Gevoel en verstand

Chapter 20

Chapter 203,931 wordsPublic domain

Zij troffen Lady Middleton gelukkig thuis, en Sir John kwam binnen, eer hun bezoek was afgeloopen. Er werden van weerskanten veel minzame beleefdheidsbetuigingen gewisseld. Sir John was altoos bereid met iedereen veel op te hebben; en hoewel de Heer Dashwood van paarden niet veel scheen te weten, vond hij hem al spoedig een besten kerel; terwijl Lady Middleton oordeelde, dat hij er gedistingeerd genoeg uitzag, om de kennismaking de moeite waard te achten; en de Heer Dashwood zelf vertrok verrukt van allebei.

"Ik zal er Fanny niets dan goeds van kunnen vertellen," zei hij tegen zijn zuster, onder het terugwandelen, "Lady Middleton is werkelijk een charmante vrouw; iemand, met wie Fanny blij zal zijn, kennis te maken. En Mevrouw Jennings weet zich ook bijzonder goed voor te doen, al is ze niet zoo elegant als haar dochter. Je schoonzuster behoeft er geen bezwaar in te zien, háár ook te bezoeken; wat tot nu toe, om de waarheid te zeggen, wel een beetje 't geval was, en niet zonder reden; want we wisten alleen, dat Mevrouw Jennings de weduwe was van een man, die zijn geld had verdiend op een nog al obscure manier; en Fanny en Mevrouw Ferrars hielden stijf en strak vol, dat noch zij, noch haar dochters in de termen vielen om met iemand als Fanny te kunnen omgaan. Maar nu kan ik haar omtrent beiden op de meest afdoende wijze geruststellen."

HOOFDSTUK XXXIV

Mevrouw John Dashwood had zooveel vertrouwen in haar man's oordeel, dat zij den volgenden dag zoowel Mevrouw Jennings als haar dochter een bezoek ging brengen; en zij zag dat vertrouwen beloond door de ontdekking, dat zelfs de eerste, dat mensch, bij wie hare zusters logeerden, haar omgang niet onwaardig scheen, terwijl zij Lady Middleton een van de liefste vrouwen vond, die zij ooit had ontmoet!

Lady Middleton was precies even ingenomen met Mevrouw Dashwood. Van weerskanten was hier een soort koele zelfzucht, die beiden zich tot elkaar aangetrokken deed gevoelen, en zij stemden volkomen overeen in de geestelooze vormelijkheid van hun gedrag, en een totaal gemis van begrijpend inzicht. Dezelfde houding echter, die Mevrouw John Dashwood de goede meening van Lady Middleton deed verwerven, beviel Mevrouw Jennings in 't geheel niet; _zij_ kreeg alleen den indruk van een nuffig vrouwtje met stijve manieren, dat haar schoonzusters zonder een spoor van hartelijkheid begroette en hun niets te vertellen had; want van het kwartiertje, dat zij in Berkeley Street bleef, zat zij stellig zeven minuten zonder een woord te zeggen.

Elinor had heel graag willen weten, ofschoon zij er niet naar verkoos te vragen, of Edward al in de stad was; maar niets zou Fanny hebben kunnen bewegen vrijwillig zijn naam in haar bijzijn te noemen, eer zij haar kon vertellen, dat zijn huwelijk met Juffrouw Morton vaststond, of totdat haar man's verwachtingen omtrent Kolonel Brandon waren vervuld; want zij verdacht hen ervan nog steeds zooveel van elkander te houden, dat zij bij alle gelegenheden niet ijverig genoeg konden worden gescheiden gehouden, door woord en door daad. De inlichting echter, die _zij_ niet verkoos te verstrekken, gewerd Elinor al spoedig uit een andere bron. Lucy kwam haar medelijden inroepen, omdat zij Edward niet kon ontmoeten, hoewel hij tegelijk met den Heer en Mevrouw Dashwood in de stad gekomen was. Hij durfde uit vrees voor ontdekking niet naar Bartlett's Buildings gaan, en hoewel zij beiden onuitsprekelijk verlangden elkaar te zien, was schrijven het eenige dat hun voorloopig overbleef.

