Gevoel en verstand

Chapter 15

Chapter 153,835 wordsPublic domain

De Heer en Mevrouw Palmer waren van de partij; de eerste, dien zij sedert kun komst in de stad niet hadden gezien, daar hij den schijn van beleefdheid jegens zijne schoonmoeder zorgvuldig vermeed, en zich dus nooit bij haar aan huis vertoonde, gaf geen blijk hen te herkennen, toen zij binnentraden. Hij nam hen vluchtig op, alsof hij niet wist, wie zij waren, en knikte maar even tegen Mevrouw Jennings van de overzij van het vertrek. Marianne liet haar blik in de kamer rondgaan, toen zij binnentrad; het was genoeg; _hij_ was er niet--en zij ging zitten, even ongeneigd genoegen te geven als te ontvangen. Toen ze ongeveer een uur samen waren geweest, slenterde de Heer Palmer naar de dames Dashwood toe, om zijn verrassing te uiten, dat hij hen hier in de stad aantrof, hoewel Kolonel Brandon bij hem aan huis het eerst hun komst had vernomen, en hij zelfs iets héél grappigs had gezegd, toen hij hoorde dat die komst aanstaande was.

"Ik dacht dat u allebei in Devonshire waart," zei hij.

"Och, is 't waar?" antwoordde Elinor.

"Wanneer gaat u terug naar huis?"

"Dat weet ik niet."--En daarmee eindigde hun gesprek. Nog nooit had Marianne zoo weinig lust gehad in dansen als dien avond, en nooit had haar die inspanning zoo vermoeid. Zij klaagde erover, toen zij terugkwamen in Berkeley Street.

"O, wel ja," zei Mevrouw Jennings; "hoe dàt komt weten we allemaal heel best, als zeker iemand er geweest was, dan hadt je niet geweten van vermoeidheid, en om de waarheid te zeggen, 't was niet aardig van hem, niet te komen om je te ontmoeten, terwijl hij wèl was gevraagd."

"Gevraagd?" riep Marianne.

"Dat vertelde mijn dochter mij; Sir John was hem vanmorgen op straat tegengekomen."

Marianne zeide niets, maar men kon het haar aanzien, hoe pijnlijk zij was getroffen. Innig verlangend onder deze omstandigheden iets te doen, dat haar zuster verlichting zou kunnen schenken, besloot Elinor den volgenden morgen aan haar moeder te schrijven, en hoopte, door haar bezorgd te maken over Marianne's gezondheid, die navraag te kunnen uitlokken, welke reeds zoolang was uitgesteld; en nog dringender scheen haar de noodzakelijkheid van dezen maatregel, toen zij den volgenden morgen na het ontbijt bemerkte, dat Marianne weer aan het schrijven was aan Willoughby; want zij kon niet veronderstellen dat haar brief aan een ander was gericht.

Kort voor den middag ging Mevrouw Jennings alleen uit, en Elinor begon aanstonds aan haar brief; terwijl Marianne, te rusteloos om bezigheid te zoeken, van het eene venster naar het andere liep, of in droevig gepeins verzonken bij het vuur zat. Elinor schreef aan hare moeder met den diepsten ernst, vertelde al wat er was gebeurd, uitte haar vermoeden omtrent Willoughby's trouweloosheid, en drong er op aan, dat zij van Marianne zou vergen, wat plicht en genegenheid eischten, eene verklaring van haar werkelijke verhouding tot hem. Haar brief was juist klaar, toen een kloppen aan de deur bezoek aankondigde, en Kolonel Brandon werd aangediend. Marianne, die hem uit het venster had zien aankomen, en die een afkeer had van alle gezelschap, ging de kamer uit, eer hij binnentrad. Hij keek nog ernstiger dan gewoonlijk, en hoewel hij zijn voldoening te kennen gaf over het feit, dat hij Elinor alleen aantrof, alsof hij haar in het bijzonder iets had mede te deelen, bleef hij een tijdlang zitten, zonder iets te zeggen. Elinor, overtuigd dat hij haar iets wilde vertellen, dat haar zuster betrof, wachtte met ongeduld tot hij zou beginnen. Het was niet de eerste maal, dat zij dezelfde soort van zekerheid hieromtrent gevoelde; want meer dan eens had hij, beginnende met een opmerking als: "Uw zuster ziet er vandaag slecht uit," of "uw zuster schijnt neerslachtig gestemd," blijkbaar op het punt gestaan om iets bijzonders omtrent haar te vragen of mee te deelen. Na een stilte, die minutenlang aanhield, verbrak hij het zwijgen, door haar, met bewogen stem, te vragen, wanneer hij haar zou mogen geluk wenschen met de aanwinst van een broeder? Elinor was op die vraag niet voorbereid, en moest, daar zij geen antwoord klaar had, wel hare toevlucht nemen tot de eenvoudige en voor de hand liggende weervraag: wat hij bedoelde? Hij poogde te glimlachen, terwijl hij antwoordde: "Uw zuster's verloving met den Heer Willoughby is een zaak van algemeene bekendheid."

