Gevoel en verstand

Chapter 2

Chapter 23,947 wordsPublic domain

"Ja, en 't ontbijtservies is oneindig mooier dan 't geen hier in huis behoort. Veel te mooi, naar _mijn_ idee, voor welk huis ook, waarin _zij_ ooit kunnen wonen. Maar dat is nu eenmaal niet anders. Je vader dacht alleen aan _hen_. En dàt moet ik zeggen: je behoeft hem niet zoo bijzonder dankbaar te zijn, of zijn wenschen zoo stipt na te komen; want we weten best, dat hij, als hij maar kòn, bijna alles aan _hen_ zou hebben nagelaten."

Dàt argument was onweerlegbaar. Het verleende zijn plannen de vastheid, die er te voren aan ontbrak, en ten slotte besloot hij, dat het volkomen onnoodig, zoo niet bepaald ongepast zou zijn, meer te doen voor de weduwe en kinderen van zijn vader, dan hun als goeden buren de soort van attenties te bewijzen, waarop zijn eigen vrouw hem gewezen had.

HOOFDSTUK III

Mevrouw Dashwood bleef verscheiden maanden te Norland; niet omdat zij ongeneigd was te vertrekken, nadat het gezicht van elke welbekende plek niet langer de heftige gemoedsbeweging veroorzaakte, die het een tijdlang had opgewekt; want toen haar veerkracht terugkeerde, en haar geest weer in staat was tot eenige andere krachtinspanning dan die van hare droefheid te verlevendigen door weemoedige herinneringen, verlangde zij sterk naar het vertrek, en was onvermoeid in haar pogingen een geschikte woning te vinden in de buurt van Norland; want zich ver van die geliefde plek te verwijderen scheen haar onmogelijk. Maar zij kon geen verblijfplaats ontdekken die voldeed aan haar eischen op 't punt van behagen en gemak, en die tevens de goedkeuring wegdroeg van haar voorzichtige oudste dochter, wier gezonder oordeel verschillende huizen, waarmee haar moeder zeer was ingenomen, als te groot voor hun inkomen, verwierp.

Mevrouw Dashwood had door haar man de plechtige belofte vernomen, hem door zijn zoon te haren behoeve gedaan, en welke zijn laatsten gedachten hier op aarde troost had geschonken. Zij twijfelde evenmin aan de oprechtheid van die verzekering, als haar man zelf had gedaan, en ter wille van hare dochters schonk de gedachte eraan haar voldoening; hoewel zij, wat haarzelve betrof, overtuigd was, dat een veel geringere som dan zevenduizend pond voldoende zou zijn om haar een ruim bestaan te verschaffen. Ook terwille van hun broeder, terwille van zijn eigen hart verheugde zij zich; en zij verweet zichzelve, dat zij vroeger zijn verdienste geen recht had laten weervaren, toen zij hem niet in staat achtte tot edelmoedigheid. Zijn voorkomend gedrag jegens haar en zijne zusters overtuigde haar, dat hun welzijn hem ter harte ging, en langen tijd vertrouwde zij vast op zijn vrijgevige bedoelingen.

De minachting, die zij reeds aan 't begin hunner kennismaking gevoeld had voor haar schoondochter, werd zeer versterkt door de diepere kennis van haar karakter, die een verblijf van een half jaar in haar gezin haar deed verwerven, en misschien zouden, ondanks alle bedenkingen, ingegeven door beleefdheid en moederlijke genegenheid van de zijde der oudere dame, die twee het onmogelijk hebben bevonden het zoolang met elkander uit te houden, wanneer niet eene bijzondere omstandigheid in de oogen van Mevrouw Dashwood, het steeds meer verkieselijk had doen schijnen, dat haar dochter vooreerst te Norland zou blijven.

Die omstandigheid was een toenemende wederzijdsche genegenheid tusschen haar oudste meisje en den broeder van Mevrouw John Dashwood, een beschaafden en beminnelijken jongen man, dien zij hadden leeren kennen kort na zijn zuster's komst te Norland, en die sedert dien tijd veel bij hen aan huis kwam.

