Chapter 12
"Ik was al bang," zei ze, "dat u het nogal vrijpostig van mij zou vinden, dat ik u dit alles vertelde. 't Is waar, ik ken u nog niet lang, persoonlijk ten minste, maar uit beschrijvingen heb ik u en uw familie al héél lang gekend, en zoodra ik u zag, kreeg ik bijna 't gevoel alsof wij oude vrienden waren. En bovendien, in dit geval vond ik werkelijk, dat ik verplicht was, u eenige uitlegging te geven, nadat ik u zoo had uitgevraagd over Edward's moeder, en het is zoo ellendig, dat ik niemand heb, wie ik om raad kan vragen. Anne is de eenige, die er van afweet, en die weet niet wat ze zeggen of zwijgen moet; ze doet mij meer kwaad dan goed trouwens, want ik ben altijd bang dat ze alles verraden zal. Ze kàn haar tong niet in bedwang houden; dat hebt u wel gemerkt, en verleden was ik doodsbang, toen ze Sir John Edward's naam noemde, dat ze alles in eens zou uitflappen. U kunt u niet voorstellen wat ik er al niet door moet uitstaan, op allerlei manieren. Soms begrijp ik niet dat ik nog leef, na al wat ik in de laatste vier jaar om Edward's wil heb moeten lijden. Altijd hangen en verlangen, en die onzekerheid, en dat we elkaar zoo zelden zien,--niet meer dan een paar maal in 't jaar kunnen we elkaar ontmoeten. 't Verwondert mij soms werkelijk, dat mijn hart niet gebroken is." Zij haalde haar zakdoek voor den dag; maar Elinor voelde zich niet juist bewogen tot medelijden, "Soms," ging Lucy voort, nadat ze haar oogen had afgedroogd, "soms denk ik wel eens, of 't niet beter zou zijn voor ons allebei, als we de verloving maar verbraken." Terwijl ze dit zeide, zag ze Elinor recht in de oogen. "Maar dàn weer heb ik geen moed, ertoe te besluiten. Ik kan de gedachte niet verdragen, hem zoo ongelukkig te maken als ik weet dat hij zijn zou, wanneer ik daarover begon. En ook voor mijzelf--terwijl ik hem zoo liefheb--ik geloof niet dat ik er den moed toe zou hebben. Wat zoudt u mij raden te doen in dit geval, Juffrouw Dashwood? Wat zoudt u zelf doen?"
"Neemt u mij niet kwalijk," zei Elinor, verschrikt door die vraag, "maar ik kan u in deze omstandigheden geen raad geven. Dat moet overgelaten blijven aan uw eigen inzicht."
"'t Spreekt van zelf," ging Lucy voort, na een paar minuten waarin beiden hadden gezwegen, "dat zijn moeder op den langen duur toch voor hem zal moeten zorgen op de eene of andere manier; maar die arme Edward ziet alles zoo somber in! Vondt u hem niet vreeselijk neerslachtig toen hij te Barton was? Hij voelde zich zoo ellendig toen hij uit Longstaple wegging, om naar u toe te gaan, ik was bang dat u meenen zou, dat hij bepaald ziek was."
"Kwam hij dan van uw oom, toen hij ons een bezoek bracht?"
"Ja, hij had veertien dagen bij ons gelogeerd. Dacht u dan, dat hij rechtstreeks uit Londen kwam?"
"Neen" antwoordde Elinor, pijnlijk gevoelig voor elke nieuwe bijzonderheid, die sprak ten gunste van Lucy's waarheidsliefde. "Ik herinner mij nu, hoe hij ons vertelde, dat hij veertien dagen bij kennissen te Plymouth had doorgebracht." Zij herinnerde zich tevens, hoe vreemd zij het toen gevonden had, dat hij zich niets meer omtrent die kennissen had laten ontvallen, dat hij zelfs omtrent hun naam een volstrekt stilzwijgen had bewaard.
