Geschiedenis der Noordsche Compagnie
Part 9
[119] De reis van Jan Corneliszoon van Hoorn, waarover Witsen (Noord- en oost-Tartarye. p. 906) spreekt, is geen andere dan deze tot voor korten tijd bijna onbekende tocht.--Volgens Wassenaer (Hist. verhael. VIII fol. 84 vso) deed „Ian May van Hoorn” in 1624 nog eene reis naar Nieuw-Nederland. Op deze reis noemde hij waarschijnlijk den mond der Delaware „May-bay”, de oostelijke punt van den oever daarbij „Caep May.” (Zie de kaart v. Nieuw-Nederland in den Atlas v. Just. Danckers.) Ook een veel zuidelijker gelegen rivier op die kust heette „R. de May.” (Zie de kaart van Amerika in dien Atlas.) Mogelijk zijn echter al deze namen van den bekenden Cornelis Jacobsz. May afkomstig.
[120] Tiele, Mémoire. p. 70.
[121] De Jonge (Opkomst v. h. Nederl. gezag. I. p. 28-30) heeft het eerst de aandacht op deze belangrijke reis gevestigd.
De reis, den 18 Maart 1611 aangevangen, beantwoordde geheel niet aan de verwachting. May sloeg weder den door Barendsz. reeds tweemaal beproefden weg in en was nog ongelukkiger dan deze. Nu het goede spoor, door Rijp ingeslagen en in Nederland in de laatste jaren met zooveel warmte aanbevolen, verlaten was, beloofde de reis reeds dadelijk niet veel nieuws. En waarlijk was dit gedeelte van May’s reis arm aan resultaten. Hij bezeilde de kust van Novaya Zemlya, onderzocht de langen tijd zoo raadselachtige Kostin-sjar[122], en bereikte het Cruys-eylant op 76°, maar nergens kon hij door het ijs breken. Tegen het najaar moest hij tot herstel der geledene schade naar Kildin vertrekken, van waar hij naar Noord-Amerika zeilde om te overwinteren. Het langdurige gedwongen oponthoud werd door hem besteed tot onderzoekingen op de Amerikaansche kust van 47°-(42-1/2)° NB.[123]; bij eene dier landingen werd Aertsz. met eenige anderen door de wilden vermoord. Den 27 Februari 1612 besloot men eindelijk, dat het schip de Craen, na nog eenig vertoef op de Amerikaansche kust, huiswaarts zou keeren[124], en dat May met het schip de Vos op nieuw den noordoostelijken doortocht zou opzoeken.
[122] Hudson had trouwens op zijne tweede reis reeds bewezen, dat Kostin-sjar niet naar de Kara-zee leidde.
[123] Herinneringen van de reis vindt men echter ook op Amerika’s oostkust op 42° NB. in de „Vos-haven” en „Crane-bay”. (Kaart v. N. Nederl. in den atlas v. Goos van 1666.)
[124] Het schip kwam behouden aan. (Hessel Gerritsz., Beschr. v. d. Samoyeden Landt. Voorrede, p. 4.) Zie over de onderzoekingen op de Amerikaansche kust na het vertrek van de „Vos” vrij uitvoerig: Descr. detect. freti. ed. 1613 F.
Deze tweede reis volbracht May met evenveel volharding, maar met even ongelukkigen uitslag als die van het vorige jaar. In het begin van Juni 1612 bereikte hij Kildin, vertrok van daar den 10 en stevende naar Novaya Zemlya, waar hij den 30 aankwam. Tot 8 Juli zeilde hij noordelijk langs de kusten van dit eiland, maar toen stuitte hij op een vast ijsveld, dat zich noordwestelijk van het land uitstrekte. Hij volgde den rand daarvan tot 14 Juli, wanneer hij op 77° NB. was, en keerde naar de kust van Novaya Zemlya terug, die hij den 20 bereikte. Een dergelijken tocht langs het ijs ondernam hij tusschen 29 Juli en 9 Augustus, toen hij niet verder dan tot 77° 45´ NB. kon komen. Zijn plan om recht naar het noorden te zeilen scheen dus onuitvoerbaar; de buitengewoon strenge winter van 1611/12 had de zee van Spitsbergen in eene ijsvlakte veranderd[125]. Den 26 Augustus keerde hij naar huis terug, waar hij omstreeks half September behouden aankwam. Het eenige resultaat der reis was de zekerheid, dat de uitgestrekte zee tusschen Novaya Zemlya en Beeren-eiland geene eilanden bevatte en dat dus de eilanden Matsyn en Willoughby-land niet bestonden[126].
