Geschiedenis van Arthur Pendennis
Part 80
„Al betwijfel ik, of ik beter ben dan mijn naaste,” ging Arthur voort, „al erken ik, dat ik niets beter ben, zoo twijfel ik evenzeer of hij beter is dan ik. Ik zie, dat menschen, die met voornemens van een algeheele hervorming de wereld intraden en, reeds voordat hunne baarden uitgebot waren, zich grootsche plannen voor de herschepping der menschheid hadden voorgesteld, hunne ontwerpen na eenige jaren van vruchteloos gepraat en van ijdele pogingen om hunne medemenschen te leiden, opgeven, en, wanneer zij bevonden hebben, dat de menschen niet meer naar hen willen luisteren (gelijk zij dan ook nooit waard waren dat men naar hen luisterde), stilletjes weer in den grooten hoop wegzinken en erkennen dat hunne oogmerken onbereikbaar waren, of dankbaar zijn dat die nooit in toepassing zijn gebracht. De vurigste hervormers bedaren en schikken zich eindelijk in de dingen gelijk zij zijn; de luidste schreeuwende radicale redenaars worden stomme, onderworpen ambtenaren, de gloeiendste liberalen worden alledaagsche conservatieven wanneer zij buiten het bewind zijn, of onuitstaanbare tirannen of despoten zoodra zij de teugels der regeering in handen hebben. Let maar een op Thiers en Guizot, wanneer zij òf in de oppositie zijn, òf op het kussen zitten! Let maar op de Whig’s wanneer zij het volkophitsen, en op de Whig’s wanneer zij het bewind voeren! Zoudt gij willen beweren, dat die mannen zich verraderlijk gedragen, zooals de radicalen bazelen, die op hunne beurt eveneens zouden handelen, indien hunne beurt ooit kwam? Neen, zij plooien zich slechts naar omstandigheden, die sterker zijn dan zij, – zij streven naar hervorming, gelijk de wereld daarnaar streeft, maar met den stap, die aan de wereld eigen is (en de bewegingen van zulk een ontzaglijk lichaam als de wereld moeten noodwendig langzaam zijn); zij laten het eene plan varen als onuitvoerbaar, uithoofde van de oppositie, – het andere als ontijdig, omdat het strijdt met de inzichten der meerderheid! zij zijn genoodzaakt zoowel de nadeelen en de bezwaren te berekenen, als aan hervorming en vooruitgang te denken, en ten slotte zien zij zich gedwongen te wijken, te wachten en te modderen.”
„Zijn excellentie de heer Arthur Pendennis zou niet beter kunnen spreken, niet méér over zich zelven voldaan kunnen zijn, indien hij kanselier der schatkist ware,” zeide Warrington.
„Over mij zelven voldaan? Waarom dat?” ging Pen voort. „Het schijnt mij toe, dat mijne twijfelzucht eerbiediger en bescheidener is dan het revolutionaire vuur van andere menschen. Menig patriot van achttien jaar, menig redenaar in eene volksclub zou morgen de bisschoppen uit het Hoogerhuis willen verdrijven en de lords na de bisschoppen, om eindelijk, na de pairs en de rechterlijke macht, den troon in den Theems te werpen. Is zulk een man bescheidener dan ik, die deze instellingen aanneem gelijk ik ze vind, en die afwacht dat de tijd en de waarheid ze zullen ontwikkelen, versterken of (zoo gij wilt) vernietigen? Een academisch onderwijzer of een gouverneur van een adellijk jong heer, die op een fraaien dag te voorschijn komt als de hoogeerwaarde heer bisschop in een zijden gewaad en met een breedgeranden hoed en die dan een zalvenden toon tegen mij aanneemt, is nog altijd dezelfde man dien wij ons uit Oxbridge herinneren, toen hij de voorname jongelui naar de oogen keek, of de arme groenen in de collegezaal kwelde. Een erfelijk wetgever, die zijn tijd met stalknechts en oplichters en danseressen doorbrengt en gerechtigd is mij en zijn andere meerderen te regeeren, omdat zijn grootvader gelukkig in de fondsen gespeculeerd, of eene kolen- of tinmijn op zijne goederen gevonden heeft, of omdat zijn domme voorvader toevallig het bevel voerde over tien duizend manschappen even dapper als hij zelf, die twaalf duizend Franschen of vijftig duizend Indianen versloegen, – zulk een man boezemt mij niet meer eerbied in dan de verbitterdste democraat voor hem kan koesteren. Doch zooals hij