"Vondt u hem niet treurig terneergeslagen?" herhaalde Lucy.
"O ja, zeker; vooral toen hij pas bij ons was."
"Ik drong erop aan, dat hij zich ertegen zou verzetten, uit vrees dat u zoudt vermoeden hoe de zaak stond; maar het maakte hem zoo melancholiek, dat hij niet meer dan veertien dagen bij ons kon blijven, en dat hij mijn verdriet ook moest aanzien. Arme jongen!--ik vrees dat het nog altijd hetzelfde met hem is; want hij schrijft zoo gedrukt. Even voor ik uit Exeter vertrok, kreeg ik nog een brief van hem;" hierbij haalde zij een brief uit haar zak en liet Elinor vluchtig het adres zien. "U kent natuurlijk zijn handschrift; 't is een mooie hand; maar dit is niet zoo goed geschreven als gewoonlijk. Hij was stellig moe, want hij had juist een groot vel aan mij zoo dicht mogelijk volgeschreven."
Elinor zag, dat het zijn hand _was_, en zij kon niet langer twijfelen. Het portret, zoo had zij zichzelve nog vergund te gelooven, kon door toeval in Lucy's bezit zijn geraakt; het behoefde haar niet door Edward te zijn geschonken; maar een briefwisseling tusschen hen kon alleen plaats hebben, wanneer zij feitelijk verloofd waren, kon door niets anders worden gewettigd;--bijna begaf haar een oogenblik alle kracht; haar hart ontzonk haar, en zij kon ternauwernood staande blijven; doch het was dringend noodig dat zij zich vermande, en zóó vastberaden verzette zij zich tegen den beklemmenden druk van haar gevoelens, dat zij spoedig, en voorloopig volkomen, zichzelve meester bleef.
"Dat we elkaar kunnen schrijven," zei Lucy, den brief weer in haar zak stekend, "is onze eenige troost, wanneer we zoo lang gescheiden moeten zijn. Ja, _ik_ vind dan nog bovendien troost in zijn portret; maar die arme Edward bezit dàt zelfs niet. Als hij mijn portret maar had, zegt hij, dan zou hij zich beter kunnen schikken. Toen hij laatst te Longstaple was, heb ik hem een lok van mijn haar gegeven, in een ring gevat, en dat troostte hem wel een weinig, zei hij; maar het stond toch niet gelijk met een portret. Misschien hebt u wel op dien ring gelet, toen hij bij u was?"
"Ja, die is mij opgevallen," zei Elinor; en de bedaarde klank van haar stem verborg een gemoedsbeweging, een radelooze smart, heviger dan zij ooit te voren gevoeld had. Zij was verpletterd; ontdaan; zij begreep _niets_ meer. Gelukkig voor haar waren zij nu aan hun huis gekomen, en het gesprek kon niet verder worden voortgezet. Nadat de dames Steele nog een poosje bij hen gebleven waren, keerden zij naar het Park terug, en nu eerst stond het Elinor vrij, na te denken en zich diep bedroefd te gevoelen.
