Geschiedenis van Arthur Pendennis
Part 92
De liefste Blanche antwoordde dadelijk op No. 1 van de liefste Laura, dat zij hare zuster met het grootste genoegen zou afwachten. Wat zou dat heerlijk zijn, haar oude duetten nog eens te zingen en over het gras en door de in najaarsdos gehulde bosschen van Penshurst en Southborough te wandelen! Blanche telde de uren, die er nog verloopen moesten, alvorens zij hare dierbare vriendin zou omhelzen.
Laura, No. 2, verklaarde zich opgetogen over het hartelijke antwoord van hare liefste Blanche. Zij hoopte, dat beider vriendschap nooit zou verflauwen; dat haar vertrouwelijke omgang met de jaren zou toenemen; dat zij geen geheimen voor elkander zouden hebben; en dat het beider levensdoel zou zijn, zekeren persoon gelukkig te maken.
Blanche, No. 2, volgde twee dagen later. „Hoe spijtig! Hun huis was zeer klein en de beide beschikbare slaapkamers waren nu in gebruik genomen door die nare mevrouw Planter en hare dochter, die goedgevonden hadden ziek te worden (zij werden op buitenplaatsen altijd ziek), en nu in eenige dagen niet konden of wilden vervoerd worden.”
Laura, No. 3. „Het was inderdaad allerspijtigst. Laura had gehoopt, Vrijdag een van hare liefste Blanche’s lieve liedjes te hooren; maar zij kon zich het wachten nu beter getroosten, daar Lady Rockminster eenigszins ongesteld was en gaarne door haar verpleegd werd. De arme majoor Pendennis lag in hetzelfde hotel ook ziek – te ziek zelfs om Arthur te ontvangen, die onvermoeid was in het vernemen naar den toestand van zijn oom. Arthur’s hart was vervuld met teedere en liefderijke gevoelens. Zij had Arthur haar gansche leven gekend. Zij durfde borg blijven,” – ja, zelfs in cursief durfde zij dat – „voor zijne vriendelijkheid, goedheid en zachtheid.”
Blanche, No. 3. „Wat beteekent die allervreemdste, allerongewoonste brief van A. P.? Weet liefste Laura daarvan iets? Wat is er gebeurd? Welk mysterie ligt er onder zijne beangstigende geheimzinnigheid verborgen?”
Blanche, No. 3, verzoekt opheldering, en wij kunnen die niet beter geven dan door den vreemden en geheimzinnigen brief van Arthur Pendennis zelf mede te deelen.
DRIE EN ZEVENTIGSTE HOOFDSTUK.
MIJNHEER EN MEJUFVROUW SAM HUXTER.
„Lieve Blanche,” schreef Arthur, „zijt gij, die altijd kleine dramaatjes en boeiende romannetjes in het werkelijke leven leest en droomt, nu bereid in één daarvan eene rol te spelen? En niet de aangenaamste rol, lieve Blanche, niet die der heldin, die haar vaders paleis en schatten in bezit neemt en, wanneer zij haar echtgenoot aan de trouwe volgelingen en verkleefde vasallen voorstelt,” hem toespreekt met de woorden: „Dit alles is het mijne en het uwe,” – maar dat andere karakter, dat der rampspoedige vrouw, die plotseling gewaar wordt dat zij niet de echtgenoote van den prins, maar die van Claude Melnotte den bedelaar is; dat van Alnaschar’s vrouw, die juist binnenkomt op het oogenblik dat haar man het porselein omgeschopt heeft, hetwelk zijn fortuin zou gemaakt hebben. – Maar wacht even: Alnaschar, die het porselein omschopte, was niet getrouwd, maar had zijn oog op de dochter van den vizier laten vallen, en deze hoop ging met de verbrijzelde kommen en kopjes te gronde.
