Geschiedenis der Noordsche Compagnie
Part 7
[77] De koers van Rijp na zijne scheiding van Heemskerck wordt hier voor het eerst medegedeeld. Ik ontleen dien voornamelijk aan de door De Jonge gevonden getuigenis van Rijp zelven. (Opkomst. I p. 24.) De woorden zijn niet overal duidelijk, maar in verband met de mededeeling van De Veer op 1 Juli 1596 (en van Van Meteren, Comment. ofte memor. fol. CLIII), dat Rijp op nieuw naar 80° NB. wilde zeilen en wel ~oostelijk~ van Spitsbergen, en met de berichten van zijne aankomst bij Vogelhoek, kan ik de woorden van Rijp: „et prist son cours en amont (naar het noorden?) ~a tour d’iceluy pays~,” niet anders verstaan dan door het omzeilen van Spitsbergen aan te nemen. Daarmede stemt volkomen overeen het verhaal van Rijps plannen en reis door Hessel Gerritsz. (Hist. de Spitsb. p. 10), die Barendsz.’ journaal voor zich had liggen.--Vgl. over de reis van Rijp ook: Pontanus, Beschr. v. Amst. p. 168.
Onderwijl hadden Heemskerck en Barendsz. een geheel andere richting gevolgd. Den 17 Juli kwamen zij in het gezicht van Novaya Zemlya. Op nieuw volgde Barendsz. nu de noordwestkust van het eiland, die hem reeds in 1594 bekend geworden was. Weken lang worstelde het schip met het ijs en den 15 Augustus bereikte men eindelijk de Oranje-eilanden, het verste punt der eerste reis. Ditmaal gelukte het verder te gaan. Zuidoostwaarts de kust volgende zeilde men den Hoek van Begeerte om en kwam 21 Augustus in de IJshaven aan, waar het schip geheel in het ijs beklemd raakte. Hoe de Nederlanders hier van den 26 Augustus 1596 tot den 14 Juni 1597 onder 76° NB. op eene onbewoonde barre plaats in een hut van planken moesten overwinteren, hoe zij daarna in twee opene schuiten de terugreis aannamen, hoe Barendsz. onderweg overleed, hoe zijne lotgenooten na tallooze gevaren ontmoet te hebben eindelijk 2 September te Kola een Nederlandsch koopvaardij schip vonden, waarop hun vroegere tochtgenoot Jan Cornelisz. Rijp kapitein was, en hoe zij van daar 29 October in de Maas aangekomen te Amsterdam in hunne pelzen van vossenvel rapport van hun wedervaren deden,--zijn zaken, die te bekend zijn om ze hier uitvoerig te verhalen[78].
[78] Zie over deze reis: De Veer, Drie seylagien na de Coninckrycken van Catthay ende China. (Derde reis.)--Ook: Hamel, Tradescant der Aeltere. p. 148 Noot 1.
Het verslag, dat Heemskerck en de zijnen van hunne avontuurlijke reis deden, was niet geschikt om tot verdere proefnemingen aan te moedigen. Men mocht hen prijzen om den betoonden moed en volharding; men mocht hun den lof geven, dat zij verder dan een hunner voorgangers in het noorden waren doorgedrongen, te verhelen was het niet, dat de doortocht niet gevonden was en dat, ook al had geen land de reizigers gestuit, de zee zelve dicht bezet met drijfijs een bijna even onoverkomelijken hinderpaal had opgeleverd. Men moest wel door eene harde noodzakelijkheid gedrongen worden, wanneer men die bijna onbevaarbare zee als handelsweg gebruiken wilde. En die noodzakelijkheid bestond reeds niet meer. Waren reeds in het begin van 1596 de uitkomsten van Linschotens reizen in Portugeeschen dienst bekend geworden, in hetzelfde jaar als Heemskerck keerde Houtman met de eerste Nederlandsche vloot uit Oost-Indië terug. De gewone weg, waarom men Spanje en Portugal steeds zoozeer benijd had, was gevonden: wat behoefde men zich een nieuwen doortocht te zoeken, die zooveel meer moeielijkheden aanbood?
