Gevoel en verstand

Chapter 21

Chapter 213,878 wordsPublic domain

Het was een allerpijnlijkst oogenblik; en ieders gelaat gaf dit duidelijk te kennen. Zij sloegen alle drie een dwaas figuur, en Edward scheen evenveel lust te hebben het vertrek weer te verlaten, als naar binnen te gaan. Juist _die_ ontmoeting, in haar onaangenaamsten vorm, had thans tusschen hen plaats, die ieder van hen het liefst had willen vermijden; ze waren niet alleen met hun drieën samen maar misten daarbij de afleiding door ander gezelschap. De dames herstelden zich het eerst. Het lag niet op Lucy's weg, zich op den voorgrond te stellen, en het geheim moest zoogenaamd blijven bewaard. Zij kon haar teedere gezindheid dus slechts door blikken uitdrukken, en na hem met een enkel woord te hebben begroet, zeide zij niets meer.

Maar Elinor had méér te doen; en zóó gaarne wilde zij dat _goed_ doen, om zijnent- en om harentwil, dat zij zichzelve, na een oogenblik van krachtige inspanning wist te dwingen hem te verwelkomen met een blik en een houding, die bijna open, bijna natuurlijk waren; en dit nog meer werden na een tweede heldhaftige poging. Zij wilde zich, zoomin door Lucy's tegenwoordigheid als door het bewustzijn van eenig haar aangedaan onrecht, laten weerhouden, om hem te zeggen, dat zij blijde was hem te zien, en hoe het haar had gespeten, dat zij uit was, toen hij reeds eerder een bezoek had gebracht in Berkeley Street. Zij wilde hem, uit vrees voor Lucy's waakzamen blik, niet die beleefdheid onthouden, welke zij hem, als vriend en bijna een lid hunner familie, verschuldigd was, hoewel zij spoedig bespeurde, dat Lucy scherp op haar lette.

Haar rustige houding gaf Edward iets meer zekerheid; en hij had thans moed genoeg om te gaan zitten, maar zijn verlegenheid overtrof die der dames op een wijze, die in zijne omstandigheden, zooal niet door zijne sekse, verschoonbaar kon worden geacht; want zijn hart was niet zoo onverschillig als dat van Lucy, en zijn geweten niet zoo volkomen zuiver als dat van Elinor. Lucy scheen zich, met een vertoon van zedige bedaardheid, niet geroepen te gevoelen, het hare te doen om de anderen op hun gemak te zetten, en verkoos geen woord te zeggen; zoodat bijna alles, wat er gezegd wèrd, uitging van Elinor, die uit eigen beweging alle inlichtingen verstrekte omtrent hun moeder's gezondheid, hun reis naar de stad, enz. waarnaar Edward _niet_ vroeg, zooals hij behoorde te doen. Nog verder ging zij in haar pogingen; want weldra voelde zij zich zóó heldhaftig gezind, dat zij besloot, onder het voorwendsel, Marianne te gaan halen, de beide anderen alleen te laten; 't geen ze ook werkelijk deed, en dat wel op de meest loyale wijze; want zij bleef, met grootmoedige dapperheid, een paar minuten heen en weer drentelen op het portaal, eer zij naar haar zuster ging. Toen dat echter gebeurd was, had Edward voor liefdesbetuigingen geen tijd meer; want Marianne vloog in haar blijdschap onmiddellijk naar beneden en den salon binnen. Als al haar gevoelens, was haar vreugde, hem weer te zien, levendig op zichzelf, en levendig uitgedrukt. Zij kwam hem te gemoet met uitgestrekte hand, en in haar stem den klank van zusterlijke genegenheid.

"Beste Edward!" riep ze, "wat ben ik blij je te zien! Dit zou bijna alles weer goedmaken!"

