Chapter 19
Kolonel Brandon's kiesche en onopvallende deelneming was Elinor nooit onwelkom. Hij had zich ten volle het voorrecht waardig gemaakt, haar zuster's teleurstelling vertrouwelijk met haar te bespreken, door den vriendschappelijken ijver, waarmede hij had gepoogd, deze te verzachten, en zij spraken thans altijd met elkaar zonder terughouding. Het meest werd hij beloond voor de moeite, die het hem moest hebben gekost, het oude verdriet en de nieuwe vernedering te openbaren, door den medelijdenden blik, dien Marianne somtijds op hem liet rusten, en de zachtheid van haar stem, wanneer zij (wat niet dikwijls gebeurde) verplicht was, of zichzelve ertoe kon brengen, het woord tot hem te richten. _Die_ teekenen schonken hem de zekerheid, dat zijne bemoeiingen een gunstigen invloed hadden uitgeoefend op hare gezindheid te zijnen opzichte; en _zij_ gaven Elinor hoop, dat deze gunstige gezindheid mettertijd nog zou toenemen; maar Mevrouw Jennings, die van dit alles niets afwist,--die alleen maar zag, dat de Kolonel nog steeds even ernstig bleef, en wel wist, dat zij hem nooit zou kunnen overhalen zelf het aanzoek te doen, en evenmin, om die taak aan háár op te dragen,--begon na een paar dagen te denken, dat het huwelijk toch allicht eerder in 't najaar dan in den voorzomer zou plaats hebben, en geloofde aan 't eind van de week, dat er in 't geheel niets van kwam. De goede verstandhouding tusschen den Kolonel en Elinor scheen veeleer te doen vermoeden, dat ten slotte de begeerlijke moerbeienboom, de waterpartij en het taxis-prieel háár zouden ten deel vallen; en aan den Heer Ferrars had Mevrouw Jennings in den laatsten tijd in 't geheel niet meer gedacht.
In 't begin van Februari, nog geen veertien dagen na de ontvangst van Willoughby's brief, werd Elinor de pijnlijke taak opgelegd, haar zuster mede te deelen, dat hij gehuwd was. Zij had gezorgd, bericht te ontvangen, zoodra de plechtigheid was voltrokken, daar zij niet wilde, dat Marianne de tijding het eerst zou vernemen uit de courant, die zij elken morgen met blijkbare spanning inzag. Marianne ontving het bericht met vastberaden kalmte, maakte geene opmerking, en schreide zelfs niet in het begin; doch na eenigen tijd kon zij hare tranen niet meer bedwingen, en zij was verder dien dag in een weinig minder beklagenswaardigen toestand, dan toen zij voor het eerst vernam, dat wat thans gebeurd was, te wachten stond.
De Willoughby's vertrokken dadelijk na hun huwelijk; en Elinor hoopte, nu er geen gevaar meer bestond, dat zij een van beiden zou zien, haar zuster, die na den eersten slag nog steeds was thuis gebleven, over te halen, om langzamerhand weer meer uit te gaan, zooals vroeger. Omstreeks dezen tijd kwamen de dames Steele, die reeds een poosje waren gelogeerd bij hun neef in Bartlett's Buildings, Holborn, zich weer vertoonen bij hun deftiger verwanten in Conduit en Berkeley Street; en zij werden door allen bijzonder hartelijk ontvangen. Elinor alleen was niet blijde hen te zien. Hun aanwezigheid was haar altoos onaangenaam, en zij wist bijna niet, hoe zich met de noodige beleefdheid te gedragen, bij Lucy's overstelpende verrukking, omdat zij haar _nog_ in de stad aantrof.
