Chapter 17
"En wie zijn de Ellisons?"
"Hij is haar voogd, kindje. Maar ze is nu meerderjarig, en mag zelf kiezen, en 't is een mooie keuze, die ze heeft gedaan!--Kijk nu eens aan," (na een oogenblik zwijgens) "daar is nu je arme zuster naar haar kamer gegaan, om in haar eentje te zitten jammeren. Zou er niets te bedenken zijn, waarmee we haar pleizier kunnen doen? Arm kind, 't lijkt zoo onhartelijk, haar alleen te laten. Nu, straks komen er een paar kennissen; dat leidt toch een beetje af. Wat zullen we spelen? Ze heeft een hekel aan whist; maar is er geen gezelschapsspelletje, waar ze graag aan meedoet?"
"Lieve mevrouw, het is werkelijk niet noodig, dat u zich zooveel moeite geeft. Ik denk niet, dat Marianne vanavond weer beneden zal komen. Als ik kan, zal ik haar bepraten om vroeg naar bed te gaan; want zij heeft stellig rust noodig."
"Ja, dat geloof ik ook; dat zal 't beste voor haar zijn. Laat ze maar zeggen wat ze nog wil gebruiken, en dan naar bed gaan. Och heere, geen wonder, dat ze er de laatste weken zoo slecht en zoo treurig uitzag, want al dien tijd zal haar dit wel boven 't hoofd hebben gehangen. En nu heeft die brief vandaag er een eind aan gemaakt. Arm kind! Als ik 't maar geweten had; ik zou er haar voor geen geld van de wereld mee geplaagd hebben. Maar hoe kon ik het raden, zeg nu eens zelf. Ik dacht dat het maar een gewoon minnebriefje was, en jongemeisjes laten zich daar graag een beetje mee plagen. Och, och, wat zal 't Sir John en mijn dochters spijten, als ze 't hooren! Als ik niet zoo in de war geweest was, had ik best even op weg naar huis in Conduit Street kunnen aangaan en 't hun vertellen. Maar ik spreek hen morgen wel."
"Het zal wel niet noodig zijn, denk ik, dat u Mevrouw Palmer en Sir John waarschuwt, nooit den naam van den Heer Willoughby te noemen, of te zinspelen op het gebeurde, in tegenwoordigheid van mijn zuster. Hun eigen goed hart zal hen wel doen inzien, hoe waarlijk wreed het zou zijn, ten aanhoore van Marianne te laten blijken, dat zij er iets van weten, en hoe minder er ooit over wordt gesproken tegen mijzelve, des te liever zal het ook mij zijn, zooals u, lieve mevrouw, licht zult begrijpen."
"O lieve deugd, ja, dat begrijp ik best. Het moet verschrikkelijk voor je zijn het gepraat erover aan te hooren, en wat je zuster betreft, ik zou voor geen geld van de wereld tegen haar een woord erover zeggen. Je hebt het wel gemerkt; van middag aan tafel deed ik het ook niet. En dat zouden Sir John en mijn dochters evenmin; want ze zijn allen heel oplettend en kiesch,--vooral wanneer ik hen nog eens waarschuw, zooals ik stellig zal doen. Ik vind altijd, hoe minder er over zulke dingen wordt gepraat, hoe beter, en des te gauwer is 't weer voorbij en vergeten. En heb je ooit gezien, dat praten ook maar 't geringste goed deed?"
"In dit geval kan het alleen maar kwaad doen;--meer nog misschien dan in vele dergelijke; want hiermede gingen omstandigheden gepaard, die het voor alle betrokken partijen hoogst ongewenscht doen zijn, dat de zaak zoo in 't publiek zou worden besproken. In zóóver moet ik den Heer Willoughby recht laten weervaren;--hij heeft geen bepaalde verloving verbroken met mijn zuster."
"Máár, lieve kind! Probeer maar niet, hem te verdedigen. Geen bepaalde verloving! nu vraag ik je, nadat hij haar Allenham House van binnen en van buiten heeft laten zien, en de kamers al had uitgekozen, waarin ze later zouden wonen!"