is, maakt hij een deel uit van de oude maatschappij tot welke wij behooren; en ik onderwerp mij met kalmte aan zijne lordschap, die aan alle diners de plaats boven ons inneemt, en daar zijn tijd verbeidt. Ik verlang zijn hoofd niet onder de guillotine af te houwen, noch hem op straat met modder te werpen. Wanneer men zulk een man eene schandvlek van zijn stand noemt, en den eeretitel van sieraad van zijn stand schenkt aan een ander, die vriendelijk en zachtzinnig, beschaafd en edelmoedig is, die zijn rijkdom bezigt om al wat goed en weldadig is, al wat tot de verfijning en veraangenaming des levens kan bijdragen, op de voorkomendste en hulpvaardigste wijze te ondersteunen, – dan wordt in beide gevallen het nut en de wenschelijkheid van den stand zelven niet ter sprake gebracht. Hij bestaat onder ons als een bestanddeel onzer volkszeden, als de afgod van velen onder ons, als een werk der eeuwen en het zinnebeeld van een zeer ingewikkelden voormaligen toestand, – daar staan mylord de bisschop en mylord de erfelijke wetgever, beiden des transactions, zooals de Franschen zeggen; zij vertegenwoordigen in hunne hedendaagsche gedaante geharnaste baronnen en kampvaardige aanvoerders (van welke hunne erfelijke lordschappen voor het meerendeel niet afstammen), en priesters, die voorgaven in het bezit te zijn van de volstrekte waarheid en van eene macht, die op goddelijke wijze op hen overgedragen was, welke absolute waarheid onze voorouders op den mutserd verbrandden en daar loochenden, en welke goddelijke, erfelijke macht nog altijd gedrukt staat – en naar verkiezing geloofd, of niet geloofd kan worden. Van dit alles zeg ik, dat ik er in berust, omdat het bestaat, en meer niet. Indien men zegt, dat deze instellingen, die in het leven getreden waren eer de boekdrukkunst uitgevonden, of de kracht van den stoom ontdekt was; toen de gedachte als een kind behandeld, bang gemaakt en afgestraft werd en de waarheid door haar opzieners werd gesmoord, onderdrukt en geblinddoekt en hare stem niet mocht verheffen, niet mocht opzien en zich niet in het openbaar vertoonen mocht; voordat de menschen met elkander mochten vergaderen, of handelen, of spreken; – ik herhaal, indien iemand zegt (en verscheidene trouwhartige zielen doen dat,) dat die inrichtingen bestemd zijn om eeuwig te duren, en, ofschoon zij aanhoudend veranderd en gewijzigd zijn, nu niet meer aan ontwikkeling of verval zijn onderworpen, dan lach ik en laat dien man praten. Maar ik wensch, dat men die meeningen eerbiedige, evenals ik het voor mijn eigen gevoelens verlang; en indien die instellingen moeten uitsterven, dan zou ik liever zien, dat zij een voegzamen en natuurlijken, dan een plotselingen en gewelddadigen dood ondergingen.”
„Gij zoudt aan Jupiter geofferd hebben,” zeide Warrington, „indien gij tijdens de vervolging der Christenen geleefd hadt.”
„Misschien wel,” zeide Pen met zekere droefgeestigheid. „Misschien ben ik een bloodaard, misschien wankelt mijn geloof; maar dit gaat mij zelven aan. Wat ik hier zeggen wilde, is, dat ik een afkeer van vervolging heb. Zoodra men een geloof of een leerstuk als de volstrekte waarheid voorstelt, vloeit daar logisch vervolging uit voort, en verbrandt Dominicus een jood, of Calvijn een Ariaan, of Nero een Christen, of Elizabeth of Maria een papist of een protestant; of haar vader verbrandt van beide soorten, naar de ingeving van zijne luim en niet alleen zonder het minste gewetensbezwaar, maar zelfs met de innige overtuiging van zijn plicht vervuld te hebben. Maakt men een leerstuk tot de volstrekte waarheid, dan wordt het aandoen of ondergaan van den dood gemakkelijk en noodzakelijk, en zijn de soldaten van Mohammed, die met den kreet: „Het paradijs! het paradijs!” op de lippen, onder de lanssteken der Christenen sterven, niet meer of minder prijzenswaardig dan wanneer die zelfde mannen eene stad vol joden uitmoorden, of de hoofden van alle gevangenen afhouwen, die niet erkennen willen dat er slechts één profeet van God is geweest.”
