Chapter 16
Uw geëerd schrijven, waarvoor ik u mijn dank betuig, heb ik zooeven in goede orde ontvangen. Het spijt mij zeer, zoo er in mijn gedrag van gisterenavond iets viel op te merken, dat uwe goedkeuring niet heeft mogen wegdragen, en ofschoon ik volstrekt niet kan gissen, in welk opzicht ik de fout begaan heb, u aanleiding te geven tot ongenoegen, vraag ik u vergeving voor 't geen ik u verzeker, dat van mijne zijde zonder eenig opzet is geschied. Aan mijne vroegere kennismaking met uwe familie in Devonshire zal ik nooit anders dan met dankbaarheid en genoegen terugdenken, en ik vlei mij, dat deze gevoelens niet zullen worden verstoord door eenige vergissing, of misverstaan van mijne handelwijze, uwerzijds. Ik koester voor uwe geheele familie de meeste hoogachting, doch zoo ik, tot mijn spijt, u aanleiding mocht hebben gegeven, te gelooven, dat ik méér gevoelde, dan ik werkelijk deed, of bedoelde aan den dag te leggen, dan zal ik mijzelf moeten verwijten, in mijne uitingen van die hoogachting niet omzichtiger te zijn geweest. Dat ik ooit méér zou hebben bedoeld, zult u als iets onmogelijks verwerpen, wanneer u verneemt, dat ik mijne genegenheid reeds lang elders had verpand, en slechts weinige weken zullen verloopen, eer die trouwbelofte wordt vervuld. Ongaarne voldoe ik aan uw bevel, de brieven terug te zenden, die ik van u mocht ontvangen, benevens de haarlok, die gij wel zoo goed hebt willen zijn, mij vrijwillig te schenken.
Geloof mij intusschen, geachte Mejuffrouw,
Uw gehoorzamen dienaar John Willoughby."
Elinor's verontwaardiging bij het lezen van dezen brief laat zich gemakkelijk voorstellen. Hoezeer ook overtuigd, eer zij begon te lezen, dat de brief de bekentenis zou behelzen van zijn ontrouw, en hunne scheiding voor altoos zou bevestigen, zij had zich niet kunnen voorstellen, dat die bekentenis in zulke bewoordingen zou zijn vervat! En evenmin kon zij Willoughby in staat hebben geacht zoo totaal af te wijken van elk betoon van kieschheid of eergevoel, van alle betamelijkheid als man van de wereld zelfs, om een brief te kunnen schrijven, zoo onbeschaamd wreedaardig; een brief, die, inplaats van zijn wensch om te worden vrijgelaten te doen vergezeld gaan van eenige betuiging van leedwezen, zelfs geen trouwbreuk erkende, geen meer dan gewone genegenheid toegaf,--een brief, waarin iedere regel een beleediging bevatte, en die den schrijver deed kennen als een toonbeeld van verharde gewetenloosheid. Zij zat er een poos over te denken met verontwaardigde verbazing, en las den brief nogmaals en nogmaals over; doch bij elke nieuwe lezing nam haar afschuw van den man toe; en zoo verbitterd waren haar gevoelens jegens hem, dat zij niet wilde wagen ze uit te spreken, om Marianne niet nog dieper te kwetsen, door de verbreking van dezen band te beschouwen, niet als een verlies van eenig mogelijk heil; doch als een ontsnapping aan die vreeselijkste en onherstelbaarste aller rampen, eene verbintenis voor het leven met een gewetenloozen man,--als de gelukkigste aller bevrijdingen, de grootste zegening, die haar ooit ten deel viel.