Edward trachtte haar vriendelijkheid te beantwoorden, zooals zij verdiende; maar in tegenwoordigheid der anderen durfde hij niet half zeggen, wat hij werkelijk gevoelde. Zij gingen weer zitten, en eenige oogenblikken bleven allen zwijgen; terwijl Marianne met zichtbaar teeder welgevallen van Edward naar Elinor keek, en alleen maar betreurde, dat hun blijdschap in elkander's bijzijn werd bedorven door Lucy's onwelkome tegenwoordigheid. Edward was de eerste, die sprak; hij merkte op, dat Marianne er minder goed uitzag, en gaf zijn vrees te kennen, dat het verblijf te Londen haar niet goed bekwam.

"O, denk maar niet aan mij!" antwoordde zij, met opgewekten nadruk, hoewel haar oogen vol tranen stonden, "maak je over _mijn_ gezondheid niet bezorgd. Elinor maakt het goed, zooals je ziet. Dat moet voor ons beiden voldoende zijn."

Deze opmerking droeg er niet toe bij, Edward en Elinor kalmer te stemmen, en nog minder om haar de welwillende gezindheid te verwerven van Lucy, die Marianne allesbehalve vriendelijk aanzag.

"Bevalt Londen je goed?" vroeg Edward, om toch maar iets te zeggen, dat een ander onderwerp van gesprek aan de hand kon doen.

"Neen, volstrekt niet. Ik had mij er veel genoegen van voorgesteld; maar dat heb ik er niet gevonden. Dit weerzien van jou, Edward, is de eenige blijdschap, die 't mij heeft gebracht; en jij bent gelukkig nog altijd dezelfde!"

Zij zweeg--en ook de anderen bleven zwijgen. "Mij dunkt, Elinor," ging Marianne voort, "we moesten Edward vragen om voor ons te zorgen als we weer naar Barton teruggaan. Over een paar weken zal dat wel gebeuren, en ik denk dat Edward er wel niet op tegen zal hebben, die opdracht te aanvaarden."

De arme Edward prevelde iets, dat niemand verstond, misschien hij zelf ook niet. Maar Marianne, die zag, dat hij zenuwachtig was, en licht geneigd was, de oorzaak hiervoor te zoeken in 't geen haar 't best behaagde, scheen volkomen voldaan en sprak spoedig over iets anders.

"O Edward, wat hebben we gisteren een dag gehad, in Harley Street! Zóó vervelend; zoo ontzaglijk vervelend! Maar dááromtrent heb ik je veel te vertellen, dat ik nu niet zeggen kan."

Met zoo bewonderenswaardige omzichtigheid verschoof zij de mededeeling, dat zij hun wederzijdsche bloedverwanten onaangenamer had gevonden dan ooit, en in 't bijzonder aan zijn moeder een hekel had, tot later, wanneer er gelegenheid zou zijn voor een vertrouwelijk gesprek.

"Maar waarom was jij er niet, Edward?--Waarom was je niet gekomen?"

"Ik had iets anders te doen."

"Iets anders?--Maar wat kon dat zijn, terwijl je je beste vrienden hadt kunnen ontmoeten?"

"U denkt zeker, juffrouw Marianne," riep Lucy, de gelegenheid aangrijpend om wraak te nemen, "dat jongelui zich nooit bekommeren om hun verplichtingen, als ze niet van plan zijn, die na te komen, in 't klein, zoowel als in 't groot."

Elinor was ernstig boos; maar Marianne scheen de hatelijkheid niet te willen opmerken, want zij antwoordde bedaard:

"Neen, tòch niet; want in ernst, ik ben overtuigd, dat alleen nauwgezetheid van geweten Edward verhinderde naar Harley Street te gaan. En ik geloof stellig, dat hij van alle menschen het allerkwetsbaarste geweten heeft, het meest nauwgezet elke verplichting nakomt, hoe gering die ook zij, en hoe ook in tegenspraak met zijn belang of genoegen. Hij is meer bevreesd om anderen verdriet te doen, om verwachtingen teleur te stellen, minder in staat tot zelfzuchtige bedoelingen, dan iemand, dien ik ooit heb ontmoet. Het _is_ zoo, Edward, en ik _wil_ het zeggen. Wat! zou jij je nooit mogen hooren prijzen? Dan zou je mijn vriend niet kunnen zijn, want zij, wien ik liefde en achting toedraag, moeten zich ook mijn openhartigen lof laten welgevallen."