„Wilt gij de dochter van den vizier wezen en Alnaschar afwijzen en uitlachen, dan wel de dame van Lyon zijn en den doodarmen Claude Melnotte liefhebben? Verkiest gij het, dan zal ik die rol spelen. Ik zal u wederkeerig naar mijn best vermogen liefhebben. Ik zal alles inspannen om uw stil leven gelukkig te maken; want stil zal het zijn: er bestaat althans weinig kans op een anderen afloop; wij zullen op een armoedige, prozaïsche, alledaagsche wijze leven en sterven. De held onzer geschiedenis heeft geene ridderorden en epauletten te wachten. Ik zal nog een paar romans schrijven, die spoedig zullen vergeten zijn. Ik zal tot advocaat gepromoveerd worden en in dat beroep trachten vooruit te komen; en als ik zeer gelukkig ben en zeer hard werk (hetgeen te dwaas is om te verwachten), zal ik misschien eenmaal een ambt in de koloniën bekomen en zult gij wellicht de echtgenoote van een Indisch rechter zijn. In den tusschentijd zal ik de Pall Mall Gazette koopen; sedert den dood van den armen Shandon zouden de uitgevers er zich gaarne van willen ontdoen en het blad zal dus voor een geringen prijs te krijgen zijn. Warrington zal mijne rechterhand wezen en ten gevolge van zijn artikelen zullen wij een goed getal abonné’s vinden. Ik zal u in kennis brengen met den onderredacteur Finucane, en ik weet wel wie ten slotte mevrouw Finucane zal worden – een allerliefst zacht schepseltje, dat met lijdzaamheid een ongelukkig leven heeft doorgeworsteld, – en zoo zullen wij voortsukkelen, op betere tijden wachten en op eene fatsoenlijke wijze ons brood verdienen. Gij zult de vrijbiljetten voor de opera hebben, en het toezicht houden over het nieuws uit de groote wereld, en uw hartje kunnen breken in de kolommen, die het blad beschikbaar stelt voor verzen. Willen wij boven het bureau der courant gaan wonen? – daar zijn vier zeer goede kamers, eene keuken, en een zolderkamertje voor Laura, alles in Catherine Street in het Strand; of zoudt gij liever op Waterloo Road wonen? het is daar heel pleizierig, behalve dat men aan de Waterloo-Brug een halven stuiver tol moet betalen als men er over gaat. De jongens kunnen naar het King’s-College gaan, niet waar? Heeft dit alles in uw oogen niet het aanzien van eene grap?
„Ach, Blanche-lief, het is geen grap, en ik ben nuchter en spreek de eenvoudige waarheid. Onze heerlijke verwachtingen zijn in rook vervlogen. Ons rijtuig is, gelijk dat van Asschepoetster, uit het gezicht verdwenen! ons huis in Belgravia is door een boozen genius weggegoocheld, en ik ben evenmin lid van het parlement als bisschop in het Hoogerhuis, of een hertog met den Kouseband om de knie. Gij weet tamelijk goed hoeveel mijn vermogen en uw eigen klein fortuin bedraagt; wij hebben waarschijnlijk genoeg om er met ons beiden fatsoenlijk en aangenaam van te leven, somtijds eene vigilante te nemen als wij vrienden gaan bezoeken, en ons het genoegen van een plaatsje in den omnibus niet te ontzeggen wanneer wij vermoeid zijn. Maar dat is alles: is dat genoeg voor u, mijn kieskeurig dametje? Ik twijfel er soms aan of gij het leven zult kunnen uithouden, dat ik u aanbied; ten minste is het billijk, dat gij weet wat het zijn zal. Als gij zegt: „Ja, Arthur, ik wil uw lot met u deelen, waarheen gij ook gaat, en eene trouwe en liefhebbende vrouw voor u zijn, om u bij te staan en op te beuren,” – kom dan tot mij, lieve, Blanche, en God zal mij helpen mijn plicht jegens u te vervullen. In het tegenovergestelde geval en wanneer gij naar een hooger standpunt in de maatschappij uitziet, dan mag ik uw fortuin niet in den weg staan; ik zal mij onder de menigte mengen en mylady ten hove zien gaan als zij voorgesteld wordt, en gij zult mij dan wel een lachje uit uw rijtuig schenken. Het vorige seizoen zag ik Lady Mirabel naar de receptie ten hove rijden; haar gelukkige gemaal aan hare zijde schitterde van sterren en ordelinten. Al de bloemen uit den tuin bloeiden op de borst van den koetsier. Wilt gij deze en het rijtuig hebben, dan wel te voet gaan en de kousen van uw man stoppen?