Zeer spoedig verschafte Edward zelf hun de zekerheid dat hij in de stad was, door tweemaal een bezoek te brengen in Berkeley Street. Tweemaal vonden zij zijn kaartje, toen zij van hun morgenritje terugkwamen. Elinor was blijde dat hij er geweest was, en nog blijder, dat zij hem niet had behoeven te zien. De Dashwoods waren zoo uitermate ingenomen met de Middletons, dat zij, die overigens aan geven niet gewend waren, nu toch eens besloten een diner te geven te hunner eere, en zij vroegen hen dus al spoedig te dineeren in Harley Street, waar zij voor drie maanden een zeer geschikt huis hadden gehuurd. Hun zusters en Mevrouw Jennings werden ook gevraagd, en John Dashwood zorgde ervoor dat Kolonel Brandon eveneens van de partij zou zijn. De laatste, die gaarne overal kwam, waar hij de dames Dashwood kon ontmoeten, beantwoordde zijne overstelpende beleefdheid met eenige verwondering, maar met veel meer genoegen. Zij zouden dan nu Mevrouw Ferrars leeren kennen; maar Elinor kon niet gewaar worden of haar beide zoons ook waren gevraagd. De verwachting echter, háár te zullen zien, was voldoende om haar belangstelling te wekken; want al kon zij nu Edward's moeder ontmoeten zonder het gevoel van angst, dat vroeger met die voorstelling had moeten gepaard gaan; al bleef het haar thans volkomen onverschillig, welken indruk zij op de oude dame zou maken; haar wensch om in Mevrouw Ferrars' gezelschap te zijn, haar nieuwsgierigheid om te weten hoe zij nu eigenlijk was, bleven even sterk als voorheen.

De spanning, waarmede zij de partij tegemoet zag, werd spoedig daarna nog verhoogd op een wijze, niet zoozeer aangenaam als wel prikkelend, door het bericht dat de dames Steele eveneens waren uitgenoodigd.

Zoo goed stonden zij bij Lady Middleton aangeschreven; zoozeer hadden zij zich door hun vleierij in haar gunst weten te dringen, dat zij, hoewel Lucy _niet_ gedistingeerd, en haar zuster zelfs niet recht vertoonbaar was, evenzeer bereid bleek als Sir John om hen een paar weken in Conduit Street te logeeren te vragen; en het trof toevallig de dames Steele als zéér geschikt, zoodra zij hoorden van de uitnoodiging der Dashwoods, hun bezoek aan te kondigen een paar dagen vóór de bewuste partij.

Hun aanspraak op de beleefdheid van Mevrouw John Dashwood, als de nichten van den heer, die jaren geleden met de opvoeding van haar broer belast was, zou hun overigens allicht geen plaatsje aan haar disch hebben kunnen verschaffen; doch als de gasten van Lady Middleton moesten zij haar welkom zijn, en Lucy, die al zoo lang gewenscht had, de familie persoonlijk te leeren kennen, van naderbij hun karakters te beschouwen in verband met haar eigen moeilijkheden, en gelegenheid te vinden tot een poging om hun gunst te winnen, was zelden in haar leven zóó gelukkig geweest, als bij het ontvangen van Mevrouw John Dashwood's invitatiekaart. Elinor ging het juist andersom. Zij begon dadelijk te bedenken, dat Edward, die bij zijn moeder gelogeerd was, mèt haar zou worden geïnviteerd op een partij, gegeven door zijn zuster, en hem voor de eerste maal te ontmoeten, na al wat er gebeurd was, in gezelschap van Lucy!--Zij begreep bijna niet, hoe zij dàt zou verdragen!