"Algemeen bekend kan de zaak niet zijn," zeide Elinor; "daar zelfs haar eigen familie er niets van weet."

Hij keek verwonderd, en zei: "Neemt u het mij niet kwalijk; ik vrees, dat mijn vraag onbescheiden was; maar ik had niet kunnen veronderstellen dat het in uwe bedoeling lag, de zaak geheim te houden, daar zij openlijk in briefwisseling zijn, en iedereen spreekt over hun huwelijk."

"Hoe is dat mogelijk? Door wien kunt u erover hebben hooren spreken?"

"Door verschillende personen,--sommigen, die u in 't geheel niet, anderen, die u zeer goed bekend zijn; Mevrouw Jennings, Mevrouw Palmer, en de Middletons. Nog zou ik het misschien niet hebben geloofd,--want waar wij weinig geneigd zijn ons te laten overtuigen, vinden wij altijd iets dat onzen twijfel steun verleent,--wanneer ik niet toevallig vandaag, toen de knecht mij binnenliet, een brief had gezien, dien hij in de hand hield, geadresseerd aan den Heer Willoughby, in uw zuster's handschrift. Ik kwam, om u ernaar te vragen; maar ik kreeg reeds zekerheid, eer ik de vraag kon doen. Is alles dus beslist? Is het onmogelijk, om... Maar ik heb geen recht, en ik zou geen kans hebben te slagen.--Vergeef mij, juffrouw Dashwood. Ik geloof, dat ik verkeerd deed, zooveel te zeggen; maar ik weet bijna niet wat te doen, en in uwe voorzichtigheid stel ik het volste vertrouwen. Zeg mij, dat alles onomstootelijk vaststaat, dat geen poging... dat in een woord verzwijgen, indien verzwijgen mogelijk is, het eenige is, dat mij overblijft."

Zijne woorden, die Elinor opvatte als een rechtstreeksche bekentenis van zijn liefde voor hare zuster, ontroerden haar zeer. Zij was niet dadelijk in staat, iets te zeggen, en zelfs toen zij zich had hersteld, overlegde zij nog een oogenblik bij zichzelve, wat het beste zou zijn, hierop te antwoorden. De werkelijke staat van zaken tusschen Willoughby en haar zuster was haar zoo weinig helder, dat zij, bij een poging om dien te verklaren, allicht evenzeer moest vreezen te veel als te weinig te zeggen. Toch, daar zij overtuigd was, dat Marianne's liefde voor Willoughby geen hoop op vervulling van Kolonel Brandon's wensch overliet, wáártoe die liefde ook mocht leiden, en zij tevens erop bedacht was, Marianne's gedrag te vrijwaren voor een ongunstige beoordeeling, vond zij het, na eenig bedenken, het verstandigste en het beste, om meer te zeggen, dan zij feitelijk wist, of geloofde. Zij gaf toe, dat zij, hoewel zelve nooit door hen ingelicht omtrent hunne eigenlijke verhouding tot elkander, geen twijfel koesterde aan hun wederzijdsche genegenheid, en dat het haar niet verwonderde te hooren van hunne briefwisseling.

Hij hoorde haar stil en aandachtig aan, en stond, toen zij ophield met spreken, onmiddellijk op, terwijl hij op diepbewogen toon zeide: "Uw zuster wensch ik alle geluk, dat zich laat denken; voor Willoughby hoop ik, dat hij zal trachten haar waardig te zijn." Daarop nam hij afscheid en vertrok.

Dit gesprek liet bij Elinor geen rustiger gevoelens achter, die haar pijnlijke onzekerheid omtrent andere punten hadden kunnen verminderen; integendeel, een droevige indruk bleef haar bij van Kolonel Brandon's verdriet, terwijl haar vurig verlangen naar eene ontknooping, die dat verdriet slechts kon verergeren, haar zelfs belette, te wenschen, het gelenigd te zien.