Sommige moeders zouden dien vertrouwelijken omgang hebben aangemoedigd uit eigenbelang; want Edward Ferrars was de oudste zoon van een man, die schatrijk was gestorven; en andere zouden dien hebben tegengegaan uit voorzichtigheid; want op een geringe som na, hing zijn geheele fortuin af van het testament zijner moeder. Doch Mevrouw Dashwood liet zich door geen dier beide opvattingen beïnvloeden. Voor haar was het genoeg, dat hij een aangenamen indruk maakte, dat hij hare dochter liefhad, en dat Elinor die voorkeur beantwoordde. Het zou in strijd zijn geweest met al haar beginselen, dat verschil in fortuin eenig paar gescheiden zou kunnen houden, dat door gelijkgestemdheid zich tot elkaar voelde aangetrokken; en dat Elinor's verdienste niet zou worden gewaardeerd door ieder die haar kende, dat ging boven haar begrip. Edward Ferrars bezat overigens, om zich hunne goede meening te verwerven, geen bijzondere gaven, wat zijn persoon of optreden betrof. Bijzonder knap van uiterlijk was hij niet, en zijn manieren werden eerst aangenaam als hij zich op zijn gemak gevoelde. Hij was te verlegen om goed tot zijn recht te komen; maar als hij zijn aangeboren bedeesdheid had overwonnen, leverde zijn gedrag in elk opzicht de bewijzen van een openhartige en warme natuur. Zijn verstand was goed, en zijne opvoeding had het degelijk geoefend. Doch noch door zijn aanleg, noch door zijne neigingen was hij geschikt, de wenschen te vervullen van zijne moeder en zuster, die verlangden hem te zien uitblinken--als--zij wisten zelven eigenlijk niet wat. Zij wilden dat hij een goed figuur zou slaan in de wereld op de eene of andere manier. Zijn moeder begeerde dat hij belang zou stellen in politiek, dat hij lid van het parlement zou worden, of in aanraking zou komen met sommigen der groote mannen van zijn tijd. Dat wenschte Mevrouw John Dashwood eveneens; doch voorloopig, tot een van die hoogere zegeningen hem zou kunnen ten deel vallen, zou háár eerzucht tevreden gesteld zijn, als zij hem in een eigen barouchette had kunnen zien rijden. Maar Edward's neigingen gingen niet uit naar groote mannen of barouchettes. Al zijn wenschen hadden tot hun middenpunt huiselijke gezelligheid en de rust van het gezinsleven. Gelukkig had hij een jongeren broeder, van wien meer te verwachten viel. Edward was reeds meerdere weken bij hen gelogeerd geweest, eer Mevrouw Dashwood eigenlijk goed op hem lette; want zij was in die dagen zóó bedroefd, dat zij voor hare omgeving in 't geheel geen oog had. Zij zag alleen, dat hij rustig was en zich achteraf hield, en dat beviel haar in hem. Hij verstoorde haar diepe verslagenheid van geest niet door te onpas gesprekken te beginnen. Zij kreeg voor 't eerst aanleiding om op hem te letten en nog gunstiger over hem te gaan denken door eene opmerking, die Elinor op zekeren dag toevallig maakte over het verschil tusschen hem en zijn zuster. Die tegenstelling was voor haar moeder de allerwelsprekendste aanbeveling. "O, dat is genoeg," zei ze; "wanneer je Zegt, dat hij niet op Fanny lijkt, dan is dat al genoeg voor mij. Dat sluit alles in wat beminnelijk is. Nu houd ik al veel van hem."

"Ik denk wel dat u hem graag zult mogen lijden," zei Elinor, "als u hem beter leert kennen."

"Mogen lijden!" antwoordde haar moeder, met een glimlach. "Ik voor mij kan geen gevoel van waardeering koesteren dat beneden warme genegenheid blijft."

"U zoudt achting voor hem kunnen voelen."

