Gevoel en verstand

Chapter 11

Chapter 113,872 wordsPublic domain

Doch daar het ongeluk wilde, dat bij deze uitingen van teederheid een speld in mama's kapsel het kind even in den hals schramde, barstte het voorbeeldig stille schepseltje los in zulke oorverdoovende kreten, dat geen spreekwoordelijk luidruchtig creatuur het haar verbeteren kon. Haar moeder's ontzetting, hoe hevig ook, werd nog overtroffen door den schrik en de bezorgdheid der dames Steele en alle drie namen in dien uitersten nood hun toevlucht tot elk middel dat de liefde slechts kon uitdenken om de folteringen der kleine lijderes te verzachten. Zij werd op haar moeders schoot gezet en overladen met kussen, terwijl de eene juffrouw Steele bij haar neerknielde om de wond te betten met lavendelwater, en de andere haar mond vol suikerboonen stopte. Nu zij haar tranen zoo rijkelijk beloond zag, was het kind wel zoo wijs om niet op te houden met schreeuwen. Ze bleef uit alle macht huilen en snikken, schopte haar beide broertjes, toen ze haar te na kwamen, en hun aller vereende pogingen om haar tot bedaren te brengen bleven vruchteloos, tot Lady Middleton zich gelukkig herinnerde, dat bij een dergelijk ongeval in de vorige week een lepel abrikozengelei gunstig had gewerkt ter verzachting van een buil op het voorhoofd; en daar, bij het voorstel om tegen deze ongelukkige schram dezelfde remedie toe te dienen, het doordringend geschreeuw der jonge dame door een korte pauze werd onderbroken, bestond de gegronde hoop, dat het geneesmiddel niet zou worden verworpen. Zij werd dus in haar moeders armen weggedragen, op zoek naar de heilzame medicijn, en daar de twee jongens, hoewel hun moeder hen dringend verzocht in de kamer te blijven, volstrekt wilden meegaan, bleven de vier jonge dames achter in een atmosfeer van kalmte, die het vertrek sedert vele uren niet meer had gekend.

"Dat arme schepseltje!" zei Juffrouw Steele, zoodra zij waren heengegaan. "Het had wel héél erg kunnen afloopen."

"Maar ik begrijp toch eigenlijk niet hòe," riep Marianne, "tenzij dan misschien onder geheel andere omstandigheden. Op deze manier plegen de menschen altijd bezorgheid te vermeerderen, terwijl er voor werkelijke zorg geen reden is."

"Wat is Lady Middleton toch een allerliefste vrouw," zei Lucy Steele.

Marianne zweeg; zij kon onmogelijk zeggen wat ze niet meende, al gold het de onbeteekendste kleinigheid, en dus werd altoos aan Elinor de taak overgelaten, onwaarheid te spreken, wanneer de beleefdheid dat vereischte. Ze deed haar best, nu dit van haar gevergd werd, door Lady Middleton te prijzen met meer warmte, dan zij gevoelde, hoewel met vrij wat minder geestdrift dan Juffrouw Lucy.

"En Sir John ook," riep de oudste zuster "wat is dat een aardige man!"

Ook hier werd Juffrouw Dashwood's lof, die eenvoudig was en onopgesmukt, geuit zonder den minsten _éclat_. Zij merkte alleen op, dat hij bijzonder vroolijk en vriendelijk van aard was.

"En wat hebben ze allerliefste kinderen! Ik heb nog nooit zulke mooie kinderen gezien! Ik ben nu al doodelijk van ze; trouwens ik ben altijd gek op kinderen geweest."

"Dat wil ik graag gelooven," zei Elinor met een glimlach, "te oordeelen naar wat ik van morgen heb bijgewoond."

"Het komt mij zoo voor, zei Lucy, "dat u de kleine Middletons nog al verwend vindt; misschien worden ze dat ook wel, meer dan goed voor hen is, maar het is zoo natuurlijk van Lady Middleton; en wat mij betreft, ik zie graag kinderen waar een beetje leven en vroolijkheid inzit; ik kan ze niet uitstaan, als ze bedaard en stil zijn."