Misschien was die vrees wel niet volkomen redelijk, en in elk geval bleek zij geheel ongegrond. Zij werd echter verdreven, niet zoozeer door haar eigen rustig nadenken, als door de minzaamheid van Lucy, die meende, dat zij Elinor bitter teleurstelde, toen zij haar kwam vertellen, dat Edward Dinsdag in géén geval zou kunnen komen; en zelfs hoopte haar nog dieper te grieven, door het zoo voor te stellen, alsof hij zich gedrongen zag, weg te blijven met het oog op zijn vurige genegenheid, die hij niet zou kunnen verbergen, wanneer zij samen in gezelschap waren.

De gewichtige Dinsdag brak aan, waarop beide jonge dames zouden worden voorgesteld aan de geduchte schoonmoeder _in spe_.

"Beklaag mij toch, mijn beste Juffrouw Dashwood!" zei Lucy, terwijl ze samen de trap opgingen,--want de Middletons kwamen bijna tegelijk met Mevrouw Jennings, en zij volgden met elkander den bediende naar den salon.--"Niemand dan u kan hier met mij meegevoelen. Ik kan haast niet op mijn beenen staan. Ontzettend!--Over een minuut zal ik háár zien, van wie al mijn geluk afhankelijk is,--háár, die mijn moeder zal worden!"...

Elinor had haar oogenblikkelijk verlichting kunnen verschaffen, door de mogelijkheid op te werpen, dat het veeleer de moeder van Juffrouw Morton, dan de hare zou zijn, die zij op het punt waren te aanschouwen; maar inplaats van dat te doen, verzekerde zij haar, volkomen oprecht, dat zij haar inderdaad beklaagde,--tot groote verbazing van Lucy, die, hoewel zelve alles behalve op haar gemak, toch hoopte, door Elinor te worden beschouwd met niet te onderdrukken afgunst. Mevrouw Ferrars was een kleine magere vrouw; met een stijfheid in haar houding, die aan strakheid, en een ernst in haar uitdrukking, die aan bitsheid grensde. Haar tint was vaal, en hare trekken waren, hoewel niet grof, zonder schoonheid, en van nature onbewogen, doch een gelukkig toeval had gewild, dat de strenge frons van haar voorhoofd haar gelaat vrijwaarde voor de blaam van volkomen onbeduidendheid, door het krachtig te stempelen met het merk van boosaardigheid en trots. Zij was niet zeer spraakzaam; daar zij, anders dan de meeste menschen, haar woorden in verhouding placht te brengen tot het aantal harer denkbeelden, en van de paar korte zinnetjes, die zij zich liet ontvallen, was er geen enkele gericht tot Juffrouw Dashwood, die zij opnam met het vastgewortelde voornemen, haar in elk geval niet aantrekkelijk te vinden.

_Nu_ kon dit gedrag Elinor geen verdriet doen. Een paar maanden geleden zou het haar diep hebben gegriefd; doch het stond thans niet in Mevrouw Ferrars' macht, haar ermede te hinderen; en het verschil met haar houding tegenover de dames Steele--een verschil, dat blijkbaar moest dienen om háár te meer te vernederen,--vermaakte haar zelfs een weinig. Zij kon niet nalaten te glimlachen bij het zien van de beminnelijkheid, door moeder en dochter ten toon gespreid tegenover iemand,--want Lucy werd met bijzondere onderscheiding behandeld,--die zij, wanneer ze evengoed op de hoogte waren geweest als zijzelve, liever zouden hebben willen vernielen; terwijl zij, die betrekkelijk machteloos was tegenover hen, erbij zat, en opzettelijk door beiden werd veronachtzaamd. Maar terwijl zij glimlachte over die vriendelijkheid aan het verkeerde adres, kon zij niet nalaten, denkend aan de dwaze kleingeestigheid, waaruit deze voortsproot, en lettend op den pijnlijken ijver, waarmede de dames Steele zich bevlijtigden om in de gunst te blijven, hen alle vier uit den grond van haar hart te verachten.