Werkelijk werd er in de eerste jaren na 1597 niet meer aan den noordelijken doortocht gedacht: de handel op Oost-Indië bloeide langs den gewonen weg meer en meer. In 1602 kwam het tot de oprichting der Oost-Indische Compagnie, die den handel bevestigen en voor goed in den ouden weg leiden zou. Maar juist door die oprichting ontstond er weder eene aanleiding tot het zoeken van den noordelijken doortocht. In het octrooi had de regeering zijdelings eene premie uitgeloofd op het bereiken van het vroeger zoo begeerde doel. Aan de Oost-Indische Compagnie was namelijk door de Staten het recht verleend om met uitsluiting van alle andere Nederlanders op Oost-Indië te mogen varen ~langs de kaap de Goede Hoop en door de straat van Magellaan~. Andere onontdekte wegen naar Oost-Indië bleven dus voor de vrije mededinging open. Wat wonder; dat zij, die om politieke of religieuse redenen geen deel aan de voordeelen, door de bevoorrechte compagnie verkregen, wilden hebben, zich dadelijk beijverden het oude Nederlandsche plan weder op te vatten, dat te lang vergeten was? De Oost-Indische Compagnie werd door deze mededingers dan ook reeds dadelijk na hare oprichting verontrust. Was er reeds in December 1601--misschien onder den indruk van de verschijning van het journaal van Linschoten in dat jaar,--weder sprake geweest van het zoeken van den noordoostelijken doortocht[79], den 8 November 1602 richtten eenige kooplieden tot de Staten-Generaal een verzoek om hulp tot een tocht »om te soecken den pas om noorden nade eylanden ende vaste landen van Asia ende America.”[80] Dadelijk beraadslaagden de bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie om zelven den doortocht te zoeken en zoodoende, steunende op hun recht als eerste ontdekkers, ook dezen weg in hun monopolie te doen opnemen. Het gevaar dreigde echter de compagnie nog te zeer van verre om de vergadering tot zulke maatregelen van belang over te halen: den 7 Augustus 1603 namen de zeventien het besluit den doortocht niet te zoeken. Men schijnt overwogen te hebben, dat ook na de ontdekking het verkrijgen van octrooi bij de bekende ongunstige gezindheid der Staten-Generaal voor monopoliën twijfelachtig was, en men nam dus voor, liever te trachten de pogingen door de vijanden der compagnie aangewend te verijdelen, dan zelf met hen te wedijveren in zoo onzekere ondernemingen[81].
[79] R. S.-G. 21 Dec. 1601.--Het journaal van Linschoten bevatte in de opdracht aan de Staten-Generaal eene nieuwe aansporing tot het zoeken van den noordoostelijken doortocht. Het doel dezer poging, door de vijanden der O.-I. C. gewaagd, schijnt geweest te zijn, te beletten, dat de compagnie octrooi kreeg ook voor de nog onontdekte wegen naar Oost-Indië.
[80] R. S.-G. 8 Nov. 1602.
[81] Resol. XVII dd. 27 Febr., 7 Aug. 1603.--Murphy, Hudson in Holland. p. 22, 23.--De Jonge, Opkomst. I p. 26.--Van Dam, Gesch. der O.-I. C. I Cap. I. 5. (M.S.) R.-A.
Hoewel dit plan van de bestrijders der Oost-Indische Compagnie voorloopig ter zijde gesteld schijnt te zijn, hield de concurrentie volstrekt niet op. De bekende Isaac Le Maire, de hardnekkige tegenstander der compagnie, zocht voortdurend naar middelen om de gehate vereeniging te doen bukken. Wel had in 1606 een besluit der Staten-Generaal het door hen verleende monopolie krachtig gehandhaafd, maar de publieke opinie verklaarde zich meer en meer ten nadeele der compagnie en de oppositie schepte moed. Vele Zuid-Nederlandsche kooplieden, nog onlangs versterkt door de rijke aandeelhouders der compagnie zelve, die geen deel aan den door haar met de wapenen in de vuist verkregen buit wilden hebben, waren reeds lang in het geheim aan het onderhandelen met Hendrik IV, om onder zijne bescherming den Franschen handel op Oost-Indië te vestigen. Le Maire voegde zich bij hen. De nieuwe compagnie, die zich alleen op vreedzaam handeldrijven wilde toeleggen, zou ongestoord de vruchten plukken van de door de Oost-Indische Compagnie met geweld en kosten behaalde voordeelen en haar dadelijk op elk met moeite ontgonnen veld als mededingster kunnen volgen. Door de bescherming van Nederlands machtigen vriend zou zij onschendbaar zijn[82]. En dit meer slimme dan edele plan was niet het eenige gevaar, dat de Oost-Indische Compagnie dreigde. Een ander lievelingsdenkbeeld der Zuid-Nederlanders, het ontwerp van eene West-Indische Compagnie, werd door Willem Usselincx gedurig met kracht aangedrongen, en het naderend bestand met Spanje dreigde de compagnie met nieuwe moeielijkheden. Wat eindelijk alles afdeed: de alvermogende Oldenbarnevelt, die slechts onder den drang der omstandigheden medegewerkt had tot het vestigen van het Oost-Indische monopolie, scheen niet ongeneigd den mededingers nu de hand boven het hoofd te houden. Waarlijk, zelden stonden de kansen der Oost-Indische Compagnie zoo hachelijk! In deze omstandigheden was het van het uiterste belang, dat de publieke opinie zich weder begon bezig te houden met den doortocht in het noorden.