"Ik moet eerlijk bekennen," antwoordde Elinor, "dat ik te Barton Park mij nooit geneigd voel, aan stille en bedaarde kinderen anders dan met voorliefde te denken."

Op dit gezegde volgde een korte stilte, het eerst verbroken door Juffrouw Steele, die bijzonder spraakzaam scheen, en nu vrij onverwacht begon:

"En hoe vindt u Devonshire nu wel, Juffrouw Dashwood? Het zal u wel hebben gespeten, uit Sussex weg te gaan."

Ietwat verbaasd over die vraag, of althans over den gemeenzamen toon, waarop ze geuit werd, antwoordde Elinor bevestigend.

"Norland is een héél erg mooi buitengoed, is 't niet?" liet Juffrouw Steele hierop volgen.

"Sir John bewonderde het ten minste zéér," zei Lucy, die scheen te vinden dat haar zuster's vrijmoedigheid wel eenige verontschuldiging behoefde.

"Ik denk, dat ieder die het goed ooit zag, het wel _moet_ bewonderen," antwoordde Elinor, "hoewel het niet waarschijnlijk is, dat anderen de schoonheden ervan zóó kunnen waardeeren, als wij doen."

"En hadt u daar veel knappe cavaliers? Hier in deze buurt zullen er wel zooveel niet zijn; ik voor mij vind ze altoos een groote aanwinst overal."

"Maar waarom dacht je eigenlijk," zei Lucy, zich blijkbaar schamend voor haar zuster, "dat er minder knappe jongelui zouden zijn in Devonshire dan in Sussex?"

"Welneen, lieve kind, dat zeg ik ook immers niet. In Exeter zijn tenminste cavaliers genoeg, maar hoe kan ik nu weten of er in Norland ook aardige heeren zijn? Ik was alleen maar bang, dat de dames Dashwood het in Barton saai zouden vinden, als ze daar niet zooveel galante cavaliers hadden als vroeger. Maar misschien geven de jonge dames wel niet om heeren, en kunnen ze het evengoed stellen zonder hen. Ik voor mijn part, ik mag ze graag lijden, als ze ten minste netjes gekleed zijn en zich aardig voordoen. Ik kan ze niet uitstaan als ze slordig en vuil voor den dag komen. Daar heb je nu Meneer Rose in Exeter, een heele heer, als je hem zoo ziet, bepaald fatterig; hij is klerk bij Meneer Simpson, weet u, en toch, als je hem 's morgens tegenkomt, dan ziet hij er ontoonbaar uit. Uw broer was vóór zijn trouwen zeker ook een echte dandy, Juffrouw Dashwood, omdat hij zoo rijk was?"

"Ik zou 't u werkelijk niet kunnen zeggen," antwoordde Elinor; "omdat ik niet precies begrijp wat u bedoelt. Maar dàt weet ik wel, wat hij indertijd is geweest vóór zijn trouwen, dat is hij nu nog; want hij is in 't minst niet veranderd."

"O heden, neen; getrouwde lui zijn nooit galante cavaliers meer; die hebben wel wat anders te doen."

"Hè, Anne," riep haar zuster; "jij praat ook over niets anders dan heeren; Juffrouw Dashwood zal gaan meenen dat je nergens anders aan denkt." En om het gesprek een andere wending te geven, begon zij haar bewondering te uiten van het huis en meubels.

Dit staaltje van de conversatie der dames Steele was voldoende. De onbeschaafde vrijpostigheid en mallepraat van de oudste lieten van haar geen goeds meer verwachten, en daar Elinor, ondanks de schoonheid en het schrander voorkomen der jongere zuster maar al te goed haar gemis van ware beschaving en eenvoud doorzag, vertrok zij, zonder in het minst te verlangen, hen nader te leeren kennen.

