Gevoel en verstand

Chapter 18

Chapter 183,910 wordsPublic domain

"Als ik mij niet laat misleiden door de onzekerheid, de partijdigheid eener teedere herinnering, dan bestaat tusschen hen beiden een sterke gelijkenis, zoowel innerlijk als uiterlijk,--dezelfde warmte van hart, dezelfde vurigheid van verbeelding en geest. Deze dame was eene mijner naaste bloedverwanten, reeds jong wees geworden, en onder de voogdijschap van mijn vader geplaatst. Wij waren bijna even oud, en van jongsaf speelgenooten en vrienden. Ik kan mij den tijd niet herinneren, waarin ik Eliza niet liefhad; en toen wij ouder werden, was mijn genegenheid voor haar zoo innig, dat u, die mij beoordeelt naar mijn tegenwoordigen triesten en vreugdeloozen ernst, mij wellicht niet tot zulk een sterk gevoel in staat zoudt kunnen achten. Haar liefde voor mij was, geloof ik, vurig als die van uwe zuster voor den Heer Willoughby, en niet minder ongelukkig, al was het door eene andere oorzaak. Toen zij zeventien jaren was, moest ik haar voor altijd verliezen. Zij trouwde--werd tegen haar zin uitgehuwelijkt aan mijn broeder. Haar fortuin was aanzienlijk en ons familiegoed stak diep in schulden. Dat is alles, vrees ik, wat gezegd kan worden ter vergoelijking van het gedrag van hem, die haar oom en voogd was. Mijn broeder verdiende haar niet; hij had haar zelfs niet lief. Ik had gehoopt, dat haar genegenheid voor mij haar onder alle moeilijkheden zou staande houden, en een tijdlang was dit ook zoo;--doch op den duur kon haar standvastigheid geen weerstand bieden aan de smart die zij moest verduren; want zij werd zeer hard behandeld, en hoewel zij mij had beloofd, dat niets... maar hoe ongeregeld is mijn verhaal! Ik heb u nog niet verteld, hoe het zoover kwam. Slechts enkele uren voor wij te zamen wilden vluchten naar Schotland, werden wij verraden door het bedrog of de domheid van de kamenier mijner nicht. Ik werd verbannen naar het huis van een zeer veraf wonenden bloedverwant en haar werd alle vrijheid, alle omgang, elk vermaak ontzegd, tot mijn vader zijn zin had gekregen. Ik had te veel op haar kracht vertrouwd, en de slag trof mij zwaar;--doch als haar huwelijk gelukkig was geweest, dan had ik mij, zoo jong als ik toen was, er na eenige maanden mede moeten verzoenen; of ik had het althans nu niet behoeven te betreuren. Maar dat was niet het geval. Mijn broeder had haar niet lief; hij jaagde ongeoorloofde genoegens na, en van den beginne af heeft hij haar hard behandeld. Maar al te natuurlijk waren de gevolgen van die behandeling, in hun uitwerking op een geest, zoo jong, zoo levendig, zoo onervaren als die van Mevrouw Brandon. In het begin droeg zij gelaten haar ellende, en het zou gelukkig zijn geweest, zoo zij gestorven ware, eer zij de droefheid verwon, die de herinnering aan mij in haar placht te wekken. Maar is het vreemd, dat zij ten val werd gebracht, met een echtgenoot, die haar uitlokte tot ontrouw, en zonder één vriend, die haar raden of weerhouden kon? (want mijn vader stierf een paar maanden na hun huwelijk, en ik was met mijn regiment in Indië). Was ik in Engeland gebleven, misschien... doch ik meende beider geluk te bevorderen door haar voor lange jaren te verlaten, en met dat doel had ik om overplaatsing verzocht. De schok, dien ik ondervond bij het vernemen van haar huwelijk," ging hij voort, met een stem, die zijn heftige ontroering verried, "was gering, was niets,--vergeleken bij wat ik voelde, toen ik twee jaren later hoorde, dat zij gescheiden was. Dàt was het, dat mij zoo somber deed worden--zelfs nu is de herinnering aan wat ik geleden heb..." Hij kon niet voortgaan, stond haastig op, diep aangedaan door zijn verhaal, en nog meer door zijn smartelijke ontroering, kon niet spreken. Hij zag, hoe bewogen zij was, vatte hare hand, drukte die en kuste ze met dankbaren eerbied. Na nog een paar minuten, waarin hij zich in stilte vermande, kon hij bedaarder voortgaan.