"Ik heb nooit geweten wat het was, achting en liefde van elkander te scheiden."

Mevrouw Dashwood gaf zich nu moeite, hem nader te leeren kennen. Zij bezat innemende manieren, en zette hem spoedig op zijn gemak. Vlug genoeg zag zij zijn verdiensten in; haar overtuiging dat hij Elinor genegen was, verhoogde misschien haar doorzicht; maar zij was van zijn innerlijke waarde ten stelligste overtuigd, en zelfs dat bedaarde in zijn houding, dat indruischte tegen al haar overgeleverde begrippen omtrent de wijze waarop een jonge man zich behoorde voor te doen, bleef niet meer zoo oninteressant, nu zij wist dat hij een warm hart had en een liefhebbenden aard.

Niet zoodra had zij de eerste aanduiding van verliefdheid bespeurd in zijn houding jegens Elinor, of zij beschouwde hun ernstige genegenheid als een uitgemaakte zaak, en zag hun huwelijk, als binnenkort aanstaande, met blijdschap tegemoet.

"Over een paar maanden, Marianne," zei ze, "zal Elinor waarschijnlijk al haar eigen thuis hebben gevonden. Wij zullen haar missen; maar zij zal gelukkig zijn."

"O mama! hoe zullen we 't zonder haar stellen?"

"Lieve kind, men kan het haast geen scheiding noemen. We zullen maar een paar mijlen van elkaar af wonen, en elkaar iederen dag ontmoeten. Je krijgt nu een broer,--een echten, hartelijken broer. Van Edward's goede hart heb ik de hoogste verwachtingen. Maar je kijkt ernstig, Marianne; heb je iets aan te merken op je zuster's keuze?"

"Misschien," zei Marianne, "mag ik mij er wel een weinigje over verwonderen. Edward is heel aardig, en ik houd ook veel van hem. Maar toch, hij is niet de soort van jonge man... er ontbreekt hem iets, zijn persoonlijkheid is niet opvallend--hij heeft niets van de bekoring die ik dacht, dat moest uitgaan van een man, die mijn zuster's ernstige genegenheid kon winnen. Er is in zijn oogen niets van dien geest, van dat vuur, dat zoowel deugd als intellectueele begaafdheid verraadt. En dan bovendien nog, mama, ik ben bang dat hij eigenlijk geen goeden smaak heeft. Om muziek schijnt hij weinig te geven, en al bewondert hij nog zoozeer Elinor's teekeningen, 't is niet de bewondering van iemand, die hun waarde beoordeelen kan. Men kan duidelijk zien, al neemt hij ook gedurig notitie van haar als ze aan het teekenen is, dat hij er eigenlijk in 't geheel geen verstand van heeft. Hij bewondert als minnaar, niet als een kenner. Om mij te voldoen, zouden die beide eigenschappen vereenigd moeten zijn. Ik zou niet gelukkig kunnen zijn met een man, wiens smaak niet in elk opzicht met den mijne overeenkwam. Hij zou in al mijn gevoelens moeten kunnen komen, dezelfde boeken, dezelfde muziek zouden ons beiden moeten bekoren. O mama, wat was Edward's houding mat en flauw en lauw, toen hij ons gisterenavond voorlas! Ik vond het verschrikkelijk voor Elinor. Maar zij verdroeg het met de grootste kalmte; 't scheen wel of ze 't niet eens opmerkte. Ik kon haast niet op mijn stoel blijven zitten. Die prachtige verzen, die mij dikwijls zoo woest opgewonden hebben gemaakt, te hooren voordragen met zoo'n onverzettelijke kalmte, zoo'n akelige onverschilligheid!"

"Als het eenvoudig en vloeiend proza was geweest, dat zou hij stellig meer tot zijn recht hebben doen komen. Ik dacht het al; maar jij _moest_ hem juist Cowper geven."