"'t Zou mij héél erg hebben teleurgesteld, als ik u niet _nog_ hier had ontmoet," zei ze herhaalde malen met sterken nadruk op het woordje "nog". Maar ik had het altijd wel gedacht. Ik wist haast wel zeker, dat u nog zoo gauw niet uit Londen zoudt heengaan; hoewel u mij te Barton vertelde, weet u nog wel? dat u niet langer zoudt blijven dan een maand. Ik dacht toen al, dat u wel van plan zoudt veranderen, als 't er op aankwam. Het zou ook zoo jammer zijn geweest, weg te gaan eer uw broer en zuster kwamen. En nù zult u _stellig_ wel geen haast maken. Het doet mij verbazend veel pleizier dat u uw woord niet gehouden hebt."
Elinor begreep haar volkomen, en had al haar zelfbeheersching noodig, om te doen alsof dit niet het geval was.
"Wel, meisjes," zei Mevrouw Jennings, "en hoe hebben jelui de reis gemaakt?"
"Niet met den omnibus, hoor," zei Juffrouw Anne haastig en verheugd; "we hadden een postkoets, en een galanten cavalier op den koop toe. Dr. Davies moest naar de stad, en dus vonden we 't wel geschikt om met hem partij te maken, en samen met de postkoets te reizen; hij was héél royaal, en betaalde wel tien of twaalf shillings meer dan wij."
"O, o!" riep Mevrouw Jennings, "zoo mag ik het hooren! en ik wed, dat de dokter ongetrouwd is."
"Kijk nu weer," zei Juffrouw Steele, gemaakt lachend, "iedereen plaagt mij zoo met dien dokter, en ik begrijp niet waarom. Mijn nichtjes zeggen, dat ik bepaald een verovering heb gemaakt; maar _ik_ denk in 't geheel niet aan hem. "Anne, daar komt je vriend aan," zei mijn nichtje laatst, toen ze hem de straat zag oversteken naar ons huis. "Vriend! 't is wat moois!" zei ik; "ik weet niet eens wat je bedoelt. De dokter _is_ geen vriend van mij."
"Jawel, jawel, dat is alles nu heel aardig; maar praatjes vullen geen gaatjes;--ik zie 't al; de dokter is de man."
"Neen, werkelijk!" antwoordde haar nicht met gemaakten ernst, "ik hoop toch, dat u het zult tegenspreken, als u er ooit over hoort praten."
Mevrouw Jennings gaf haar aanstonds de geruststellende verzekering, dat zij dit zeer stellig _niet_ van plan was, en Juffrouw Steele's geluk was nu volmaakt.
"U gaat zeker bij uw broer en zuster logeeren, Juffrouw Dashwood, als ze in de stad komen," zei Lucy, die na een poos haar vijandige toespelingen te hebben gestaakt, zich op nieuw gereedmaakte tot den aanval.
"Neen, dat denk ik niet."
"O wel ja, natuurlijk doet u dat."
Elinor wilde haar door verder tegenspreken niet haar zin geven.
"'t Is toch maar prettig, dat Mevrouw Dashwood u allebei zóó lang kan missen!"
"Zóó lang?" kwam Mevrouw Jennings tusschenbeiden. "En ze zijn pas hier!"
Lucy was tot zwijgen gebracht.
"'t Spijt mij, dat we uw zuster niet zien, Juffrouw Dashwood", zei Anne. "Jammer, dat ze niet wel is"; want Marianne was bij hun komst naar haar kamer gegaan.
"Dank u; 't zal mijn zuster ook spijten, dat ze niet 't genoegen heeft gehad u te zien; maar zij heeft in den laatsten tijd veel last van zenuwhoofdpijn, die haar ongeschikt maakt om bezoek te ontvangen of met iemand te spreken."
"Och, dat treft wèl ongelukkig!--maar zulke oude vriendinnen als Lucy en ik!--_ons_ kon ze toch wel ontvangen, dunkt mij, en we zullen geen woord zeggen."
Elinor, steeds uiterst beleefd, ging op dit voorstel niet in. Haar zuster zou misschien te bed liggen, of half ontkleed zijn, en daarom niet kunnen beneden komen.
"O, dàt doet er niets toe," riep Juffrouw Steele; "we kunnen evengoed háár gaan opzoeken."