"Drie jaren bijna waren verstreken na die droeve dagen, eer ik naar Engeland terugkeerde. Mijn eerste gedachte, bij mijne aankomst, was natuurlijk, haar te zoeken; maar de pogingen daartoe waren zoo vruchteloos als diep bedroevend. Ik kon niet ontdekken, wat er van haar was geworden, nadat zij door haar eersten verleider was verlaten, en er bestond alle reden, te vreezen, dat zij steeds dieper gezonken en tot een leven van zonde vervallen was. Het jaargeld, haar door de wet toegezegd, was niet evenredig aan haar fortuin, noch voldoende voor haar behoorlijk onderhoud, en ik vernam van mijn broeder, dat eenige maanden geleden het recht om het in ontvangst te nemen aan een ander was afgestaan. Hij vermoedde, en kon dat vermoeden kalm uitspreken, dat haar verkwisting en hieruit voortvloeiende armoede haar hadden genoodzaakt, het op te geven om voorloopig uit den dringendsten nood te geraken. Eindelijk echter, toen ik reeds zes maanden in Engeland was geweest, heb ik haar tòch gevonden. Uit gehechtheid aan een vroegeren bediende, die in het ongeluk was geraakt, zocht ik dezen man op in een schuldgevangenis, waar hij wegens schulden in hechtenis werd gehouden, en hier in dat zelfde huis, en in dergelijke omstandigheden, trof ik haar aan, mijn ongelukkige pleegzuster. Zoo veranderd--zoo vervallen--zoo uitgeteerd door hevig lijden naar lichaam en ziel! Ternauwernood kon ik gelooven, dat dit droeve, door ziekte ondermijnde schepsel eens het beminnelijke, bloeiende, gezonde meisje was geweest, waarmede ik gedweept had, Hoe ik leed, toen ik haar zóó moest aanschouwen--maar ik heb het recht niet uw gevoelens te kwetsen door te pogen dat te beschrijven--ik deed u reeds te veel verdriet. Dat zij, het bleek maar al te duidelijk, in het laatste stadium van de tering was, schonk mij,--ja in deze omstandigheden moest het mij troost schenken. Haar bood het leven niets meer, dan tijd zich beter voor te bereiden op den dood, en deze werd haar geschonken. Ik zorgde dat zij goed werd gehuisvest, en zorgvuldig verpleegd; ik bezocht haar iederen dag, zoolang haar korte leven nog moest duren; ik was bij haar in haar laatste oogenblikken."

Weer zweeg hij, om zijn aandoening meester te worden, en Elinor uitte haar gevoel in een uitroep vol van het teederste medelijden met het lot zijner beklagenswaardige vriendin.