De soort van lof, in dit geval door haar toegekend, paste echter zoo buitengewoon slecht bij de gevoelens van twee harer toehoorders, en scheen Edward zoo weinig voldoening te verschaffen, dat hij al heel spoedig opstond om heen te gaan.

"Ga je nu al?" zei Marianne; "maar beste Edward, dat kan toch niet."

En hem terzijde nemend, fluisterde zij hem toe, dat Lucy stellig niet lang meer kon blijven. Doch zelfs deze aansporing baatte niet; hij _moest_ weg, en Lucy, die gewacht zou hebben, al had zijn bezoek twee uren geduurd, nam spoedig daarna ook afscheid.

"Wat doet ze hier toch zoo dikwijls?" zei Marianne, toen zij was heengegaan. "Kon ze niet begrijpen, dat we haar graag kwijt waren? Zoo vervelend voor Edward!"

"Och, waarom?--we zijn allen vrienden van hem; en Lucy heeft hem 't langst gekend. 't Is heel natuurlijk, dat hij haar even graag ontmoet als ons."

Marianne zag haar ernstig aan en zei: "Je weet, Elinor, dat ik deze soort van redeneeringen niet kan verdragen. Als je alleen maar hoopt, tegenspraak uit te lokken, zooals ik wel vermoeden moet, dat het geval is, dan behoor je toch te bedenken, dat ik de laatste persoon ben, van wie je die verwachten kunt. Ik wil mij niet verlagen tot die komedie, mij beweringen te laten afpersen, die volkomen overbodig zijn."

Daarop ging zij de kamer uit, en Elinor durfde haar niet volgen om de zaak uit te leggen, want gebonden als zij was door haar belofte van geheimhouding tegenover Lucy, kon zij Marianne niets mededeelen, dat haar overtuigen kon; en al zouden de gevolgen van Marianne's onwetendheid in dezen ook nog zoo onaangenaam kunnen zijn, zij was verplicht ze te dragen. Al wat zij kon hopen, was, dat Edward niet dikwijls haar en zichzelf zou blootstellen aan de pijnlijke gewaarwordingen, veroorzaakt door Marianne's misplaatste geestdrift, of tot eene herhaling van de vele smartelijke gevoelens, die zijn laatste bezoek had gewekt--en zij had alle reden, dit te verwachten.

HOOFDSTUK XXXVI

Eenige dagen na deze ontmoeting verkondigden de nieuwsbladen der wereld de tijding, dat de echtgenoote van den Heer Thomas Palmer voorspoedig was bevallen van een zoon; een zeer belangwekkend en verblijdend bericht, althans voor alle intieme bekenden, die erop waren voorbereid.

Deze gebeurtenis, zoo hoogst gewichtig voor Mevrouw Jennings' levensvreugde, bracht een tijdelijke wijziging in hare tijdverdeeling, en oefende eveneens invloed uit op het doen en laten harer jeugdige vriendinnen; want daar zij liefst zooveel mogelijk bij Charlotte wilde zijn, ging zij daar elken morgen heen, zoodra zij gekleed was, en kwam eerst laat in den avond terug; terwijl de dames Dashwood, op het dringend verzoek van de Middletons, den geheelen dag doorbrachten in Conduit Street. Zij zouden het zelven veel gemakkelijker hebben gevonden, ten minste des morgens tehuis te blijven; maar die wensch kon niet tegen den zin van alle anderen worden doorgedreven. Hun tijd werd dus ter beschikking gesteld van Lady Middleton en de beide dames Steele, die feitelijk hun gezelschap bitter weinig op prijs stelden, maar het des te ijveriger beweerden te zoeken.