Terwijl zij zoo ernstig zat na te denken over den inhoud van den brief, over de verdorvenheid van den geest, die deze woorden had kunnen ingeven, en waarschijnlijk over den zoo oneindig verschillenden geest van een geheel anderen persoon, die met deze zaak in geen ander verband stond, dan dat, hetwelk haar hart hem toekende met alles wat in en om haar voorviel, vergat Elinor het tegenwoordig lijden harer zuster, vergat, dat er nog drie ongelezen brieven op haar schoot lagen, en vergat zoo volkomen, hoe lang zij reeds in de kamer was geweest, dat zij, bij het hooren naderen van een rijtuig naar het venster gaande, om te zien wie hen op dat ongewoon vroege uur kwam bezoeken, zeer verbaasd was, Mevrouw Jenning's eigen rijtuig te zien, waarvan zij wist, dat het niet voor één uur was besteld. Vastbesloten, Marianne niet alleen te laten, hoewel wanhopend aan de mogelijkheid, thans iets te kunnen bijdragen tot hare verlichting, ging zij haastig naar beneden, om zich bij Mevrouw Jennings te verontschuldigen, dat zij niet kon medegaan, omdat haar zuster ongesteld was. Mevrouw Jennings nam het excuus, terwijl zij over de reden ervoor haar goedhartige spijt betuigde, gereedelijk aan, en Elinor keerde, na haar veilig te hebben zien wegrijden, terug naar Marianne, die juist van het bed trachtte op te staan, en die zij gelukkig nog bijtijds kon beletten neer te vallen, zwak en duizelig als zij was, door langdurig gemis van rust en behoorlijke voeding; want zij had dagen achtereen bijna niet gegeten, en in geen nachten een rustigen slaap gekend; en thans, nu zij niet langer werd opgehouden door de koorstachtige spanning der onzekerheid, deden de gevolgen zich gevoelen door hoofdpijn, een verzwakte maag, en algemeene zenuwslapte. Een glas wijn, dat Elinor dadelijk voor haar ging halen, deed haar goed, en eindelijk was zij in staat, eenigermate haar waardeering van Elinor's goedheid te uiten, door te zeggen:
"Arme Elinor! Wat doe ik je een verdriet!"
"Ik wilde alleen maar," antwoordde haar zuster, "dat ik iets kòn uitrichten, om je te troosten en goed te doen."
Dit was, zooals trouwens àlles zou zijn geweest, te veel voor Marianne, die nog slechts uit het diepst van haar gefolterd hart kon uitroepen: "O Elinor, ik ben wèl ongelukkig!" eer haar stem geheel door tranen werd verstikt.
Elinor kon het niet langer zwijgend aanzien, dit weerloos zich laten medesleepen door onstuimige smart.
"Mijn lieve Marianne, doe toch je best," riep zij, "wanneer je niet jezelve wilt martelen, èn allen, die je liefhebben. Denk aan moeder; denk aan háár verdriet over je lijden, je moet je inspannen, om harentwil."
"Ik kàn niet, ik kàn niet, riep Marianne; "ga dan, laat mij maar alleen, als ik je verdriet doe; laat mij aan mijn lot over, haat mij, vergeet mij; maar pijnig mij zoo niet! O, 't is wel gemakkelijk als men zelf geen verdriet heeft, te praten van inspannen! _Jij_ bent gelukkig, Elinor, _jij_ kunt je niet voorstellen, hoe ik lijd!"
"Noem je _mij_ gelukkig, Marianne? O, als je eens _wist_! En denk je, dat ik gelukkig kan zijn, terwijl ik je zóó bedroefd moet zien?"
"Vergeef mij, vergeet mij," riep Marianne, haar armen om haar zuster's hals slaande; "ik weet _hoe_ je met mij medegevoelt, ik weet welk een liefderijk hart je bezit, maar toch ben je--ja, je mòet gelukkig zijn; Edward heeft je lief;--en wàt, o wàt kan zulk een geheel vernietigen?"
"Vele, zéér vele omstandigheden," zeide Elinor met diepen ernst.
"Neen, neen, neen," riep Marianne heftig; "hij heeft jou lief, en niemand anders. Je _kunt_ geen verdriet hebben."
"Ik kan geen blijdschap gevoelen, zoolang ik je zóó zie."
"Je zult mij nooit meer anders zien. _Mijne_ smart kan door niets verzacht worden."