„Slechts kort geleden, jonge heer,” zeide Warrington, nadat hij de ontboezemingen van zijn vriend zonder goed- of afkeuring had aangehoord, want hij helde tot beide over, „hebt gij mij gevraagd, waarom ik mij buiten den strijd des levens hield, en den zwaren arbeid mijner medemenschen aanzag, zonder zelf eenig deel aan het gevecht te nemen? Wel, erkent gij niet zelf, bij deze belijdenis van twijfel aan alles, een bloot dilettant en een onverschillig toeschouwer te zijn! Gij zijt zes en twintig jaar oud en zoo blasé als een losbol van zestig. Gij hoopt niet veel, gij bekommert u niet om veel, gij gelooft niet veel. Gij twijfelt evenzeer aan anderen als aan u zelven. De wereld zou onuitstaanbaar zijn, indien zij bestond uit zulke onverschilligen als gij; en ik zou liever in eene wildernis met apen leven en mij hun gesnater getroosten, dan in eene maatschappij van menschen, die alles loochenden.
„Indien de wereld uit St. Bernards of St. Dominicus’en bestond, zou zij even akelig zijn,” merkte Pen aan, „en na eenige dozijnen jaren zelfs geheel uitsterven. Zoudt gij willen, dat ieder man zijn hoofd kaal schoor, dat iedere vrouw in een klooster ging, en dat zij de voorschriften van het kluizenaarsleven in den volsten omvang opvolgden? Zoudt gij willen, dat elke straat van elke stad der wereld van psalmen weergalmde? Zoudt gij willen, dat alle vogelen des wouds op éénen toon zongen en een zelfde gevederte hadden? Gij noemt mij een twijfelaar, omdat ik aanneem hetgeen bestaat; en als ik dat aanneem, hetzij een sijsje of een leeuwerik, een priester of een dominé, kortom een der onnoemelijk vele verscheidenheden onder de schepselen van God (wiens blooten naam ik met eerbied uitspreek en nooit zonder een heilig ontzag op de lippen neem), dan zeg ik, dat de studie en het inzicht van die verscheidenheid onder de menschen inzonderheid onzen eerbied en onze bewondering verhoogt voor den Schepper, den Beheerscher en den Ordenaar van al deze zoo verschillende en toch zoo overeenstemmende gemoederen, die in eene gemeenschappelijke aanbidding samenstemmen en elk, volgens zijn ontwikkeling en zijne middelen, om tot het Goddelijke middelpunt van alles te naderen, Hem lof en eere toebrengen; en wel (om het beeld van den vogel nog eens te gebruiken) ieder op den hem aangeboren toon.”
„Zoodat, Arthur, het loflied van een heilige, of de ode van een dichter, of het liedje van een dief in Newgate, in het oog uwer wijsbegeerte alle nagenoeg op hetzelfde neerkomen,” zeide George.
„Zelfs die spot zou weerlegd kunnen worden, indien hij iets ter zake deed,” antwoordde Pendennis, „maar dat doet hij niet. Ik zou u kunnen antwoorden, dat de meest wijze en verhevenste van alle leermeesters die wij ooit gekend hebben, de onvermoeide Versterker en Vertrooster, zelfs den beklagenswaardigen moordenaar aan het kruis eene barmhartige verhooring en eene vaste hoop toezeide. Lofzangen van heiligen! oden van dichters! Wie zijn wij, dat wij de kansen en gelegenheden, de middelen om goed of kwaad te doen, of zelfs te beoordeelen, die aan de menschen geschonken zijn, zouden kennen, en een regel zouden stellen om hun straffen of belooningen toe te deelen? Wij zijn even voorbarig en onnadenkend in het beoordeelen van de zedelijkheid der menschen als van hun verstand. Wij bewonderen den een als een groot wijsgeer en verklaren den ander voor een domkop, zonder te weten hoeveel waarheid er bij ieder hunner huist, of zeker te wezen dat de waarheid ergens te vinden is. Wij zingen een Te Deum voor dezen held, die een slag heeft gewonnen, en een De Profundis voor dien andere, die uit zijne gevangenis gebroken, maar door de dienders weer bij den kraag gevat is. Onze maatstaf van belooningen en straffen is zeer partijdig en onvolledig, bespottelijk onevenredig en ten eenemale wereldsch, en wij zouden dien ook in de wereld hier namaals wenschen toegepast te zien. Wij trachten de menschen ook in die aanstaande en ontzagwekkende wereld te vervolgen en hun onze machtelooze en partijdige vonnissen van veroordeeling of vrijspraak na te zenden. Wij nemen onze nietswaardige maatstokjes op, om die aan den onmetelijken hemel te leggen, alsof, wanneer wij daarmede in vergelijking treden, de geest van Newton, of Pascal, of Shakespeare verhevener ware dan de mijne; alsof de straal, die van de zon uitgaat, spoediger tot mij kwame, dan tot den man die mijne laarzen poetst. Bij die hoogte vergeleken, zijn de grootste en de kleinste onder ons zoo gering en zoo jammerlijk onbeduidend, dat wij er maar geen berekening van moeten maken en het belachelijk is, het verschil na te rekenen.”