"Ja, ziet u, mama--als Cowper hem nog niet in vuur brengt!--maar we moeten bedenken, dat smaken verschillen. Elinor's gevoelens zijn niet de mijne; daarom kan zij zooiets over 't hoofd zien, en gelukkig met hem worden. Maar 't zou _mijn_ hart hebben gebroken, als ik van hem hield, om hem te hooren lezen met zóó weinig gevoel. Mama, hoe meer ik de wereld leer kennen, des te vaster ben ik overtuigd, dat ik nooit een man zal ontmoeten, dien ik werkelijk liefhebben kan. Ik stel zulke hooge eischen! Hij moet al de deugden van Edward bezitten, en zijn persoon en manieren moeten zijn goedheid alle denkbare bekoring verleenen."

"Vergeet niet, kindje, dat je nog geen zeventien bent. 't Is nog te vroeg om aan dat geluk te wanhopen. Waarom zou het je minder goed gaan in dat opzicht dan je moeder? In één enkel opzicht alleen, Marianne, hoop ik, dat je lot van het hare verschillen zal."

HOOFDSTUK IV

Wat is het toch jammer, Elinor," zei Marianne, "dat Edward geen plezier in teekenen heeft."

"Geen pleizier in teekenen?" antwoordde Elinor; "waarom dacht je dat? Hij teekent zelf niet; dat is waar; maar hij ziet heel graag, dat anderen ermee bezig zijn, en ik verzeker je, dat het hem volstrekt niet ontbreekt aan aangeboren smaak, hoewel hij geen gelegenheid heeft gehad om dien te ontwikkelen. Als hij ooit was begonnen het te leeren, dan geloof ik, dat hij heel goed zou hebben geteekend. Hij wantrouwt zóózeer zijn eigen oordeel in zulke dingen; dat hij nooit graag zijn meening uitspreekt over een schilderij of teekening; maar hij heeft dien natuurlijken eenvoud en zuiverheid van smaak, die hem in den regel juist den rechten weg wijzen."

Marianne was bang haar te kwetsen en zweeg verder over dit onderwerp; maar de soort van waardeering, die Elinor in hem beweerde te bespeuren bij 't zien van teekeningen, door anderen vervaardigd, geleek alles behalve op die opgewonden verrukking, die, in háár oogen, alleen waard was, smaak genoemd te worden. Toch, al glimlachte zij inwendig over dat wanbegrip, zij had eerbied voor haar zuster om de blinde partijdigheid voor Edward, waaruit het voortsproot. "Ik hoop, Marianne," ging Elinor voort, "dat je hem niet beschouwt als iemand, die in 't algemeen weinig smaak heeft. Ik ben ook haast wel zeker, dat dit niet het geval is, want je houding tegenover hem is hartelijk en vertrouwelijk, en als je er zóó over dacht, dan weet ik wel, dat je hem niet eens beleefd zoudt behandelen."

Marianne wist niet recht wat ze zou zeggen. Zij wilde in geen geval haar zuster grieven, en toch was het onmogelijk, te zeggen wat ze niet meende. Op 't laatst antwoordde ze:

"Je moet het me niet kwalijk nemen, Elinor, als mijn lof van hem niet in elk opzicht overeenstemt met de overtuiging, die jij koestert omtrent zijn verdiensten. Ik heb niet zooveel gelegenheid gehad om van zijn meer intieme geestesrichting, zijn neigingen en zijn smaak op de hoogte te komen als jij; maar ik ben één en al bewondering voor zijn goedheid en zijn verstand. Hij is in mijn oogen zoo degelijk èn beminnelijk als iemand maar zijn kan."

"Nu," zei Elinor glimlachend, "zijn beste vrienden zouden niet onvoldaan kunnen zijn met zulk een loftuiting. Mij dunkt, met méér warmte hadt je je moeilijk kunnen uitdrukken."

Marianne was blij, dat haar zuster zoo gemakkelijk bleek te voldoen.