HOOFDSTUK XXIII
Hoe weinig Elinor ook in het algemeen waagde te bouwen op Lucy's waarheidlievende gezindheid, bij ernstig nadenken was het haar onmogelijk, Lucy in dit geval van bedrog te verdenken, terwijl geenerlei verleiding kon aansprakelijk gesteld worden voor de dwaasheid, een dergelijke leugen te verzinnen. Wat Lucy voor waar had verklaard, kon, neen durfde Elinor niet langer betwijfelen, gesteund als die verklaring werd door zulk een menigte van waarschijnlijkheden en bewijzen, en door niets weersproken dan door haar eigen wensch. De gelegenheid tot kennismaking ten huize van den Heer Pratt vormde een grondslag voor al het overige, zoowel onbetwistbaar als onrustbarend, en Edward's bezoek in de buurt van Plymouth, zijn droefgeestige stemming, zijn onvoldaanheid over zijne vooruitzichten, zijn onzekere houding tegenover haarzelve, de nauwkeurige bekendheid van de dames Steele met Norland en hun familie-relaties, die haar dikwijls had bevreemd, het portret, de brief, de ring, dit alles tezamen genomen vormde een aaneenschakeling van bezwarende getuigenissen, die ten eenenmale de vrees te niet deed, hem ten onrechte te veroordeelen, en die duidelijk in het licht stelde, als een feit, door geen partijdigheid te verbloemen, dat hij haarzelve slecht behandeld had. Haar afkeer van zulk een gedrag, haar verontwaardiging, dat zij daarvan het slachtoffer was geworden, deden haar een tijdlang enkel voor zichzelve gevoelen; doch spoedig kwamen andere gedachten, andere beschouwingen bij haar op. Had Edward haar met opzet misleid? Had hij voor haar een genegenheid geveinsd, die hij niet gevoelde? Was zijne verloving met Lucy eene verbintenis van het hart? Neen, wat het ook ooit mocht geweest zijn, dat het dit thans nog was, kon zij niet gelooven. Zijn genegenheid gold haar, en haar alléén. Daarin kon zij zich niet vergissen. Haar moeder, haar zusters, Fanny, allen hadden te Norland begrepen hoe hij haar waardeerde; het was geen begoocheling van haar eigen ijdelheid. Hij had haar lief; dat was zeker. Hoezeer verzachtte die overtuiging haar gemoed! Hoeveel bewoog zij haar niet te vergeven! Het was verkeerd, zeer verkeerd van hem geweest te Norland te blijven, nadat zij voor het eerst gevoelde, hoe haar invloed op hem grooter was dan die behoorde te zijn. In dàt opzicht was hij niet te verdedigen; maar zoo hij haar al kwaad had gedaan, hoeveel meer kwaad deed hij zichzelf! Mocht háár toestand dan al beklagenswaard genoemd worden, de zijne was hopeloos. Zijn onbedachtzaamheid had háár een tijdlang ongelukkig doen zijn; doch hemzelf scheen zij voor altoos de kans op geluk te hebben benomen. _Zij_ zou na verloop van tijd misschien haar rust herwinnen; doch _hij_, hoe zag hij de toekomst in? Zou hij ooit ook maar dragelijk gelukkig kunnen zijn met Lucy Steele? Zou hij, zijn genegenheid voor haarzelve nog daargelaten, met zijn rechtschapen gemoed, zijn kiesch gevoel en ontwikkelden geest, tevreden kunnen zijn met een vrouw als zij, onwetend, onbetrouwbaar en zelfzuchtig?
De jeugdige verliefdheid van een jongen van negentien had hem natuurlijk verblind voor alles, behalve haar schoonheid en haar oppervlakkige goedhartigheid; maar de vier volgende jaren,--jaren die, bij redelijk gebruik, zooveel bijdragen tot de vorming van het begrip, moesten zijn oogen hebben geopend voor de leemten in hare opvoeding; terwijl zij in dat zelfde tijdsverloop door het samenzijn met personen van geringe ontwikkeling en het najagen van luchthartig vermaak, misschien den eenvoud had verloren, die eertijds hare schoonheid meerdere bekoring kon hebben verleend.
En indien, gesteld al dat hij haarzelve had willen huwen, de moeilijkheden, hem door zijn moeder in den weg gelegd, reeds groot hadden geschenen, hoeveel grooter zouden zij thans niet zijn, nu het voorwerp zijner keuze ongetwijfeld van minder goede familie en waarschijnlijk minder gefortuneerd was dan zijzelve! Die moeilijkheden zouden allicht, nu zijn hart reeds zoozeer van Lucy was vervreemd, zijn geduld niet zeer zwaar op de proef stellen; doch hoe droevig was niet de toestand van hem, in wien de verwachting van tegenstand en onhartelijkheid van de zijde zijner naaste verwanten niet anders dan een gevoel van verlichting wekken kon!