„Op dit punt gaat uw betoog mank, Arthur,” zeide de ander, die nu beter in zijn humeur kwam: „indien wij zelfs met onze gewone rekenkunst bijna tot in het oneindige kunnen vermenigvuldigen evenzeer als deelen, moet de Groote Rekenaar op allen acht slaan, en tegenover Zijn oneindigheid is het kleine niet klein en het groote niet groot.”
„Ik trek die berekeningen niet in twijfel,” hernam Arthur: „alleen zeg ik maar, dat de uwe onvolledig en voorbarig zijn, en daardoor valsch in de gevolgen, zoodat de fout, bij elken stap verder, grooter wordt. Ik veroordeel den man niet, die Socrates vermoordde, of over Galileo het vonnis uitsprak. Ik zeg alleen, dat Galileo veroordeeld en Socrates vermoord is.”
„En echter hebt gij slechts een oogenblik geleden gezegd, dat men in het bestaande en, naar ik dus vooronderstel, ook in alle andere tirannieën moet berusten.”
„Neen, maar ik heb gezegd, dat, indien ik door een tegenstander bedreigd word, van wien ik mij zonder bloedstorting of geweld ontdoen kan, ik hem liever door talmen en uithongeren dan door vechten tot de overgave wil dwingen. Fabius bestreed Hannibal op sceptische wijze. Wie was zijn Romeinsche medeveldheer, van wien wij als jongens in Plutarchus lazen, die met het talmen van den ander spotte, diens moed in twijfel trok, den vijand aantastte en, gelijk hij verdiende, geslagen werd?”
In deze beschouwingen en ontboezemingen van Arthur zal de lezer wellicht toespelingen zien op vraagstukken, die zonder twijfel hem zelf hebben beziggehouden en verontrust, en die hij op geheel andere wijze beantwoord heeft dan door de slotsommen, waartoe onze jeugdige vriend geraakt was. Wij staan niet in voor de juistheid zijner meeningen, die de lezer zich gelieve te herinneren dat in dramatischen vorm gegoten zijn, daar de schrijver hiervoor evenmin verantwoordelijk is als voor de meeningen, die de andere personen dezer geschiedenis uiten. Wij hebben ons alleen ten doel gesteld de voortgaande ontwikkeling te volgen in het gemoed van een wereldsch en zelfzuchtig, maar niet onedel, gevoelloos noch waarheidschuwend man. En men zal zien, dat het beklagenswaardige standpunt, waartoe zijne logica hem tot dusverre gebracht heeft, dat is van een algemeen scepticisme en van spottende berusting in de wereld gelijk zij is; of, indien men het liever zoo noemen wil, een geloof, getemperd door twijfel aan al het bestaande. De smaak en de gewoonte van zoodanig iemand beletten hem een luidruchtig demagoog te zijn, en zijne liefde tot de waarheid en zijn afkeer van huichelarij weerhouden hem van het opperen van de dwaze stellingen, waarmee vele opgewonden hervormers dadelijk gereed staan, en nog veel meer van het uiten van rechtstreeksche onwaarheden in het aanvoeren van bewijsgronden of het weerleggen van zijne tegenstanders; want hij zou liever sterven dan daarvan gebruik maken. De aard van onzen vriend maakte hem onbekwaam om zekere soorten van leugens te vertellen, en evenmin bezat hij kracht genoeg om anders dan met een beleefd, doch ongeloovig glimlachje tegen zekere andere te protesteeren, daar het zijn stelregel was, dat hij alle wetten moest gehoorzamen, zoolang zij niet waren ingetrokken.