[125] Een dergelijk ijsveld tusschen Spitsbergen en Novaya Zemlya vond kapitein Wood in 1676. Zie de afbeelding daarvan bij: Witsen, Noord- en oost-Tartarye. p. 907.
[126] Berichten omtrent dezen tocht vindt men, behalve by De Jonge en Witsen, in: Beschryvinghe vander Samoyeden Landt. (Voorrede p. 4, en op den rug der kaart van Massa) en uitvoeriger in: Descriptio detectionis freti. (ed. 1613 F en F 2.)--Als eene merkwaardigheid brachten de reizigers behalve walrustanden en beerenhuiden een stuk ijs mede van zulk eene dikte, dat de Amsterdamsche admiraliteit het in Nederland nog aan het publiek kon vertoonen.
De ongelukkige uitslag dezer reis schrikte anderen niet af: reeds het volgende jaar werd een andere tocht met hetzelfde doel ondernomen. Jonas Witsen, raad en oud-schepen der stad Amsterdam, en Symon Willemsz. Nooms[127], een Amsterdamsch handelaar op de kust van Guinea, wendden zich in Maart 1613 uit naam eener Amsterdamsche compagnie weder tot de admiraliteit en verzochten het schip de Vos, waarmede May de reis gedaan had, ter leen. Zij boden daartegen aan een deel in de winst, door handel of door het verkrijgen der in 1596 door de Staten uitgeloofde premie te maken. De admiraliteit toonde zich genegen aan het verzoek te voldoen en om voor de waarde van het schip, gewaardeerd op ƒ 3000, in de onderneming te participeeren[128]. Zoodra men het eens was geworden, vertrok het schip. Als schipper diende daarop Pieter Fransz.[129], die May’s stuurman geweest was[130]; de lading bestond in koopmansgoederen van allerlei soorten: glazen flesschen, olifantstanden, stukken laken, ketels en vooral »zeeven cleynne kasgens met norembergerije.”[131] Evenals May wilde men eerst den noordelijken doortocht zoeken; ditmaal echter langs eenen nieuwen weg. Reeds zoovele malen hadden Nederlandsche zeelieden het noordoostelijk gedeelte der IJszee vruchteloos doorkruist, dat men er aan begon te wanhopen, daar te slagen. Het noordwesten, waar Hudson in de laatste jaren onverwelkbare lauweren had geplukt, waarheen nog onlangs Button vertrokken was, om het verloren spoor van zijnen voorganger te zoeken, was den Nederlanders echter nog geheel onbekend en beloofde dus beteren uitslag. Wij zagen, dat reeds May den last had, wanneer zijne pogingen in het noordoosten mislukten, naar straat Davis den steven te wenden; nu besloot men, de straat, die reeds den naam van Hudson droeg, te doen onderzoeken en te trachten handelsbetrekkingen met de inwoners dier streken aan te knoopen. Door straat Anian moesten de reizigers verder Oost-Indië zien te bereiken. Daar echter het drijven van handel en het verkrijgen van direct voordeel ditmaal hoofdzaak was, werd aan Fransz. reeds dadelijk evenals aan May de last gegeven, om, wanneer het doel in het noordwesten niet bereikt werd, zuidelijker streken te bevaren en in Nova-Francia met de inlanders den ruilhandel te beproeven[132].