[82] Zie over deze plannen: Fruin, Een onuitgeg. werk van de Groot, in: Gids. 1868. IV p. 33-35.--Bakhuizen van den Brink, Isaac le Maire, in: Gids. 1865. IV p. 18-34.--Asher, Hudson the Navigator, p. CXCVIII-CCI.
In 1607 had de beroemde Henry Hudson een nieuw tijdperk in de geschiedenis der noordoostelijke reizen geopend. Hij had Spitsbergen bezocht en bij zijne terugkomst vele belangrijke mededeelingen gedaan. Het gerucht van zijne reis had ook Nederland bereikt en de algemeene aandacht gaande gemaakt. Voor de Oost-Indische Compagnie was dit een feit, waarmede gerekend moest worden: in den ernstigen toestand, waarin zij verkeerde, zou de ontdekking van de noordelijke doorvaart, die aan hare mededingers ook binnenslands de handen beloofde vrij te geven, haar onmiddellijk ten val gebracht hebben. Er moesten dus maatregelen genomen worden om die mededingers vóór te zijn, nu de publieke opinie nieuwe tochten naar het noorden scheen te eischen.
De compagnie zag dit zelve in en hare maatregelen beantwoordden aan haar karakter als bevoorrechte vereeniging. Op het einde van 1608 besloot zij bij de Staten-Generaal een verzoek in te dienen om haar octrooi uit te breiden. Door ook den noordelijken weg naar Indië daarin op te nemen meende zij, dat voor goed aan alle mededinging de pas afgesneden zou zijn. Maar het plan lekte uit en dadelijk was de erfvijand der compagnie, Isaac Le Maire, gereed om het te bestrijden. Hij diende bij Oldenbarnevelt eene uitvoerige memorie in, waarin hij er op wees, dat alle onnoodige uitbreiding van monopolie schadelijk was, omdat »daermede eenige particuliere alleen het benefitie genietten ende het generael daervan gefrustreert is.” Waren daarom alle de verzochte uitbreidingen van het octrooi niet wenschelijk, de vaart naar het noorden in het bizonder behoorde open te blijven; aangezien »die noch te vinden was ende misschien by de Compagnie niet gevonden soude werden, ende met sulcken ernst apparentelycken niet en soude gesocht worden, als by andere.” Het verzoek der bewindhebbers strekte verder tot nadeel van alle partikuliere kooplieden der Vereenigde Provinciën, die zich steeds verlaten hadden op de in 1596 op het ontdekken van den doortocht gestelde premie[83].
[83] Zie deze memorie afgedrukt bij: De Jonge, Opkomst v. h. Nederl. gezag in O.-I. III p. 364 vlg.--Vgl. daarover: De Jonge, I. c. III. p. 125.--Van Rees, Gesch. der staathuishoudk. II. p. 42 vlg.--Bakhuizen van den Brink, Isaac le Maire, in: Gids, 1865. IV p. 34-39.