Elinor begon deze brutaliteit toch wat erg te vinden, zelfs voor háár verdraagzaamheid; maar de moeite er paal en perk aan te stellen werd haar bespaard door Lucy's scherpe terechtwijzing, die ook in dit geval, zooals meermalen, hoewel niet bevorderlijk voor de lieftalligheid der eene zuster, toch den goeden dienst bewees, de lompheid der andere eenigszins binnen de perken te houden.
HOOFDSTUK XXXIII
Na eenig tegenstribbelen gaf Marianne gehoor aan haar zuster's dringend verzoek, en stemde op zekeren morgen erin toe, een half uurtje met haar en Mevrouw Jennings uit te gaan. Zij stelde echter de voorwaarde, dat zij geen bezoeken zou behoeven te maken, en wilde alleen meegaan naar den winkel van Gray in Sackville Street, waar Elinor het een en ander had te bespreken in verband met den ruil van enkele ouderwetsche kostbaarheden van hare moeder. Toen zij voor de deur van den juwelier stilhielden, herinnerde Mevrouw Jennings zich, dat aan het andere einde van de straat eene dame woonde, die zij volstrekt moest bezoeken, en daar zij bij Gray niets te doen had, werd afgesproken dat zij haar visite zou maken, terwijl hare logées hun zaken afdeden, om hen later weer af te halen.
Toen de dames Dashwood boven kwamen, bemerkten zij, dat reeds verscheiden personen hen waren vóór geweest, en geen der bedienden hun op het oogenblik kon te woord staan; zij waren dus wel genoodzaakt te wachten. Al wat zij konden doen, was, aan den hoek te gaan zitten van de toonbank, waar zij het eerst kans hadden, aan de beurt te zullen komen; hier stond slechts één heer, en waarschijnlijk hoopte Elinor, dat hij uit beleefdheid een weinig haast zou maken. Maar de nauwlettendheid van zijn scherpen blik, en de keurigheid van zijn smaak schenen het van zijn beleefdheid te winnen. Hij bestelde een tandenstoker-étui, voor eigen gebruik, en eer hij tot een beslissing was gekomen omtrent de grootte, het model en de versiering van het voorwerp,--die tenslotte, nadat hij alle tandenstoker-étuis in den winkel had bekeken en bepraat, bleven overgelaten aan zijn eigen vindingrijke fantasie,--had hij geen gelegenheid, zich tegenover de dames op andere wijze verdienstelijk te maken, dan door hen drie of viermaal zéér onbescheiden op te nemen; eene attentie, die Elinor voorgoed de herinnering deed behouden aan een persoon en een gezicht, uitmuntend door de meest treffende, aangeboren en kernachtige onbeduidendheid; hoewel het jongemensch naar de allerlaatste mode was uitgedost.
Marianne bleven de onaangename gevoelens van minachting en ergernis bespaard, gewekt door dat brutale opnemen van hun gezichten, en door het ingebeelde air, waarmee hij de verschillende onvolmaaktheden der verschillende tandenstoker-étuis critiseerde, die hem werden voorgelegd; daar zij van dit alles niets bespeurde; zij kon evengoed zich in haar gedachten verdiepen en onbewust blijven van 't geen rondom haar voorviel, in den juwelierswinkel als in haar eigen slaapkamer thuis. Eindelijk kwam de zaak in orde. Het ivoor, het goud en de parelen kregen elk de hun aangewezen bestemming, en nadat de jonge man den laatsten dag had genoemd, dien hij dacht te kunnen doorleven zonder zijn étui, en op zijn gemak zijn handschoenen had aangetrokken, wierp hij den dames Dashwood nogmaals een blik toe, die eer bewondering scheen te eischen dan uit te drukken, en stapte heen, in al de glorie van echte inbeelding en voorgewende onverschilligheid.
Elinor zorgde ervoor, thans onmiddellijk te worden geholpen, en zij was bijna klaar, toen een andere heer naast haar kwam staan. Zij keek hem even aan, en zag tot haar verwondering, dat het haar broeder was.