[127] Het octrooi der compagnie van Nieuw-Nederland (bij: O’Callaghan, New Netherland. I p. 74) noemt ook den Amsterdamschen oud-burgemeester Gerrit Jacobsz. Witsen onder de reeders van de „Vos.” De Resolutiën der Amsterdamsche admiraliteit spreken van hem geen enkele maal.
[128] Resol. Adm. Amst. 27, 28, 29 Mrt. 1613.--Vgl. De Jonge, Opkomst. I. p. 30.
[129] Resol. Adm. Amst. 14 Aug. 1614.
[130] Waarschijnlijk was op deze reis ook tegenwoordig de bekende Willem Meerman, zoon van den oud-burgemeester en schout van Delft Gerrit Meerman en schrijver van de geestige satire op de kerkelijke geschillen „Comoedia vetus.” Althans Brandt (Hist. der reform. II p. 197) verhaalt van hem, dat hij na lange jaren op zee gevaren te hebben, in 1612 „op een tocht naar ’t Noordtwesten van America ging, om van daer een nieuwe doortoght naar Oostindie te soecken; doch nooit terugkeerde.” Waarschijnlijk heeft dit „overedel vernuft” zich in Nieuw-Nederland gevestigd. Het is waar, dat de reis van de Amsterdamsche reeders in 1613 voorviel, maar ik acht het toch waarschijnlijker, dat Meerman hierbij tegenwoordig was, dan op de reizen in 1612 door de Engelschen Button en Hall gedaan.
[131] Resol. Adm. Amst. 14 Aug. 1614.
[132] Descr. detect. freti. p. 5.--„Nec fervor iste (om den N. doortocht te zoeken)”, dus verhaalt ons daar Hessel Gerritsz. in den zomer van 1613 „in nostris Amsterodamensibus deferbuit plane, superioribus enim mensibus ab ijs emissa est navis, eo tantum fine, ut de transitu, vel Freto Hudsoni inquireret, et num commercij locus sit in istis oris; si vero eventus votis non respondeat, in Oris Novae Franciae negotiabuntur.”
Weldra bleek het, hoe wijs deze bijvoeging geweest was. Waarschijnlijk sneed het tusschen de tallooze landen en eilanden van het noordwesten opgehoopte ijs den reizigers weldra den pas af; zeker is het, dat het zoeken van den doortocht opgegeven en de steven naar »de Riviere Hudson” gewend werd.[133] Ondertusschen was de zomer verstreken en men moest besluiten in het latere Nieuw-Nederland te overwinteren. De »quaetwillige inwoonders”, door herhaalde bezoeken in de laatste jaren niet gunstig jegens hunne blanke broeders gestemd, toonden zich echter nu evenmin als twee jaren vroeger den overwinterenden genegen. Van het drijven van handel was geen sprake; ja evenals op de reis van May vielen ook nu eenige Nederlanders, waaronder de kapitein Pieter Fransz. zelf, als offers der ontembare Indianen[134].
[133] Resol. Adm. Amst. 13, 14 Aug. 1614. Over de reis in het noordwesten wordt daar het stilzwijgen bewaard, omdat men vrijdom van uitgaande rechten hoopte te verkrijgen, zoo de teruggebrachte goederen in 1615 weder ~naar dezelfde bestemming~ als in 1613 werden uitgevoerd.
[134] Resol. Adm. Amst. 14 Aug. 1614.