Zij waren te verstandig om aangenaam gezelschap te zijn voor de eerste, en door de beide anderen werden zij met een afgunstig oog beschouwd, als indringsters op hun terrein, die deelden in de vriendelijkheid, welke zij voor zich alleen in beslag dachten te nemen. Hoewel niets beleefder kon zijn dan Lady Middleton's houding tegenover Elinor en Marianne, hield zij toch in het geheel niet van hen. Daar zij noch haar, noch hare kinderen vleiden, kon zij niet gelooven, dat zij goedhartig waren; en omdat ze veel van lezen hielden, verbeeldde zij zich, dat ze satiriek waren; zonder misschien precies te weten wat satiriek zijn beduidde; maar dàt deed er minder toe. Het was een gebruikelijke afkeuring, en 't kon geen kwaad, dat het eens werd gezegd.

Hunne tegenwoordigheid legde beiden haar en Lucy een zekeren dwang op. Zij hinderden de eene in haar laten, en de andere in haar doen. Lady Middleton schaamde zich voor hen, dat ze niets uitvoerde, en Lucy was bang, dat ze haar zouden minachten om de vleierij, die zij anders vol zelfvoldoening placht toe te dienen. Juffrouw Anne werd het minst van streek gebracht door hun bijzijn, en het stond in hun macht, haar geheel ermee te verzoenen. Als een van hen beiden haar maar eens volledig en tot in de kleinste bijzonderheden had ingelicht omtrent die geschiedenis tusschen Marianne en den Heer Willoughby, dan zou ze zich ruim beloond hebben geacht voor 't gemis van het warmste plaatsje bij den haard na den eten, dat zij na hunne komst had moeten afstaan. Maar deze tegemoetkoming werd haar niet bewezen, en al liet zij zich meermalen tegenover Elinor uitroepen van medelijden met hare zuster ontvallen, of al hield ze ten aanhoore van Marianne herhaaldelijk beschouwingen over de wispelturigheid van galante cavaliers, zij bereikte er niet anders mee, dan dat de eerste onverschillig en de laatste met minachtenden afkeer haar aanzag. En met nog veel geringere moeite hadden ze haar vriendschap kunnen winnen. Als ze haar toch maar eens hadden geplaagd met den dokter! Doch zij waren al even weinig als de anderen gezind haar hierin ter wille te zijn, en als Sir John niet thuis kwam dineeren, moest zij soms een geheelen dag doorbrengen zonder andere grappen te hooren over dat onderwerp, dan die, waarmee ze zich zelve placht te vermaken.

Van al die afgunst en ontevredenheid echter bleef Mevrouw Jennings zoo totaal onkundig, dat zij het verrukkelijk voor de meisjes vond om zooveel samen te zijn; en in den regel haar logéetjes elken avond gelukwenschte dat ze alweer een dag aan 't gezelschap van een saaie oude vrouw waren ontsnapt. Zij kwam wel eens met hen bij Sir John, en sprak ze ook wel in haar eigen huis; maar waar het ook mocht zijn, zij was altijd in haar nopjes, verrukt en gewichtig, Charlotte's welbevinden toeschrijvend aan háár goede zorgen, en steeds bereid tot een zoo nauwkeurige en uitvoerige beschrijving van haar gezondheidstoestand, als alleen Juffrouw Steele nieuwsgierig genoeg was te verlangen. _Een_ ding hinderde haar toch, en daarover beklaagde zij zich dan ook elken dag. De Heer Palmer hield zich aan de algemeene, doch onvaderlijke uitspraak zijner sekse, dat alle kleine kinderen precies eender zijn; en hoewel zij op verschillende tijden duidelijk de meest treffende gelijkenis kon zien tusschen dit kleine ding en al zijn bloedverwanten van beide zijden, zij kòn zijn vader daarvan maar niet overtuigen; zij kòn hem niet overhalen te gelooven, dat het er niet precies zoo uitzag als elke baby van den zelfden leeftijd; en zelfs tot de eenvoudige verklaring, dat het 't mooiste kindje van de wereld was, bleek hij niet bereid.