Zoo dachten de dames Steele er niet over. Zij waren uit Exeter gekomen met een behoorlijke hoeveelheid bewondering, ten dienste van Sir John Middleton, zijn gezin en zijn geheele familie, en uit dien ruimen voorraad deelden zij kwistig mede aan zijn schoone nichten, die zij voor de mooiste, bevalligste, talentvolste en liefste meisjes verklaarden, die ze ooit hadden gezien, en die zij hartgrondig verlangden, nader te leeren kennen. Die nadere kennismaking was, zooals Elinor spoedig ontdekte, hun onvermijdelijk lot; want daar Sir John geheel en al op de hand der dames Steele was, bleek hunne partij te sterk voor verzet van de andere zijde, en zij moesten zich dus schikken in de soort van intimiteit, die bestaat in het bijna iederen dag een paar uur samen in de zelfde kamer zitten. Meer kon Sir John niet doen; maar hij zag ook niet in, dat meer dan dat kon verlangd worden; naar zijne meening beteekende samenzijn vertrouwelijkheid, en zoolang zijn geregelde plannetjes om hen met elkaar in aanraking te brengen, maar slaagden, twijfelde hij geen oogenblik of zij waren gezworen vriendinnen.

Om hem recht te laten weervaren, hij deed wat in zijn vermogen was, om hen tot openhartigheid aan te sporen, door de dames Steele op de hoogte te brengen van al wat hij maar wist of kon vermoeden omtrent de meest kiesche aangelegenheden, waarin zijne nichtjes waren betrokken, en Elinor had hen nog geen tweemaal ontmoet, of de oudste van het tweetal wenschte haar reeds geluk met het feit, dat haar zuster 't zoo getroffen had, door sinds haar komst te Barton een knappen galant te veroveren.

"'t Is toch maar een mooi ding, een meisje zoo vroeg al getrouwd te hebben," zei ze, "en ik hoor dat hij een echte dandy is, en een verschrikkelijk knap gezicht heeft. Ik hoop dat u het ook zoo goed zult treffen; maar misschien hebt u al een vriend achter de hand."

Elinor kon moeilijk verwachten, dat Sir John schroomvalliger zou zijn in de uiting van zijn vermoedens omtrent haar genegenheid voor Edward, dan hij zich getoond had, waar het Marianne betrof; van de beide geestigheden genoot de eerste, als nieuwer, en nog speling voor gissingen overlatend, zelfs zijn voorkeur; en sedert Edward's bezoek hadden zij nooit samen aan tafel gezeten, zonder dat hij een dronk wijdde aan haar liefsten hartewensch, vergezeld van zooveel beteekenende blikken, en zooveel knikjes en knipoogjes, dat hij de algemeene aandacht op haar vestigde. Ook de letter F. werd daarbij steeds druk besproken, en was de bron gebleken van zulk een onuitputtelijken voorraad grappen, dat Elinor geëindigd was met er voor goed de geestigste letter van het alphabet in te zien.

Zooals zij reeds vermoedde, werden de dames Steele bij voorkeur op de bewuste aardigheden vergast, en zij wekten in de oudste een nieuwsgierig verlangen om den naam te vernemen van den heer, op wien hier gezinspeeld werd, een verlangen, dat, brutaal aan den dag gelegd, volkomen strookte met haar algemeene indringende onbescheidenheid in het uitvorschen van hun familieaangelegenheden. Maar Sir John had niet lang pleizier in het prikkelen der door hemzelf gewekte nieuwsgierigheid; want hij vond minstens evenveel behagen in het noemen van den bewusten naam, als Juffrouw Steele in het vernemen ervan. "Zijn naam is Ferrars," zei hij, duidelijk verstaanbaar fluisterend; "maar vertel het vooral niet verder, want het is een groot geheim."