Naarmate deze overwegingen zich in pijnigende opeenvolging aan haar opdrongen, golden hare tranen meer hèm, dan haar eigen smart. Gesteund door de overtuiging, dat zij haar tegenwoordige droefenis niet aan zich zelve had te wijten, en getroost in het geloof, dat Edward niets had gedaan om hare achting te verbeuren, meende zij zelfs nu, onder de eerste felle pijn na den zwaren slag, zichzelve genoeg te kunnen beheerschen, om bij haar moeder en zusters ook niet het geringste vermoeden van de waarheid te laten opkomen. En zóó wel bleek zij in staat aan haar eigen verwachting te beantwoorden, dat niemand, toen zij met de anderen aan tafel ging, twee uren slechts na de verijdeling van al haar vurigste verlangens, uit het voorkomen der beide zusters zou hebben afgeleid dat Elinor in stilte treurde over beletselen, die haar voor altijd moesten gescheiden houden van het voorwerp harer liefde, terwijl Marianne zich inwendig vermeide in de volmaaktheid van den man, wiens geheele hart zij onverdeeld waande te bezitten, en dien zij verwachtte te zien in ieder rijtuig dat hun huis voorbijreed.
De noodzakelijkheid, voor haar moeder en Marianne te verbergen, wat haar in vertrouwen was medegedeeld, verzwaarde Elinor's lijden niet, al werd zij erdoor gedwongen tot voortdurende inspanning. Integendeel, het was haar een verlichting voor hen te kunnen verzwijgen wat hun zooveel verdriet zou doen en tevens zich verschoond te zien van het aanhooren hunner veroordeeling van Edward, die waarschijnlijk zou voortspruiten uit overmaat van partijdige genegenheid voor haarzelve, doch die thans méér zou zijn, dan zij verdragen kon.
Zij wist, aan hun raadgevingen of hun gesprekken kon zij geen steun ontleenen; hun medegevoel en hun verdriet zouden haar smart nog vermeerderen; terwijl haar zelfbedwang noch door hun voorbeeld, noch door hun lof zou worden aangemoedigd. Zij was krachtiger alleen, en haar eigen rustig inzicht hield haar zóó wel staande, dat haar vastheid zoo ongeschokt, haar vertoon van opgewektheid zoo onveranderlijk bleef, als mogelijk was na het bitter leed, dat haar zoo grievend en nog maar zoo kort geleden had getroffen.
Hoeveel pijn haar ook dat eerste gesprek met Lucy over het onderwerp had veroorzaakt, zij verlangde weldra ernstig, en om meer dan eene reden, het te hervatten. Zij verlangde vele bijzonderheden omtrent hun verloving nogmaals te hooren, zij wenschte duidelijker te begrijpen, wat Lucy inderdaad voor Edward gevoelde, of er eenige oprechtheid was in haar verklaring, dat zij hem innig liefhad, en vóór alles wenschte zij Lucy te overtuigen, door haar bereidwilligheid om weer over de zaak te beginnen, en haar kalmte bij het bespreken ervan, dat hare belangstelling een louter vriendschappelijke was, 't geen zij vreesde door haar onwillekeurige gemoedsbeweging dien morgen van hun gesprek, althans twijfelachtig te hebben doen schijnen. Dat Lucy geneigd was, jaloersch van haar te zijn, scheen zeer waarschijnlijk; het bleek duidelijk dat Edward haar steeds ten zeerste had geprezen, niet alleen uit Lucy's bewering, maar uit het feit, dat de laatste het waagde, haar, na zoo korte kennismaking, een geheim toe te vertrouwen, blijkbaar en volgens haar eigen getuigenis, van het grootste gewicht. En zelfs de schertsende toespelingen van Sir John konden niet zonder invloed zijn gebleven. Trouwens, terwijl Elinor inwendig zoo stellig verzekerd bleef, dat Edward haar werkelijk liefhad, behoefde zij zich niet in gissingen omtrent waarschijnlijkheden te verdiepen, om het zeer natuurlijk te achten, dat Lucy jaloersch zou zijn, en dat zij dit was, bewees haar vertrouwelijke mededeeling zelf. Welke andere reden kon er bestaan voor de onthulling van het geheim, dan dat Elinor