Thans moet ik melding maken van een ongeluk, dat omstreeks dezen tijd aan Mevrouw John Dashwood overkwam. Toevallig was, bij gelegenheid van het bezoek harer zusters met Mevrouw Jennings in Harley Street, eene harer vriendinnen haar een visite komen maken,--op zichzelf geen gebeurtenis, waaruit eenig kwaad voor haar zou kunnen voortspruiten. Doch zoolang de verbeelding van andere menschen hen kan meesleepen tot het maken van verkeerde gevolgtrekkingen omtrent ons gedrag, die zij daarenboven afleiden uit oppervlakkige gegevens, kan ons geluk niet anders dan tot op zekere hoogte van het toeval afhankelijk zijn. In het onderhavige geval had de laatst-gekomen dame haar verbeelding vergund, zich zoover te begeven buiten de perken van waarheid en waarschijnlijkheid, dat zij, enkel bij het hooren noemen van den naam der dames Dashwood, en begrijpende dat zij de zusters van den Heer Dashwood waren, onmiddellijk hieruit had afgeleid, dat zij logeerden in Harley Street; en als gevolg van dit misverstand verschenen een paar dagen later invitatie-kaarten, zoo voor hen als voor hun broer en zuster, om hen uit te noodigen op een muziek-avond te hunnen huize. Ten gevolge waarvan wederom Mevrouw John Dashwood zich genoodzaakt zag niet alleen tot den buitengewoon lastigen maatregel, de dames Dashwood met haar rijtuig te laten afhalen; maar, wat erger was, zich de onaangename verplichting zag opgelegd, hen althans schijnbaar voorkomend te behandelen,--en wie kon zeggen, of ze er nu niet op zouden gaan rekenen, een tweeden keer met haar uit te gaan. Het stond wel is waar altijd nog in haar macht, hen teleur te stellen. Maar dat zou niet voldoende zijn; want als de menschen vast voornemens zijn zich te gedragen op een wijze, waarvan ze 't verkeerde zelf inzien, zijn ze tòch beleedigd, als anderen iets beters van hen verwachten. Marianne was er van lieverlede reeds weer zóó aan gewend geraakt, iederen dag uit te gaan, dat het haar onverschillig was geworden, of zij ging of niet, en zij maakte zich rustig en werktuigelijk gereed voor elke avondpartij, hoewel zonder ooit eenig genoegen van een dier uitgangen te verwachten, en dikwijls zelfs tot op het laatste oogenblik niet wetend, bij wie ze eigenlijk gevraagd was. Voor haar kleeding en haar uiterlijk was zij zoo volkomen onverschillig geworden, dat zij er onder het kleeden niet half zooveel aandacht aan wijdde, als haar ten deel viel van Juffrouw Anne's zijde in de eerste vijf minuten van hun samenzijn. _Haar_ nauwlettende opmerkzaamheid en nieuwsgierigen blik ontging niets; zij zag alles, vroeg naar alles, had geen rust eer ze wist wat elk onderdeel van Marianne's toilet gekost had; was van het aantal harer japonnen beter op de hoogte dan Marianne zelf, en hoopte nog eenmaal, eer zij weer afscheid namen, te zullen ontdekken, hoeveel waschgeld zij per week betaalde, en hoeveel haar kleedgeld per jaar bedroeg.