En waartoe wordt een man door dit inschikkelijke en sceptische leven gebracht? Onze vriend Arthur was een Sadduceër. De Dooper mocht in de wildernis de armen aanroepen, die met alle macht en kracht naar de donderende toespraken van den prediker en zijne verkondiging van toorn, of wee, of verlossing luisterden; maar onze vriend de Sadduceër zou schouderophalend en glimlachend zijne ranke ezelin van de volksmenigte afwenden en huiswaarts keeren, om onder het lommer op zijn terras na te denken over den prediker en diens gehoor, en zijne boekrol van Plato ter hand te nemen, of zijn onderhoudend Grieksch liederenboek, dat van honig en Hybla en nimfen en fonteinen en liefde beuzelde. Waartoe, vragen wij dus, leidt dit scepticisme? Het leidt den mensch tot eene schandelijke eenzaamheid en zelfzucht – des te schandelijker omdat zij zoo tevreden is, zoo zonder geweten, zoo onbewolkt. Het geweten wat is het geweten? Waarom zou men zich om wroeging bekreunen? Wat is algemeen of bijzonder geloof? Altemaal verdichtselen, in een oceaan van overleveringen gedompeld. Wanneer gij, Arthur, de leugens der wereld ziende en herkennende – gelijk gij ze met eene maar al te noodlottige duidelijkheid zien kunt, – u daaraan zonder eenig ander protest dan een lachje onderwerpt; indien gij, zelf aan zinnelijk genoegen overgegeven, de gansche rampzalige wereld kermende langs u heen laat trekken zonder er door geroerd te zijn; indien er voor de waarheid gestreden wordt en alle mannen van eer gewapend op het slagveld staan geschaard aan de eene of de andere zijde, en gij alleen over uw balkon uwe pijp ligt te rooken, ver van alle gedruis en gevaar, – dan zou het beter zijn, dat gij gestorven waart, of nooit bestaan hadt, dan zulk een aan het genot verslaafd lafaard te wezen.
„De waarheid, beste vriend!” zeide Arthur met onverstoorbare kalmte: „waar is de waarheid? Toon mij die eens aan. Dat is hier de vraag. Ik zie de waarheid aan beide zijden: ik zie haar aan de conservatieve zijde van het parlement, en onder de radicalen, en zelfs op de ministerieele zetels. Ik zie haar in dien man, die, volgens de voorschriften der wetten, aanbidt en daarvoor beloond wordt met een zijden gewaad en vijf duizend pond ’s jaars, in dien man, die, door de onbarmhartige logica van zijn geloof onweerstaanbaar voortgedreven, van alles afstand doet, van vrienden, van roem, van de dierbaarste banden, van het eerzuchtigste streven, van den eerbied van een gansch leger van kerkelijke personen en den erkenden rang van aanvoerder, en door de waarheid gedreven, overloopt naar den vijand, in wiens gelederen hij voortaan als gewoon en onbekend soldaat zal dienen. Ik zie de waarheid in dien man, gelijk ik haar zie in zijn broeder, wiens logica hem tot eene geheel verschillende slotsom brengt en die, na zijn gansch leven besteed te hebben aan ijdele pogingen om een boek, dat voor geen overeenstemming vatbaar is, met zich zelven in overeenstemming te brengen, het eindelijk wanhopig neersmijt en met tranen in de oogen en de handen omhoog geheven verklaart, dat hij er zich niet mee vereenigen kan en er afstand van doet. Indien de waarheid bij deze allen berust, waarom zou ik dan partij kiezen voor een van hen? Sommigen gevoelen zich geroepen om te preeken: laat hen dan preeken. Onder die preekers zijn er mijns inziens wat te veel, die zich verbeelden dat zij de gave ontvangen hebben. Maar wij kunnen niet allen dominé’s zijn in de kerk; dat is duidelijk. Sommigen moeten stilzitten en luisteren, en dutten misschien in. Hebben wij niet ieder onze plichten? De oudste weeshuisjongen trapt het orgel, de meester ranselt de andere jongens op de orgelgalerij, de koster zegt Amen voor den lessenaar, en de kerkbode met zijn staf doet de deur open voor zijn weleerwaarde, die in ruischende zijde naar den kansel treedt. Ik zal de jongens niet ranselen, noch altijd Amen zeggen, noch als kampioen der kerk optreden onder de gedaante van den kerkbode met zijn staf, maar ik zal in de kerk mijn hoed afnemen en daar ook bidden en den dominé de hand geven als hij daar buiten over het gras stapt. Ik weet immers, dat zijn aanwezigheid aldaar een compromis is en dat het eigenlijk eene rijkswet is die voor mij staat? Dat de kerk, waarin hij optreedt, voor een ander soort van eeredienst gebouwd was? Dat de methodistische kapel in de nabijheid is, en dat Bunyan de ketellapper daar ginds op het weiland over de verdoemenis staat te redekavelen? Ja, ik ben een Sadduceër, en neem de dingen zooals ik ze vind, en de wereld en de wetten der wereld voor hetgeen zij zijn, en gelijk ik voornemens ben eene vrouw te nemen indien ik er eene vind, – niet om smoorlijk op haar verliefd te zijn en als een dwaas aan hare voeten te liggen, – niet om haar te vereeren als een engel, of te verwachten dat zij er een zijn zal, – maar om welwillend en beleefd jegens haar te zijn en daartegen welwillendheid en een aangenamen omgang van haar te genieten. En zoo gij dus ooit verneemt, George, dat ik getrouwd ben, verlaat er u dan maar op, dat het geen romaneske liefde van mijn kant zal zijn; en als gij eens van een goed baantje hoort, dat de regeering te begeven heeft, dan heb ik, voor zoover ik weet, geen bijzondere bedenkingen, die mij zouden beletten van uw aanbod gebruik te maken.”