erdoor zou worden verwittigd van Lucy's recht, de eerste aanspraak op Edward te mogen doen gelden, en begrijpen zou, dat zij hem voor het vervolg diende te vermijden? Het viel haar niet moeilijk, althans zóóveel van de bedoelingen harer mededingster te vatten, en terwijl zij vast besloten was, zich jegens haar te gedragen volgens elk beginsel, dat eer en eerlijkheid haar voorschreef, haar eigen liefde voor Edward te bestrijden en hem zoo weinig mogelijk te ontmoeten, zij kon zich de voldoening niet ontzeggen, althans een poging te doen om Lucy te overtuigen, dat haar hart niet gewond was. En daar zij thans niets pijnlijkers meer omtrent dit onderwerp kon vernemen, dan wat haar reeds was medegedeeld, wantrouwde zij ook haar eigen vermogen niet, om een herhaling van alle bijzonderheden met kalmte aan te hooren.
Maar eene gelegenheid hiertoe kon niet onmiddellijk of naar believen worden gevonden, hoewel Lucy even zeer als zijzelve geneigd was, van de eerste de beste gebruik te maken; want het weer was niet dikwijls mooi genoeg voor een gezamenlijke wandeling, waarbij zij zich het gemakkelijkst van de anderen konden afzonderen, en hoewel zij elkander bijna om den anderen avond, meestal op het Park, of anders in hun huisje ontmoetten, was er geen sprake van dat die samenkomsten plaats hadden met het doel eenig geregeld gesprek te voeren. Die gedachte kwam bij Sir John of Lady Middleton zelfs niet op; en daardoor werd den gasten zeer weinig tijd gelaten voor een algemeen gesprek, en voor een tête à tête in het geheel niet. Zij kwamen bijeen om met elkaar te eten, te drinken en luidruchtig vroolijk te zijn, bij kaart- of pandspel, of eenig ander vermaak, dat genoeg leven maakte. Reeds een paar malen hadden dergelijke gezellige bijeenkomsten plaats gehad, zonder Elinor eenige gelegenheid te bieden tot een afzonderlijk gesprek met Lucy, toen Sir John op een morgen naar Barton Cottage kwam, om hen te verzoeken, of zij uit menschlievendheid met hen allen dien dag bij Lady Middleton wilden komen eten, daar hij een vergadering van zijn club te Exeter moest bijwonen, en zij dus anders geheel alleen zou zijn met haar moeder en de beide dames Steele. Elinor, die begreep, dat zij beter kans had, haar doel te bereiken in een gezelschap, zooals dit waarschijnlijk zou zijn, vrijer in hun bewegingen onder elkaar onder de rustige en beschaafde leiding van Lady Middleton, dan wanneer haar echtgenoot hen allen vereenigde tot dat ééne doel, veel leven maken, nam de uitnoodiging dadelijk aan; Margaret was, met haar moeder's goedvinden, eveneens bereid te komen, en Marianne, ofschoon steeds ongeneigd aan deze bijeenkomsten deel te nemen, liet zich door haar moeder, die niet kon verdragen, dat zij zich onttrok aan elke gelegenheid tot onschuldig vermaak, overhalen om insgelijks te gaan. De jonge dames gingen dus alle drie, en Lady Middleton werd gelukkig bewaard voor de ontzettende verlatenheid, die haar bedreigd had. De vervelendheid van de visite was volkomen zooals Elinor reeds had verwacht; zij leverde niet het minste onvoorziene, in gedachte noch uitdrukking, en niets kon onbelangrijker zijn dan het geheele gesprek dat gevoerd werd in eetkamer en salon; naar de laatste gingen de kinderen mede; en zoolang zij daar bleven was zij te vast overtuigd van de onmogelijkheid om Lucy's aandacht te vergen, dan dat zij daartoe een poging zou hebben aangewend. De kleinen gingen heen toen het theegoed werd weggebracht; daarop kwamen de speeltafeltjes voor den dag, en Elinor begon zich reeds met verwondering af te vragen, hoe zij ooit de hoop had kunnen koesteren, op het Park tijd te vinden voor eenig gesprek. Allen stonden op, om straks een gemeenschappelijk kaartspelletje te beginnen.