Hun hartelijkheid en de blijdschap over deze ontmoeting waren juist voldoende om hier in den winkel een zeer goeden indruk teweeg te brengen. John Dashwood vond het heel aardig, zijn zusters eens weer te zien; hun beiden deed het werkelijk genoegen, en naar hun moeder vroeg hij met eerbiedige belangstelling.
Elinor hoorde, dat hij en Fanny al twee dagen in de stad waren. "Ik zou je graag gisteren zijn komen opzoeken," zei hij, "maar dat ging nu eenmaal niet, omdat Harry volstrekt den dierentuin moest zien, en verder brachten we den dag door bij Mevrouw Ferrars. Harry vond het prachtig. Van morgen was ik wéér stellig van plan je een bezoek te brengen, als ik een half uurtje vrij had, maar er is altijd zóóveel te doen, als men pas in de stad komt! Ik moet hier een zegel bestellen voor Fanny. Maar morgen denk ik bepaald naar Berkeley Street te gaan, en meteen kennis te maken met je vriendin Mevrouw Jennings. Ik hoor dat zij zeer vermogend is. En aan de Middletons moet je mij ook voorstellen. Daar zij familie zijn van mijn stiefmoeder, zal 't mij genoegen doen hen te leeren kennen. Ik hoor, dat ze daarbuiten goede buren voor je zijn."
"O ja, uitmuntend. Hun welwillendheid in ieder opzicht, hun hartelijke vriendschappelijkheid zijn met geen woorden uit te drukken."
"Het doet mij oprecht genoegen dat te hooren; daar ben ik bepaald blij om. Maar zoo behoort het ook; het zijn menschen van fortuin; ze zijn familie van je; en men kon met recht verwachten, dat ze door beleefdheid en voorkomendheid je leven zouden pogen te veraangenamen. En je hebt het dus zeer naar je zin in je huisje, en verder niets te wenschen. Edward had er ons niets dan goeds van te vertellen; hij zei, het was in zijn soort volmaakt en jelui hadt er allen evenveel pleizier in. 't Was ons een groote voldoening, dat te hooren, zooals je wel begrijpen zult."
Elinor schaamde zich een beetje over haar broeder, en het speet haar niet, dat zij een antwoord kon achterwege laten; daar Mevrouw Jennings' knecht kwam zeggen, dat het rijtuig wachtte.
De Heer Dashwood ging met hen mee naar beneden, werd bij het portier van het rijtuig aan Mevrouw Jennings voorgesteld, en nam afscheid, na nogmaals de hoop te hebben uitgedrukt, dat hij hen den volgenden dag zou kunnen bezoeken.
Het bezoek had dan ook werkelijk plaats. Hij bracht een zoogenaamde verontschuldiging over van hun schoonzuster, dat zij niet meekwam; "maar zij werd zoo in beslag genomen door haar moeder, dat ze werkelijk geen tijd had om ergens heen te gaan." Mevrouw Jennings verzekerde hem echter dadelijk, dat zij het daarmee zoo nauw niet nam; ze waren toch allen familie van elkaar in zekeren zin, en zij zou in elk geval spoedig Mevrouw John Dashwood bezoeken en haar zusters meebrengen. Tegen Elinor en Marianne was hij, ofschoon niet uitbundig, toch zeer vriendelijk; Mevrouw Jennings behandelde hij uiterst beleefd, en toen Kolonel Brandon kort na hem verscheen, keek hij hem aan met een nieuwsgierige belangstelling, die zijn bereidwilligheid liet doorschemeren, ook tegen hèm beleefd te zijn, als hij maar eerst wist, dat hij rijk was. Toen hij er een half uurtje had gezeten, vroeg hij of Elinor met hem naar Conduit Street wilde wandelen, om hem aan Sir John en Lady Middleton voor te stellen. Het was bijzonder mooi weer, en zij stemde hier gaarne in toe. Zoodra ze buitenshuis waren, begon hij te vragen.