„Ik kan u thans niet meedeelen – ofschoon het later zou kunnen geschieden, indien de dag mocht komen dat wij geen geheimen voor elkander zullen hebben – wat er in de laatste uren is voorgevallen, dat aan al mijne vooruitzichten in het leven een andere wending heeft gegeven; doch het is zóó met de zaak gelegen: ik heb iets vernomen, hetwelk mij noodzaakt af te zien van de plannen, die ik beraamd, en de vele ijdele en eerzuchtige verwachtingen, aan welke ik toegegeven had. Ik heb een brief aan Sir Francis Clavering gezonden, om hem te melden, dat ik zijne plaats in het parlement eerst na mijn huwelijk kan innemen. Eveneens kan en wil ik met u geen grooter fortuin ontvangen dan dat u steeds heeft toebehoord sedert den dood van uw grootvader en de geboorte van uw halven broeder. Uwe goede moeder is onkundig van de redenen, die mij tot dit zonderlinge besluit noodzaken, en ik hoop, dat zij ze nimmer zal leeren kennen. Zij zijn het gevolg van smartelijke omstandigheden, aan welke niemand onzer schuld heeft; doch nu zij eenmaal bestaan, zijn zij zoo onoverkomelijk en onherstelbaar als die schok, die het porselein van den eerzamen Alnaschar in scherven deed vallen en zijne gansche hoop reddeloos in duigen wierp. Ik schrijf opgeruimd, omdat het beweenen van zulk een hopeloozen tegenspoed tot niets dient. Wij hebben niet den hoogsten prijs uit de loterij getrokken, lieve Blanche; maar ik zal er tevreden onder zijn, indien gij het ook kunt wezen; en ik herhaal het uit den grond mijns harten, dat ik mijn best zal doen om u gelukkig te maken.
„En welke nieuwtjes zal ik u nu meedeelen? Mijn oom is zwaar ziek en neemt het mij zeer kwalijk, dat ik de plaats in het parlement weiger; de oude heer had dat op touw gezet en betreurt nu natuurlijk het mislukken van zijn plan. Maar ik heb met Warrington en Laura een krijgsraad belegd; zij kennen het vreeselijke geheim en steunen mij in het genomen besluit. Gij moet George lief hebben, gelijk gij alles wat edelmoedig, oprecht en braaf is liefhebt; en wat Laura betreft, – die moet onze zuster zijn, Blanche, onze beschermheilige en onze beschermengel. Wat behoeven wij, als wij twee zulke vrienden binnen onze muren hebben, te vragen hoe het in de buitenwereld gaat, of wie de afgevaardigde van Clavering is, of wie op de groote bals van het seizoen genoodigd of thuis gelaten is?”