Tegen het voorjaar van 1614 schenen de kansen voor onze reizigers zich te verbeteren. Achtereenvolgens verschenen niet minder dan vier Nederlandsche schepen op de kust. Lambert Van Tweenhuysen, de oprichter der Noordsche Compagnie, had twee vaartuigen gezonden: de Tyger, schipper Adriaen Block en de Fortuyne, schipper Hendrick Christiaensz. Van Cleef; voor eene andere Amsterdamsche reederij was het schip de Nachtegael schipper Tys Volckaertsz. Mossel uitgezeild, terwijl Le Maire’s Austraalsche Compagnie--of ten minste de hoofdreeders daarvan--Cornelis Jacobsz. May met het schip de Fortuyne, van Hoorn uitgezonden hadden[135]. Schipper Jan De Wit, die in plaats van den vermoorden Fransz. aan boord van de Vos was opgetreden[136], kwam met de nieuw aangekomenen overeen »in Compaignie te handelen”[137], en ieder vertrok om zijn voordeel te zoeken. Block en May maakten zich door hunne ontdekkingen een beroemden naam[138]; Van Cleef was reeds in Juli met zijn schip geladen met bevervellen te huis[139], maar het schip de Vos had voortdurend ongeluk. Toen De Wit in het begin van Augustus 1614 weder te Amsterdam aankwam, had hij zoo weinig voordeel behaald, dat de beide reeders van het schip de admiraliteit moesten verzoeken om vrijstelling van de inkomende rechten over bijna alle goederen, waarvoor zij reeds bij het uitvaren betaald hadden. Hunne ondernemingszucht was echter door het ongeluk zoo weinig uitgedoofd, dat zij dadelijk verlof verzochten de goederen naar dezelfde plaats weder vrij te mogen uitvoeren[140].
[135] O’Callaghan, Hist. of N.-Netherland. p. 74.
[136] Resol. Adm. Amst. 24 Juli 1614.--O’Callaghan, N.-Netherland. I p. 74.
[137] Resol. Adm. Amst. 24 Juli 1614.
[138] O’Callaghan, N.-Netherland. I p. 72, 78.
[139] Resol. Adm. Amst. 24 juli 1614.
[140] Resol. Adm. Amst. 13, 14 Aug. 1614.--Berghaus (Wat men van de aarde weet. p. 226) deelt nog een bericht mede over eene andere Nederlandsche noordpoolreis, die hij tot het jaar 1613 terugbrengt. De ongenoemde zeevaarders zouden, verre naar het NO. stevenende, Novaya Zemlya’s noordoostpunt verre voorbij gezeild, ja zelfs tot 112° OL. gekomen zijn. Het resultaat is zeker verbazend, maar voor ons onderwerp van minder belang. Uit het verhaal zelf blijkt toch, dat het jaartal 1613 hoogstwaarschijnlijk onjuist is. De daarbij vermelde omstandigheden vertoonen zelfs eene groote gelijkheid met het verhaal der plannen van Willem Vlaming en eenige andere requestranten, die in 1664 van de Stn.-Gen. een monopolie voor de N. vaart verzochten. Het jaartal strookt bovendien zeer goed met de mededeelingen in Berghaus’ bron, de: Philosophical Transactions. Dl. X (1675) p. 418, waar wel het jaar der reis niet opgegeven, maar toch gesproken wordt van „some years since.” Misschien is dus de geheele mededeeling niets anders dan een uitvoeriger, maar dan ook zeer overdreven verhaal van de bekende eerste reis van Vlaming, die door De Jonge (Nova Zembla. p. 24) tot 1663 teruggebracht wordt, en dus juist een halve eeuw na 1613 plaats had.--Nicolai (Relation. Vorredt p. 7, 11, 18) verhaalt van verschillende Nederlandsche reizen ter zee en te land ondernomen om den doortocht te zoeken in 1611-13, met name van 3 Nederlandsche schepen, in 1613 uitgevaren om Hudson te zoeken, maar onverrichter zake teruggekomen met de ontdekking, dat Hudsons straat een zeeboezem is. De schrijver, met de gebeurtenissen in Nederland zoo slecht bekend, dat hij zelfs niets van de reis van J. Csz. May vernomen heeft, schijnt echter zijne berichten alleen uit Megisers vertaling van Hessel Gerritsz’s Detectio freti geput te hebben; de eerste zéer onbepaalde mededeeling schijnt op de beweerde reis van Le Maire en Massa in 1611 te slaan; de tocht van 1613 is dunkt mij zonder twijfel Buttons reis in dat jaar, waarvan Nicolai Hessel Gerritsz.’ verhaal verkeerd begrepen heeft.