"Wie is Kolonel Brandon? Is hij rijk?"
"Ja; hij heeft een mooie bezitting in Dorsetshire."
"Daar ben ik blij om. Hij maakt een zeer gunstigen indruk en ik geloof, Elinor, dat ik je mag gelukwenschen met het vooruitzicht op een goede positie."
"Mij gelukwenschen?--wat bedoel je, John?"
"Hij houdt van je. Ik heb scherp opgelet, en ik ben er zeker van. Hoeveel inkomen heeft hij?"
"Ik geloof omstreeks tweeduizend pond in het jaar."
"Tweeduizend pond in het jaar,"... en met een soort van stuipachtige poging tot edelmoedige geestdrift voegde hij erbij: "Elinor, uit den grond van mijn hart zou ik wenschen, voor jou, dat het _tweemaal_ zooveel was."
"Dat geloof ik graag," antwoordde Elinor; "maar ik weet wel zeker, dat Kolonel Brandon in de verste verte niet wenscht, met _mij_ te trouwen."
"Je vergist je, Elinor; je vergist je bepaald. Met een klein beetje moeite van jouw kant zou 't gelukken. Misschien staat zijn besluit nog niet vast; dat je weinig bezit kan een beletsel voor hem zijn; mogelijk raden zijn vrienden het hem allen af. Maar zoo enkele kleine attenties en aanmoedigingen, die het dames zoo gemakkelijk valt te bewijzen, brengen de zaak in orde, eer hij het weet. En er kan geen reden bestaan, waarom je 't niet zou beproeven, hem te winnen. 't Is niet te denken, dat een vroegere genegenheid van jouw kant... je weet nu eenmaal, wat dàt betreft, daarvan kan geen sprake zijn; de bezwaren zijn onoverkomelijk--en je bent te verstandig om dat niet in te zien. Kolonel Brandon wordt de man, en 't zal aan mij niet liggen, als hij niet ingenomen is met jou en je familie. Dàt is nu een huwelijk, dat iedereen zal aanstaan.--Ik zal 't je maar zeggen,"--hier begon hij gewichtig te fluisteren,--"het zal voor _alle partijen_ bepaald een uitkomst zijn." Zich bedenkend, voegde hij erbij: "Dat wil zeggen... ik bedoel... al je vrienden verlangen natuurlijk oprecht om je gelukkig getrouwd te zien; Fanny vooral, want zij meent het goed met je, werkelijk. En haar moeder ook; Mevrouw Ferrars is een heel goedhartige vrouw; ik geloof stellig, dat het haar veel pleizier zou doen, ze heeft nog pas zoo iets gezegd."
Elinor verwaardigde zich niet, hierop te antwoorden.
"Het zou wèl toevallig zijn," ging hij voort, "bepaald grappig, als Fanny's broer en _mijn_ zuster op den zelfden tijd in 't huwelijk traden. En 't kan toch licht gebeuren."
"Gaat Edward Ferrars dan trouwen?" zei Elinor bedaard.
"Het staat nog niet vast; maar er is wel sprake van. Hij heeft een moeder zooals er geen tweede bestaat. Mevrouw Ferrars zal hem met de grootste vrijgevigheid behandelen en hem een vast inkomen verzekeren van duizend pond jaarlijks, als dit huwelijk doorgaat. _Zij_ is een Morton, de eenige dochter van den overleden Lord Morton, en zij bezit dertigduizend pond,--van beide zijden is de verbintenis zeer gewenscht, en ik twijfel geen oogenblik of die zaak komt wel in orde. Duizend pond in 't jaar is geen kleinigheid voor een moeder, om voor goed af te staan; maar Mevrouw Ferrars heeft een nobele natuur. Om je nog een voorbeeld te noemen van haar royaliteit; toen we nu onlangs in de stad kwamen, heeft ze, omdat ze wel wist dat we niet ruim bij kas waren, Fanny een presentje toegestopt van tweehonderd pond. En dat kwam ons uitnemend te pas; want het is duur leven hier in de stad." Hij wachtte op een betuiging van instemming en medelijden, en zij dwong zichzelf, te zeggen:
"Je zult zoowel in de stad als buiten veel uitgaven hebben; maar je inkomen is ook groot."