"Het zal uwe zuster, hoop ik, niet kunnen kwetsen," zeide hij, "dat ik mij verbeeldde, een zekere gelijkenis te zien tusschen haar en mijne arme, onteerde bloedverwante. Hun lot, hunne ervaringen kunnen niet dezelfde zijn, en had de van nature beminnelijke geaardheid der laatste steun ontvangen door een krachtiger wil of door een gelukkiger huwelijk, dan zou zij alles hebben kunnen zijn, wat uwe zuster in de toekomst belooft te worden.--Doch waartoe leidt dit alles? Het schijnt alsof ik u voor niets heb bedroefd. Ach,--een onderwerp als dit,--veertien jaren onaangeroerd gebleven--het is gevaarlijk het zelfs maar ter sprake te brengen! Maar ik _wil_ geregelder verhalen--beknopter zijn. Zij vertrouwde aan mijne zorg haar eenig kindje, een meisje, de vrucht van hare eerste schuldige verbintenis, dat toen omstreeks drie jaren oud was. Zij had het kind lief, en het was altijd bij haar gebleven. Voor mij was deze opdracht waardevol en kostbaar, en gaarne zou ik mij ervan hebben gekweten in den meest volledigen zin, door zelf te waken over hare opvoeding, indien de omstandigheden dit hadden veroorloofd; maar ik had geen gezin, geen tehuis; en dus werd mijn kleine Eliza naar eene school gebracht. Ik ging haar bezoeken, zoo dikwijls ik kon, en na den dood van mijn broeder omstreeks vijf jaar geleden, waardoor ik eigenaar werd van ons familiegoed, kwam zij dikwijls bij mij te Delaford. Het heette, dat zij verre familie van mij was; maar ik weet zeer goed, dat men in 't algemeen mij verdacht van een veel nadere verwantschap. Nu drie jaar geleden (zij was toen veertien) nam ik haar van school, om haar onder de hoede te plaatsen van eene zeer achtenswaardige dame in Dorsetshire, die zich belast had met de opvoeding van nog vier of vijf andere meisjes van denzelfden leeftijd, en gedurende twee jaren had ik alle reden om tevreden te zijn met deze schikking. Doch in Februari van het vorige jaar, nu bijna een jaar geleden, was zij plotseling verdwenen. Ik had haar toegestaan (onvoorzichtig, zooals later bleek) op haar dringend verlangen, naar Bath te gaan met eene harer vriendinnen, die haar zieken vader daar moest verplegen. Ik wist dat hij een goede man was, en had ook een gunstige meening opgevat omtrent zijne dochter, beter dan zij verdiende; want in haar koppige en onverstandige zucht tot geheimhouding, wilde zij ons niets vertellen, en geen enkele inlichting verstrekken, ofschoon zij stellig alles wist. Haar vader zelf, een goedhartige, maar ver van scherpziende man, kon mij werkelijk niets mededeelen; want hij was aan huis gebonden geweest, terwijl de meisjes alleen in de stad zwierven, en kennis maakten met wie ze verkozen; en hij poogde mij te overtuigen, even stellig als hij zelf daarvan doordrongen was, dat zijne dochter niets van de zaak afwist. Om kort te gaan, ik vernam niets dan dat zij weg was, al het overige bleef onzeker, acht volle maanden lang. Wat ik dacht, wat ik vreesde, kunt u zich voorstellen, en hoe ik leed, eveneens."

"O!" riep Elinor, "is het mogelijk! Kon Willoughby..."

"Het eerste bericht van haar, dat ik ontving," ging hij voort, "bereikte mij in een brief van haarzelve in October l.l. Deze werd mij uit Delaford opgezonden, en ik ontving dien juist op den morgen van ons voorgenomen tochtje naar Whitwell. Dat was de reden van mijn plotseling vertrek uit Barton, dat toen iedereen, zooals ik wel begreep, zeer vreemd voorkwam, en dat sommigen mij, geloof ik, kwalijk hebben genomen. Weinig vermoedde de Heer Willoughby, denk ik, toen zijn blikken mij mijne onbeleefdheid verweten, omdat ik het voorgenomen uitstapje bedierf, dat mijne hulp werd ingeroepen door iemand, die hij tot armoede en ellende had doen vervallen; maar wat zou het hebben gebaat, _indien_ hij het wist? Zou hij zich minder vroolijk of gelukkig hebben gevoeld door den glimlach van uw zuster? Neen; want hij had reeds gedaan, wat geen man zou _kunnen_ doen, die voor anderen kan gevoelen. Hij had het jonge, ónschuldige meisje, dat hij had verleid, achtergelaten in een wanhopigen toestand, zonder behoorlijk tehuis, zonder hulp, zonder vrienden, zonder haar zijn adres op te geven! Hij verliet haar met de belofte te zullen terugkeeren; hij kwam niet terug, schreef niet, verleende geen hulp."