Lucy was in één verrukking over de onderscheiding, die haar te beurt viel; en haar zuster was overal in de wolken, waar ze maar met Dr. Davies werd geplaagd. Het diner was deftig, de bedienden talrijk, en alles verried Mevrouw's neiging tot vertooning maken, en Mijnheer's bereidwilligheid om aan die neiging te voldoen. Ondanks de verbetering en vergrooting van Norland en ten spijt van het dreigend gevaar, dat de eigenaar van het goed had geloopen, een paar duizend pond kwijt te raken door te verkoopen met verlies, vertoonde zich nergens een spoor van de behoeftigheid, die hij had gepoogd, als het gevolg hiervan voor te stellen; armoede viel hier geenszins te bespeuren, tenzij in het gehalte van het gesprek, dat dan ook bedenkelijk te wenschen overliet. John Dashwood had nooit veel te vertellen, dat de moeite van het aanhooren waard was, en zijn vrouw nog minder. Hierdoor echter kon hen in 't bijzonder geen blaam treffen, want in het zelfde geval verkeerden de meesten hunner gasten, die bijna allen den druk ondervonden van de eene of andere der voornaamste beletselen om zich aangenaam te maken,--gemis van verstand, 't zij natuurlijk of verhelderd door ontwikkeling, gemis van gratie, gemis van vroolijkheid, en gemis van geest.

Toen de dames na het diner naar den salon terugkeerden, bleek die armoede duidelijker dan te voren; want de heeren hàdden dan toch eenige afwisseling gebracht in het gesprek,--in zooverre het liep over politiek, land-ontginning en paardrijden,--maar daarmee was het nu uit, en slechts één onderwerp hield de dames bezig, tot de koffie werd gepresenteerd, nl. het verschil in lengte tusschen Harry Dashwood, en Lady Middleton's tweede zoontje William, die ongeveer even oud waren.

Waren beide kinderen in de kamer geweest, dan zou de vraag tè gemakkelijk zijn beslist, door ze eenvoudig te meten; doch daar Harry alleen tegenwoordig was, bleef het van beide zijden bij gissingen, terwijl ieder het recht had op zijn stuk te blijven staan, en zijne meening tot in het oneindige te herhalen.

De partijen waren verdeeld in dezer voege:

De beide moeders, hoewel ieder voor zich overtuigd, dat haar eigen jongen de grootste was, gaven uit beleefdheid de eer aan den ander.

De beide grootmoeders, niet minder partijdig, doch meer oprecht, namen het even ernstig op voor hun eigen nakomelingen.

Lucy, die bijna niet wist, wie van de beide mama's het liefste te behagen, vond beide jongens buitengewoon groot voor hun leeftijd, en kon maar niet begrijpen dat er een zweem verschil tusschen hen bestond, en Juffrouw Steele wist zich nog handiger te redden, door in een adem den een, zoowel als den ander den grootste te noemen.

Elinor, die eenmaal de meening had uitgesproken, dat zij William voor grooter hield, waardoor ze Mevrouw Ferrars beleedigde, en Fanny nog erger, vond het niet noodig, verder vol te houden, en toen Marianne naar de hare werd gevraagd, maakte zij hen allen met elkaar boos, door te zeggen, dat zij er geene meening op nahield in dezen, omdat zij nooit veel op de kinderen had gelet. Eer zij Norland verliet, had Elinor voor haar schoonzuster een paar mooie schermpjes geschilderd, die thans waren omlijst en als versiering dienden van den salon te Londen; en toen John Dashwood ze in het oog kreeg, nadat hij met de andere heeren weer binnen was gekomen, overhandigde hij ze beleefd aan Kolonel Brandon, om ze door hem te laten bewonderen.

"Die heeft mijn oudste zuster geschilderd," zei hij, "ik denk dat u, als man van smaak, ze wel mooi zult vinden. Ik weet niet, of u al meer van haar tekeningen hebt gezien; maar over 't algemeen beschouwt men haar als zeer talentvol."