Hier eindigt het eerste tijdperk der Nederlandsche tochten naar het noorden. Het jaar 1614 was bestemd om aan de ondernemingszucht der ontdekkers een dubbelen hinderpaal in den weg te stellen. Twee compagniën verrezen nagenoeg tegelijkertijd, die, door het octrooi der Staten-Generaal beschermd, alle Nederlanders uitsloten van den handel op het terrein, door de Nederlandsche noordpoolreizigers in de laatste jaren bevaren. Het verzoek door Witsen en Nooms gedaan om hunne goederen weder vrij te mogen uitvoeren--een verzoek dadelijk toegestaan[141]--toonde reeds dat de vaart op Amerika’s oostkust door hen niet opgegeven zou worden. Weinige maanden later (11 October 1614) werden de beide reeders dan ook opgenomen in het octrooi, dat de Compagnie van Nieuw-Nederland van de Staten-Generaal verkreeg. Reeds in Januari van hetzelfde jaar had eene andere compagnie ook voor de vaart op de noordsche landen uitsluitende rechten verkregen: de »Noordsche Compagnie” trad als bevoorrechte vereeniging op. De vaart op het noorden en het westen, sinds Hudsons derde reis voortdurend vereenigd, werd dus voortaan de bron waaruit ~twee~ vereenigingen schatten hoopten te verzamelen. Maar toch bleef de band, die de beide compagniën verbond, zeer nauw. Lambert Van Tweenhuysen, die als hoofdreeder in de compagnie van Nieuw-Nederland optrad, was ook de eerste, die in het octrooi der Noordsche genoemd werd, en terwijl de eerste bewindhebbers van beide compagniën gedeeltelijk dezelfde personen waren, zetten de familiën deze traditie nog jarenlang voort[142]. De Compagnie van Nieuw-Nederland, die eerlang in de West-Indische Compagnie opging, bleef ook toen nog nauw met hare Noordsche zuster verbonden. Maar het lot der beide lichamen, door oorsprong en belangen vereenigd, was toch geheel verschillend. De West-Indische Compagnie, eerlang van het terrein, waarop zij zich eerst gevestigd had, verdreven, sleepte in andere gewesten gedurende langer dan eene eeuw haar kwijnend bestaan voort; terwijl de Noordsche, zich juist te nauw beperkend tot het gebied, dat zij reeds dadelijk bezette, wel is waar zonder vreemde hulp en aanvankelijk met voordeel zich kon staande houden, maar toch reeds na dertig jaren voor de aanvallen harer mededingers bezweek. De geschiedenis der eerste vereeniging is, voorzoover zij Nieuw-Nederland betreft, door Amerikanen reeds op eene wijze bewerkt, die den Nederlander moet doen blozen; het zal mijn streven zijn, nu ten minste door de beschrijving van de lotgevallen der Noordsche Compagnie gedeeltelijk eene leemte aan te vullen, die te lang in onze geschiedboeken bestaan heeft.
[141] Resol. Adm. Amst. 18 Aug. 1614.
[142] Onder de eerste reeders ter walvischvangst worden als bewindhebbers, reeders of patroons in Nieuw-Nederland genoemd: Lambert Van Tweenhuysen, Simon Van der Does, Samuel Godin, Claes Jacobsz. Harencarspel, Hans Claessen en Barend Sweerts voor Amsterdam; bij de Zeeuwen: Pieter Boudaen Courten, Adriaan Ketelaer, Jan Gyselingh, Adriaan Velters en Jan De Moor. Onder de latere reeders vinden wij bij beide compagniën leden der familiën Ranst, Van der Graeff Snellingh, Velincx, Lampsens, Bisschop, Ray en Van der Dussen. Adriaan Block reisde in 1614 naar Nieuw-Nederland, in 1615 naar Spitsbergen; het schip de Fortuyne voer in 1613 naar Spitsbergen, in 1614 naar Nieuw-Nederland; Hinlopen, een der bewindhebbers der N. C. werd in Nieuw-Nederland vernoemd; de beide zonen van Jacob May deden in dienst van beide compagniën in 1614 twee reizen.