"Zijn verstand en zijn goedheid," ging Elinor voort, "kan dunkt mij, niemand in twijfel trekken, die hem dikwijls genoeg heeft ontmoet om een ongedwongen gesprek met hem te kunnen voeren. De helderheid van zijn begrip en de uitnemendheid zijner beginselen blijven alleen maar verborgen door die verlegenheid die hem zoo dikwijls tot zwijgen noopt. Je weet genoeg van hem om zijn degelijken eigenschappen recht te doen weervaren. Maar omtrent zijn meer intieme geestesrichting, zooals je dat noemt, heb jij door toevallige omstandigheden minder ervaren dan ik zelve. Hij en ik waren meermalen haast uitsluitend op elkaar aangewezen, terwijl jij in beslag genomen werdt door moeder, aan wie je al je liefdevolle aandacht wijdde. Ik was veel met hem samen, ik verdiepte mij in zijn gevoelens, en vernam zijn meening over onderwerpen van letterkunde en smaak; en over 't geheel durf ik stellig te beweren, dat zijn geest zeer ontwikkeld is; zijn vermogen om literatuur te genieten buitengewoon groot, zijn verbeelding levendig, zijn opmerkingsgave juist en scherp, en zijn smaak verfijnd en zuiver. Zijn begaafdheden in ieder opzicht vallen bij nadere kennismaking evenzeer mee als zijn wijze van optreden en zijn persoon. Op het eerste gezicht heeft hij waarlijk niets opvallends, en uiterlijk kan men hem moeilijk een knap man noemen, eer men heeft gelet op de uitdrukking van zijn oogen, die bijzonder aantrekkelijk zijn, en iets liefs en goeds in zijn gezicht. Nu ken ik hem zóó goed, dat ik hem werkelijk mooi vind, of ten minste bijna. Hoe denkt jij erover, Marianne?"

"Ik zal hem ook wel gauw mooi vinden, Elinor, al doe ik dat nu nog niet. Als je mij zegt, dat ik van hem mag houden als een broer, dan zal ik evenmin iets onvolmaakts zien in zijn gezicht, als nu in zijn hart." Elinor schrikte bij die woorden, en 't speet haar, dat ze zich onwillekeurig had laten verleiden, met zooveel warmte van hem te spreken. Zij gevoelde wel, dat ze Edward bijzonder hoog schatte. Ze geloofde dat die waardeering wederkeerig was; maar zij had méér zekerheid noodig, indien Marianne's overtuiging omtrent hun wederzijdsche genegenheid haar aangenaam zou zijn. Ze wist, als Marianne en haar moeder één oogenblik iets gisten, dan waren ze in 't volgende er zeker van;--dat bij haar beide wenschen hopen was, en hoop gelijk stond met verwachting. Zij poogde haar zuster den werkelijken stand van zaken te verklaren.

"Ik wil niet ontkennen," zei ze; "dat ik hem bijzonder hoog stel,--dat ik hem de grootste achting toedraag, en hem graag mag lijden."

Marianne barstte verontwaardigd uit:

"Achting toedragen! Mogen lijden! O Elinor, wat ben je koel! Erger dan koel! Je schaamt je om anders te schijnen. Als je die woorden nog weer durft noemen, dan ga ik zóó de kamer uit."