De Kolonel zeide, dat men hem volstrekt niet als een kenner moest beschouwen; doch bewonderde de schermpjes, zooals hij alles zou bewonderd hebben, wat door Juffrouw Dashwood was geschilderd; en daar de anderen nu natuurlijk nieuwsgierig werden, gingen zij van hand tot hand. Mevrouw Ferrars, die niet wist dat ze Elinor's werk waren, bood ze zelve ter beschouwing aan, en nadat ze het vleiend getuigenis van Lady Middleton's goedkeuring hadden mogen verwerven, gaf Fanny ze nogmaals aan haar moeder, met de mededeeling, dat Juffrouw Dashwood ze geschilderd had.

"O zoo..." zei Mevrouw Ferrars,--"heel aardig," en gaf ze aan haar dochter terug, zonder er zelfs naar te kijken.

Misschien dacht Fanny even, dat haar moeder nu toch wat àl te onbeleefd werd,--want zij kreeg een kleur en zei: "Allerliefst, vindt u niet, mama?" Doch waarschijnlijk overviel haar nu weer de angst, dat zij zelve al te beleefd en voorkomend was geweest, want zij voegde erbij: "Vindt u niet, dat er iets in is van Juffrouw Morton's manier van schilderen? _Zij_ schildert prachtig. Wat is dat laatste landschap van haar mooi!"

"Ja, bijzonder. Maar _zij_ doet àlles goed."

Dit kon Marianne niet verdragen. Zij had al een geduchten hekel aan Mevrouw Ferrars, en die onnoodige lof, een ander toegezwaaid, ten koste van Elinor, lokte haar uit, hoewel zij volstrekt niet kon gissen, wat er eigenlijk hoofdzakelijk mee bedoeld werd, om haastig en geërgerd te zeggen: "Een eigenaardige manier om de dingen te bewonderen! Wat kan ons die Juffrouw Morton nu schelen? Háár kennen we niet, _wij_ hebben het nu over Elinor!"

Met die woorden nam ze haar schoonzuster de schermpjes af, om ze zelve te bewonderen, zooals ze verdienden bewonderd te worden.

Mevrouw Ferrars keek geducht boos, richtte zich nog stijver op, en zei met vernietigende bitsheid: "Juffrouw Morton is Lord Morton's dochter."

Fanny keek ook verontwaardigd, en haar man was doodelijk verschrikt door zijn zuster's vrijmoedigheid. Elinor trok zich Marianne's heftigen uitval veel meer aan, dan 't geen er aanleiding toe had gegeven; doch Kolonel Brandon's blik die op Marianne bleef rusten, verried, hoe hij er alleen in had gezien, wat er beminnelijks in was, de warme genegenheid, die niet kon verdragen, een zuster ook maar in het minst verongelijkt te zien.

Marianne's gevoel sleepte haar nog verder mede. De beleedigende koelheid van Mevrouw Ferrars' houding tegenover haar zuster deed haar voor Elinor moeilijkheden en verdrietelijkheden voorzien, waarvoor haar eigen diepgewond gemoed wel angstig moest terugdeinzen, en in een opwelling van innig meegevoel, ging zij een oogenblik later naar haar zuster en zei zacht en snel, terwijl zij haar arm om Elinor's hals sloeg, met de wang tegen de hare: "Lieve beste Elinor, trek het je maar niet aan. Laten ze _jou_ niet ongelukkig maken."

Meer kon zij niet zeggen; zij was te zeer aangedaan; en haar gelaat tegen Elinor's schouder verbergend, barstte zij in tranen uit. Aller aandacht was op haar gevestigd, en bijna allen hadden medelijden met haar. Kolonel Brandon stond op en ging naar hen toe, zonder te weten wat hij deed. Mevrouw Jennings reikte dadelijk met een hartelijk begrijpend "Och, dat arme kind!" haar reukfleschje, en Sir John was zoo woedend op de persoon die aanleiding had gegeven tot deze zenuwaandoening dat hij dadelijk naast Lucy Steele kwam zitten en haar fluisterend van de geheele treurige toedracht der zaak op de hoogte bracht.