"Ferrars!" herhaalde Juffrouw Steele; "is mijnheer Ferrars de gelukkige? Wel, wel, de broer van uw schoonzuster, Juffrouw Dashwood? nu, dat is een aardig jongmensch; ik ken hem heel goed."

"Hoe kan je nu zooiets zeggen, Anne?" riep Lucy, die geregeld haar zuster's opmerkingen te verbeteren placht. "Al hebben we hem nu een paar maal bij onzen oom aan huis ontmoet, daarom behoef je nog niet te zeggen, dat we hem heel goed kennen."

Elinor hoorde alles oplettend en zeer verwonderd aan. Wie was die oom? waar woonde hij? hoe hadden zij elkander leeren kennen? Zij wenschte van harte dat het gesprek over dit onderwerp mocht worden voortgezet, al verkoos zij niet, zich erin te mengen; maar er werd niet verder over gesproken, en voor het eerst in haar leven vond zij Mevrouw Jennings niet nieuwsgierig genoeg naar onbeduidende nieuwtjes, noch voldoende bereidvaardig tot het mededeelen ervan. De manier waarop Juffrouw Steele van Edward had gesproken vermeerderde haar nieuwsgierigheid; zij meende er iets onwelwillends in te bespeuren, dat het vermoeden wekte, als zou de spreekster iets ten nadeele van hem weten, of zich verbeelden te weten. Doch haar nieuwsgierigheid bleef onvoldaan; want Juffrouw Steele liet den naam Ferrars verder onopgemerkt voorbijgaan, ook toen Sir John er nogmaals op zinspeelde en dien zelfs openlijk uitsprak.

HOOFDSTUK XXII

Marianne, die nooit veel verdraagzaamheid toonde tegenover iets, dat maar op lompheid, grofheid, gebrek aan geestesgaven, of zelfs op eenige afwijking van haar eigen smaak geleek, was juist nu, in háár gemoedstoestand, bijzonder ongeneigd om in de dames Steele behagen te scheppen, of hun tegemoetkomende houding door de hare aan te moedigen; en aan haar onveranderlijke koelheid jegens hen, die elke poging tot vertrouwelijkheid van hunne zijde terugwees, schreef Elinor hoofdzakelijk de voorkeur voor haarzelve toe, die al spoedig ten duidelijkste bleek uit beider gedrag; het meest nog uit dat van Lucy, die geen gelegenheid liet voorbijgaan om een gesprek met haar aan te knoopen, of pogingen te doen tot toenadering door vrijmoedige en openhartige mededeeling van hare gevoelens.

Lucy was van nature schrander; haar opmerkingen waren dikwijls juist en vermakelijk, en als gezelschap voor een half uurtje vond Elinor haar soms niet onaangenaam; doch haar vermogens waren niet ontwikkeld door opvoeding; zij was onwetend, had niets gelezen, en haar gemis van alle geestelijke vorming, haar onkunde in de meest alledaagsche zaken konden niet voor Elinor verborgen blijven, ondanks Lucy's onvermoeide pogingen om zich van haar beste zijde te laten kennen. Elinor zag, en beklaagde in haar de verwaarloozing van gaven, die onder zorgvuldige leiding achting hadden kunnen verwerven; doch zij zag tevens, met vrij wat minder hartelijk medegevoel, het volslagen gebrek aan kieschheid, aan rechtschapenheid, aan fiere zuiverheid van inborst, dat sprak uit al haar beleefdheden, haar opdringende dienstvaardigheid, haar vleierij te Barton Park, en zij kon geen duurzame voldoening vinden in het samenzijn met iemand, die onoprechtheid paarde aan onkunde, wier gebrek aan ontwikkeling elk onderhoud op een voet van gelijkheid onmogelijk maakte, en wier gedrag jegens anderen ieder vertoon van belangstelling of eerbied tegenover haarzelve volkomen waardeloos deed schijnen.