"Dat is beneden alles!" riep Elinor uit.

"Thans kent u zijn waren aard;--verkwistend, losbandig, en erger dan dat. Denk eens wat ik, dit alles wetend, zooals ik het reeds wekenlang geweten heb, moest gevoelen, toen ik zag, dat uwe zuster hem nog steeds liefhad, en toen ik hoorde, dat zij met hem ging trouwen; wat ik gevoelde om u aller wil. Toen ik de vorige week kwam en u alleen vond, was ik vastbesloten, de waarheid te vernemen, ofschoon nog niet zeker, wàt te doen, wanneer ik die vernomen hàd. Mijn gedrag moet u toen vreemd zijn voorgekomen; doch nu zult u het begrijpen. U allen zoo misleid te weten; uw zuster te zien... maar wat kon ik doen? Ik had geen hoop, dat mijn tusschenkomst iets zou baten, en soms dacht ik, dat uw zuster's invloed hem nog ten goede zou kunnen bewegen. Doch wie zal zeggen, na deze schandelijke behandeling, wat hij wellicht met haar heeft voorgehad? Wat ook zijn bedoelingen mogen geweest zijn, zij kan nu, en zàl ongetwijfeld later, haar eigen toestand met dankbaarheid beschouwen, wanneer zij dien vergelijkt met het lijden mijner arme Eliza; wanneer zij denkt aan de treurige, hopelooze omstandigheden, waarin dit arme meisje verkeert, en zich haar voorstelt, hem even innig, ook thans nog, liefhebbend als zij zelve en daarbij gekweld door een zelfverwijt dat van levenslangen duur zal zijn. Stellig zal die vergelijking haar ten goede komen. Zij zal gevoelen dat haar eigen leed als niets is. Het vond zijn oorsprong in geen wangedrag, en kan geen blaam op haar werpen. Integendeel, ieder die te voren haar vriend was, wordt het thans des te meer. Medelijden met haar verdriet, en eerbied voor de kracht, waarmede zij het draagt, moeten elke genegenheid versterken. Ik laat echter aan uw eigen oordeel over, wat u haar wilt mededeelen van 't geen ik u verteld heb. U weet het best wat de uitwerking ervan zal zijn; doch als ik niet oprecht en uit den grond van mijn hart had geloofd, dat het haar ten goede zou kunnen komen, haar droefheid zou kunnen doen verminderen, dan zou ik mijzelf niet hebben veroorloofd, u lastig te vallen met dit relaas van mijn treurige familie-omstandigheden; met een verhaal, dat den schijn zou kunnen wekken, alsof ik mijzelf ten koste van anderen had willen verheffen."

Elinor betuigde hem met ernstigen nadruk dank voor deze woorden, en verzekerde hem, dat zij voor Marianne van zijne mededeeling werkelijk veel goeds verwachtte. "Haar pogingen om hem vrij te spreken," zeide zij, "deden mij het allermeest verdriet; want zij doen haar meer kwaad dan de stelligste overtuiging van zijn onwaardigheid. Nu geloof ik, dat zij, hoewel ze in het begin erdoor zal lijden, spoedig veel meer getroost zal zijn.--Hebt u", ging zij na een kort stilzwijgen voort, "den Heer Willoughby nog weer ontmoet sedert uw vertrek uit Barton?"

"Ja," antwoordde hij ernstig, "eenmaal. Eene ontmoeting was onvermijdelijk."

Elinor, verschrikt door zijn toon, zag hem angstig aan, en zeide: "Wat? hebt u met hem..."