"Dat mag je niet zeggen, Marianne. Heb je dan geen afleiding, geen vrienden? Is er geen vertroosting denkbaar voor je verlies? Hoe zwaar je lijden thans ook is, bedenk, wat je zoudt geleden hebben, als het nog langer had geduurd, eer je zijn waren aard ontdekte,--als je verloving maandenlang slepende was gebleven, zooals licht had kunnen gebeuren, eer hij er een eind aan maakte. Elke nieuwe dag van noodlottig vertrouwen van jouw kant zou den slag te zwaarder hebben doen treffen."
"Verloving?" riep Marianne; "maar wij waren niet verloofd."
"Niet verloofd?"
"Neen, hij is niet zóó slecht als je denkt. Hij heeft zijn woord tegenover mij niet gebroken."
"Maar hij heeft je toch gezegd, dat hij je liefhad?'
"Ja... neen... nooit met ronde woorden. Iederen dag liet hij het duidelijk blijken; maar tot een bepaalde verklaring kwam het nooit! Soms dàcht ik, dat het daartoe was gekomen,--maar het wàs zoo niet."
"En toch schreef je aan hem!"
"Ja--kon dat verkeerd zijn, na al wat er gebeurd was? Maar ik kan er niet over spreken."
Elinor zeide niets meer; maar nam de drie brieven op, waarnaar zij nu veel meer benieuwd was dan te voren, en las ze een voor een dóór. Het eerste briefje, dat haar zuster had verzonden bij hun aankomst in de stad, luidde als volgt:
"Berkeley Street, Januari.
Hoe zal het je verrassen, Willoughby, dit briefje te ontvangen! En ik denk dat je nog iets meer dan verrassing zult gevoelen, wanneer je weet, dat ik in de stad ben. De gelegenheid om hierheen te reizen, al was het met Mevrouw Jennings, was een verleiding, die we niet konden weerstaan. Ik hoop dat mijn schrijven je vroeg genoeg bereikt, om je van avond hier te kunnen zien, maar ik zal er niet op rekenen. Morgen verwacht ik je in elk geval. Dus tot ziens. M.D."
In haar tweeden brief, den morgen na de danspartij bij de Middletons, schreef zij:
"Ik kan je niet zeggen, hoe het mij spijt, dat je ons eergisteren niet hebt thuisgetroffen, en hoe het mij verwonderd heeft, geen antwoord te ontvangen op een briefje, dat ik je meer dan een week geleden geschreven heb. Elken dag, van uur tot uur, verwachtte ik iets van je te hooren, en nog eerder je te zien. Kom ons nu toch vooral zoo spoedig mogelijk opzoeken en verklaar mij dan de reden van dat vergeefsche wachten. 't Zal misschien beter zijn, iets vroeger te komen; want om één uur zijn we meestal uit. Gisteravond waren we op een danspartijtje bij Lady Middleton. Ik hoorde dat jij ook gevraagd waart. Maar kan dat wel waar zijn? Je moet wel zeer zijn veranderd sedert ons afscheid, als dat het geval was, en je toch niet bent gekomen. Maar ik wil die mogelijkheid niet eens veronderstellen, en ik hoop dat je mij spoedig in eigen persoon het tegendeel zult komen verzekeren."