"U zult het misschien een vreemde vraag vinden," zei Lucy, toen zij op zekeren dag samen van het Park naar Barton Cottage wandelden,--"maar kent u persoonlijk uw schoonzuster's mama, Mevrouw Ferrars?"

Elinor _vond_ die vraag zeer vreemd, en de uitdrukking van haar gelaat gaf dit duidelijk te kennen, terwijl zij antwoordde, dat zij Mevrouw Ferrars nooit had ontmoet.

"Och kom," zei Lucy; "dat verwondert mij; ik dacht, dat u haar te Norland wel eens zoudt hebben gesproken. Dan kunt u mij zeker ook niet zeggen, wat voor een soort van vrouw zij eigenlijk is?"

"Neen," antwoordde Elinor, voorzichtig in het uiten van haar werkelijke meening omtrent Edward's moeder, en niet verlangend te bevredigen wat haar onbescheiden nieuwsgierigheid scheen: "ik weet niets van haar af."

"Ik begrijp wel, dat u het heel raar van mij vindt, zoo naar haar te vragen," zei Lucy, terwijl zij Elinor onder het spreken oplettend aanzag; "maar er zouden redenen kunnen zijn... ik wilde dat ik durfde wagen... In elk geval, hoop ik toch, dat u, mij niet ten onrechte van grove onbescheidenheid zult beschuldigen."

Elinor gaf een beleefd antwoord, en zij wandelden een paar minuten zwijgend verder. Dat zwijgen werd verbroken door Lucy, die het onderwerp hervatte door ietwat aarzelend te zeggen:

"Ik kan niet hebben, dat u mij van ongepaste nieuwsgierigheid verdenkt; ik zou liever ik weet niet wat doen, dan zóó beschouwd te worden door iemand, wier goede meening mij zooveel waard is als de uwe! En ik weet stellig, dat ik in 't minst niet bang zou zijn om _u_ te vertrouwen; ik zou juist heel blij zijn, als u mij kondt raden, hoe te handelen, in mijn moeilijke omstandigheden; maar het is _nu_ niet noodig, om u lastig te vallen. Het spijt mij, dat u Mevrouw Ferrars niet kent."

"Mij spijt het ook, dat dit het geval is," zei Elinor zeer verbaasd, "temeer als het voor _u_ van eenig belang kon zijn, mijn meening over haar te vernemen. Maar om u de waarheid te zeggen, ik had nooit begrepen, dat u, hoe dan ook, in aanraking waart geweest met de familie, en daarom moet ik bekennen dat ik wel eenigszins verwonderd ben over uw ernstige navraag omtrent haar karakter."

"Dat wil ik graag gelooven, en _mij_ verwondert dat volstrekt niet. Maar als ik u alles mocht vertellen, dan zoudt u het niet meer zoo vreemd vinden. Op het oogenblik is Mevrouw Ferrars voor mij een totaal onbekende; maar er kàn een tijd komen--hoe spoedig dat zal zijn, hangt van haarzelve af--dat wij in zeer nauwe betrekking tot elkaar komen te staan."

Zij sloeg terwijl ze sprak de oogen neer, met beminnelijke verlegenheid, doch niet zonder één zijdelingschen blik naar haar gezellin, om de uitwerking van het gezegde bij deze waar te nemen.

"Maar wat bedoelt u toch?" riep Elinor. "Kent u Mijnheer Robert Ferrars dan? Is het mogelijk dat u met hèm...?" En zij verheugde zich allesbehalve bij het denkbeeld zulk een schoonzuster te krijgen.

"Neen," zei Lucy, "niet met mijnheer _Robert_ Ferrars,--hèm heb ik nooit in mijn leven gezien, maar,"--en zij zag Elinor strak aan,--"met zijn ouderen broeder."