Elinor kon niet nalaten te lachen. "Wees niet boos," zei ze, "en wees maar zeker, dat ik je niet wilde grieven, door zoo kalm over mijn eigen gevoelens te spreken. Geloof dan, dat ze sterker zijn dan ik beweerde; geloof dat ze zóó zijn, als zijn verdiensten en het vermoeden van--de hoop op zijn genegenheid voor mij, mij toestaan ze te koesteren, zonder onvoorzichtigheid of dwaze inbeelding. Maar meer dan dat mag je _niet_ gelooven. Ik ben volstrekt niet zeker van zijn gevoelens jegens mij. Er zijn oogenblikken, waarop hun diepte twijfelachtig schijnt, en eer zijn gemoedsgesteldheid mij volkomen is geopenbaard, kan het je niet verwonderen als ik alles wensch te vermijden wat mijn eigen voorkeur kan aanwakkeren, door die gewichtiger te achten of te doen voorkomen dan zij is. In mijn hart gevoel ik weinig,--ik mag wel zeggen bijna géén twijfel aan zijn genegenheid. Maar er zijn andere dingen, behalve zijn neiging, die in aanmerking komen. Hij is volstrekt niet onafhankelijk. Hoe zijn moeder werkelijk is, dat kunnen wij niet weten; maar te oordeelen naar Fanny's uitlatingen nu en dan over haar gedrag en haar meeningen, hebben wij ons nooit voorgesteld dat zij heel beminnelijk zou zijn; en ik zou mij al zeer moeten vergissen, als Edward zelf niet heel goed wist, dat hem veel moeilijkheden in den weg zouden staan, als hij wenschte, een vrouw te trouwen, die niet òf een groot fortuin bezat, of van zeer voorname afkomst was."

Marianne was verbaasd, toen ze bemerkte, hoezeer haar moeder en zijzelf in hun verbeelding de werkelijkheid hadden voorbij gestreefd.

"Dus ben je wezenlijk niet met hem geëngageerd", zei ze. "Maar 't zal toch stellig gauw gebeuren. Dat uitstel bezorgt ons in elk geval twee voordeelen. Ik zal je zoo gauw niet verliezen, en Edward zal des te beter gelegenheid hebben, om dien aangeboren smaak voor je geliefkoosde bezigheid verder aan te kweeken, die toch zoo onontbeerlijk is voor je toekomstig geluk. O! als je groote begaafdheid hem nog eens zóó kon prikkelen en aanmoedigen, dat hij zelf nog teekenen leerde; wat zou dàt heerlijk zijn!"

Elinor had aan haar zuster gezegd, wat zij werkelijk meende. Zij kon haar neiging tot Edward niet in zulk een gunstig licht beschouwen als Marianne had gedaan. Er was af en toe een gebrek aan opgewektheid in hem te bespeuren, dat, zoo het al geen onverschilligheid liet doorschemeren, toch wees op iets, dat bijna even weinig goeds beloofde. Twijfel aan haar genegenheid zou, bijaldien deze door hem werd gekoesterd, niet meer dan onrust in hem behoeven te wekken. Het was niet waarschijnlijk dat twijfel de oorzaak zou zijn van de neerslachtigheid, die hem meermalen scheen te drukken. Een meer gegronde reden ervoor zou kunnen bestaan in zijn afhankelijke positie die hem belette aan zijne neiging toe te geven. Zij wist, dat zijne moeder noch zorg droeg, hem voor het oogenblik een aangenaam tehuis te verschaffen, noch hem de zekerheid wilde schenken, dat hij zelf zich een gelukkig thuis zou mogen scheppen, zonder zich angstvallig te schikken naar haar inzichten omtrent zijn maatschappelijken vooruitgang. Daar zij dat alles wist, was het Elinor onmogelijk, gerust te zijn op dit punt. Zij rekende er volstrekt niet op, dat zijn genegenheid voor haar den doorslag zou geven; iets dat haar moeder en zuster stellig verwachtten. Integendeel, hoe langer hun omgang duurde, des te meer ging zij twijfelen aan den aard van zijn gevoel; en soms, gedurende enkele minuten, die pijn deden, geloofde zij, dat het niet meer dan vriendschap was.

Doch, wáár dan ook de grenzen mochten zijn van dat gevoel, het was voldoende om zijn zuster, toen zij het bespeurde, ongerust te maken, en meteen (zooals bij haar iets van zelf sprekends was) uiterst onbeleefd. Zij greep de eerste de beste gelegenheid aan om haar schoonmoeder over het geval te onderhouden, en vertelde haar met zooveel nadruk van haar broeder's mooie vooruitzichten; van Mevrouw Ferrars' vast besluit dat haar beide zoons een goede partij zouden doen, en van het gevaar dat jonge dames liepen, die probeerden hem _in te palmen_; dat Mevrouw Dashwood noch kon doen alsof zij haar niet begreep, noch zich dwingen om kalm te blijven. Zij gaf haar een antwoord, dat duidelijk haar minachting deed blijken, en verliet dadelijk de kamer, vastbesloten dat, ondanks allen last en onkosten die zulk een onverwacht vertrek insloot, haar lieve Elinor geen week langer zou blootgesteld zijn aan zulke kwaadaardige toespelingen.