Na een paar minuten had Marianne zich echter voldoende hersteld, om een einde te maken aan de drukte en weer te gaan zitten, hoewel zij den geheelen verderen avond onder den indruk bleef van hetgeen was voorgevallen.

"Die arme Marianne!" zei haar broer zachtjes tegen Kolonel Brandon, zoodra het hem gelukte, diens aandacht te trekken, "ze is lang niet zoo gezond als haar zuster,--erg zenuwachtig,--ze is veel zwakker van gestel dan Elinor; en men moet toegeven, dat het ook wel hard is voor een jong meisje, dat vroeger héél mooi is geweest, haar schoonheid te verliezen. U zoudt het misschien niet gelooven; maar een paar maanden geleden nog wàs Marianne bijzonder mooi--bepaald even knap als Elinor. En nu, zooals u ziet, is daar niets meer van over."

HOOFDSTUK XXXV

Elinor's verlangen om Mevrouw Ferrars te zien was nu voldaan. Het was haar gebleken dat deze vrouw alle eigenschappen bezat, die een verderen omgang tusschen beide families niet wenschelijk deden schijnen. Zij had genoeg gezien van haar trots, haar kleingeestigheid en haar onverzettelijke vooringenomenheid tegen haarzelve, om al de bezwaren te begrijpen, die een verloving zouden hebben bedorven en een huwelijk verhinderd tusschen Edward en haar, zoo hij overigens al vrij ware geweest; en zij had welhaast genoeg opgemerkt, om dankbaar te zijn op zichzelf, dat één gewichtiger beletsel haar vrijwaarde voor de kwelling der vele andere, welke Mevrouw Ferrars had kunnen uitdenken; voor eenige afhankelijkheid van hare luimen, of eenige bezorgheid omtrent hare goede meening. Of althans besloot zij, zoo ze zich al niet ten volle kon verheugen over het feit, dat Edward aan Lucy gebonden was, dat zij zich daarover had _moeten_ verheugen, wanneer Lucy beminnelijker was geweest.

Zij verbaasde zich erover, dat Lucy zoo in de wolken kon zijn over Mevrouw Ferrars' beleefdheid; dat zij zich zóó kon laten verblinden door haar eigenbelang en ijdelheid, om de attenties, die haar toch enkel werden bewezen, omdat zij _niet_ Elinor was, als een hulde aan haarzelve op te vatten,--en om bemoediging te putten uit een voorkeur, die haar slechts geschonken werd, zoolang haar werkelijke verhouding tot hen allen hun onbekend bleef. Dàt Lucy verrukt was, hadden niet alleen haar blikken verraden op den avond van de partij; maar zij kwam het den volgenden morgen nog eens persoonlijk verklaren; toen Lady Middleton haar, op haar uitdrukkelijk verlangen, in Berkeley Street liet uitstappen, in de hoop, Elinor alleen te vinden, om haar te kunnen vertellen, hoe gelukkig zij zich gevoelde.

Het toeval bleek haar gunstig gezind; want kort na dat zij gekomen was, werd Mevrouw Jennings door een boodschap van Mevrouw Palmer weggeroepen.

"Mijn beste vriendin," riep Lucy, zoodra zij alleen waren: "ik moest u eens komen vertellen, hoe blijde ik ben. Kon er wel iets vleiender geweest zijn, dan de manier waarop Mevrouw Ferrars mij gisteren behandelde? Ze was werkelijk allervriendelijkst! U weet, hoe ik er tegen opzag, haar te ontmoeten; maar van 't oogenblik af, dat ik aan haar werd voorgesteld, gedroeg ze zich jegens mij met een voorkomendheid, die bepaald deed blijken, dat ze bijzonder met mij was ingenomen. Vondt u dat ook niet? U hebt het zelf alles bijgewoond, en viel het u ook niet op?"

"Zeker; ze ontving u heel beleefd."