„O schelm van een Pen! ik weet wat gij zeggen wilt,” barstte Warrington hier los. „Dat is nu de zin van uw scepticismus, uw quietismus en uw atheismus, jongetje! Gij wilt u zelven verkoopen. De hemel sta u bij! Gij wilt een koop sluiten, die u zal verlagen en voor uw leven ongelukkig maken, en alle praten daarover is nutteloos. Indien gij uw zin op iets gezet hebt, kan de duivel het u niet beletten.”
„Integendeel, hij is op mijne hand; vindt ge het ook niet, George?” zeide Pen lachend. „Wat zijn dat lekkere sigaren! Ga mee dineeren in de club; de chef is weer in de stad en zal wel wat lekkers voor mij klaarmaken. Niet? gaat ge niet mee? Wees niet boos ouwe jongen, ik ga morgen naar – naar buiten!”
DRIE EN ZESTIGSTE HOOFDSTUK.
HETWELK MISSCHIEN TOT OPHELDERING VAN HOOFDSTUK LXII KAN STREKKEN.
Het inzicht, dat majoor Pendennis, zoo door middel van Strong als door eigene persoonlijke bemoeiing als vriend des huizes, in de zaken der familie Clavering gekregen had, was van dien aard, dat de oude heer bijna terugkwam van de plannen, die hij eenmaal ten voordeele van zijn neef beraamd had. Eene vrouw, met twee zulke schoonvaders als de beide achtenswaardige heeren, die de onschuldige en beklagenswaardige Lady Clavering in hunne huwelijksondernemingen betrokken hadden, kon Arthur geen voordeel aanbrengen. En ofschoon de een tot zekere hoogte den ander onschadelijk maakte en de optreding van Amory of Altamont in het publiek het sein zou zijn geweest tot zijn onmiddellijke verdwijning en strenge bestraffing (want de ontvluchte veroordeelde had den beambte, die met zijne bewaking belast was, overhoop gestoken) en een strop zijn onvermijdelijk einde zou zijn, indien hij weer in handen van de Britsche justitie viel, zoo kon echter geen voogd er op gesteld zijn, voor zijn pupil eene vrouw te kiezen, wier vader op zulk eene wijze uit den weg moest geruimd worden; en de oude heer was altijd van gedachte geweest, dat Altamont, met de galg voor oogen, wel zou zorgen niet herkend te worden; terwijl te gelijker tijd Clavering, die alles zou verliezen zoodra Amory voor den dag kwam, ingeval men de bedreiging van de ontdekking boven zijn hoofd hield, de slaaf zou zijn van dengeen, die zulk een ontzettend geheim kende.
Maar indien de begum Clavering’s schulden nog meermalen betaalde, zou haar rijkdom geheel aan dezen reddeloozen verkwister verspild worden, en hare erven, wie dit dan ook waren, zouden niets anders dan eene ledige kas vinden, terwijl jufvrouw Amory, in plaats van haar gemaal een goed inkomen en eene plaats in het parlement ten huwelijk te brengen, hem alleen haar persoon zou kunnen aanbieden, benevens haar stamboom, met de noodlottige aanteekening: „opgehangen dat er de dood na volgde” naast den naam van den laatsten mannelijken afstammeling van haar geslacht.