander onrecht had gedaan, kende haar bereidvaardigheid om het weer goed te maken, geen grenzen.
Zij vervulde haar belofte van voorzichtig te zullen zijn, op een wijze, die bewondering verdiende. Zij luisterde zonder blozen of verbleeken naar al wat Mevrouw Jennings over het onderwerp te zeggen had, verschilde geen enkele maal met haar van meening, en zei tot driemaal toe: "Ja, mevrouw." Bij het aanhooren van Lucy's lof ging zij alleen op een anderen stoel zitten, en toen Mevrouw Jennings het had over Edward's genegenheid, kostte haar dat enkel een zenuwachtige kramptrekking in haar keel. Deze aan het heldhaftige grenzende houding van hare zuster gaf Elinor een gevoel, alsof zijzelve nu wel tot àlles in staat was.
Den volgenden morgen werd die heldhaftigheid nog verder op de proef gesteld door een bezoek van hun broeder, die met een diep ernstig gezicht de treurige geschiedenis kwam vertellen en berichten, hoe het ging met zijn vrouw.
"Je hebt zeker al gehoord," zei hij plechtig, toen hij had plaats genomen, "van de alleronaangenaamste ontdekking, die gisteren bij ons aan huis heeft plaats gehad."
Zij gaven allen door blikken hun toestemming te kennen; voor woorden scheen het oogenblik te onheilvol.