Wat gevoelde Elinor op dat oogenblik? Een verbazing, die even pijnlijk zou zijn geweest, als zij sterk was, zo zij niet onmiddellijk ware vergezeld gegaan van een volslagen ongeloof in die verzekering. Zij wendde zich tot Lucy, zwijgend en verwonderd, niet bij machte de reden of het doel van die verklaring te gissen; en hoewel zij eerst bloosde en daarna bleek werd, schonk haar ongeloovigheid haar kracht, en zij was niet bang, dat haar zenuwen haar parten zouden spelen, of dat zij flauw zou vallen.

"Geen wonder dat u verbaasd staat," ging Lucy voort; "want natuurlijk hadt u er niet het flauwste vermoeden van; hij zal er wel geen woord over hebben losgelaten tegen u of uw familie; want het moest altijd een diep geheim blijven en ik weet wel, dat ik het tot nu toe ook trouw heb bewaard. Niemand van mijn familie weet het, behalve Anne, en ik zou het u nooit hebben verteld, als ik niet zóó zeker was geweest, dat ik mij op uw stilzwijgen kon verlaten; ik vond alleen, dat mijn vele vragen naar Mevrouw Ferrars zulk een vreemden indruk op u moesten maken, en het was noodig dat ik u mijn gedrag verklaarde. Ik geloof niet, dat Mijnheer Ferrars boos zal kunnen zijn, als hij hoort, dat ik u in vertrouwen heb genomen; want ik weet, dat hij uw geheele familie bijzonder hoog stelt, en u en de beide andere dames Dashwood beschouwt als zijn eigen zusters."--

Hierna zweeg zij, en ook Elinor bleef een oogenblik stil. Haar verbazing over hetgeen zij hoorde was eerst te groot om zich in woorden te uiten; maar ten slotte zeide zij, zich dwingend tot spreken, en voorzichtig spreken, met een kalmte, die tamelijk wel haar verrassing en angst verborg: "Mag ik vragen of uwe verloving reeds lang geleden heeft plaats gehad?"

"We zijn al vier jaar geëngageerd."

"Vier jaar?"

"Ja."

Hoe ontdaan zij zich ook voelde, Elinor kon het nòg niet gelooven.

"Ik wist niet eens," zei ze, "dat u hem kende, eer ik het onlangs gewaar werd."

"En toch kennen we elkaar al sedert jaren. Hij is een tijdlang bij mijn oom in huis geweest, weet u."

"Uw oom?"

"Ja, Mijnheer Pratt. Hebt u hem nooit hooren spreken van Mijnheer Pratt?"

"O ja, nu herinner ik het mij," zei Elinor, met een inspanning van haar geheugen, die haar zwaarder viel, naarmate haar ontroering toenam.

"Hij is vier jaar onder de leiding geweest van mijn oom, die te Longstaple woont, dicht bij Plymouth. Dáár is onze kennismaking begonnen; want mijn zuster en ik logeerden dikwijls bij mijn oom, en daar zijn we geëngageerd geraakt; een jaar nadat hij van school was gegaan; maar hij kwam daarna nog geregeld bij ons. Ik was er niets op gesteld de verloving aan te gaan, buiten weten van zijn moeder en zonder haar goedkeuring; dat kunt u wel denken; maar ik was te jong en ik hield te veel van hem, om zoo voorzichtig te zijn als ik eigenlijk moest. Al kent u hem niet zóó goed als ik, Juffrouw Dashwood, u hebt lang genoeg met hem omgegaan om te begrijpen, dat hij juist de man is, om de oprechte genegenheid eener vrouw te winnen."

"Zeker," antwoordde Elinor, zonder te weten wat zij zeide; doch na een oogenblik nadenken liet zij erop volgen, stelliger dan ooit overtuigd van Edward's waarheidsliefde en zijn genegenheid, tegenover de valschheid van dit meisje: "Geëngageerd met mijnheer Edward Ferrars,--ik moet bekennen, wat u mij daar vertelt verrast zij zóózeer, dat... werkelijk, neemt u 't me niet kwalijk, maar er is stellig een vergissing in 't spel, een naams- of persoonsverwisseling. Wij kunnen niet denzelfden heer Ferrars bedoelen."