M. D."
De inhoud van haar laatste schrijven luidde:
"Wat moet ik uit je houding van gisteravond afleiden, Willoughby? Nogmaals vraag ik je om eene verklaring ervan. Ik was op het punt je te begroeten met een blijdschap, die natuurlijk was, na onze lange scheiding, met de vertrouwelijkheid, waartoe onze intieme omgang te Barton mij het recht scheen te verleenen, en hoe werd ik teruggestooten! Ik heb een ellendigen nacht doorgebracht, steeds pogend een gedrag te verontschuldigen, dat bijna niet anders dan beleedigend mag genoemd worden; maar al ben ik er niet in geslaagd eenige redelijke verontschuldiging te vinden voor je houding, ik blijf toch bereid, te vernemen, welke verdediging je kunt aanvoeren voor je gedrag. Misschien heb je, door misverstand of boos opzet, iets omtrent mij gehoord, waardoor je een minder goede meening omtrent mij hebt opgevat. Zeg mij dan wat dat is, verklaar de reden, waarom je zóó handelde, en wanneer ik je dan voldoening heb kunnen schenken, zal ik zelve zijn voldaan. Bitter zou het mij grieven, kwaad van je te denken; maar wanneer ik daartoe zal moeten worden genoodzaakt; wanneer ik moet vernemen, dat je niet degene waart, voor wien wij je tot nog toe hebben gehouden, dat je schijnbare genegenheid voor ons allen onoprecht was, dat je gedrag jegens mij slechts misleiding ten doel had;--laat dit dan zoo spoedig mogelijk worden uitgesproken. Op het oogenblik verkeer ik in een treurig geslingerden toestand; ik wensch je vrij te spreken; maar zekerheid, hoe dan ook, zal rust zijn, vergeleken bij wat ik thans lijd. Wanneer je gevoelens niet langer zijn als voorheen, verwacht ik dat je mijn brieven terugzendt, met de lok van mijn haar, die in je bezit is. M. D."
Dat brieven als deze, zoo vol van genegenheid en vertrouwen, zóó hadden kunnen worden beantwoord, zou Elinor, om Willoughby te sparen, ongaarne hebben geloofd. Maar haar afkeuring van zijn gedrag verblindde haar niet voor het ongepaste in het feit van Marianne's schrijven zelf; en in stilte betreurde zij de onvoorzichtigheid, die gewaagd had, zich dergelijke ongevraagde uitingen van teederheid te laten ontvallen, geenszins gewaarborgd door het vroeger voorgevallene, en door de uitkomst op de meest verpletterende wijze gelogenstraft; toen Marianne, ziende dat zij de brieven had gelezen, opmerkte, dat er niets in stond, dan wat ieder ander in haar omstandigheden zou geschreven hebben.
"Ik voelde mijzelve," voegde zij erbij, "even plechtig aan hem verbonden, alsof de wet onze verbintenis bezegeld had."
"Dat geloof ik graag," zei Elinor, "maar hij dacht er ongelukkig zoo niet over."
"Dat deed hij wèl, Elinor--weken achtereen heeft hij dat gevoeld. Ik weet het stellig. Wàt hem nu ook heeft doen veranderen (en dat kan niet anders zijn dan de vuigste verdachtmaking, tegen mij aangewend), eens was ik hem zoo dierbaar als mijn eigen hart slechts kon verlangen. Hoe vurig heeft hij mij gesmeekt om die haarlok, die hij thans zoo onverschillig kan teruggeven! Als je toen zijn blik en houding hadt gezien, zijn stem hadt kunnen hooren! Heb je dien laatsten avond van ons samenzijn vergeten, in Barton? En dien morgen van het afscheid! Toen hij mij zeide, dat het weken zou kunnen duren, eer we elkaar weerzagen--zijn verdriet--zal ik het ooit kunnen vergeten?" Een oogenblik kon zij niet voortgaan met spreken; doch toen hare ontroering was bedaard, voegde zij erbij, op vasteren toon:
"Elinor, ik ben wreed behandeld; maar niet door Willoughby."
"Maar lieve Marianne; door wien anders? Wie kan hem tegen je hebben opgezet?"
"De geheele wereld, eerder dan zijn eigen hart. Ik zou eerder gelooven dat al mijn bekenden hadden samengespannen, om mij in zijn oogen te vernederen, dan zijn natuur in staat te achten tot een dusdanige wreedheid. Die vrouw, waarover hij schrijft, wie ze dan ook moge zijn,--of... ja, ieder, behalve jij, mijn beste zuster, mama en Edward, kan zoo hardvochtig wreed zijn geweest, mij te belasteren. Is er, behalve jelui drieën, een schepsel ter wereld, dat ik niet eerder van kwaad zou verdenken dan Willoughby, wiens hart ik zóó wel ken?"