"Niet zoo groot, durf ik wel zeggen als veel menschen meenen. Ik wil overigens niet klagen, natuurlijk; het is in elk geval zéér voldoende, en zal, hoop ik, mettertijd grooter worden. Het omheinen van Norland Common, waarmee we nu bezig zijn, verslindt ontzaglijk veel geld. En ik heb in dit laatste halfjaar ook nog een aankoop gedaan--East Kingham Farm, je herinnert je die boerderij wel, waar de oude Gibson woonde. Die landerijen kwamen mij in elk opzicht zoo uitmuntend van pas, ze sloten zoo onmiddellijk aan bij mijn eigendom, dat ik het als mijn plicht beschouwde, ze te koopen. Ik had het niet met mijn geweten kunnen overeenbrengen, ze in andere handen te laten vallen. Voor iets goeds moet men ook wat overhebben; en het _heeft_ mij geld gekost, dat is zeker."
"Meer dan je denkt, dat het bezit werkelijk en op zich zelf waard was?"
"Och, dat wil ik niet zeggen. Ik had het den volgenden dag kunnen verkoopen voor méér dan ik had betaald; maar wat de koopsom betrof, daarmee had ik wel heel ongelukkig kunnen treffen; de koersen stonden toen juist zoo laag, dat ik bepaald met groot verlies effecten zou hebben moeten verkoopen, als ik niet toevallig bij mijn bankier over de benoodigde som had kunnen beschikken."
Elinor glimlachte even.
"Nog meer groote en onvermijdelijke uitgaven hebben we gehad toen we pas te Norland waren gekomen. Zooals je weet, had vader al het goed van Stanhill, dat meegenomen was naar Norland, aan je moeder nagelaten. Daarover wil ik mij niet beklagen; verre van daar; hij had het volste recht over zijn eigendom te beschikken zooals hij verkoos. Maar wij hebben dientengevolge veel linnengoed, porselein, enz. moeten aanschaffen, ter vervanging van 't geen werd weggenomen. Je kunt wel begrijpen, dat we, na al die onkosten, nu volstrekt niet rijk kunnen genoemd worden, en dat Mevrouw Ferrars' vriendelijkheid ons bijzonder welkom is."
"Zeker," zei Elinor; "en ik hoop dat je met haar bijstand nog eenmaal zoover zult komen, dat je ruim en royaal leven kunt."
"Met een paar jaar zal het er méér naar gaan lijken," antwoordde hij met onverstoorbaren ernst; "maar er blijft vooreerst nog veel te doen. Er is nog niet eens begonnen met den bouw van Fanny's oranjerie, en van den bloemtuin is enkel het plan ontworpen."
"Waar komt die oranjerie?"
"Op het heuveltje achter het huis. De oude noteboomen zijn alle omgehakt, om ruimte te maken. Van uit het park gezien zal dat mooie gebouw een goed figuur maken, en de bloemtuin komt er vlak vóór, tegen de helling. We hebben al de oude meidoorns opgeruimd, die daar verspreid op den heuvel groeiden."
Elinor hield haar spijt en haar afkeuring voor zich, en was maar blijde, dat Marianne er niet bij was, om zich mèt haar te ergeren.
Nu hij genoeg had gezegd, om zijn armoede in een helder licht te stellen, en de verplichting te ontgaan, bij zijn volgend bezoek aan den juwelier voor ieder van zijn zusters een paar oorbelletjes te koopen, begon hij aan vroolijker dingen te denken, en Elinor geluk te wenschen, dat ze een vriendin had als Mevrouw Jennings. "Dat is bepaald iemand, die men op prijs moet stellen. Haar huis, haar manier van leven, alles wijst op een uiterst ruim inkomen, en de kennismaking met haar is niet alleen tot nu toe je van zeer groot nut geweest; maar kan later werkelijk voordeel voor je afwerpen. Dat ze jelui hier heeft te logeeren gevraagd, bewijst wel, hoe goed ze je gezind is; werkelijk, ik zie daarin een zoo sprekend bewijs van haar genegenheid, dat jelui naar alle waarschijnlijkheid bij haar overlijden wel niet zult worden vergeten. Zij zal heel wat nalaten, denk ik..."