Gewoonlijk werd de lompheid van dat brutale uitvragen zoogenaamd weer goedgemaakt door een compliment, dat, hoewel bedoeld als een soort belooning, door Marianne als de verregaandste onbeschaamdheid werd beschouwd; want na een verhoor te hebben ondergaan omtrent den prijs en het patroon van haar japon, de kleur van haar schoenen en de wijze waarop haar haar was opgemaakt, wist zij van te voren, hoe ze nu te hooren zou krijgen, "dat ze er gerust waar piekfijn uitzag, en een hoop harten zou veroveren."

Met een dergelijke aanmoediging werd zij ook bij deze gelegenheid verwezen naar haar broeder's rijtuig, dat geen vijf minuten aan hun deur had behoeven te wachten; eene nauwgezetheid, weinig gewaardeerd door hun schoonzuster, die reeds eerder naar het huis van haar vriendin was gegaan, en hoopte op eenige vertraging van hunne zijde, ten ongerieve van haarzelve of haren koetsier.

Veel vermeldenswaardigs viel er dien avond niet voor. Op dit, zooals op andere muziekpartijtjes, was een zeker aantal gasten bijeenverzameld, dat werkelijk genoot van de uitvoering, en een veel grooter aantal andere, die er niets om gaven; en de medewerkenden zelf waren zooals gewoonlijk, volgens hun eigen oordeel, en dat hunner intieme vrienden de voortreffelijkste amateurs van heel Engeland.

Daar Elinor noch muzikaal was, noch voorgaf het te zijn, zag zij er geen bezwaar in, haar oogen eens af te wenden van den vleugel, wanneer zij daar lust in had, en zonder zich te laten intimideeren door de aanwezigheid van harp en violoncel, haar blik naar believen te laten rusten op eenig ander voorwerp in het vertrek.

Bij een van die uitstapjes viel haar oog op een groepje jongelui, waaronder zij hetzelfde jongemensch bespeurde, dat bij den juwelier de voordracht over tandenstoker-étuis had gehouden. Weldra zag zij hem naar haar kijken, terwijl hij vertrouwelijk stond te praten met haar broeder; en zij nam zich juist voor aan John te vragen, wie hij was, toen zij samen naar haar toekwamen, en de Heer Dashwood hem aan haar voorstelde als den Heer Robert Ferrars.

Hij sprak haar aan met luchtige beleefdheid, en boog, met een grappige hoofdwending, die haar even duidelijk als woorden hadden kunnen doen, liet bespeuren, dat hij wel waarlijk de ingebeelde fat was, dien Lucy haar had beschreven. 't Zou gelukkig voor haar zijn geweest, als haar genegenheid voor Edward minder had afgehangen van zijn eigen verdiensten, dan van die zijner naaste familieleden. Want dan zou zijn broeders buiging hebben voltooid, wat de booze blikken van zijn moeder en zuster hadden begonnen. Maar terwijl zij zich verbaasde over het verschil tusschen de twee jongelieden, bleek het haar, dat de leeghoofdigheid en ijdelheid van den een haar waarlijk geen geringeren dunk deden opvatten omtrent de bescheidenheid en degelijkheid van den ander. Hoe het _kwam_, dat zij zoo verschilden, legde Robert zelf haar uit in het kwartiertje, dat hij met haar praatte; want sprekend over zijn broeder, en betreurend dat zijn verregaande _gaucherie_ hem, naar hij dacht, belette den omgang van zijn standgenooten te zoeken, meende hij, met oprechte welwillendheid, die linkschheid niet zoozeer te moeten toeschrijven aan eenig natuurlijk gebrek, als wel aan de ongelukkige omstandigheid, dat Edward privaat-onderricht had genoten; terwijl hijzelf, hoewel allicht van nature en feitelijk niet zoo bijzonder veel meer begaafd dan zijn broeder, alleen aan het voorrecht eener opvoeding in een openbare school te danken had, dat hij zich in de wereld wist te bewegen zoo goed als de beste. "Bepaald," voegde hij erbij, "ik geloof dat het alleen daaraan ligt, en dat zeg ik zoo dikwijls tegen mijn moeder, als zij erover aan het tobben is. "Mama," zeg ik dan, "zet u dat nu uit het hoofd. De zaak is _nu_ niet meer te verhelpen, en 't is heel en al uw eigen schuld. Waarom liet u zich ook overhalen door mijn oom, Sir Robert, om tegen uw eigen beter weten in Edward privaat-onderwijs te laten geven, juist in de jaren, die er het meest op aankwamen? Hadt u hem naar Westminster laten gaan, zooals mij, inplaats van hem bij den Heer Pratt in den kost te doen, dan zoudt u dit alles hebben voorkomen." In dat licht heb ik de zaak altijd beschouwd, en mijn moeder ziet nu ook zelve haar vergissing wel in."