Elinor wilde niet met haar redetwisten, en antwoordde alleen: "Wie je dan ook zoo verfoeilijk vijandig gezind mochten zijn, beroof hen van hun kwaadaardige zegepraal, mijn lieve zuster, door te toonen, hoe fier de bewustheid van eigen onschuld en goede bedoelingen je het hoofd omhoog doet heffen. 't Is een gegronde en prijzenswaardige trots, die dergelijke kwaadwilligheid weet te weerstaan."
"Neen, neen," riep Marianne, "verdriet als het kent geen trots. Ieder mag weten, dat ik ongelukkig ben. Laat de geheele wereld den triomf genieten, mij zoo te zien. Elinor, Elinor, zij die weinig lijden, mogen zoo trotsch en onafhankelijk zijn als ze willen--mogen beleedigingen weerstaan, vernederende kwelling vergelden,--ik kan het niet. Ik moet voelen--ik moet lijden--laat dan genieten van eigen zelfbewustzijn, wie het vermag."
"Maar om moeder's, om mijnentwil..."
"Zou ik meer doen, dan voor mijzelve. Toch, gelukkig te schijnen, wanneer ik mij zoo wanhopig voel... O, wie kan dat verlangen?"
Weer zwegen beiden. Elinor bleef voortdurend, diep in gedachten, heen en weer wandelen van den haard naar het venster, van het venster naar den haard, zonder te bespeuren dat die haard warmte gaf, of dat zij voorwerpen kon onderscheiden buiten dat venster; en Marianne, op het voeteneind van het ledikant gezeten, met haar hoofd tegen een der stijlen geleund, nam weer Willoughby's brief op, herlas huiverend iederen zin, en riep uit: "Het is te veel! O Willoughby, Willoughby, kon je _dit_ schrijven? Het is wreed--wreed; niets kan je vrijspreken. Neen, Elinor, niets. Wat hij ook voor kwaad van mij mocht hebben gehoord, had hij niet moeten aarzelen, eer hij daaraan geloof sloeg? Had hij het mij niet moeten vertellen, mij in staat stellen mij zelve vrij te pleiten? "De haarlok" (las zij uit den brief) "die gij wel zoo goed hebt willen zijn, mij vrijwillig te schenken"--dat is onvergefelijk. Willoughby, waar was je hart, toen je die woorden schreef? O, de hardvochtigheid van die beleediging!--Elinor, is er eenige rechtvaardiging te vinden van zijn gedrag?"
"Neen, Marianne; geen enkele."
"En toch, deze vrouw,--wie weet hoe listig zij geweest is--hoe lang van te voren zij haar plannen had beraamd, en hoe behendig zij ze heeft weten uit te voeren! Wie is zij?--Wie kan ze zijn? Wie beschreef hij ooit onder de dames van zijn kennis als jong en aantrekkelijk? O niemand, niemand--tegen mij sprak hij over mijzelve alleen."
Weer volgde een poos van stilte; Marianne was heftig bewogen;--eindelijk zei ze:
"Elinor, ik moet naar huis. Ik moet mama gaan troosten. Kunnen we morgen niet gaan?"
"Morgen, Marianne?"
"Ja; waarom zou ik hier blijven? Ik kwam alleen om Willoughby;--en wie geeft hier nu om mij? Wie draagt mij een goed hart toe?"
"Het zou onmogelijk zijn, morgen al te gaan. We zijn Mevrouw Jennings meer dan beleefdheid verschuldigd, en de eenvoudigste beleefdheidsregelen zouden zulk een overhaast vertrek verbieden."
"Nu, dan een paar dagen nog; maar ik kan hier niet lang meer blijven; ik kan de vragen en opmerkingen van al die menschen niet verdragen. De Middletons en de Palmer's--hoe zal ik hun medelijden kunnen verduren? Medelijden van een vrouw als Lady Middleton!--O... wat zou _hij_ daarvan zeggen!"
