Gevoel en verstand

Chapter 13

Chapter 133,829 wordsPublic domain

"Hij bezit zelf maar tweeduizend pond; het zou dwaasheid zijn, dáárop te trouwen, hoewel ik voor mij zonder eenige klacht elk vooruitzicht op meer zou kunnen laten varen. Ik ben altijd gewoon geweest aan een zeer klein inkomen, en zou voor hem mij dapper verzetten tegen de ergste armoede, maar ik heb hem te lief, om hem door mijn zelfzucht misschien te berooven van al wat zijn moeder hem zou kunnen schenken, wanneer hij huwde naar haar wensch. Wij moeten wachten, misschien wel jaren lang. Met bijna elken anderen man ter wereld zou dat een beangstigend vooruitzicht zijn; maar Edward's genegenheid en trouw kan niets mij ontnemen, dat weet ik."

"Die overtuiging moet voor u alles zijn, en zij vindt ongetwijfeld steun in dat zelfde vertrouwen op de uwe. Wanneer de innigheid van uw wederkeerige liefde was verminderd, zooals bij veel menschen en onder vele omstandigheden natuurlijk zou zijn geweest tijdens een verloving van vier jaren, dàn zoudt u waarlijk te beklagen zijn."

Hier zag Lucy op; doch Elinor droeg zorg, haar gelaat vrij te houden van elke uitdrukking, die in haar woorden een zweem van achterdocht kon doen vermoeden.

"Edward's liefde," zei Lucy, "is tamelijk wel op de proef gesteld door onze lange, zeer lange scheiding sedert het begin onzer verloving, en zij heeft die proef zoo goed doorstaan, dat het onvergefelijk van mij zou zijn, haar nu te wantrouwen. Ik durf gerust zeggen, dat hij mij van den beginne niet één oogenblik reden tot bezorgdheid gaf in dat opzicht."

Elinor wist niet recht of ze zou glimlachen of zuchten bij die verzekering.

Lucy ging voort: "Ik ben van nature trouwens nogal jaloersch aangelegd, en door ons verschil in stand, doordat hij zooveel meer in de wereld verkeerde dan ik en door ons voortdurend gescheiden zijn, was ik genoeg tot achterdocht geneigd, om dadelijk achter de waarheid te zijn gekomen, als er ook maar de geringste verandering in zijn houding jegens mij was te bespeuren geweest, wanneer we elkaar ontmoetten, of wanneer hij een neerslachtigheid had getoond, die ik niet kon verklaren, of als hij meer over ééne dame had gesproken dan over anderen, of in eenig opzicht zich minder gelukkig scheen te gevoelen te Longstaple dan hij vroeger placht. Ik wil niet zeggen, dat ik over 't algemeen zoo bijzonder nauwlettend of scherpziende ben, maar in dit geval weet ik wel, dat ik mij niet zou laten misleiden."

"Dat is nu alles," dacht Elinor, "goed en wel; maar wij laten ons geen van beiden door die praatjes foppen."

"Maar wat zijn nu," zei ze na een kort stilzwijgen, "uw plannen? Of hebt u geen ander vooruitzicht dan te wachten tot Mevrouw Ferrars komt te overlijden, 't geen een treurige en bezwaarlijk te wenschen oplossing zou zijn? Heeft haar zoon besloten, zich liever hierin te schikken, liever de langdurige kwelling te verdragen van de vele jaren van onzekerheid, die u wellicht te wachten staan, dan de kans te loopen, zich een tijdlang haar ongenoegen op den hals te halen door de waarheid te bekennen?"

"Als we maar zeker wisten, dat het voor een tijdlang zou zijn! Maar Mevrouw Ferrars is een zeer koppige en trotsche vrouw, en zou waarschijnlijk in haar eerste vlaag van drift, wanneer zij het hoorde, alles aan Robert nalaten. Dat denkbeeld doet mij, om Edward's wil, huiverig worden voor alle overhaasting."

"Toch ook ter wille van uzelve, anders zou uwe belangeloosheid de grenzen van het waarschijnlijke te buiten gaan."

Lucy keek Elinor aan, en zweeg.

"Kent u den heer Robert Ferrars?" vroeg Elinor.

"In 't geheel niet--ik heb hem nooit gezien; maar ik geloof, dat hij in 't minst niet op zijn broer gelijkt,--hij is dom en verbazend ijdel, een echte fat."