Elinor kon, ter wille van haar zuster, niet verder op het onderwerp doorgaan, en zij hoopte, dat dit niet van haar mocht geëischt worden, om Willoughby te sparen; want door een openbaring van de volle waarheid had Marianne veel te verliezen, terwijl hij er slechts weinig bij winnen kon. Nadat beiden een poosje hadden gezwegen, begon Mevrouw Jennings opnieuw, met al de opgewektheid, die haar van nature eigen was:
"Nu, lieve kind, 't is een waar woord, van die slechte wind, want voor Kolonel Brandon is het zooveel te beter. Hij krijgt haar per slot toch nog; ja ja, dat zul je zien. Let maar eens op, of ze niet getrouwd zijn eer 't weer zomer is. Och och, wat zal hij blij zijn met dit nieuwtje. Ik hoop, dat hij komt van avond. 't Zal voor je zuster in elk opzicht een betere partij zijn. Tweeduizend pond in 't jaar, zonder schulden of eenig bezwaar;--behalve dan dat dochtertje,--ja, dat vergat ik; maar dat kan ergens in de leer worden gedaan tegen een geringe vergoeding,--en wat doet dàt er nu toe? Delaford is een mooi landgoed, dat kan ik je verzekeren; zoo'n ouderwetsche genoegelijke buitenplaats, met allerlei gerief en gezelligheden; heel en al afgesloten door hooge tuinmuren, die begroeid zijn met allerheerlijkste vruchten, en in een hoek een pracht van een moerbeienboom! Och, och, wat hebben Charlotte en ik ons genoegen gegeten, dien eenen keer, dat we er waren! Dan is er een duiventil, een paar aardige vischvijvers, een mooie waterpartij, alles wat men maar kan wenschen; en daarbij ligt het heel dicht bij de kerk, en maar een minuut of vijf van den grooten weg; dus je behoeft je nooit te vervelen, want als je gaat zitten in een hoog-gelegen taxis-prieel achter 't huis, dan kun je al de rijtuigen zien, die voorbijkomen. O, 't is een heerlijk huis! De slager vlak bij, in het dorp, en de pastorie om zoo te zeggen, naast de deur. Naar _mijn_ zin, duizend maal mooier dan Barton Park, waar ze hun vleesch drie mijlen ver uit de buurt moeten laten halen, en geen buren hebben, dichterbij dan je moeder. Nu, ik zal den Kolonel eens opvroolijken, zoo gauw als ik kan. De een zijn dood is den ander zijn brood; dat is nu niet anders. Als 't ons nu maar lukt, om haar Willoughby uit het hoofd te zetten!"
"Ja, als ons _dat_ gelukt, mevrouw," zei Elinor, "dan zullen we er wel komen, mèt of zonder Kolonel Brandon." Meteen stond zij op en ging heen, om Marianne op te zoeken, die zij, zooals ze verwachtte, in hun eigen kamer, zwijgend en bedroefd, bij de smeulende overblijfselen vond zitten van een klein vuurtje, het eenige dat licht gaf in de kamer, tot Elinor binnenkwam.
"Laat mij liever alleen," was al wat deze van Marianne kreeg te hooren.
"Ik zal je alleen laten," zei Elinor, "als je naar bed wilt gaan."
Eerst weigerde zij; door haar ongedurige smart tot onredelijk verzet gedreven. Doch haar zuster's ernstige, hoewel zachte overreding deed haar weldra gewillig toegeven; Elinor zag haar het pijnlijke hoofd op het kussen leggen, en bleef wachten tot Marianne, naar zij hoopte, op den goeden weg was om een weinig rust te genieten.
In den salon, waarheen zij zich daarna had begeven, kwam Mevrouw Jennings weldra bij haar, met een vol wijnglas in de hand.
"Lieve kind," zei ze, "ik bedacht daar juist, dat ik een paar flesschen van den besten ouden Malaga-wijn in huis heb, dien je ooit hebt geproefd,--en nu breng ik je een glas voor je zuster. Zooveel als mijn arme man daarvan hield. Als hij weer eens geplaagd werd door een van zijn aanvallen van jicht-koliek, dan zei hij, dat niets ter wereld hem zoo kon opknappen. Toe, breng dat nu eens aan Marianne."