Op deze openhartige mededeeling volgde de brief van Blanche aan Laura en een brief aan Pen zelven, die wellicht door zijn eigen schrijven gerechtvaardigd werd. „Gij zijt door de wereld bedorven,” schreef Blanche; „gij bemint uwe arme Blanche niet zooals zij bemind zou willen worden, of gij zoudt niet zoo lichtvaardig hebben aangeboden haar te nemen, of haar te laten varen. Neen, Arthur, gij hebt mij niet lief; als een man van de wereld hebt gij mij uw woord gegeven en zijt gij bereid het na te komen; maar die onverdeelde genegenheid, die volkomene en duurzame liefde, waar – waar is die hersenschim mijner jeugd? Ik zal slechts uw tijdverdrijf zijn, en ik wenschte uw Alles te wezen – slechts eene voorbijgaande gedachte, in plaats van uwe gansche ziel. Ik wenschte, dat onze beide harten één waren; maar ach, mijn Arthur, wat is het uwe eenzelvig! wat geeft gij er mij weinig van! Gij spreekt van onze scheiding met een glimlach op uwe lippen, – van ons wederzien, en echter legt gij geene begeerte aan den dag om dit te bespoedigen! Is het leven dan niets meer dan een ontgoocheling, en zijn de bloemen uit onzen tuin verwelkt? Ik heb geweend – ik heb gebeden ik heb slapelooze uren doorgebracht – ik heb bittere, bittere tranen over uw brief geschreid! Voor u stort ik de overstroomende poëzie van mijn leven uit – de begeerte mijner ziel, die zucht om bemind te worden – die naar liefde, liefde, liefde boven alles haakt! – die zich aan uwe voeten werpt en uitroept: „Heb mij lief, Arthur!” Uw hart klopt niet sneller, als ik op mijne knieën u om liefde smeek! – uw trotsch oog wordt door geen traan van deelneming verduisterd! – gij neemt de schatten mijner ziel aan, alsof ze slijk en niet de paarlen uit de onpeilbare diepte mijner genegenheid, de diamanten uit de mijngroeven van mijn hart waren! Gij behandelt mij als eene slavin en gebiedt mij voor mijn meester te knielen! Is dit een geschenk voor eene fiere maagd, het loon voor de liefde van een gansch leven? Ai mij! is het ooit anders gegaan? Wanneer heeft ooit de liefde iets anders dan teleurstelling geoogst? Kon ik – minnend, maar verdwaasd meisje – verwachten een uitzondering op het lot van mijn geslacht te maken, en mijn kloppend hoofd te mogen doen rusten aan een hart, dat het mijne begreep? Dwaas meisje als ik was! Eén voor één zijn al de bloemen van mijn jeugdig leven verdord; en deze laatste, zoetste, liefste, die ik zoo innig, zoo buitensporig liefhad, zoo hartstochtelijk beminde – waar is zij nu? Doch niets meer hiervan. Sla geen acht meer op mijn bloedend hart. Wees gezegend, altijd gezegend, Arthur!
„Ik zal nader schrijven, als ik bedaarder ben. Mijn gloeiend hoofd maakt mij het denken bijna onmogelijk. Ik smacht naar Laura. Zij zal toch dadelijk bij ons komen, als wij van het land terugkeeren, niet waar? En gij, koel schepsel?
„B.”
De bewoordingen van dezen brief waren volkomen duidelijk en met Blanche’s netste hand op geparfumeerd papier geschreven; en echter was de zin van dit opstel voor Pen zeer duister. Nam Blanche beleefd zijn aanbod aan, of wees zij het van de hand? Haar uitdrukkingen konden zoowel beteekenen, dat Pen haar niet meer liefhad en zij nu ook niet meer van hem wilde weten, als dat zij hem aannam en zich, hoewel hij zoo koel was, aan hem opofferde. Hij lachte spottend om den brief en om de zaak, die er aanleiding toe had gegeven. Hij lachte bij de gedachte hoe de Fortuin hem in den steek had gelaten en hoezeer hij het verdiende, dat zij hem ontglipte. Hij keerde het op snee vergulde en van muskus doortrokken raadsel om en om. Het maakte zijn humor gaande en hij had er pleizier van, alsof het een grap ware.
Terwijl hij aldus neerzat en, inwendig bitter spottend, het zonderlinge geschrift door zijne handen liet gaan, kwam zijn bediende binnen met het kaartje van een heer, die hem bijzonder gaarne wilde spreken. Ware Pen buiten in den gang gegaan, hij zou daar zijn ouden bekende mijnheer Samuel Huxter gevonden hebben, die met rollende oogen en alle kenteekenen van gejaagdheid aan den knop van zijn rotting stond te zuigen.
„Mijnheer Huxter – over eene zaak van bijzonder belang! Wel, verzoek mijnheer Huxter binnen te komen,” zeide Pen, die er zich mee vermaakte, vooral toen de arme Sam in zijne tegenwoordigheid verscheen.
„Neem een stoel, mijnheer Huxter,” zeide Pen op zijn neerbuigendste manier. „In welk opzicht kan ik u van dienst zijn?”