"Een echte fat!" herhaalde haar zuster, die bij een plotselinge pauze in Marianne's muziek, de laatste woorden had opgevangen. "O, ze zijn natuurlijk aan 't praten over hun uitverkoren cavaliers."

"Neen, Anne," riep Lucy, "dat heb je mis; onze uitverkoren cavaliers zijn _geen_ fatten."

"Ik weet ten minste wel, dat Elinor's vriend dat niet is," zei Mevrouw Jennings, hartelijk lachend; "want dàt is een van de bescheidenste, beminnelijkste jongelui die ik ooit heb ontmoet. Maar die Lucy is zulk een loos klein ding, dat niemand er achter kan komen van wien zij wel houdt."

"O," riep de oudste Juffrouw Steele, terwijl ze met een veelbeteekenenden blik naar hen omzag, "ik wed dat Lucy's vriend precies even bescheiden en beminnelijk is als die van Juffrouw Dashwood."

Elinor kreeg haars ondanks een kleur. Lucy beet zich op de lippen en wierp haar zuster een boozen blik toe. Allen bleven een tijdlang zwijgen. Lucy verbrak de stilte, door iets zachter te zeggen, hoewel Marianne hun op dat oogenblik de prachtige bescherming verleende van een schitterend pianoconcert:

"Ik zal u eerlijk vertellen van een plan, dat onlangs bij mij is opgekomen, om de zaak voortgang te doen krijgen; ik ben trouwens wel verplicht u in 't geheim in te wijden, omdat u zelf erbij betrokken bent. Mij dunkt, u kent Edward genoeg om te weten, dat hij aan den geestelijken stand de voorkeur geeft boven elk ander beroep. Nu is mijn plan, dat hij zoo spoedig mogelijk moet zorgen, als geestelijke te worden aangesteld, en dan zou, op uwe voorspraak, die u stellig wel zoudt willen aanwenden uit vriendschap voor hem en, hoop ik, ook een weinig voor mij, uw broeder allicht zijn te bewegen, hem de predikantsplaats te Norland te verschaffen; ik hoor, dat deze goed wordt bezoldigd, en dat de tegenwoordige predikant het wel niet lang meer maken zal. Dan zouden we genoeg hebben om te trouwen, en het overige konden we dan overlaten aan den tijd en het gunstig toeval."

"Het zou mij altijd aangenaam zijn," antwoordde Elinor, "een bewijs te leveren van mijn achting en vriendschap voor den Heer Ferrars; maar ziet u niet in, dat mijn voorspraak in dezen geheel overbodig zou zijn? Hij is de broeder van Mevrouw John Dashwood,--_dat_ is voor haar echtgenoot aanbeveling genoeg."

"Maar Mevrouw John Dashwood zou het in 't geheel niet goedkeuren dat Edward predikant werd."

"Dàn vermoed ik, dat mijn voorspraak weinig zou baten." Hier zwegen beiden geruimen tijd. Eindelijk zei Lucy met een diepen zucht:

"Ik geloof dat het 't verstandigst zou zijn, een einde te maken aan de zaak, door de verloving te verbreken. We zijn zoo van alle zijden omringd door moeilijkheden, dat we ten slotte misschien gelukkiger erdoor zouden worden, al hadden we dan ook een tijdlang verdriet. Maar u wilt mij geen raad geven, Juffrouw Dashwood?"

"Neen," antwoordde Elinor, met een glimlach, die zeer onrustige gevoelens verborg, "in een dergelijke aangelegenheid wil ik dat zeer zeker niet. U weet heel goed, dat mijne meening bij u geen gewicht in de schaal zou leggen, tenzij ze overeenstemde met uw eigen wenschen."

"U doet mij werkelijk onrecht," zei Lucy met veel vertoon van waardigheid, "ik ken niemand, wier oordeel ik zóó op prijs stel als het uwe; en ik geloof waarlijk, dat ik, wanneer u tegen mij zei: "Ik raad u ten sterkste aan, uw verloving met Edward Ferrars te verbreken; het zal uw beider geluk bevorderen," ertoe zou kunnen besluiten, dat onmiddellijk te doen."

Elinor bloosde voor de onoprechtheid van Edward's aanstaande vrouw, en antwoordde: "Dit vleiend oordeel zou mij huiverig doen worden, mijn meening omtrent de zaak te uiten, indien ik die al gevormd had. Het kent veel te veel waarde toe aan mijn invloed; de macht, twee menschen, die zoo teeder aan elkander gehecht zijn, te scheiden, is te groot voor den onbevooroordeelden toeschouwer."