"Lieve mevrouw," zei Elinor, glimlachend over het verschil van de kwalen, waarvoor de medicijn werd aanbevolen: "Wat is u toch vriendelijk! Maar Marianne is juist naar bed gegaan, en nu, hoop ik, bijna in slaap; en daar ik geloof, dat niets haar zooveel goed kan doen als rust, wil ik, als u 't goedvindt, den wijn zelf wel opdrinken."
Hoewel het Mevrouw Jennings speet, dat zij er niet vijf minuten eerder mee was gekomen, had zij vrede met deze schikking, en terwijl Elinor haar glas uitdronk, dacht zij, ofschoon de goede uitwerking van het vocht in een geval van jichtkoliek voor haar op het oogenblik van minder belang was, dat zijn genezend vermogen bij teleurgestelde liefde met evenveel recht mocht beproefd worden door haar als door hare zuster.
Kolonel Brandon kwam binnen terwijl zij aan de thee zaten, en uit de wijze waarop hij in de kamer rondzag naar Marianne, leidde Elinor aanstonds af, dat hij haar noch verwachtte, noch wenschte daar te zien, en dat hij reeds op de hoogte was van de oorzaak harer afwezigheid.
Dezelfde gedachte scheen Mevrouw Jennings niet te zijn ingevallen; want kort na zijn komst liep zij naar de theetafel, waarbij Elinor gezeten was, en fluisterde: "De Kolonel kijkt even ernstig als altoos; zie je wel? Hij weet nog niets; vertel jij het hem maar, lieve."
Een poosje later nam hij een stoel vlak bij haar, en vroeg, met een uitdrukking, die haar de stellige zekerheid schonk, dat hij alles wist, naar hare zuster.
"Marianne is niet wel," zeide zij. "Zij was den geheelen dag reeds ongesteld, en we hebben haar overgehaald, naar bed te gaan."
"Misschien," antwoordde hij aarzelend, "is het dus waar, wat ik van morgen hoorde,--misschien is er meer waarheid in, dan ik eerst mogelijk had geacht."
"Wat hebt u gehoord?"
"Dat iemand, van wien ik reden had, te denken,--of liever, dat een man, die ik _wist_ dat verloofd was,--maar hoe moet ik het u vertellen? Als u het reeds weet, zooals u natuurlijk doet, dan wilt u mij dat wel besparen."
"U bedoelt," antwoordde Elinor met gedwongen kalmte, "het huwelijk van den Heer Willoughby met Mejuffrouw Grey. Ja, wij weten nu alles. Dit schijnt een dag te zijn geweest van algemeene opheldering; want van morgen pas hebben wij er voor het eerst van gehoord. De Heer Willoughby is moeilijk te doorzien! Waar hebt u het vernomen?"
"In een boekwinkel in Pall Mall, waar ik iets had te doen. Twee dames wachtten er op hun rijtuig, en de eene deed aan de andere een verslag van het voorgenomen huwelijk, waarbij zij zich zoo weinig moeite gaf, haar stem te dempen, dat ik alles wel moest verstaan. De naam Willoughby, John Willoughby, herhaaldelijk genoemd, trok het eerst mijn aandacht, en daarop volgde de stellige verzekering, dat zijn huwelijk met Mejuffrouw Grey dan nu eindelijk vaststond,--het behoefde niet langer te worden geheimgehouden--het zou zelfs binnen een paar weken worden voltrokken, en er werden nog vele bijzonderheden aan toegevoegd omtrent de voorbereiding en zoo meer. Een ding herinner ik mij in 't bijzonder, omdat het mij nog duidelijker deed blijken, wie de bedoelde persoon was;--na de huwelijksvoltrekking zouden zij naar Combe Magna gaan, zijn landgoed in Somersetshire. U kunt u mijn verbazing voorstellen! Maar 't zou onmogelijk zijn, te beschrijven wat ik gevoelde. De spraakzame dame, hoorde ik bij navraag, want ik bleef in den winkel, tot zij waren vertrokken, was een zekere Mevrouw Ellison, en dat is de naam, zooals ik later vernam, van Juffrouw Grey's voogd."
"Dat is waar. Maar hebt u ook gehoord, dat Juffrouw Grey vijftigduizend pond bezit? Zoo ergens, dan kunnen we dáárin de verklaring vinden."