Elinor gaf haar den raad, weer te gaan liggen, en een oogenblik deed zij dat ook; maar zij kon in geen enkele houding rust vinden en in haar pijnigende gejaagdheid naar lichaam en geest bleef zij voortdurend in beweging, tot zij zoo zenuwachtig werd, dat haar zuster haar slechts met moeite in bed kon houden, en een oogenblik bang was, dat zij vreemde hulp zou moeten inroepen. Een paar lavendeltabletten, die Elinor haar eindelijk overreedde, in te nemen, kalmeerden haar een weinig, en daarna bleef zij, tot Mevrouw Jennings terugkwam, stil en zonder zich meer te bewegen, op het bed liggen.
HOOFDSTUK XXX
Mevrouw Jennings ging bij haar terugkomst dadelijk naar hun zitkamer, en zonder te wachten tot haar kloppen was beantwoord, opende zij de deur en stapte binnen met een blik vol oprechte meewarigheid.
"Hoe staat het ermee, mijn kind?" zeide zij, met innig medelijden in haar stem tegen Marianne, die zonder een poging tot antwoorden haar gezicht afwendde. "Hoe is 't met haar, Elinor? Arm kind! ze ziet er erg slecht uit. Geen wonder. Ja, 't is maar al te waar. Hij gaat al heel gauw trouwen--ellendige kerel! Bij mij heeft hij 't voor goed verbruid. Mevrouw Taylor vertelde 't mij, een half uur geleden, en zij had het van een intieme vriendin van Juffrouw Grey zelf, anders had ik 't stellig niet geloofd, en ik had een gevoel of ik door den grond ging. Nu, zei ik, ik kan alleen maar zeggen, als 't waar is, dat hij een jonge dame die ik ken, allerschandelijkst heeft behandeld, en ik hoop van harte, dat hij met die vrouw géén leven zal hebben. Dat zal ik altijd zeggen, lieve kind, daar kun je op aan. Ik heb er geen begrip van, dat mannen zóó kunnen te werk gaan, en als ik hem ooit weer zie, dan krijgt hij van mij een schrobbeering die hem heugen zal. Maar er blijft een troost, mijn lieve Marianne, hij is niet de eenige jonge man in de wereld, die de moeite waard is, en met je mooie gezichtje zal 't jou aan bewonderaars nooit ontbreken. Och, dat arme kind, ik zal haar maar niet langer lastig vallen; beter dat ze maar eens flink uitschreit, eens voor al. Van avond komen de Parry's en de Sanderson's gelukkig, dat zal haar een beetje afleiden."
Daarop ging zij op de teenen de kamer uit, alsof zij bang was, dat harde geluiden het verdriet van haar logéetje konden verergeren.
Marianne besloot, tot haar zuster's verwondering, wel mee aan tafel te gaan. Elinor ried het haar eerder af. Maar neen, "ze zou naar beneden gaan; ze kon het best verdragen, en dan werd er minder drukte om haar gemaakt." Elinor, blijde dat zij zich een oogenblik door zulk een beweegreden liet leiden, al geloofde zij niet dat zij tot het einde toe aan tafel zou kunnen blijven, zei maar niets meer, hielp haar kleeding zoo goed zij kon in orde brengen, terwijl Marianne te bed lag, en stond gereed om haar naar de eetkamer te brengen, zoodra zij aan tafel werden geroepen.
Toen zij eenmaal beneden was, zag zij er wel heel slecht uit; maar at meer en was kalmer dan haar zuster verwacht had. Als zij een poging had gedaan te spreken, of als zij al Mevrouw Jennings' goedbedoelde, maar weinig tactvolle attenties had opgemerkt, dan zou die kalmte niet hebben kunnen bewaard blijven; doch geen woord kwam over haar lippen, en zij was zoo in gedachten verdiept, dat zij niets bespeurde van al wat om haar heen voorviel.