"'t Is juist _omdat_ u een onbevooroordeeld toeschouwster bent," zei Lucy, ietwat geërgerd, en met bijzonderen nadruk op de laatste woorden, "dat uw oordeel mij met recht zooveel waard is. Als men kon veronderstellen, dat u in eenig opzicht zoudt worden beïnvloed door uw eigen gevoelens, dan zou uw meening al van zeer weinig beteekenis zijn."

Elinor vond het 't verstandigst om hierop niet te antwoorden, uit vrees dat zij elkander zouden uitlokken tot een weinig gepaste vermeerdering van hun reeds vrij ver gaande openhartigheid, en zij was reeds ten deele besloten het onderwerp nooit meer aan te roeren.

Dus volgde wederom na Lucy's woorden een minutenlange stilte, en weer was Lucy de eerste die ze verbrak.

"Komt u dezen winter ook naar Londen, Juffrouw Dashwood?" vroeg zij, met haar gewone kalme zelfverzekerdheid.

"Neen, in geen geval."

"Dat spijt mij," gaf Lucy ten antwoord, terwijl haar oogen schitterden van blijdschap over die mededeeling, "'t zou zoo aardig geweest zijn, u daar te ontmoeten! Maar ik denk, dat u toch wel zult gaan, per slot van rekening. Uw broer en zuster zullen u wel te logeeren vragen."

"Toch zal ik hun uitnoodiging niet kunnen aannemen, wanneer ze dat doen."

"Wat is dat nu jammer! Ik had er vast op gerekend, u daar weer te zien. Anne en ik gaan in 't laatst van Januari logeeren bij familie van ons, die al jaren er op aandringt dat we hen eens moeten bezoeken. Maar ik ga alleen om Edward te ontmoeten. Hij komt er in Februari; anders zou Londen niets aantrekkelijks voor mij hebben; daar is mijn stemming niet naar."

Elinor werd spoedig aan de speeltafel geroepen, nu het eerste spelletje geëindigd was, en het vertrouwelijk onderhoud der twee dames was dus afgeloopen; iets, waarin beiden zonder aarzeling berustten; want van weerskanten was er niets gezegd, dat hun wederzijdschen afkeer van elkaar verminderen kon, en Elinor ging aan de speeltafel zitten met de droevige overtuiging, dat Edward niet alleen geen liefde gevoelde voor het wezen dat zijn vrouw zou worden, maar dat zelfs de kans op een dragelijk gelukkig huwelijk, die een oprechte genegenheid van _hare_ zijde zou hebben gewaarborgd, hem was ontzegd; want alleen eigenbelang kon een vrouw nopen, een man te houden aan een verbintenis, waarvan zij zoo blijkbaar begreep, dat hij haar moede was.

Van nu af werd het onderwerp door Elinor nooit meer aangeroerd, en wanneer Lucy erover begon, die zelden een gelegenheid liet voorbijgaan, om het op het tapijt te brengen, en ijverig zorg droeg, haar vertrouwelinge vol blijdschap de komst te berichten van elken brief, dien zij van Edward ontving, behandelde Elinor het met kalmte en voorzichtigheid, en stapte ervan af, zoodra de beleefdheid dit toeliet, want zij vond zulke gesprekken voor Lucy een genoegen, dat deze niet verdiende, en voor zichzelve achtte zij ze gevaarlijk.

Het bezoek van de dames Steele te Barton Park werd van veel langeren duur dan oorspronkelijk bedoeld was bij de eerste uitnoodiging. Ze wisten zich steeds meer bemind te maken; men kon hen niet meer missen; Sir John wilde van heengaan niet hooren, en ondanks de vele en lang van te voren gemaakte afspraken te Exeter, ondanks de volstrekte noodzakelijkheid van hun terugkeer, om daaraan onverwijld te voldoen, die aan het eind van iedere week tot een dringende verplichting aangroeide, lieten zij zich overhalen om bijna twee maanden op het Park te blijven en een ijverig aandeel te nemen in de gebruikelijke viering van dat feest, waarvan de luister noodzakelijk schijnt te moeten worden verhoogd door een ongewoon groot aantal danspartijen en gastmalen.