"Ik ben blij," zei Lady Middleton tot Lucy, "dat je van avond niet dat mandje voor ons lieve Annemarietje gaat afmaken; want ik geloof stellig dat het verkeerd voor je oogen zou zijn met dat fijne zilverdraad te werken bij kaarslicht. We zullen wel iets vinden om het lieve kind te troosten morgen over haar teleurstelling; ik hoop dat ze 't zich niet te erg zal aantrekken."
Die lichte aanwijzing was voldoende; Lucy was onmiddellijk op haar hoede en antwoordde: "Neen, neen, u hebt het mis; ik wachtte alleen maar om te weten, of u mij ook noodig hadt bij uw spelletje, anders was ik al aan het werk geweest. Ik zou voor geen geld van de wereld het lieve engeltje teleurstellen; en als u mij nu liever aan de speeltafel zet, dan maak ik het mandje af na het souper."
"'t Is heel vriendelijk van je, ik hoop dat je niet je oogen ermee zult bederven; wil je dan wel bellen om meer kaarsen? Mijn lieve kleintje zou wèl bitter teleurgesteld zijn, als het mandje morgen niet af was; want ik zei haar wel, dat het stellig niet klaar kwam, maar zij rekent erop, dat dit wèl gebeurt."
Lucy zette dadelijk haar werktafeltje naast zich neer en ging weer zitten, zoo vergenoegd en ijverig, alsof ze toonen wilde, dat ze geen grooter genot kon smaken dan een mandje van zilverdraad te vlechten voor een bedorven kind.
Lady Middleton stelde den anderen een spelletje casino voor. Niemand maakte eenige tegenwerping behalve Marianne, die met haar gewone veronachtzaming van beleefde omgangsvormen, uitriep: "U wilt wel zoo goed zijn, _mij_ te verontschuldigen; ik heb een hekel aan kaartspelen, zooals u weet. Ik ga maar eens aan de piano; ik heb er nog niet op gespeeld sedert die 't laatst gestemd is." En zonder verdere plichtplegingen keerde zij zich om en stapte op de piano af.
Lady Middleton keek, alsof zij den hemel dankte, dat _zij_ nooit iets zóó onbeleefds had gezegd.
"U weet wel, mevrouw, Marianne kan nooit lang van haar dierbaar instrument afblijven," zei Elinor, met een poging om Marianne's vergrijp weer goed te maken, "en dat verwondert mij niet, want uw piano is de mooiste van toon, die ik ooit heb gehoord."
De vijf andere dames zouden nu hun kaarten ter hand nemen.
"Misschien," ging Elinor voort, "zou ik, wanneer ik toevallig mocht uitvallen, juffrouw Lucy wel kunnen helpen; want er is nog zooveel aan het mandje te doen, dat zij, wanneer ze het alleen zou ondernemen, 't onmogelijk van avond zou kunnen afkrijgen. Ik vind het prettig werk; als zij mij wil toestaan, eraan mee te doen?"
"O ja," riep Lucy; "daarmee zoudt u mij een grooten dienst bewijzen; want ik zie wel, dat er nog méér aan te doen valt, dan ik had gedacht, en 't zou toch te erg zijn, die lieve Annemarie te moeten teleurstellen."