Dit laatste was wel het hart der quaestie. Le Maire verheelde het aan Oldenbarnevelt niet, »dat andere soowel als de Compagnie, desseing hadden gemaeckt, inde vaert van Noorden te aventueren, ende niet en behoorden gefrustreert te worden.” Werkelijk werden van beide zijden toebereidselen gemaakt om den doortocht te zoeken. Oldenbarnevelt, de oude vijand van alle monopolie, was de man niet om tot het plan der compagnie mede te werken, en van het uitbreiden van het octrooi kwam dan ook niets. De bewindhebbers hadden dit zelven reeds gevreesd. Reeds vooraf hadden zij hunne maatregelen genomen, en zoodra het bleek, dat hun plan geen kans van slagen had, poogden zij in het worstelperk der vrije concurrentie de overwinning te behalen. Dadelijk toen Hudson in 1608 terugkwam van zijne tweede reis, waarop hij den weg ten noorden van Novaya Zemlya te vergeefs had beproefd, Kostin-sjar onderzocht en bevonden had, dat die zeeëngte niet naar de zee van Kara leidde, ontbood de Oost-Indische Compagnie hem zelven naar Nederland om met hem in onderhandeling te treden.
Omstreeks het einde van 1608 kwam Hudson werkelijk te Amsterdam[84]. Hij had langdurige conferentiën met de bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie, met Plancius en Hondius, maar ten slotte oordeelde men het onmogelijk, van een zoo omslachtig ingericht lichaam als de Oost-Indische Compagnie, tijdig een besluit te verkrijgen om Hudson nog dit jaar in dienst te nemen. Met eene belooning voor zijne moeite en de belofte hem het volgende jaar te zullen uitzenden, moest de Engelschman dus naar huis vertrekken. Dadelijk maakte Le Maire van deze gelegenheid gebruik. Hij sprak met Hudson en trachtte hem over te halen, de reis naar het noorden nog dit jaar voor zijne rekening te doen. Voor de nieuwe in Frankrijk op te richten Oost-Indische Compagnie stelde hij zich gouden bergen voor van de diensten des beroemden zeemans. Maar het plan lekte uit en de Oost-Indische Compagnie nam dadelijk hare maatregelen. Toen de Zeeuwsche kamer weigerde Hudson uit te zenden, daar zij de uitgaven aan het zoeken van den noordoostelijken doortocht besteed, als nuttelooze geldverspilling beschouwde, besloot de Amsterdamsche kamer in de bestaande onmogelijkheid om tijdig eene algemeene vergadering bijeen te roepen, de verantwoordelijkheid voor de zending alléen op zich te nemen. Zij trad dadelijk op nieuw met Hudson in overleg en den 8 Januari 1609 sloten beide partijen een contract, waarbij de Engelschman zich verbond den noordoostelijken doortocht te zoeken en bij goeden uitslag dadelijk naar Nederland terug te keeren. Daar zou hij zich dan met der woon vestigen en uitsluitend in dienst der Oost-Indische Compagnie blijven. Deze verbond zich daarentegen aan Hudson na het einde der reis ƒ 800 of bij overlijden aan zijne vrouw en kinderen ƒ 200 uit te betalen. Zoo de doortocht gevonden was, zou men hem rijkelijk beloonen; de aard en grootte dezer belooning werden geheel aan de bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie overgelaten. Den 6 April 1609 vertrok Hudson daarop met een vlieboot, de Halve Maan genaamd, van de reede van Texel[85].
[84] Zie hetgene over Hudsons vroegere betrekkingen te zeggen valt zeer uitvoerig bij: Read, Hist. inquiry conc. Henry Hudson.
[85] Zie over het voorgaande zeer uitvoerig: Murphy, Hudson in Holland. p. 22-39.--Ook: Asher, Hudson the Navigator, p. CCII, CCIII.--Dat Hudsons schip de Halve Maan, niet de Goede Hoop heette, heeft Murphy l. c. p. 55-58 overtuigend aangetoond.
Zoo belangrijk de geschiedenis van het uitzenden van Hudson is, zoo onbeduidend zijn de resultaten, door hem verkregen in de hem bij zijne Instructie opgedragen taak. Men had hem voorgeschreven het oude Amsterdamsche plan nogmaals te beproeven, en dus evenals Barendsz. ten noorden van Novaya Zemlya te trachten de straat Anian te bereiken[86]. Van daar moest hij terugkeeren, zonder bij mislukking van die poging eenen anderen weg te mogen beproeven. Dergelijke proefnemingen wenschte de Oost-Indische Compagnie tot eene latere gelegenheid uit te stellen; voorloopig was het haar alleen om de prioriteit in het vinden van den noordoostelijken doortocht te doen[87].
[86] Witsen, Noord- en oost-Tartarye. p. 906.