"Er was geen andere uitweg. Eliza had mij, hoewel zeer ongaarne, den naam van haar minnaar bekend; en toen hij naar de stad terugkeerde, veertien dagen later dan ik, hebben wij geduelleerd; hij om zich te verdedigen, ik om zijn gedrag te straffen. Wij werden geen van beiden gewond, en dus is de zaak niet ruchtbaar geworden."

Elinor zuchtte over de gewaande noodzakelijkheid van zulk een handelwijze; doch zij waagde niet tegenover een man en een militair, hare afkeuring ervan te uiten.

"Zoo droevig" zeide Kolonel Brandon, na een poos van zwijgen, "was de gelijkenis tusschen het lot van moeder en dochter! en zóó ben ik tekort geschoten in de mij toevertrouwde taak!"

"Is zij nog in de stad?"

"Neen, zoodra zij hersteld was na haar bevalling, die aanstaande was toen ik haar vond, heb ik haar met het kind naar buiten gezonden, en daar zal zij blijven." Toen hij zich spoedig daarna herinnerde, dat hij Elinor misschien belette zich bij haar zuster te voegen, nam hij afscheid, en na nogmaals haar erkentelijke dankbetuiging te hebben ontvangen, verliet hij haar, vervuld van medelijden en achting voor hem.

HOOFDSTUK XXXII

Toen de bijzonderheden van dit gesprek door Elinor aan hare zuster werden medegedeeld, zooals spoedig gebeurde, was hunne uitwerking niet volkomen zooals de eerste zich die had voorgesteld. Niet dat Marianne in eenig opzicht aan de waarheid van het verhaalde scheen te twijfelen; want Zij hoorde alles aan met stille en onderworpen aandacht, uitte geen tegenwerping, noch eenige opmerking zelfs; trachtte Willoughby niet te rechtvaardigen, en scheen door haar tranen te toonen, hoezeer zij gevoelde, dat dit onmogelijk was. Maar hoewel dit gedrag Elinor de zekerheid schonk, dat de overtuiging omtrent zijn schuld thans werkelijk tot haar was doorgedrongen, hoewel zij met voldoening de uitwerking ervan waarnam, door te zien, hoe Marianne niet langer Kolonel Brandon vermeed bij zijn bezoeken, hoe zij tot hem sprak, zelfs uit eigen beweging, met een soort van medelijdenden eerbied, en hoewel zij zag dat Marianne's zenuwgestel minder heftig geprikkeld scheen, zij vond hare treurigheid niet verminderd. Haar geest wàs thans tot rust gekomen; doch het was de rust der diepste verslagenheid. Het verlies, van alle vertrouwen in Willoughby's zedelijk karakter trof haar nog zwaarder dan het verlies van zijn liefde had kunnen doen; het feit dat hij een jong meisje had verleid en verlaten, de ellende van dat arme kind, en de twijfel, welke plannen hij wellicht omtrent haarzelve had gekoesterd, dit alles had zulk een neerdrukkenden invloed op haar geest, dat zij niet van zich kon verkrijgen, zelfs tegen Elinor te spreken over 't geen zij gevoelde, en dat stille verzinken in haar verdriet bedroefde haar zuster meer dan de meest openhartige en herhaalde uiting ervan had kunnen doen.

De weergave der gevoelens en uitingen van Mevrouw Dashwood, bij het ontvangen en beantwoorden van Elinor's brief, zou slechts eene herhaling zijn van 't geen haar dochters reeds gevoeld en gezegd hadden; teleurstelling, bijna niet minder smartelijk dan die van Marianne; verontwaardiging, nog grooter dan die van Elinor. In haar lange en snel op elkaar volgende brieven kwam al wat zij leed en dacht tot uiting; zij waren vol angstige bezorgdheid over Marianne, en smeekten haar, geestkracht te toonen onder dezen zwaren slag. Inderdaad, wèl zwaar moest de ramp zijn, die Marianne had getroffen, waar haar moeder spreken kon van geestkracht. Wel zéér pijnlijk en vernederend moest de oorzaak zijn eener droefgeestigheid, waaraan _zij_ niet kon wenschen, haar te zien toegeven!...