HOOFDSTUK XXVIII

Gedurende de drie of vier volgende dagen viel niets voor, dat Elinor spijt had kunnen doen gevoelen, omdat zij zich tot hare moeder gewend had, want Willoughby kwam noch schreef. Aan het eind van dit tijdsverloop hadden zij afgesproken Lady Middleton te vergezellen naar eene partij, waarheen Mevrouw Jennings verhinderd was te gaan, door ongesteldheid van hare jongste dochter; en voor deze partij maakte Marianne, diep terneergeslagen, onverschillig voor haar uiterlijk voorkomen, en in eene stemming waarin het haar volkomen hetzelfde was, of zij ging of thuis bleef, zich gereed, zonder één hoopvollen blik, ééne uiting van blijdschap. Na de thee zat zij bij het vuur in den salon, tot het oogenblik van Lady Middleton's komst, zonder van haar stoel op te staan of van houding te veranderen, verzonken in haar eigen gedachten en onbewust van haar zusters tegenwoordigheid; en toen hun tenslotte gezegd werd, dat Lady Middleton's rijtuig voor de deur op hen wachtte, schrikte zij op, alsof zij had vergeten, dat zij zouden worden afgehaald.

Zij kwamen op tijd ter bestemder plaatse, stapten uit, zoodra de lange rij van rijtuigen vóór hen daartoe gelegenheid bood, gingen de trap op, hoorden hunne namen, met luider stem aangekondigd, van het eene portaal naar het andere galmen en traden een schitterend verlicht vertrek binnen, vol gasten, en onverdragelijk warm. Toen zij aan den eisch der beleefdheid hadden voldaan door hun buiging te maken voor de dame des huizes, werd hun vergund zich onder het gezelschap te mengen en hun aandeel te dragen van de hitte en de benauwdheid, die noodzakelijk door hunne komst nog moesten worden vermeerderd. Nadat er een tijdlang weinig gezegd en nog minder gedaan was, nam Lady Middleton plaats aan de speeltafel, en daar Marianne geen lust had om rond te loopen, gingen zij en Elinor, die gelukkig stoelen hadden kunnen bemachtigen, niet ver van de tafel zitten.

Dit had nog niet lang geduurd, toen Elinor op eenigen afstand van hen Willoughby zag staan, in ernstig gesprek met eene zeer modieus uitziende jonge dame. Hun blikken ontmoetten elkaar, en hij boog, doch zonder haar aan te spreken of een poging te doen, om Marianne te naderen, ofschoon hij haar wel _moest_ zien; en daarop zette hij zijn gesprek met dezelfde dame voort. Elinor wendde zich onwillekeurig tot Marianne om te zien, of zij niets had opgemerkt. Juist op dat oogenblik kreeg zij hem in het oog; haar gezicht straalde van plotselinge verrukking, en zij zou naar hem toegesneld zijn, als haar zuster haar niet had vastgegrepen. "O Elinor!" riep ze; "daar is hij--daar is hij! O, waarom ziet hij niet naar mij? Waarom kan ik niet met hem spreken?"

"Ik bid je, ik smeek je, wees bedaard," zeide Elinor, "en laat niet iedereen merken, wat in je omgaat. Misschien heeft hij je nog niet gezien."

Dit was meer, dan zij zelve kon gelooven; en bedaard blijven op zulk een oogenblik ging niet alleen Marianne's krachten te boven; maar zij wilde dat niet eens. Iedere trek van haar gelaat verried haar martelend ongeduld. Eindelijk keerde hij zich nogmaals om, en zag hen beiden aan; zij sprong op en stak hem de hand toe, terwijl zij op hartelijken toon zijn naam noemde. Hij kwam nader, en terwijl hij zich meer tot Elinor wendde dan tot Marianne, wier blik hij vermeed, en wier houding hij niet scheen te willen opmerken, vroeg bij vluchtig en gehaast naar Mevrouw Dashwood, en hoe lang zij reeds in de stad waren. Zijn houding deed Elinor al haar tegenwoordigheid van geest verliezen; zij kon geen woord uitbrengen. Doch haar zuster's gevoel vond onmiddellijk uiting. Een donkere blos kleurde haar gelaat, en zij riep uit op een toon, die de hevigste ontroering verried: "Goede God, Willoughby, wat beteekent dit! Heb je mijn brieven niet ontvangen? Wil je mij geen hand geven?"