[87] Hudsons Instructie is verloren; zie echter een overzicht van den inhoud uit Van Dam’s Geschiedenis der O.-I. C. bij: Murphy, Hudson in Holland. p. 38, 39.--Zoo men al de ontdekkingen, door den ~Engelschman~ Hudson op deze reis gedaan, aan de Nederlanders wil toeschrijven, is het toch duidelijk, dat Nederland alle aanspraak op de ontdekking der Hudsonsrivier, ~die tegen den wil der bewindhebbers geschiedde~, verliest.
In de uitvoering van dit plan was Hudson bizonder ongelukkig. Evenmin als op zijne vorige reis vermocht hij Novaya Zemlya nu te omzeilen. Den 5 Mei bij de Noordkaap aangekomen, zette hij koers naar Novaya Zemlya, maar geraakte spoedig in het ijs beklemd. Nog voordat hij dit eiland bereikt had, werd zijn volk oproerig en was hij genoodzaakt den tocht op te geven. Den 14 Mei keerde hij om, den 19 was hij weder bij de Noordkaap en op zijne verdere reis hield hij zich geheel bezig met het uitvoeren zijner nieuw opgevatte plannen tot het vinden van den noordwestelijken doortocht[88]. Dat hij op die reis o. a. de Hudsonsrivier onderzocht en aanleiding gaf, dat de aandacht zich op de heerlijke streek, waar nu New-York verrezen is, vestigde, is eene zaak, die, hoe gewichtig ook en met hoeveel ingenomenheid ook door de geschiedkundigen besproken, voor ons van geen belang is. Het zij ons genoeg op te merken, dat Hudson den 7 November in Engeland aan wal gestapt, aan de Nederlandsche Oost-Indische Compagnie voorstelde om van daar uit op hare kosten het noordwesten verder te onderzoeken,--dat de bewindhebbers hem integendeel bevalen dadelijk naar Nederland te komen, maar dat hij door de Engelsche regeering verhinderd werd aan dien last te voldoen; eindelijk dat hij, dus belet om zijne gelofte aan de Oost-Indische Compagnie gestand te doen, zijn journaal overzond, het schip alleen naar Nederland liet terug gaan en zich op nieuw in dienst der Engelsche Moscovische Compagnie begaf[89].
[88] Zie over deze plannen zeer uitvoerig het scherpzinnige betoog van Murphy: Hudson in Holland, p. 41-52.
[89] Alle berichten over Hudsons reizen vindt men verzameld by: Asher, Hudson the Navigator. De berichten over dezen tocht, voor zoover die voor mijn onderwerp van belang is, vindt men bij: Van Meteren, Historie. fol. 629 en in het journaal van Juet bij Purchas.
Hoe was het ondertusschen met de pogingen van Le Maire afgeloopen? Het was niet te verwachten, dat een man van zijne energie eene zoo belangrijke zaak zou opgeven zonder ze eerst te beproeven. Werkelijk was dit ook het geval niet: niettegenstaande de vele teleurstellingen zette hij zijn plan door. Wij hebben gezien, dat Hendrik IV de plannen van de vijanden der Oost-Indische Compagnie in zijn eigen belang begunstigde; het kwam er slechts op aan den weg door het noorden te vinden, ten einde botsingen met de Staten-Generaal te voorkomen. In Frankrijk was echter niet licht iemand te vinden, die met kans op goeden uitslag den gevaarvollen tocht zou kunnen ondernemen. Wij zagen, dat ook de onderhandelingen met Hudson aangeknoopt mislukten. Het was dus zaak, in Nederland een persoon in dienst te nemen, die tegen den Engelschman ten minste eenigszins opgewassen was. Le Maire meende dat dit niet moeielijk zou zijn. Reeds dadelijk nadat Hudson door de Oost-Indische Compagnie in dienst was genomen, had hij het oog op een ander, die zijne oogmerken kon bevorderen. Wie daarmede bedoeld wordt, weten wij niet; alleen verhaalt ons Jeannin, dat het iemand was, die de reis (ten noorden van Novaya Zemlya) reeds eenmaal gedaan had en door Le Maire voor een meer ervaren zeeman dan Hudson zelf gehouden werd. Wij mogen het er voor houden, dat dit verhaal meer van de zucht om het plan aan Hendrik IV smakelijk te maken dan van historische nauwgezetheid getuigt: een bekwamer persoon dan Hudson was toch in 1609 bezwaarlijk te vinden. Verschillende omstandigheden schijnen dan ook den bedoelden zeeman eenvoudig als eenen tochtgenoot van Heemskerck en Rijp op hunne beroemde reis van 1596 en 97 te kenmerken[90].