"We bedoelen geen ander dan hem," riep Lucy glimlachend. "Mijnheer Edward Ferrars, de oudste zoon van den Heer Ferrars van Park Street; en de broer van uw schoonzuster, Mevrouw John Dashwood, is de persoon, dien ik op het oog heb; u zult wel willen toegeven, dat _ik_ mij wel niet zal kunnen vergissen in den naam van den man, van wien mijn geheele geluk afhankelijk is."

"'t Is wel vreemd," zei Elinor, met een gevoel van pijnlijke verwarring, "dat ik hem nooit zelfs uw naam heb hooren noemen."

"Neen; als men de omstandigheden in aanmerking neemt, was dat volstrekt zoo vreemd niet. Vóór alles moesten we zorgen de zaak geheim te houden. U wist van mij of mijn familie niets af; daarom was er nooit eenige _aanleiding_ om mijn naam te noemen, en daar hij altijd erg bang was, dat zijn zuster er iets van zou vermoeden, was _dat_ op zich zelf al reden genoeg om dat niet te doen." Weer zweeg zij.--Elinor's zekerheid begon haar te begeven maar haar zelfbeheersching begaf haar niet.

"U bent dus vier jaar al verloofd geweest," zei ze met vaste stem.

"Ja, en de hemel weet, hoeveel langer we nog zullen moeten wachten. Arme Edward; hij wordt er moedeloos onder." Terwijl ze een klein miniatuurportret uit haar zak haalde, voegde zij erbij: "Als u zoo goed wilt zijn, dit portret eens te bekijken, dan zult u zien dat van een vergissing geen sprake kan zijn. Hij ziet er werkelijk knapper uit dan hier, vind ik; maar u kunt duidelijk genoeg zien, wien het moet voorstellen. Ik heb het al drie jaar in mijn bezit."

Terwijl ze sprak, gaf ze Elinor het portretje in handen, en toen deze het had bekeken, kon zij, hoezeer ook haar vrees voor een overhaaste gevolgtrekking en haar wensch om bedrog te ontdekken haar noopten tot het laatste toe in haar geest een plaats voor twijfel in te ruimen, niet langer betwijfelen, dat zij Edward's gezicht voor zich zag. Zij gaf het oogenblikkelijk terug, terwijl zij de gelijkenis erkende.

"Ik heb hem nooit mijn portret ervoor in ruil kunnen geven," ging Lucy voort, "en dat spijt mij geducht; want hij was er altijd zoo op gesteld het te hebben. Maar ik ben van plan het te laten maken, zoodra de gelegenheid zich voordoet."

"Daar hebt u gelijk in," antwoordde Elinor bedaard. Zij liepen een poosje zwijgend verder. Lucy was de eerste die sprak.

"Ik twijfel er hoegenaamd niet aan," zei ze, "of u zult dit geheim trouw bewaren; omdat u wel zult begrijpen van hoeveel belang het voor ons is, dat het zijn moeder niet ter oore komt; want zij zou het stellig wel niet goedkeuren. Ik heb geen geld te wachten, en ik geloof dat zij verschrikkelijk trotsch is."

"Het is zeker waar, dat ik uw vertrouwen niet gezocht heb," zeide Elinor; "maar u verwacht niet te veel van mij, wanneer u meent u op mij te kunnen verlaten. Uw geheim is bij mij veilig; maar vergeef mij, zoo ik eenige verwondering waag te uiten over de onnoodigheid van deze mededeeling. U moet toch althans gevoeld hebben, dat mijne bekendheid ermede niet kon bijdragen tot de veiligheid van dat geheim."

Zij zag Lucy ernstig aan, terwijl zij dit zeide, in de hoop nog iets te ontdekken in de uitdrukking van haar gelaat,--misschien de onwaarheid van het meeste dat zij tot nu toe gezegd had; maar op Lucy's gezicht vertoonde zich geen verandering.