"Dat kan wel zijn; maar Willoughby is in staat... ten minste ik denk..." hij zweeg een oogenblik, en voegde er toen bij met een stem, die van zich zelve niet zeker scheen: "En uw zuster... hoe vatte zij..."
"Zij heeft het zich ontzaglijk aangetrokken. Ik kan alleen maar hopen, dat haar hevige smart naar verhouding kort zal duren. Het wàs, en het _is_ een zware beproeving. Tot gisteren nog, geloof ik, heeft zij nooit aan zijn genegenheid getwijfeld, en zelfs nù, misschien... maar ik voor mij ben bijna overtuigd, dat hij haar nooit werkelijk heeft liefgehad. Hij is zeer onoprecht geweest! en in sommige opzichten schijnt het, dat hij van nature hardvochtig is."
"Ja waarlijk," zeide Kolonel Brandon; "dat is hij! Maar uw zuster denkt--ik meen dat u zeide--zij ziet de zaak anders in dan u?"
"U kent haar geaardheid, en u kunt wel begrijpen, hoe bereid zij is, hem nog in 't gelijk te stellen, als zij dat kon."
Hij gaf geen antwoord, en toen kort daarop het theeservies werd weggenomen en de speeltafeltjes werden klaargezet, moesten zij het onderwerp natuurlijk laten varen. Mevrouw Jennings, die met genoegen naar hen had zitten kijken, terwijl zij aan het praten waren, en die verwacht had, de uitwerking van Elinor's mededeeling, onmiddellijk bij Kolonel Brandon te zullen waarnemen in een onstuimige blijdschap, zooals die gepast zou hebben bij een man in den bloei der jeugd vol hoop, en vol geluk, zag hem tot haar verbazing den geheelen avond diep ernstig blijven, en nog meer nadenkend dan gewoonlijk.
HOOFDSTUK XXXI
Na een nacht, waarin zij meer had geslapen, dan zij verwachtte, werd Marianne den volgenden morgen wakker met het zelfde bewustzijn van bitter leed, waarmede zij de oogen had gesloten.
Elinor spoorde haar zooveel mogelijk aan tot uiting van 't geen zij gevoelde; en vóór het ontbijt reeds hadden zij alles weer lang en breed besproken; met dezelfde stellige overtuiging en welgemeende raadgevingen van Elinor's kant, en dezelfde heftige gevoelens en wisselende meeningen van Marianne's zijde als te voren. Nu eens beschouwde zij Willoughby als even ongelukkig en even schuldeloos als zichzelve, en dan weer ontviel haar elke troost door de onmogelijkheid hem van schuld vrij te pleiten. Het eene oogenblik was het haar totaal onverschillig of de geheele wereld wist van haar verdriet; in het andere wilde zij zich voor goed uit die wereld terugtrekken; en een minuut later meende zij haar krachtig weerstand te kunnen bieden. In één opzicht bleef zij, als het erop aankwam, zichzelve gelijk, in het vermijden namelijk, als het eenigszins mogelijk was, van Mevrouw Jennings' gezelschap, en in een volhardend stilzwijgen, zoolang zij verplicht was dat te verdragen. Haar hart weigerde eenvoudig verstokt, te gelooven, dat Mevrouw Jennings zich met iets als medelijden kon indenken in haar verdriet.
"Neen, neen, neen; dat kàn niet," riep zij uit; "zij kàn niet voelen. Haar vriendelijkheid is niet sympathie; haar goedhartigheid is niet teederheid. Al wat zij begeert is een onderwerp voor praatjes, en ze houdt nu alleen maar van mij, omdat ik haar dat verschaf."
Ook zonder deze uitingen was Elinor reeds genoegzaam overtuigd van de onbillijkheid in haar oordeel over anderen, waartoe haar zuster dikwijls werd verleid door de prikkelbare verfijning van haar eigen geest, en het overdreven gewicht dat zij hechtte aan de kiesche vooroordeelen van een sterk ontwikkeld gevoelsleven en de bekoring van uiterlijke wellevendheid. Zooals het meerendeel der menschen, indien althans het meerendeel zoowel goed als begaafd is, was Marianne, met uitmuntende vermogens en een uitmuntenden gemoedsaard, noch redelijk, noch volkomen eerlijk te noemen. Zij verwachtte dat anderen de zelfde meeningen en gevoelens als zij zelve zouden koesteren, en zij beoordeelde hunne beweegredenen naar de onmiddellijke uitwerking hunner handelingen op haarzelve. Zoo viel er thans, terwijl de zusters na het ontbijt samen op hun kamer waren, weer iets voor, dat Marianne een nog geringeren dunk deed opvatten van Mevrouw Jennings' goede hart, omdat het, door haar eigen zwakheid, toevallig een bron van nieuw leed voor haarzelve bleek, hoewel Mevrouw Jennings in dezen slechts werd bewogen door een opwelling van de hartelijkste welgezindheid.