Elinor, die Mevrouw Jennings' vriendelijkheid waardeerde, al waren de uitingen er van dikwijls hinderlijk en soms haast belachelijk, bewees haar den dank, en beantwoordde de beleefdheid, die haar zuster zelve niet bewijzen of beantwoorden kon. Hun goede vriendin zag dat Marianne ongelukkig was, en had een gevoel, dat al wat haar minder ongelukkig kon maken, haar nu rechtens toekwam. Zij behandelde haar dus met al de toegevende verteedering, die ouders jegens een geliefd kind aan den dag leggen op een laatsten vacantiedag. Marianne moest op het warmste plaatsje bij den haard zitten; haar eetlust moest worden opgewekt door de fijnste lekkernijen die maar konden worden opgedischt, en alle nieuwtjes van den dag moesten ter harer afleiding dienen. Als Elinor in haar zuster's droevig gezicht niet een beletsel voor alle vroolijkheid had gezien, zou zij zich een weinig hebben vermaakt over Mevrouw Jennings' pogingen om teleurstelling in de liefde te verzachten door een keur van zoetigheden en olijven, en een helder brandend vuur. Zoodra echter door dat herhaalde aandringen het besef van dit alles tot Marianne doordrong, kon zij niet langer blijven. Met een heftigen uitroep van smart, en haar zuster een wenk gevend, haar niet te volgen, stond zij haastig op, en snelde de kamer uit.
"Arm schepsel!" riep Mevrouw Jennings, toen zij was heengegaan, "wat doet het mij verdriet haar zoo te zien! Kijk toch eens, nu heeft ze niet eens haar wijn opgedronken! En de geconfijte kersen ook laten liggen! Och Heere, er is niets aan haar besteed. Als ik maar wist, waar ze veel van hield, ik zou er de halve stad voor laten afloopen.
Daar kan ik nu met geen mogelijkheid inkomen, dat een man een aardig meisje zóó behandelen kan! Maar als er aan den eenen kant een hoop geld zit, en zoo goed als niets aan den anderen, och lieve deugd, dan geven ze om die dingen niet meer..."
"Is die dame,--die Juffrouw--Grey noemde u haar, meen ik,--dan zoo rijk?"
"Vijftig duizend pond, kind. Heb je haar wel eens gezien? Een knap meisje, elegant, zeggen ze; maar niet mooi. Haar tante herinner ik mij best, Biddy Henshawe; die is met een schatrijken man getrouwd. Maar de heele familie zit er warmpjes in. Vijftig duizend pond, en naar ik hoor komt het hem uitmuntend te pas; want ze zeggen, dat hij er leelijk vóór staat. Geen wonder, met dat rennen en rossen en die jachtpaarden! Och ja, praten helpt niet veel; maar als een jongmensch, 't doet er niet toe wie, een aardig meisje 't hof maakt, en belooft haar te trouwen, dan gaat het niet aan, zijn woord te breken, omdat hij arm wordt, en er een rijkere juffer een oogje op hem heeft. Waarom verkoopt hij niet, als 't zoover komt, zijn paarden, verhuurt zijn huis, schaft zijn bedienden af, en begint van meet af aan, op een andere manier? Ik wed, dat Marianne graag had willen wachten, tot de zaak er beter voor stond. Maar dat is tegenwoordig geen mode meer; de jongelui van onze dagen geven nooit iets op, waarin ze plezier hebben.
"Weet u ook iets meer van die Juffrouw Grey? Moet zij een lief meisje zijn?"
"Ik heb nooit kwaad van haar hooren zeggen; eigenlijk heb ik haast nooit over haar hooren spreken, behalve dat Mevrouw Taylor van morgen zei, dat Juffrouw Walker eens had laten doorschemeren, dat ze dacht, dat Mijnheer en Mevrouw Ellison het niet kwaad zouden vinden, als Juffrouw Grey maar trouwde; want zij en Mevrouw Ellison konden niet met elkaar overweg."