HOOFDSTUK II.
DE NOORDSCHE COMPAGNIE.
Terwijl de Nederlanders zich alzoo bij herhaling verdienstelijk maakten door hunne pogingen om de noordelijke zeeën aan Europa te doen kennen, hadden ook de Engelschen niet stilgezeten. De Moscovische Compagnie, in 1553 opgericht met het doel om ontdekkingen te doen en nieuwe handelswegen te openen, was daartoe dan ook te goed in de gelegenheid dan dat zij niet meer systematisch dan de Nederlanders zich op het verkennen der noordelijke streken zou toegelegd hebben. Al bleef hare aandacht voornamelijk op den Russischen handel gericht, toch zond zij nog dikwijls schepen naar het hooge noorden om de onbekende zeeën te doorzoeken.
Op een dezer reizen, in 1603 door Stephen Bennet op kosten van Sir Francis Cherie, lid der Moscovische Compagnie[143], met het schip The Grace ondernomen, stuitte men echter toevallig, op weg van Kola naar het noorden, op het den Engelschen nog onbekende Beeren-eiland. De tocht werd gestaakt en met het bericht, dat men op het nieuw gevonden land eenig looderts en vele sporen van walrussen gevonden had, keerde men huiswaarts. De Moscovische Compagnie begreep het gewicht der ontdekking. Dadelijk zond zij in 1604 Bennet weder naar Beeren-eiland en toen hij daar nu werkelijk eene groote menigte walrussen gevonden had, besloot men het land geregeld te bezoeken. Naar den eersten reeder werd het Cherie-island genoemd en jaarlijks vertrok nu voortaan een schip, op kosten van een der leden van de Moscovische Compagnie, daarheen[144]. De walrusjacht bleef hoofdzaak: aanvankelijk met geweren, later met lansen viel men de logge monsters aan, die eerlang een gemakkelijke prooi voor de jagers werden. Honderden koppen werden jaarlijks in Engeland ingevoerd; want vooral de tanden, destijds duur betaald, waren het doel der jacht. In 1605 begon men uit het spek de eerste traan te kooken; sinds 1611 beproefde men ook de huiden als handelsartikel te gebruiken[145]. Naast de walrusjacht hield men zich met het dooden van zeehonden, beeren, vossen en vogels bezig; de reeds in 1603 opgemerkte loodmijn leverde nu en dan eenig erts en een enkele maal vond men steenkool. Zoo was Beeren-eiland gedurende eenige jaren een rijke bron van voordeel voor de Moscovische Compagnie.
[143] Zie over Sir Francis Cherie: Hamel, Tradescant der Aeltere. p. 295, 96.--De Moscovische Compagnie was evenals de Engelsche Oost-Indische eene zoogenaamde „regulated company”, „een soort van gilde, welks leden vrij waren om binnen zekere grenzen en met inachtneming van zekere bepalingen zelfstandig te handelen, en dat onder zekere voorwaarden nieuwe leden in zich mogt opnemen. Elke uitrusting eener vloot werd ondernomen door eenige personen, die vrijwillig zamenwerkten, geheel voor eigen rekening handelden, en slechts door de algemeene voorschriften der compagnie gebonden waren.” (Van Rees, Staathuishoudkunde in Nederl. II p. 19.)