Met een brief in haar uitgestrekte hand, en vroolijk glimlachend, in de overtuiging dat zij troost kwam brengen, trad zij hun kamer binnen, met de woorden: "Nu, kindje, nu breng ik je toch iets, dat je stellig goed zal doen."
Marianne had reeds genoeg gehoord. In een oogwenk schilderde haar verbeelding haar een brief van Willoughby, vol teederheid en berouw, al het gebeurde verklarend, bevredigend, overtuigend; onmiddellijk gevolgd door Willoughby zelf, die de kamer haastig kwam binnensnellen, om aan hare voeten door zijn welsprekende blikken te bevestigen wat zijn brief haar verzekerde. Dat werk van één oogenblik werd door het volgende vernietigd. Het handschrift van haar moeder, tot nog toe nimmer onwelkom, lag vóór haar, en in de scherpte dezer teleurstelling, volgend op eene verrukking, die méér was dan hoop, had zij een gevoel, alsof zij tot op dit oogenblik nog niet geleden had.
De wreedheid van Mevrouw Jennings zou door geen woorden, waarover zij beschikte in haar meest welsprekende oogenblikken, kunnen zijn uitgedrukt, en thans kon zij haar enkel beschuldigen door de tranen, die haar met hartstochtelijke heftigheid uit de oogen stroomden--een beschuldiging, die echter het voorwerp ervan zóó volkomen ontging, dat zij, na veel betuigingen van medelijden, heenging, nog steeds verwijzend naar den brief, die ongetwijfeld troost zou schenken. Doch de brief bracht weinig troost, toen zij voldoende bedaard was, om dien te kunnen lezen. Iedere bladzijde was vol van Willoughby. Haar moeder, nog steeds in de meening, dat zij verloofd was, en even vast als altijd bouwend op zijn trouw, was door Elinor's vraag slechts bewogen, Marianne te smeeken om grootere openhartigheid jegens hen beiden, en zij deed dit met zooveel teederheid jegens haar, zoo oprechte genegenheid voor Willoughby, en een zoo stellige verzekerdheid van hun toekomstig geluk in en door elkander, dat Marianne onder het lezen het uitsnikte van duldelooze pijn. Al haar ongeduldig verlangen om weer thuis te zijn keerde thans terug; haar moeder was haar dierbaarder dan ooit,--dierbaarder juist door dat overdreven, schoon misplaatst vertrouwen in Willoughby, en zij drong onstuimig aan op hun vertrek. Elinor, zelf niet in staat te beslissen, of het beter voor Marianne zou zijn, te Londen te blijven of naar Barton te gaan, kon geen anderen raad geven, dan geduld te oefenen tot zij wisten, wat hun moeder wenschte, en ten slotte verkreeg zij haar zuster's toestemming, te wachten, tot die wensch hun bekend zou zijn.
Mevrouw Jennings liet hen vroeger dan gewoonlijk alleen; want zij had geen rust eer de Middletons en de Palmers in haar verdriet zouden kunnen deelen; zij weigerde beslist, toen Elinor aanbood haar te vergezellen, en ging dien morgen alleen uit. Elinor ging met een bezwaard gemoed, wetend dat haar mededeeling verdriet zou veroorzaken, en uit Marianne's brief wel bespeurend, hoe weinig zij erin geslaagd was, op dit verdriet eenigermate voor te bereiden, aan haar moeder zitten schrijven, wat er gebeurd was, en haar vragen, wat hun verder te doen stond; terwijl Marianne, die na Mevrouw Jennings' vertrek in den salon was gekomen, bij de tafel ging zitten, waaraan Elinor schreef, ziende naar het voortbewegen van haar pen, haar beklagend om de moeilijkheid van zulk een taak, en nog inniger bedroefd om den indruk, dien het schrijven moest wekken bij hare moeder.