"Ik zou eerder denken, in 't geheel niets; zij heeft enkel het vruchtgebruik van het kapitaal, dat haar kinderen zullen erven."
"Maar het spreekt toch van zelf, dat zij niet haar geheele inkomen verteert. Dàt doet toch haast niemand, die zijn verstand gebruikt; en met hetgeen ze spaart, kan zij doen wat ze wil."
"En lijkt het je niet meer dan waarschijnlijk, dat ze dat aan haar dochters zal nalaten dan aan ons?"
"Haar dochters zijn beiden rijk getrouwd; ik zie dus niet in, waarom zij juist het eerst aan hèn zou denken. _Mij_ dunkt juist, dat zij, door zooveel notitie van jelui te nemen, en je op deze wijze te behandelen, jelui een soort van recht heeft gegeven om voor de toekomst iets van haar te verwachten, dat een vrouw, die nauwgezet van geweten is, stellig zal moeten erkennen. Haar houding tegenover jelui is wel zoo vriendelijk mogelijk, en zij kan moeilijk zóó ver gaan in dit opzicht, zonder te begrijpen, welke verwachtingen zij wekt."
"Gééne, bij hen, die de zaak het allereerst aangaat. Werkelijk, John, je bezorgdheid voor ons welzijn en onzen voorspoed gaat verder dan noodig is."
"'t Is waar," zei hij, blijkbaar tot nadenken gebracht, "de mensch heeft weinig, zéér weinig in zijn macht. Maar lieve Elinor, wat scheelt Marianne toch?--Ze ziet er bijzonder slecht uit, heeft haar frissche kleur verloren, en is bepaald mager geworden. Is zij ziek?"
"Ze is niet heel wel; ze heeft al een paar weken last van haar zenuwen."
"Dat is jammer. Op haar leeftijd doet ziekte alle frischheid verloren gaan. Háár bloei heeft maar kort geduurd. In September nog was ze een van de mooiste meisjes, die ik kende, met veel aantrekkelijks voor mannen. Juist de soort van schoonheid die hun bevalt. Ik weet nog, hoe Fanny altijd zei, dat _zij_ eerder en beter zou trouwen dan jij,--niet dat ze van jou niet véél zou houden,--maar ze dacht dat nu zoo. En toch zal ze zien, dat ze zich vergist heeft. 't Is de vraag of Marianne _nu_ een man kan krijgen met meer dan vijf- of zeshonderd in 't jaar op zijn meest, en 't zou mij niets verwonderen, als jij het niet beter treft. Dorsetshire! Ik ken Dorsetshire zoo goed als niet; maar ik zou het bijzonder gaarne nader leeren kennen, Elinor; en ik durf wel zeggen, dat Fanny en ik daar je eerste en recht verheugde logeergasten zullen zijn."
Elinor trachtte hem met den meesten nadruk te overtuigen, dat er van een huwelijk tusschen haar en Kolonel Brandon niets zou komen; maar hij had te veel pleizier in die verwachting om haar te kunnen opgeven; en hij was vastbesloten, den Kolonel nader te leeren kennen, en zijn uiterste best te doen, dat huwelijk tot stand te brengen. Hij had juist genoeg berouw over het feit, dat hijzelf niets voor zijn zusters had gedaan, om uit alle macht te verlangen, dat anderen des te meer voor hen zouden doen, en een huwelijksaanzoek van Kolonel Brandon, of een legaat van Mevrouw Jennings, waren de eenvoudigste middelen om zijn eigen nalatigheid te vergoeden....