Toen kon hij het niet meer vermijden; maar hare aanraking scheen hem onaangenaam te zijn, en hij liet onmiddellijk hare hand los. Al dien tijd deed hij zichtbaar moeite om bedaard te blijven. Elinor lette op zijn gezicht, en zag dat zijn uitdrukking kalmer werd. Na een oogenblik van stilte zei hij rustig: "Den vorigen Dinsdag heb ik een bezoek gebracht in Berkeley Street; het speet mij zeer u en Mevrouw Jennings niet thuis te treffen. Mijn kaartje is, hoop ik, niet verloren geraakt?"

"Maar heb je mijn brieven dan niet ontvangen?" riep Marianne, doodelijk beangst. "Het moet een vergissing zijn--een afschuwelijke vergissing. Wat beteekent dit toch? Zeg het mij, Willoughby, zeg mij, om 's hemelswil, wat is er toch gebeurd?"

Hij gaf geen antwoord; maar werd bleek en scheen opnieuw gedwongen; doch alsof hij, aangespoord door een blik van de jonge dame met wie hij te voren had gesproken, gevoelde dat onmiddellijk zelfbedwang werd vereischt, vermande hij zich opnieuw, zei snel: "Ja, het bericht van uw komst in de stad, dat u zoo vriendelijk waart, mij te zenden, heb ik het genoegen gehad te ontvangen," keerde zich daarop met een vluchtige buiging haastig om, en voegde zich weer bij zijne vriendin. Marianne, doodsbleek en niet in staat zich staande te houden, liet zich in haar stoel vallen, en Elinor, elk oogenblik vreezend dat zij een flauwte zou krijgen, trachtte haar voor onbescheiden blikken te beschermen, terwijl zij haar verfrischte met lavendelwater.

"Ga naar hem toe, Elinor," zei zij, zoodra ze spreken kon, "en dwing hem, bij mij te komen. Zeg hem, dat ik hem moet zien,--dat ik hem dadelijk moet spreken. Ik kan het niet uithouden--ik zal geen oogenblik rust hebben, eer dit alles is verklaard,--het moet een of ander afschuwelijk misverstand zijn. O, ga nu toch naar hem toe."

"Hoe is dat nu mogelijk? Neen, liefste Marianne, je moet wachten. Dit is de plaats niet voor uitleggingen. Wacht nu alleen maar tot morgen."

Zij kon haar slechts met moeite weerhouden, hem zelf te gaan opzoeken; en het bleek onmogelijk, haar te bewegen, haar ontroering te bedwingen,--althans in schijn bedaard, te wachten, tot zij hem meer ongehinderd kon spreken, en met meer kans te worden aangehoord; want Marianne ging onophoudelijk voort, met zachte stem uiting te geven aan haar gevoelens van wanhoop, door smartelijke uitroepen. Weldra zag Elinor dat Willoughby de kamer verliet door de deur dichtbij de trap, en terwijl zij Marianne vertelde dat hij weg was, bracht zij haar onder het oog, dat de onmogelijkheid om hem dezen avond nog te spreken, haar te meer reden gaf, thans kalm te zijn. Marianne vroeg dadelijk, of haar zuster Lady Middleton wilde smeeken, hen naar huis te brengen; zij voelde zich te ellendig om een minuut langer te blijven.

Toen Lady Middleton hoorde dat Marianne niet wel was, liet haar beleefdheid, hoewel zij verdiept was in haar kaartspel, niet toe, dat zij zich een oogenblik tegen Marianne's wensch tot heengaan verzette, zij gaf dus haar kaarten aan een vriendin; en zij vertrokken zoodra hun rijtuig voorkwam. Op den terugweg naar Berkeley Street werd bijna geen woord gesproken. Marianne leed in stilte, te beklemd voor tranen zelfs; doch daar Mevrouw Jennings gelukkig nog niet te huis was, konden zij dadelijk naar hun eigen kamer gaan, waar zij door 't gebruik van hertshoorn eenigszins bijkwam. Zij was spoedig ontkleed en in bed, en daar zij liefst alleen scheen te zijn, ging haar zuster heen en had al den tijd, terwijl zij wachtte op Mevrouw Jennings' terugkomst, te denken over hetgeen achter hen lag.