[144] Zie de verhalen dezer reizen bij: Gordon, Voyage to the Northwards. Anno 1603. (Purchas, Pilgrimes. III p. 566; cf. ald. III p. 464.)--Poole, Divers Voyages to Cherie Iland. (1604) (Purchas, l. c. III p. 556.)--Poole, Third Voyage to Cherie Iland. (1605) (Purchas, l. c. III p. 558.)--Poole, Fourth Voyage to Chery Iland. 1606. (Purchas, l. c. III p. 559.)--Poole, Sixth Voyage to Cherie Iland. (1608) (Purchas, l. c. III p. 560.)--Poole, Seventh Voyage to Cherie Iland. (1609) (Purchas, l. c. III p. 561.)--Poole, Voyage to Cherry Iland etc. (1610) (Purchas, l. c. III p. 700.)--Comm. der Mosc. Comp. voor Edge. (Purchas, l. c. III p. 709.)--Edge, Dutch disturbance. (Purchas, l. c. III p. 464.)--Poole deelt ons in het verhaal van een dezer reizen (1608) een merkwaardig bericht mede over de temperatuur in de IJszee. „The twentieth and one and twentieth dayes (of June),” dus verhaalt hij, „it was calme, and the weather cleere, and wee had it as hot as I haue commonly felt in England at that time of the yeere. For the Pitch did runne downe the ships sides; and that side of the Masts that was to the Sunne ward, was so hot, that the Tarre did frye out of it, as though it had boyled.” Heley verhaalde aan Purchas, dat het op Spitsbergen somtijds zoo koud was, dat de bevroren zeilen niet te behandelen waren, terwijl den volgenden dag de temperatuur zoo heet was, dat al het pik op het schip smolt, zoodat alles vuil werd; ja, nu en dan kon men te middernacht zijne pijp door middel van een brandglas aansteken. (Purchas, Pilgrimes. III p. 788.)
[145] Commissie der Mosc. Comp. voor Poole, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 709.
Maar de kans keerde. De walrussen werden door het jagen schuw, de vangst werd bezwaarlijker, de dieren minder in getal. En daarbij kwamen concurrenten, die eerlang op de voordeelen der vaart opmerkzaam werden. Reeds in 1607 verscheen een schip voor rekening van een Londensch bierbrouwer op het eiland; de visschers van Hull, reeds van ouds geoefende walvischvangers aan de Noordkaap, volgden dadelijk in dit spoor[146]. De compagnie, die het door haar aan de Engelschen bekend geworden eiland als haar uitsluitend eigendom aanmerkte en er dan ook reeds in 1608 een sloep achterliet, ging wel in 1609 tot de plechtige inbezitneming over, maar het baatte niet, de concurrentie nam toe en het voordeel verminderde sterk. In deze omstandigheden sloeg de Moscovische Compagnie het oog op Spitsbergen, dat door Hudsons bezoek in 1607 nader bekend geworden was. Jonas Poole werd in 1610 door de vereeniging naar de tot nog toe slechts tweemaal bezochte kusten van dit eiland gezonden; hij verkende de baaien[147] en ving eenige walrussen. En daar Thomas Edge, die met een ander schip der compagnie weder naar Beeren-eiland vertrokken was, dit jaar geheel zonder lading terugkwam, nam men dadelijk het besluit de oude nederzetting te verlaten[148] en de uitrustingen voortaan naar Spitsbergen, of zooals men toen zeide, naar Greenland[149], te richten.
[146] Purchas, Pilgrimes. III p. 709.
[147] Bij deze gelegenheid gaf Poole aan verschillende plaatsen namen, die ze langen tijd (enkele zelfs tot nu toe) behouden hebben. Zoo vinden wij genoemd: Hornesound, Muscovy Companies Mount, Ice-point, Bell-point, Lownesse-island, Lowe-sound, Blackpoint-isle, Cape Cold, Ice-sound, Fair foreland, Knotty-point, Fowl-sound, Deer-sound, Closs-cove, Gurnerds-nose, Cross-road, Fairhaven en Greenhaven of Greenharbour.