Zoo hadden zij ongeveer een kwartier samen gezeten, toen Marianne, wier zenuwen geen onverwacht geluid konden verdragen, opschrikte door een kloppen aan de voordeur.
"Wie kan daar zijn?" riep Elinor, "Zoo vroeg al! Ik dacht, dat we _nu_ toch veilig waren."
Marianne ging naar het venster.
"'t Is Kolonel Brandon!" zei ze geërgerd. "Voor hèm zijn we nooit veilig."
"Hij zal niet boven komen, nu Mevrouw Jennings uit is."
"Dáár reken ik niet op," zei Marianne, naar haar eigen kamer gaande. "Een man die met zijn eigen tijd geen raad weet, ziet er geen bezwaar in, beslag te leggen op dien van een ander."
Het bleek dat haar gissing juist was geweest, hoewel gegrond op een onbillijke en onware voorstelling; want Kolonel Brandon kwàm binnen; en Elinor die overtuigd was, dat bezorgdheid over Marianne hem hierheen voerde, en die bezorgdheid zag in zijn onrustigen en treurigen blik, en hoorde in zijn angstige, doch korte vraag naar haar, kon het haar zuster niet vergeven, dat zij hem zoo gering schatte.
"Ik ontmoette Mevrouw Jennings in Bond Street," zeide hij na de eerste begroeting, "en zij spoorde mij aan, hierheen te gaan. Ik liet mij te eerder daartoe aansporen, omdat ik het waarschijnlijk achtte, dat ik u hier alleen zou vinden, wat ik ten zeerste verlangde. Mijn bedoeling,--mijn wensch--mijn eenige wensch, naar ik hoop en geloof, is deze,--mede te werken om troost te schenken,--neen, ik moet niet zeggen troost,--althans geen onmiddellijke troost,--maar overtuiging, een vaste overtuiging, en zekerheid voor uw zuster's gemoed. Mijn genegenheid voor haar, voor uzelve, voor uwe moeder,--wilt u mij toestaan deze te bewijzen, door u het een en ander mede te deelen, dat door niets dan een zéér oprechte genegenheid,--niets dan een innigen wensch om mij nuttig te maken... ik geloof, dat ik in mijn recht ben;--doch is er niet eenige reden, te vreezen dat ik ongelijk heb; daar ik vele uren heb moeten doorbrengen met pogingen om mijzelf te rechtvaardigen?..." Hij zweeg.
"Ik begrijp u wel," zeide Elinor, "U hebt mij iets te vertellen omtrent den Heer Willoughby, dat een helderder licht zal werpen op diens karakter. U zult daardoor Marianne den grootsten vriendendienst bewijzen. _Mijne_ dankbaarheid wint u onmiddellijk door elke mededeeling van dien aard; de hare zult u mettertijd daardoor verwerven. Ik vraag u dringend, ik bid u, zeg mij wat het is."
"Dat zal ik, en om kort te zijn, toen ik Barton in October verliet... maar zóó zult u het niet begrijpen. Ik moet verder teruggaan. U zult mij een zeer onhandig spreker vinden, juffrouw Dashwood; ik weet haast niet, waar te beginnen. Ik geloof, dat het noodig zal zijn, in 't kort een en ander van mijzelf te vertellen, en dàt verslag zàl kort zijn. Dàt onderwerp," voegde hij erbij met een zwaren zucht "lokt niet uit tot bijzondere uitvoerigheid."
Hij wachtte een oogenblik, om zijn gedachten te verzamelen, en ging toen, nogmaals zuchtend, voort: "Waarschijnlijk herinnert u zich in het geheel niet meer een gesprek (het is moeilijk te veronderstellen, dat het eenigen indruk op u zou maken)--een gesprek tusschen ons op zekeren avond te Barton Park--het was bij gelegenheid van een danspartij,--waarin ik zinspeelde op een dame, die ik vroeger had gekend, en die in menig opzicht op uwe zuster Marianne geleek."
"Welzeker," antwoordde Elinor, "ik herinner het mij zéér goed." Het scheen hem genoegen te doen, dit te hooren, en hij ging voort.