HOOFDSTUK XXV

Hoewel Mevrouw Jennings gewoon was, een groot deel van het jaar door te brengen ten huize van hare kinderen en vrienden, was zij toch niet zonder een eigen vaste woonplaats. Sedert den dood van haar echtgenoot, die een voorspoedigen handel placht te drijven in een minder sierlijke wijk, had zij des winters geregeld een huis bewoond in een der straten in den omtrek van Portman Square. Aan dat tehuis begon zij, toen de maand Januari naderde, weer eens te denken, en op zekeren dag vroeg zij de beide oudste dames Dashwood zonder eenige voorbereiding en voor hen geheel onverwacht, of zij haar daarheen wilden vergezellen. Elinor, die niet aanstonds bespeurde, hoe Marianne door haar wisselende kleur en gespannen blik verried, dat het plan haar niet onverschillig was, sloeg dadelijk dankbaar, maar beslist de uitnoodiging voor hen beiden af, in de meening, dat zij het op dit punt volkomen eens waren. De reden, welke zij aanvoerde was hun stellig besluit, hun moeder niet om dezen tijd van het jaar te willen alleen laten. Mevrouw Jennings scheen min of meer verwonderd over die weigering, en herhaalde hare vraag onmiddellijk.

"O lieve deugd; ik weet zeker, dat je mama je heel goed kan missen; en ik _hoop_ toch, dat je mij 't pleizier zult doen; want ik ben er nu eenmaal erg op gesteld. Denk maar niet, dat je 't mij lastig zult maken, want ik maak volstrekt geen omslag voor jelui. Betty zal alleen met de postkoets moeten reizen, en dàt is nu de heele wereld niet. Wij gaan dan met ons drieën in mijn rijtuig; en wanneer jelui in de stad niet overal met mij mee wilt gaan, dan is dat niets, want dan kun je altijd gaan met eene van mijn dochters. Ik wed dat je moeder er niets op tegen heeft; want ik heb het zoo gelukkig getroffen met mijn beide kinderen, zoo goed bezorgd, nietwaar? dat ze mij de aangewezen persoon zal vinden om jelui onder mijn hoede te nemen, en als niet één van jelui beiden ten minste een goed huwelijk doet, eer ik je weer aflever, dan zal het mijn schuld niet zijn. Ik zal een goed woordje voor jelui doen bij de heeren, daar kan je op aan."

"'t Komt mij voor," zei Sir John, "dat Marianne niets op het plan zou tegen hebben, als haar zuster ook van de partij wilde zijn. 't Is ook wel wat erg, dat zij niet eens een pleiziertje mag hebben, omdat Elinor het niet wenscht. Ik zou u raden om maar met u beitjes naar de stad te trekken, als u genoeg krijgt van Barton, en er Elinor niets van te vertellen."

"Ja, kijk eens," riep Mevrouw Jennings, "ik zou verbazend in mijn schik zijn met Marianne's gezelschap, of Elinor meegaat of niet, maar hoe meer zielen hoe meer vreugd, zeg ik altijd, en ik dacht, dat het gezelliger voor hen was samen te zijn; want als ik hen dan verveel, kunnen ze samen praten, en mij nog eens uitlachen achter mijn rug. Maar een van beiden moet ik hebben, als ik ze allebei niet krijgen kan. Wel lieve deugd, hoe zou ik het uithouden in mijn eentje, terwijl ik tot aan dezen winter toe altijd Charlotte bij mij had. Kom Marianne, laten wij nu maar zeggen dat de zaak beklonken is, en als Elinor zich dan nog bedenkt over een tijdje, des te beter."

"Ik dank u, mevrouw, ik dank u hartelijk," zei Marianne met nadruk; "ik kan u niet genoeg danken, voor uwe uitnoodiging, en ik zou innig gelukkig zijn, ja, zoo gelukkig als ik met mogelijkheid zijn kàn, wanneer ik die mocht aannemen. Maar moeder, onze lieve beste moeder, ik weet, dat Elinor gelijk heeft in 't geen zij zeide, en als zij door onze afwezigheid verdriet of zorg moest hebben... Neen, neen, niets zou mij kunnen verleiden om haar alleen te laten. Het mag, en het moet geen strijd kosten."