Dat er een bepaalde verbintenis van een of anderen aard tusschen Willoughby en Marianne had bestaan, kon zij niet betwijfelen; en dat Willoughby deze moede was, scheen eveneens duidelijk; want hoe Marianne ook nog bleef voortgaan voedsel te geven aan haar eigen wenschen, _zij_ kon zulk een gedrag niet toeschrijven aan een vergissing, of eenig misverstand. Niets dan een volkomen omkeer in zijn gevoelens kon het verklaren. Haar verontwaardiging zou nog sterker geweest zijn dan zij reeds was, wanneer zij niet getuige was geweest van zijn verlegenheid, die scheen aan te duiden, dat hij zich bewust was van zijn eigen wangedrag, en haar belette hem voor zoo gewetenloos te houden, dat hij van den beginne met haar zuster's liefde een roekeloos spel had gedreven, zonder eenig voornemen, dat navraag velen kon. Afwezigheid kon zijn liefde hebben doen verflauwen, en redenen van eigenbelang mochten hem hebben doen besluiten haar te overwinnen; maar dat zulk een liefde eenmaal had bestaan, daaraan twijfelde zij niet. Wat Marianne betrof, aan het verdriet dat deze ongelukkige ontmoeting haar had veroorzaakt, en het nog erger leed, dat haar, als het waarschijnlijk gevolg ervan, te wachten stond, kon zij niet denken zonder de innigste bezorgdheid. Hierbij vergeleken scheen haar eigen toestand haar minder treurig, want zoolang zij Edward slechts evenzeer kon _achten_ als voorheen, zou zij zich in den geest steeds getroost gevoelen, ook al bleven zij in de toekomst gescheiden. Doch hier schenen alle omstandigheden, die een dergelijk lijden konden verergeren, zich te vereenigen, om Marianne's smart te vermeerderen over hare scheiding van Willoughby voor altoos,--over het onmiddellijk en onherroepelijk afbreken van hun omgang.

HOOFDSTUK XXIX

Eer het kamermeisje den volgenden morgen het vuur in hun haard had aangelegd, of de zon eenige kracht had gewonnen aan het begin van den kouden, somberen Januaridag, lag Marianne, slechts half gekleed, op de knieën bij de vensterbank te schrijven, terwille van het weinigje licht dat naar binnen viel, zoo snel als haar aanhoudend vloeiende tranen het haar vergunden. Elinor, door haar zenuwachtig snikken uit den slaap gewekt, zag haar in die houding, en zei, na het een korte poos zwijgend en angstig te hebben aangezien, op een toon, waarin al haar zachte meewarigheid zich uitsprak: "Marianne, mag ik een vraag doen?"

"Neen, Elinor," antwoordde zij; "vraag maar niets; je zult spoedig alles weten."

De soort van wanhopige kalmte, waarmede die woorden werden geuit, duurde niet langer dan het oogenblik waarin ze werden uitgesproken, en werd onmiddellijk gevolgd door een nieuwe uitbarsting van heftige droefheid. Het duurde eenigen tijd eer zij kon voortgaan met haar brief, en de telkens herhaalde vlagen van smart die haar noodzaakten bij tusschenpoozen de pen neer te leggen, bewezen duidelijk genoeg, dat zij besefte, hoe meer dan waarschijnlijk het was, dat zij voor de laatste maal schreef aan Willoughby.

Elinor bewees haar elke kalme en onopvallende vriendelijkheid, die in haar vermogen was; en zij zou gaarne gepoogd hebben haar nog meer te troosten en tot bedaren te brengen, als Marianne haar niet gesmeekt had, met al den aandrang van iemand, wier zenuwen tot het uiterste zijn geprikkeld, in geen geval een woord tegen haar te zeggen. Onder die omstandigheden was het beter voor beiden, niet lang achtereen samen te zijn; en Marianne's rusteloosheid belette haar niet alleen, ook maar een oogenblik in de kamer te blijven, nadat zij zich gekleed had; doch deed haar, die tegelijk behoefte had aan eenzaamheid en voortdurende verandering van plaats, tot aan het ontbijt door het huis zwerven, terwijl zij elke ontmoeting ontweek.

Aan het ontbijt at zij niets, en deed ook geen poging iets te eten; zoodat Elinor's aandacht slechts gericht kon zijn op één doel: niet bij haar aandringen, niet haar beklagen, niet op haar letten, doch alleen maar trachten te zorgen, dat Mevrouw Jennings enkel notitie nam van haarzelf.