Elinor wilde hem niet tegenspreken, want hoe zij ook in 't algemeen mocht denken over de voordeelen eener opvoeding in een der groote openbare scholen, aan Edward's verblijf in het gezin van den Heer Pratt kon zij niet met voldoening terugdenken.

"U woont in Devonshire, niet waar?" was zijn volgende opmerking, "in een landhuisje, dicht bij Dawlish."

Elinor bracht hem op de hoogte omtrent de plaats waar hun huis gelegen was, en het scheen hem te verbazen, dat iemand in Devonshire kon wonen, en tòch niet in de buurt van Dawlish. Hun soort van verblijfplaats droeg echter zijn welwillende goedkeuring weg.

"Ik voor mij," zei hij, "houd bijzonder van landhuisjes; ze zijn meestal gezellig, en zien er aardig uit. Ik verzeker u, als ik er het geld voor had, dan kocht ik een stukje grond, en liet er zelf een bouwen, in de buurt van Londen, zoodat ik er heen kon rijden wanneer ik verkoos, en er een paar vrienden vragen, om samen ervan te genieten. Ik raad iedereen aan, die bouwen wil, om met een landhuisje te beginnen. Onlangs kwam mijn vriend Lord Courtland bij mij, om mij om raad te vragen, en legde me drie verschillende ontwerpen voor van Bonomi. Ik moest beslissen, welk het beste was. "Mijn waarde Courtland," zei ik, zonder mij te bedenken, en ik wierp ze alle drie in het vuur, "neem ze geen van alle, maar bouw een landhuisje, en anders niet." En daar zal het nu wel op uitloopen.--Er zijn menschen, die denken, dat er met een landhuisje weinig valt te beginnen, dat er niet genoeg ruimte is; maar dat is allemaal gekheid. De vorige maand logeerde ik bij goede vrienden, de Elliott's, in de buurt van Dartford. Lady Elliott wilde een danspartij geven. "Maar hoe kan dat nu?" zei ze; "mijn beste Ferrars, zeg me toch eens, hoe ik dat moet aanleggen. In dit huisje is geen enkele kamer groot genoeg voor tien paren, en waar moeten we soupeeren?"--_Ik_ zag dadelijk, dat het héél goed ging; en ik zei: "Mijn waarde Lady Elliott, tobt u dáár niet over. In de eetkamer kunnen met gemak achttien paren ruimte vinden, speeltafeltjes worden geplaatst in den grooten salon; in de bibliotheek kunt u thee en andere ververschingen laten presenteeren, en in den kleinen salon zet u het souper klaar." Lady Elliott was verrukt over mijn plan. We hebben de eetkamer gemeten, en 't bleek dat er precies plaats was voor achttien paren; zoodat alles juist werd geschikt volgens mijn idee. U ziet dus wel, wanneer men maar weet, hoe men moet te werk gaan, dan kan men 't in een landhuisje even goed en genoegelijk hebben, als in een ruim en deftig heerenhuis."

Elinor gaf hem maar gelijk, want zij vond niet, dat hij verdiende als redelijk mensch op redelijke gronden te worden tegengesproken.