„Ik zou liever niet in het bijzijn van dien ke– dien man vertellen, mijnheer Pendennis,” op welk sein mijnheer Arthur’s bediende de kamer verliet.
„Ik zit in den brand,” zeide mijnheer Huxter somber.
„Wezenlijk?”
„Zij heeft mij tot u gezonden,” vervolgde de jonge chirurgijn.
„Hoe? Fanny? gaat het goed met haar? Ik was voornemens geweest haar eens te bezoeken, maar ik heb het sedert mijne terugkomst te Londen zeer druk gehad.”
„Ik heb door mijn ouwe en door Jack Hobnell het nieuws omtrent u vernomen,” viel Huxter hem in de rede. „Ik wensch u veel geluk, mijnheer Pendennis, zoowel met het lidmaatschap van het parlement als met de dame, mijnheer. Ook Fanny laat u hare gelukwenschen aanbieden,” liet hij er met een flauw blosje op volgen.
„De zaak is nog niet beklonken! Wie weet, mijnheer Huxter, wat er nog gebeuren kan, of wie in het volgend jaar als afgevaardigde van Clavering in het parlement zal optreden!”
„Gij kunt alles van mijn ouwe gedaan krijgen,” ging mijnheer Huxter voort. „Gij zijt het, die hem de klandizie op Clavering Park hebt bezorgd. De ouwe heer was zeer opgetogen, mijnheer, dat gij hem liet roepen. Zoudt gij den ouwe niet eens voor mij willen spreken, mijnheer Pendennis?”
„En wat moet ik hem vertellen?”
„Ik ben er eindelijk toe gekomen, mijnheer,” antwoordde Huxter met een zeer bijzonderen blik.
„Gij – gij wilt toch niet zeggen, dat gij – dat gij dat lieve schepseltje eenig leed berokkend hebt, mijnheer?” riep Pen uit en vloog in de hoogste verbolgenheid op.
„Dat hoop ik niet,” zeide Huxter met een benauwden blik; „maar ik heb haar getrouwd. En ik weet, dat er daarover thuis een ongemakkelijk standje wezen zal. Er was afgesproken dat ik, na voltooiing van mijne studiën, compagnon zou worden en dat de firma „Huxter en Zoon” zou wezen. Maar ik wilde mijn eigen zin volgen. De kogel is nu door de kerk en de ouwe heeft mij geschreven, dat hij naar Londen komt, om een voorraad geneesmiddelen op te doen; hij zal morgen hier zijn en dan moet alles uitkomen.”
„En wanneer is het gebeurd?” vroeg Pen, waarschijnlijk niet bijzonder gestreeld, dat een meisje, hetwelk eenmaal eenigszins met zijne koninklijke gunst vereerd was geworden, hare trouw aan een ander had durven verpanden en zich over zijn verlies getroost had.
„Verleden Donderdag is het vijf weken geweest; het was twee dagen na een bezoek, dat jufvrouw Amory in Shepherd’s Inn had afgelegd,” gaf Huxter ten antwoord.
Pen herinnerde zich, dat Blanche geschreven en van dat bezoek melding gemaakt had. „Ik werd geroepen,” zeide Huxter. „Ik was in de Inn, om naar het been van den ouden Cos te zien, en ook wel naar nog iets anders; en toen ontmoette ik Strong, die mij verhaalde, dat er op de kamers eene vrouw onpasselijk was geworden, waarop ik naar boven ging, om haar met mijne wetenschap van dienst te zijn. – Het was de oude jufvrouw, die bij jufvrouw Amory dient – hare huishoudster of iets dergelijks. Zij had een toeval en ik vond haar geweldig slaande en gillende op Strong’s kamer, in het bijzijn van Strong en van kolonel Altamont, en jufvrouw Amory stond te schreien en was zoo wit als een doek; en Altamont was aan het razen – kortom, het was een spektakel. Zij bleven twee uren op die kamers, en eindelijk werd de oude vrouw schreiende met eene vigilante weggebracht. Zij was er veel erger aan toe dan de jonge dame. Den volgenden dag ging ik naar Grosvenor Place, om te zien of ik nog van nut kon zijn; maar zij waren vertrokken, zonder mij zelfs te bedanken; en den dag daarna had ik eigen zaken – zaken, waarmee ik nu in het nauw zit,” zeide mijnheer Huxter op neerslachtigen toon. „Maar dat is eenmaal geschied en kan niet ongedaan gemaakt worden, en wij moeten nu trachten er zoo goed mogelijk uit te komen.”