In tegenspraak met haar persoonlijken wensch, achtte Mevrouw Dashwood het beter voor Marianne, thans overal elders liever te zijn, dan juist te Barton, waar al wat zij zag, het verleden op de levendigste en pijnlijkste wijze moest terugroepen, door haar aanhoudend Willoughby voor den geest te brengen, zooals zij hem daar steeds had gezien. Zij raadde hare dochters dus aan, het bezoek bij Mevrouw Jennings vooral niet te bekorten, dat, ofschoon geen bepaalde afspraak was gemaakt, toch naar aller meening minstens vijf of zes weken had zullen duren. Afwisseling, zoo in bezigheid als in vooruitzichten en gezelschap, waaraan het haar te Barton zou ontbreken, was hier onvermijdelijk, en zou, naar zij hoopte, Marianne soms toch nog kunnen bewegen tot eenige belangstelling in dingen buiten haarzelve, en zelfs tot deelname in eenig vermaak, hoezeer die beide mogelijkheden thans nog door haar mochten verworpen worden. Voor het gevaar, dat zij Willoughby weer zou kunnen zien, achtte haar moeder haar in de stad althans even veilig als buiten; daar allen, die zich haar vrienden noemden, thans niet meer met hem wilden omgaan. Met voorbedachten rade zouden zij elkander nooit ontmoeten; door onvoorzichtigheid zouden zij geen kans loopen, te worden blootgesteld aan een verrassing; en het toeval kon in het gewoel van Londen hun minder licht parten spelen dan zelfs in het afgelegen Barton, waar het hem plotseling voor haar oogen kon doen staan, wanneer hij het bezoek bracht te Allenham bij gelegenheid van zijn huwelijk, dat Mevrouw Dashwood, door het aanvankelijk als iets waarschijnlijks te beschouwen, thans was begonnen te verwachten als een stellige zekerheid.

Zij had nog eene andere reden voor den wensch, dat hare kinderen zouden blijven, waar zij waren; uit een brief van haar stiefzoon had zij vernomen, dat hij en zijn vrouw vóór half Februari in de stad zouden zijn; en zij vond het goed, dat zij nu en dan met hun broeder in aanraking zouden komen.

Marianne had beloofd, zich door haar moeder's oordeel te laten leiden, en zij schikte zich dus ernaar zonder tegenstreven, hoewel het geheel verschillend bleek van wat zij wenschte en verwachtte; hoewel zij het beschouwde als ten eenenmale onjuist, en gegrond op een verkeerde zienswijze, terwijl het door een langer verblijf te Londen van haar te eischen, haar beroofde van de eenig mogelijke verzachting van haar ellende, het innig meegevoel harer moeder, en haar de straf oplegde van een gezelschap en eene omgeving, waarin zij nooit een oogenblik rust zou kunnen genieten. Doch het was voor haar een groote troost, dat wat háár kwaad berokkende, tengoede zou komen aan hare zuster; en Elinor, van haar kant, vermoedende, dat het niet in haar macht zou staan, Edward geheel te vermijden, troostte zich door te bedenken, dat hun langer verblijf, hoewel niet bevorderlijk voor haar eigen geluk, voor Marianne beter zou zijn dan onmiddellijk naar Devonshire terug te keeren.

Haar zorg om haar zuster te vrijwaren voor het hooren noemen van Willoughby's naam, was niet vergeefsch geweest. Zonder het zelve te weten, plukte Marianne de vruchten ervan, want noch Mevrouw Jennings, noch Sir John, noch zelfs Mevrouw Palmer, spraken ooit over hem in haar bijzijn. Elinor wenschte wel dat zij de zelfde omzichtigheid tegenover haar hadden willen in acht nemen; maar dàt was onmogelijk, en zij moest dag aan dag luisteren naar de uitingen van hun aller verontwaardiging.