Daar Mevrouw Jennings graag en goed ontbeet, duurde de maaltijd lang, en zij gingen juist, na afloop ervan, aan de gemeenschappelijke werktafel zitten, toen Marianne een brief werd overhandigd, dien zij haastig aannam, en waarmede zij, plotseling doodsbleek wordend, onmiddellijk de kamer uitliep. Elinor, die hieruit even stellig opmaakte, alsof zij het adres had gezien, dat de brief van Willoughby kwam, voelde zich op eens zóó zenuwachtig worden, dat zij haar hoofd bijna niet kon ophouden, en beefde zoo erg, dat zij vreesde, Mevrouw Jennings' aandacht ditmaal niet te kunnen ontgaan. Het goede mensch zag echter niet anders, dan dat Marianne een brief van Willoughby had gekregen, 't geen zij uitermate grappig vond, en als zoodanig behandelde, door lachend haar hoop te uiten, dat er goed nieuws in stond. Zij was veel te druk bezig met het meten der draden wol, waarvan zij een haardkleedje knoopte, om iets te bespeuren van Elinor's ontroering; en zoodra Marianne was heengegaan, praatte zij kalmpjes door: "Ik kan je verzekeren, dat ik nog nooit in mijn leven een meisje zoo tot over de ooren verliefd heb gezien. De mijnen waren niet half zoo erg, en die stelden zich toch óók mal aan; maar die Marianne is letterlijk op haar hoofd gezet. Ik hoop van harte, dat hij haar niet lang meer laat wachten, want 't is treurig om te zien, zoo ellendig ziet zij eruit. Wanneer gaan ze nu trouwen?"

Hoewel Elinor nooit zóó weinig lust tot spreken had gevoeld als op dat oogenblik, dwong zij zichzelf tot een antwoord op dien uitval, en zei met een poging om te glimlachen: "Hebt u zich dat werkelijk in het hoofd gehaald, mevrouw, dat mijn zuster met den Heer Willoughby verloofd is? Ik dacht dat het maar een grap was; maar zulk een ernstige vraag schijnt méér te beteekenen, en dus moet ik u verzoeken, dat denkbeeld eens voor al te laten varen. Ik verzeker u, dat niets mij zoozeer zou verwonderen, als een kennisgeving van hun voorgenomen huwelijk."

"O foei, foei, Elinor! Hoe kun je nu toch zóó praten! Weten we dan niet allemaal, dat ze 't al lang eens zijn,--dat ze tot over de ooren verliefd op elkaar waren van 't oogenblik af dat ze elkaar voor 't eerst hadden gezien? Heb ik ze dan niet samen onder mijn oogen gehad in Devonshire, den lieven langen dag, en dagen achtereen? En wist ik niet heel goed, dat je zuster met mij mee wilde naar de stad, om haar uitzet al vast te kiezen? Neen, neen, gekheid; dat gaat zoomaar niet. Je denkt zeker, omdat je zelf zoo weinig loslaat, dat een ander zijn oogen in den zak heeft, maar ik verzeker je, dat lijkt er niet naar; want 't is in de heele stad bekend, al ik weet niet hoe lang. Ik vertel het aan iedereen, en Charlotte ook."

"Werkelijk, Mevrouw," zei Elinor zeer ernstig; "u vergist u. Het zou waarlijk zeer onwelwillend van u zijn, als u dat gerucht hielp verspreiden, en u zult dat nog eenmaal zelve inzien, al gelooft u mij nu niet." Mevrouw Jennings lachte weer; doch Elinor had geen moed om nog meer te zeggen; en verlangend om in elk geval nu te weten wat Willoughby geschreven had, liep zij haastig naar hun kamer, waar zij, toen ze de deur opende, Marianne op haar bed zag liggen, bijna tot stikkens toe benauwd door hare smart, met een brief in haar hand, terwijl twee of drie andere naast haar lagen. Elinor kwam nader, doch zonder een woord te spreken; zij ging op het bed zitten, nam Marianne's hand, kuste die een paar malen met de grootste innigheid, en liet zich toen eindelijk gaan in een uitbarsting van tranen, in den beginne bijna niet minder hevig dan Marianne's ontzettende smart. Hoewel de laatste niet kon spreken, scheen zij de teederheid van Elinor's medegevoel wel volkomen te beseffen, en nadat zij een poos zoo samen hadden toegegeven aan hunne droefheid, gaf zij Elinor al de brieven in handen, verborg daarop haar gezicht in haar zakdoek en kermde luide als van ondragelijke pijn. Elinor, die wist dat zulk verdriet, droevig als het was om te aanschouwen, zijn natuurlijke uiting moest vinden, bleef bij haar zitten, tot die buitensporige droefheidsvlaag eenigszins had uitgewoed, en nam daarna in spanning Willoughby's brief op, waarin zij het volgende las:

"Bondstreet Januari.

Geachte Mejuffrouw,