„Zij heeft de geschiedenis sinds eene maand geweten,” dacht Pendennis, met eene zeer pijnlijke gewaarwording en eene sombere sympathie; „dit heldert haar brief van heden op. Zij wil er haar vader niet in betrekken en zijn geheim niet openbaren; zij wenscht mij van het huwelijk te ontslaan en heeft daartoe een voorwendsel gevonden – dat edelaardige meisje!”
„Weet gij wie die Altamont is, mijnheer?” vroeg Huxter, na eene poos stilzwijgens, gedurende welke Pen zijn eigen aangelegenheden overdacht had. „Ik heb er met Fanny dikwijls over gesproken, en wij houden het er voor, dat hij jufvrouw Lightfoot’s eerste man is, die weer te voorschijn is gekomen nu zij juist een tweeden getrouwd heeft. Misschien zal Lightfoot er niet zeer verdrietig over zijn,” zuchtte Huxter en keek Arthur woest aan, want de duivel der jaloerschheid heerschte nog altijd in zijne ziel; en thans, meer dan ooit, verbeeldde zich de arme kerel, dat Fanny’s hart aan zijn mededinger behoorde.
„Laten wij over uwe zaken spreken,” zeide Pen. „Leg mij maar eens uit, Huxter, op welke wijze ik u van dienst kan zijn. Ik wensch u geluk met uw huwelijk. Het verheugt mij, dat Fanny, die zulk een goed, bekoorlijk, vriendelijk schepseltje is, een braaf man en een gentleman heeft aangetroffen, die haar gelukkig zal maken. Zeg mij nu wat ik doen kan om u te helpen.”
„Zij zegt, dat gij dat kunt, mijnheer,” zeide Huxter en nam de hand aan, die Pen hem toereikte, „en ik ben u zeer verplicht voor uwe welwillendheid. Ik wenschte, dat gij met mijn vader wildet spreken, om hem en mijne moeder, die altijd zulk eene hooge borst zet, omdat zij de dochter van een dominé is, het gebeurde mee te deelen; Fanny is van geen deftige familie, dat erken ik, en staat in opvoeding en dergelijke zaken niet met ons gelijk – maar zij is nu eene Huxter.”
„De vrouw krijgt natuurlijk den rang van haar man,” zeide Pen.
„En als zij een weinig aan den maatschappelijken omgang gewend is,” ging Huxter voort, zijn stok in den mond houdende, „zal zij zich zoo goed kunnen voordoen als het beste meisje uit Clavering. Gij moest haar eens hooren zingen en pianospelen! Dat heeft de oude Bows haar geleerd. En zij zou op het tooneel ook goed voldoen, als de ouwe zijne hand van mij aftrok; maar daar zou ik haar toch niet gaarne zien. Zij is van nature coquet, mijnheer Pendennis; dat kan zij niet helpen. Te drommel, mijnheer, ik zou durven wedden, dat er op dit oogenblik twee of drie kameraden uit het Bartholomeus-hospitaal, die ik zelf bij ons gebracht heb, bij haar zitten; zelfs Jack Linton, dien ik voor den besten hield, is even slecht als de overigen, en zij blijft maar voor hem zingen en hem lonkjes geven. Het is juist zooals Bows zegt: als er, onder twintig mannen in een vertrek, één was die geen acht op haar sloeg, zou zij niet rusten eer ook die twintigste haar het hof maakte.”
„Gij moest hare moeder bij haar nemen,” zeide Pen lachend.