Mevrouw Jennings herhaalde haar verzekering dat Mevrouw Dashwood hen best kon missen; en Elinor, die thans haar zuster begreep, en zag hoe haar verlangen om Willoughby weer te ontmoeten, haar voor al wat daar buiten lag, bijna onverschillig deed worden, verzette zich niet langer rechtstreeks tegen het plan, en wilde alleen de beslissing overlaten aan hare moeder, van wie zij echter niet verwachtte veel steun te zullen ontvangen bij haar poging tot verhindering van een bezoek, dat zij voor Marianne verkeerd achtte, en dat zij voor zichzelf om bijzondere redenen liever vermeed. Wat Marianne ook mocht verlangen, haar moeder zou altijd bereid zijn, haar wenschen in te willigen; zij mocht niet verwachten, Mevrouw Dashwood te kunnen bewegen tot voorzichtigheid in eene zaak waaromtrent zij nooit bij machte was geweest haar wantrouwen in te boezemen, en de reden voor haar eigen ongeneigdheid naar Londen te gaan, kon zij niet openlijk zeggen. Dat Marianne, veeleischend als zij was, en maar al te goed bekend met Mevrouw Jennings' eigenaardigheden, die telkens opnieuw haar afkeer wekten, elke onaangenaamheid van dien aard kon over het hoofd zien, geheel uit het oog kon verliezen wat haar prikkelbare gevoeligheid het meest moest kwetsen, door het najagen van dat ééne doel, was een zóó sterksprekend, overtuigend bewijs, hoe uitsluitend dat doel haar vervulde, als Elinor, zelfs na al wat er was voorgevallen, niet had kunnen verwachten.

Toen Mevrouw Dashwood van de uitnoodiging hoorde, wilde zij, stellig overtuigd als zij was dat zulk een uitstapje haar dochters veel genoegen zou verschaffen, en ondanks Marianne's betuigingen van aanhankelijkheid wel bespeurend, hoe haar hart eraan hing, volstrekt niet, dat deze om _harentwil_ zou worden afgeslagen; zij rustte niet eer beiden beloofd hadden te zullen gaan, en begon aanstonds met haar gewone opgewektheid, een menigte voordeelen op te sommen, die uit deze scheiding voor hen allen zouden voortvloeien.

"Ik vind het een uitmuntend plan," riep zij; "het is juist naar mijn zin. 't Zal voor Margaret en mij even goed zijn als voor jelui. Als de Middletons dan ook weg zijn, kunnen we ons zoo rustig en gezellig bezighouden met onze boeken en muziek! Als je dan terugkomt, zul je Margaret zoo vooruitgegaan vinden! En ik heb een plannetje gemaakt om jelui slaapkamers te veranderen, dat nu ook kan worden uitgevoerd zonder iemand last te veroorzaken. Het is bepaald héél goed, dat je eens naar de stad gaat, ik vind dat iedere jonge dame van jelui positie in de wereld, het Londensche leven en de Londensche vermaken behoort te leeren kennen. Je zult onder de hoede zijn van een moederlijke goedhartige vrouw, op wier vriendelijkheid voor jelui ik kan rekenen. Waarschijnlijk zul je ook je broer ontmoeten, en wat ook zijn gebreken mogen zijn, of die van zijn vrouw, als ik bedenk, wiens zoon hij is, dan kan ik niet goed hebben, dat jelui zoo heel en al van elkaar zoudt vervreemden."

"Hoewel u, als gewoonlijk alleen bedacht op ons genoegen," zei Elinor, "alle bezwaren tegen het plan, die bij u opkwamen, hebt weggeredeneerd, is er toch nog één beletsel, dat naar 't mij voorkomt, niet zoo gemakkelijk kan worden terzij geschoven."

Marianne's gezicht betrok.

"Wat gaat mijn lieve voorzichtige Elinor ons nu onder het oog brengen?" zei Mevrouw Dashwood. "Welk geducht bezwaar komt zij opperen? Over de kosten wil ik geen enkel woord hooren."

"Mijn bezwaar is dit: al heb ik op Mevrouw Jennings' hart niets aan te merken, zij is toch geen vrouw, in wier gezelschap wij genoegen vinden, of wier bescherming voor ons eenige waarde heeft."

"Dat is wèl waar," antwoordde haar moeder; "maar op háár gezelschap, zonder dat van anderen, zul je heel weinig zijn aangewezen, en in 't publiek vertoon je je toch bijna altijd met Lady Middleton."

"Al zou Elinor zich door haar afkeer van Mevrouw Jennings laten bewegen om weg te blijven," zei Marianne, "dan behoeft dat nog geene reden te zijn, waarom _ik_ zou bedanken voor hare uitnoodiging. Voor mij bestaan die bezwaren niet, en ik weet weet zeker, dat het mij heel weinig moeite zal kosten, dergelijke onaangenaamheden te verdragen."