"Beleefd?--Zag u alleen beleefdheid in haar houding? Nu, ik dan vrij wat méér--een vriendelijkheid, die aan niemand anders dan mij werd bewezen! Niets trotsch, niets uit de hoogte; en uw zuster eveneens,--een en al beminnelijkheid en tegemoetkoming!"

Elinor wilde over iets anders gaan spreken; maar Lucy liet niet los, eer zij had toegegeven, dat er reden bestond voor haar blijdschap, en Elinor was gedwongen nog iets te zeggen.

"Als zij geweten hadden van uw verloving," zeide zij, "dan zou hun houding tegenover u ongetwijfeld zéér vleiend zijn geweest; maar nu dit niet het geval was..."

"Dat dacht ik al, dat u dat zoudt zeggen," antwoordde Lucy snel; "maar er was niet de minste reden, waarom Mevrouw Ferrars zich met mij ingenomen zou toonen, als ze dat niet wàs,--en dat ze van mij houdt is de hoofdzaak. Neen, u zult me mijn voldoening niet kunnen ontnemen. Ik geloof stellig, dat alles best zal afloopen, en dat er, vergeleken bij 't geen ik mij had voorgesteld, in 't geheel geen moeilijkheden zullen zijn. Mevrouw Ferrars is een allerliefste vrouw, en uw zuster ook. Ze zijn allebei even aardig!--'t verwondert mij, dat u ons nooit verteld hebt, wat een lieve vrouw Mevrouw Dashwood was!"

Hierop had Elinor niets te antwoorden, en zij deed daar toe ook geen moeite.

"Is u niet wel, Juffrouw Dashwood?--u lijkt zoo gedrukt, en u zegt niets,--er scheelt bepaald iets aan."

"O neen, ik voel mij volkomen wèl."

"Daar ben ik blij om; maar u ziet er niet naar uit. Wat zou 't me spijten, als _u_ ziek werdt--u, die mijn beste en eenige toevlucht bent geweest! Ik weet waarlijk niet, wat ik zou zijn begonnen zonder uw vriendschap!"

Elinor trachtte iets beleefds te antwoorden, ofschoon zij vreesde, dat het haar slecht gelukte. Het scheen Lucy echter te bevredigen, want zij ging voort: "Ja, ik weet, dat u oprecht voor mij gevoelt, en na Edward's liefde, is dat mijn grootste troost. Die arme Edward! Maar nu treft het in een opzicht gelukkig,--we kunnen elkaar nu ontmoeten, en vrij dikwijls zelfs, want Lady Middleton is verrukt van Mevrouw Dashwood; dus zullen we, denk ik, wel veel in Harley Street zijn, en Edward is bijna den heelen dag bij zijn zuster;--bovendien bezoeken Lady Middleton en Mevrouw Ferrars elkaar nu ook, en Mevrouw Ferrars en uw zuster waren beiden zoo vriendelijk, meermalen te zeggen, dat het hun altijd genoegen zou doen, mij te zien. Zulke allerliefste menschen!--als u ooit aan uw zuster vertelt, hoe ik over haar denk, dan kunt u niet te veel goeds zeggen."

Elinor verkoos haar echter geen hoop te geven, dat zij dit aan haar zuster zou overbrengen. Lucy ging voort:

"Ik zou 't stellig onmiddellijk hebben opgemerkt, als Mevrouw Ferrars iets tegen mij had gehad. Wanneer ze bij voorbeeld, alleen maar stijfjes voor mij had gebogen zonder een woord te zeggen, en later in 't geheel geen notitie van mij had genomen, en mij nooit eens vriendelijk had aangezien,--u weet wel, hoe ik bedoel,--als ik op die manier op een afstand was gehouden, dan zou ik alles hebben opgegeven en heel en al wanhopig zijn geweest. Dàt zou ik niet hebben kunnen verdragen. Want _als_ zij iets tegen iemand heeft, dàn meent zij het, dat weet ik."

Elinor behoefde deze uiting van beleefde zegepraal niet te beantwoorden; want de deur werd geopend, de knecht diende den Heer Ferrars aan, en Edward stapte meteen de kamer in.