„Die moet op de portiersloge passen. Zij kan ook zooveel niet met hare familie blijven omgaan als vroeger. Gij begrijpt, mijnheer, dat ik, mijn stand in aanmerking genomen, met die menschen niet verkeeren kan,” en bij die woorden bracht Huxter eene zeer onzindelijke hand aan zijne kin.
„Au fait,” zeide mijnheer Pen, die zich ontzaglijk vermaakte, en van wien (natuurlijk van niemand anders ter wereld) mutato nomine dezelfde fabel verteld had kunnen worden.
Terwijl de beide heeren in het midden van dit onderhoud waren, werd er wederom aan de deur geklopt en diende zijn knecht onmiddellijk daarop mijnheer Bows aan. De oude man, wiens bleek gelaat een blos vertoonde, kwam langzaam binnen, en zijne hand beefde een weinig, toen hij die van Pen vatte. Hij hoestte en wischte zich het gelaat met zijn geruiten katoenen zakdoek af en zat daar met zijne handen op de knieën, terwijl de zon zijn kale hoofd bescheen. Pen beschouwde die eenvoudige gestalte met veel sympathie en welwillendheid. „Ook deze man heeft zijne smarten en zijne wonden,” dacht Arthur. „Ook deze man heeft zijn genie en zijn hart aan de voeten eener vrouw gelegd, die ze verachtte. De kans is hem tegengeloopen en dat wezen ginds heeft den prijs gewonnen.” Fanny’s man, tot wien aldus stilzwijgend het woord gericht werd, had ondertusschen geknipoogd tegen den ouden Bows en boorde met zijn geliefkoosden stok gaten in den vloer.
„En dus hebben wij het spel verloren, mijnheer Bows, en daar zit de gelukkige overwinnaar,” zeide Pen, den ouden man sterk aanziende.
„Daar zit de gelukkige overwinnaar, mijnheer – gelijk gij zeer juist aanmerkt.”
„Gij komt zeker van mijn huis?” vroeg Huxter, die, na Bows met het ééne oog toegewenkt te hebben, Pen met een knipoogje van het andere vereerde – een wenk, waarmee hij scheen te willen zeggen: „Ingebeelde oude man – begrijp je – tot over de ooren op haar verliefd – arme oude dwaas!”
„Ja, ik ben daar geweest zoolang gij weg waart. Uwe vrouw is het, die mij u heeft nagezonden, dewijl ze zeide te vreezen, dat gij weer wat doms zoudt uitrichten – zoo iets als gij gewoon zijt, Huxter.
„Er zijn even groote gekken als ik,” bromde de jonge chirurgijn.
„Misschien wel eenigen, maar, laten wij hopen, niet veel,” zeide de oude man. „Ja, zij heeft mij u nagezonden, uit vrees, dat gij mijnheer Pendennis zoudt beleedigen en ik ben overtuigd dat zij het er voor hield, dat gij hem hare boodschap niet zoudt overbrengen, namelijk haar uitnoodiging om haar eens te komen bezoeken, en daarentegen wist zij, dat ik die opdracht zou nakomen. Heeft hij u die boodschap overgebracht, mijnheer?”
Huxter werd gloeiend rood en ontveinsde zijne verlegenheid met een vloek. Pen lachte er om, want dit tooneel begon meer en meer met zijne bittere gemoedsstemming te strooken.
„Ik ben overtuigd, dat mijnheer Huxter op het punt stond het mij mee te deelen,” zeide Arthur, „en het zal mij veel eer zijn, mijn opwachting bij zijne vrouw te maken.”
„Het is in Charterhouse Lane, boven den bakker, rechts als gij van St. John’s Street komt,” vervolgde Bows zonder het minste mededoogen. „Gij weet wel waar Smithfield is, mijnheer Pendennis? St. John’s Street loopt op Smithfield uit. Doctor Johnson is die straat menigmaal opgegaan met een pakje kopij voor het Gentleman’s Magazine. Gij letterkundige heeren zijt tegenwoordig vrij wat beter af, niet waar? Gij rijdt thans en draagt gele glacéleeren handschoenen.”