Elinor kon niet nalaten te glimlachen over dit vertoon van onverschilligheid voor de eigenaardigheden van iemand, jegens wie zij Marianne dikwijls slechts met moeite had kunnen overhalen, een dragelijk beleefde houding aan te nemen, en nam zich in stilte voor, zoo haar zuster erbij bleef, te willen gaan, haar in elk geval te vergezellen; daar zij het niet goedkeurde, dat het Marianne zou vrijstaan, geheel naar eigen inzicht te handelen, noch ook, dat Mevrouw Jennings, op het punt van huiselijke gezelligheid, volkomen aan Marianne's genade zou zijn overgeleverd. Zij verzoende zich te gemakkelijker met deze beslissing, toen zij bedacht, dat Edward Ferrars, volgens Lucy's mededeeling, niet vóór Februari in de stad zou komen, en dat hun bezoek vóór dien tijd wel zou kunnen zijn afgeloopen, ook zonder dat het opvallend werd bekort.

"Jelui moet _allebei_ gaan," zei Mevrouw Dashwood; "die bezwaren zijn pure onzin. Je zult het alleraardigst vinden, in Londen te zijn; vooral met je beiden; en als Elinor zich ooit wilde verwaardigen, zich genoegen van iets voor te stellen, dan zou ze het nu om verschillende redenen wel mogen verwachten; misschien zou ze zich dan wel verheugen op een nadere kennismaking met de familie van haar schoonzuster."

Elinor had dikwijls verlangd naar eene gelegenheid, waarbij zij zou kunnen trachten, haar moeder's stellig vertrouwen in de genegenheid tusschen Edward en haarzelve aan het wankelen te brengen, opdat de schok haar minder hevig zou treffen, wanneer de geheele waarheid werd geopenbaard. en bij deze woorden dwong zij zichzelve, hoewel met weinig hoop op eenig gunstig gevolg, tot een begin van uitvoering van dit plan, door zoo kalm mogelijk te zeggen: "Ik houd veel van Edward Ferrars, en 't zal mij altijd genoegen doen, hem te ontmoeten; maar wat de overige familieleden betreft, 't is mij volkomen onverschillig, of ik ze ooit zal leeren kennen."

Mevrouw Dashwood glimlachte en gaf geen antwoord. Marianne keek verwonderd op, en Elinor begreep, dat zij even goed had kunnen zwijgen.

Er waren thans niet veel besprekingen meer noodig, eer het vaststond, dat de uitnoodiging met genoegen zou worden aangenomen. Mevrouw Jennings ontving dat bericht met uitbundige vreugde, en veel betuigingen van vriendelijkheid en goede zorg; zij was trouwens niet de eenige, die zich erover verblijdde. Sir John was verrukt; want voor een man, die niets zoozeer vreesde als de eenzaamheid, beteekende de vermeerdering van Londen's aantal inwoners met twee toch altijd iets. Zelfs Lady Middleton gaf zich de moeite, haar ingenomenheid met het plan te betuigen, 't geen voor haar een heel ding was; en wat de dames Steele betrof, vooral Lucy, zij waren nog nooit in haar leven zoo blij geweest, als bij het hooren van dit bericht.

Elinor voegde zich in de schikking, die in strijd was met haar eigen wenschen, met minder tegenzin dan zij verwacht had. Wat haarzelve betrof, het was haar thans onverschillig of zij naar de stad ging of niet; en toen zij zag, hoe hartelijk haar moeder zich verheugde over het plan, hoe haar zuster in blik, stem en houding haar blijdschap verried, hoe zij al haar oude levendigheid en meer dan haar vroegere vroolijkheid erdoor had herwonnen, kon zij over de oorzaak dier verandering niet onvoldaan zijn, en bestreed haar neiging tot bezorgdheid over de gevolgen ervan.--

Marianne's blijdschap was bijna te groot om te kunnen doorgaan voor geluk; zoo gejaagd en onrustig was zij, en zoo verlangend om te vertrekken. Slechts haar ongeneigdheid om haar moeder te verlaten, kon haar eenigszins tot kalmte stemmen, en bij het afscheid ging haar verdriet alle perken te buiten. Haar moeder toonde zich weinig minder bedroefd, en Elinor was de eenige van de drie, die in deze scheiding nog niet juist een vaarwel voor eeuwig scheen te zien.

Zij vertrokken in de eerste week van Januari. De Middletons wilden ongeveer een week later gaan. De dames Steele bleven vooreerst nog op het Park, en zouden eerst met de overige familie vertrekken.

HOOFDSTUK XXVI