Sir John kon niet begrijpen, hoe zoo iets mogelijk was geweest. "Een man, van wien hij alle reden had gehad niets dan goeds te verwachten! De beste kerel van de wereld! In heel Engeland geloofde hij niet dat zulk een goed ruiter te vinden was! 't Was onverklaarbaar, die geschiedenis. Hij mocht voor zijn part naar den duivel loopen. Hij zou van zijn leven geen woord meer met hem wisselen, wáár hij hem ook ontmoette! Neen, al was 't op de grens van zijn eigen jachtgebied en al zouden ze er twee uur naast elkaar moeten staan wachten. Zulk een schurk van een kerel, zulk een bedriegelijke schavuit! Den laatsten keer dat hij hem sprak, had hij hem nog een van Folly's jongen aangeboden, en nu kwam het hierop neer!"

Mevrouw Palmer was al even boos, op haar manier. Zij wilde hem van nu af aan _niet_ meer kennen, en ze was wàt blij, dat ze nooit kennis met hem had gemaakt. Ze wenschte van harte dat Combe Magna niet zoo dicht bij Cleveland was gelegen; maar 't was toch zoo erg niet, omdat het veel te veraf was, om er een bezoek te brengen; ze had zoo'n hekel aan hem, dat ze vast van plan was, nooit weer zijn naam te noemen, en ze zou aan ieder, die ze zag vertellen, hoe weinig hij deugde.

Verder toonde Mevrouw Palmer haar meegevoel, door alle bijzonderheden uit te visschen, die ze kon te weten komen omtrent het aanstaande huwelijk, en die aan Elinor mee te deelen. Al spoedig wist ze bij welken rijtuigmaker het nieuwe rijtuig was besteld; door welken schilder het portret van den Heer Willoughby werd vervaardigd, en in welken winkel Juffrouw Grey's trousseau was uitgestald. Lady Middleton's kalme en beleefde onverschilligheid was voor Elinor een ware verlichting, gedrukt als zij soms was door de luidruchtige vriendelijkheid der anderen. Het was haar een groote troost, te weten dat althans ééne persoon in hun vriendenkring géén belang in hen stelde; een troost, zeker te zijn, dat die eene haar zou ontmoeten zonder de geringste nieuwsgierigheid te toonen naar bijzonderheden, of eenige bezorgdheid aan den dag te leggen omtrent haar zuster's gezondheidstoestand.

Elke eigenschap wordt somtijds, door de omstandigheden van het oogenblik verheven, tot meer dan haar werkelijke waarde; en soms werd zij zóó geplaagd door die opdringende meewarigheid, dat zij ertoe kwam, goede manieren als meer onontbeerlijk te gaan beschouwen voor haar gemoedsrust, dan goedhartigheid. Lady Middleton gaf haar bevindingen omtrent de zaak omstreeks eenmaal per dag, (of als het onderwerp herhaaldelijk ter sprake kwam, tweemalen) te kennen, door te zeggen: "'t Is bepaald ongehoord!"--en met behulp dezer aanhoudend, doch gemakkelijk werkende veiligheidsklep kon zij niet slechts van den beginne de dames Dashwood ontmoeten zonder de geringste aandoening; doch al spoedig ook hen ontvangen zonder zich van de geheele geschiedenis een woord te herinneren; en na op deze wijze de waardigheid harer eigen sekse te hebben opgehouden, en haar besliste afkeuring te hebben geuit van de fouten der andere, vond zij, dat het haar thans vrijstond, eens te denken aan de samenstelling harer eigen avondpartijen, en besloot dus (hoewel tegen den zin van Sir John) om, zoodra Mevrouw Willoughby getrouwd was, een kaartje bij haar af te geven, daar zij door haar huwelijk zoowel tot de deftige als vermogende kringen behooren zou.