Terwijl zij in deze gemoedsgesteldheid verkeerde, werd haar over de post een brief bezorgd, die een voorstel inhield, dat juist nu bijzonder gelegen kwam. Het was een aanbieding, tegen een geringe vergoeding, van een klein huis, dat toebehoorde aan een bloedverwant van haar, een gezien grondbezitter in Devonshire. De brief was van dezen heer zelf, en geschreven in een oprechten geest van vriendschappelijke tegemoetkoming. Hij had gehoord, dat zij naar een woning zocht, en hoewel het huis, dat hij haar thans aanbood, slechts een eenvoudig landhuisje was, verzekerde hij haar, dat alles eraan zou worden gedaan, wat noodig bleek, als de ligging en omgeving haar aanstonden. Hij drong er ernstig op aan, na haar nadere bijzonderheden omtrent huis en tuin te hebben medegedeeld, dat zij met hare dochters naar Barton Park zou komen, zijn eigen woonverblijf, van waaruit zij zich dan zelve kon vergewissen, of Barton Cottage, want de huizen lagen in dezelfde gemeente, door eenige verandering voor haar geschikt zou kunnen worden gemaakt. Hij scheen er werkelijk op gesteld, hun een dienst te bewijzen, en de geheele toon van zijn brief was zoo vriendelijk, dat zijne nicht zich niet anders dan aangenaam erdoor getroffen kon gevoelen; te meer op dit oogenblik, nu zij pijnlijk gegriefd was door het onhartelijk en ongevoelig gedrag harer nadere familieleden. Tijd voor overleg of navraag had zij niet noodig. Onder het lezen stond haar besluit reeds vast. De ligging van Barton, in een graafschap, zoo ver verwijderd van Sussex als Devonshire, die slechts een paar uur te voren een beletsel zou zijn geweest, voldoende om op te wegen tegen elk denkbaar voordeel dat de plaats aanbood, was thans haar voornaamste aanbeveling. Uit de buurt te geraken van Norland was nu niet langer een ramp; het was het doel van een vurig verlangen; het was een zegen, vergeleken bij de ellende van nog langer de gast te zijn van haar schoondochter; en voor altijd te vertrekken van die geliefde plek zou minder pijnlijk zijn dan er te wonen, of er een bezoek te brengen, zoolang zulk eene vrouw er meesteres was. Zij schreef onmiddellijk aan Sir John Middleton, om haar dank te betuigen voor zijn vriendelijkheid, en hem mede te deelen dat zij zijn voorstel aannam, en haastte zich daarna, beide brieven aan hare dochters te laten zien, om zeker te zijn van hare goedkeuring, eer haar antwoord werd verzonden.

Elinor had altijd gedacht, dat het verstandiger zou zijn, als zij zich vestigden op eenigen afstand van Norland, dan vlak in de buurt van hunne tegenwoordige kennissen. In _dat_ opzicht bestond dus voor haar geen reden, zich te verzetten tegen haar moeder's plan om te verhuizen naar Devonshire. Ook het huis, zooals Sir John Middleton het had beschreven, was zoo bescheiden van afmetingen, en de huurprijs zoo bijzonder laag, dat zij in beide opzichten geen recht had tot het opperen van eenig bezwaar; en zoo kwam het, dat zij, hoewel het plan voor haar verbeelding weinig bekoorlijks had, en het haar verder van Norland verwijderde dan zij wel wenschte, geen poging deed om haar moeder te ontraden, den brief te verzenden, waarin zij hare toestemming gaf.

HOOFDSTUK V