"Och, _dat_ zou verschrikkelijk zijn," zei de oudste Juffrouw Steele. "Dat lieve schatje, ik ben zoo dol op haar!"
"'t Is heel vriendelijk van je," zei Lady Middleton tegen Elinor, "en omdat je 't werk bepaald prettig vindt, kan 't je misschien niet schelen om dit spelletje over te slaan, of wil je liever eerst nog meedoen?"
Elinor maakte met genoegen gebruik van het eerste voorstel, en zoodoende, met een weinigje van die handigheid, die Marianne steeds versmaadde in praktijk te brengen, kreeg zij haar eigen zin, terwijl ze meteen Lady Middleton pleizier deed. Lucy maakte bereidwillig plaats voor haar, en de twee bevallige mededingsters zaten dus naast elkaar aan de zelfde tafel, in de grootste eendracht bezig aan de voltooiing van een gemeenschappelijk werk. De piano, waarbij Marianne, verdiept in haar eigen muziek en haar eigen gedachten, reeds vergeten had, dat er iemand in het vertrek was behalve zijzelve, stond gelukkig zoo dicht bij hen, dat Elinor thans, onder de bescherming van haar luide klanken, geloofde, dat zij veilig het belangwekkende onderwerp kon aanroeren, zonder de kans te loopen, dat men hen aan de speeltafel zou kunnen verstaan.
HOOFDSTUK XXIV
Op vasten, ofschoon voorzichtig ingehouden toon, begon Elinor:
"Ik zou het vertrouwen, dat u in mij hebt gesteld, niet verdienen, als ik niet wenschte dat het blijvend mocht zijn, of verder geen belangstelling toonde in de zaak, die het betrof. Daarom wil ik mij niet verontschuldigen, wanneer ik deze opnieuw ter sprake breng."
"Ik dank u zeer," riep Lucy hartelijk, "dat u het ijs hebt gebroken; dat verlicht mij bepaald; want ik was werkelijk bang, dat ik u op de eene of andere manier had beleedigd door wat ik u dien Maandag heb verteld."
"Beleedigd? Hoe kon u dat denken? geloof mij," en Elinor sprak deze woorden in volkomen oprechtheid, "niets kon minder in mijn bedoeling hebben gelegen, dan u aanleiding te geven tot dat vermoeden. Welke beweegreden zou u tot dat vertrouwen hebben kunnen drijven, die niet voor mij zoowel eervol als vleiend was?"
"En toch kan ik u naar waarheid zeggen," antwoordde Lucy, met een veelbeteekenenden blik uit haar kleine scherpe oogen, "het kwam mij voor, alsof er in uw houding iets zoo koels en afkeurends was, dat ik mij volstrekt niet op mijn gemak gevoelde. Ik dacht stellig, dat u boos op mij waart, en ik heb het mijzelf voortdurend verweten, dat ik zoo vrijpostig geweest was, u met mijn aangelegenheden lastig te vallen. Maar ik ben heel blij, te merken, dat ik het mij alleen maar heb verbeeld, en dat u mijn gedrag niet afkeurt. Als u wist, hoe het mij troost geeft, mijn hart uit te storten, door tegen u te spreken over 't geen mij elk oogenblik van mijn leven vervult, dan zou uw medelijden u al het andere doen over 't hoofd zien; daar ben ik zeker van."
"Ik geloof gaarne, dat het een groote verlichting voor u was, mij van uw omstandigheden op de hoogte te brengen, en u kunt er zeker van zijn, dat u nooit reden zult hebben, dat te berouwen. Uw toestand is zeer zeker beklagenswaardig; van alle zijden doen zich, naar het mij voorkomt, moeilijkheden voor u op, en u zult al uw wederkeerige liefde noodig hebben, om u daaronder staande te houden. De heer Ferrars is, naar ik meen, geheel afhankelijk van zijne moeder."