[90] Jeannin, Négotiation. II p. 280.--De gissing maak ik op uit eene plaats van denzelfden (l. c. II p. 276) waar hij ons meldt, dat Le Maire bij deze gelegenheid confereerde met Plancius en eenige „pilotes, qui ont fait la même navigation,” o. a. een, „qui fut aussi, il y a trois ans, employé en cette même recherche, et passa jusqu’à Nova Zembla, . . . tirant au nord.” Dat hier sprake is van eenen tochtgenoot van Heemskerck in 1596, is dunkt mij buiten twijfel. Eene Nederlandsche reis naar het noorden tusschen 1597 en 1609 heeft niet plaats gehad: de reis van Hudson was „de vierde Schip-vaerd.” (Tiele, Mémoire. p. 115.) Ook eene reis door Engelschen naar Novaya Zemlya ondernomen is mij niet bekend, behalve die van Hudson zelven in 1608. Asher plaatste dan ook zonder aarzeling „treize” voor „trois ans.” (Hudson the Navigator, p. 246.)--Hoe dit zij, op Melchior Van Kerckhoven schijnt de beschrijving van dezen stuurman gegeven volstrekt niet te passen (zooals De Jonge, Opkomst. I p. 28, III p. 125 wil) en ik moet dus aannemen, dat Le Maire zich eerst later tot hem gewend heeft.--Asher daarentegen (Hudson the Navigator, p. 253 Noot 1) gist, dat Le Maire het oog had op Nay, den bevelhebber der Nederlandsche expeditiën van 1594 en 1595, zonder nochtans eenigen grond voor dit gevoelen op te geven. Daar Asher echter Cornelis Cornelisz. Nay nu en dan met Jan Cornelisz. May, den noordpoolreiziger van 1611 en 12, verwart (zie l. c. p. XLV en CXXXIII, waar hij beide malen May bedoelt) is het ook mogelijk, dat hij den laatste voor den aangeduiden persoon houdt. Ik geloof echter, dat beide gissingen onaannemelijk zijn: van Nay noch van May is het bekend, dat hij „ce même voyage” (namelijk ten noorden van Novaya Zemlya) vóor 1609 gedaan heeft.
Wij weten niet, of Hendrik IV Le Maire’s keus goedkeurde; zeker is het, dat de onderhandelingen met den stuurman van 1596 weldra werden afgebroken. De redenen daarvan zijn ons onbekend; wij kunnen ze echter gissen. De Oost-Indische Compagnie had in overleg met Hudson de plannen voor de onderneming vastgesteld en het was voor Le Maire, die breedvoerige conferenties met den Engelschman gehad had, niet twijfelachtig langs welken weg deze zijn doel zou trachten te bereiken. Het kon niet wenschelijk schijnen, met de compagnie, die in ieder geval vroeger gereed zou zijn dan Le Maire, langs denzelfden weg mede te dingen, en de koers ten noorden van Novaya Zemlya werd dus door den ondernemenden koopman opgegeven[91]. De voornaamste aanbeveling van den stuurman van 1596, namelijk het vermoeden dat hij den te volgen weg kende, verviel hiermede en het was dus verkieslijker iemand van meer ervaring in dienst te nemen.
[91] Dat Le Maire aanvankelijk op den weg ten N. van Novaya Zemlya het oog had, blijkt uit het verslag zijner conferentiën met Hudson e. a. bij: Jeannin, Négotiation. II p. 276. Massa’s beschrijving van de reis bewijst echter, dat dit plan veranderd werd. De poging om Massa voor de reis te winnen wijst aan, dat het de bedoeling van Le Maire was, zich de ondervinding der Russen volgens het plan van Linschoten (zie hiervóor p. 41) ten nutte te maken en zoodoende eene laatste poging langs den algemeen opgegeven weg door de straat van Nassau te wagen. Nog in 1614 beval Pontanus deze richting aan boven de toen algemeen geroemde over de pool. (Beschr. v. Amst. p. 179.)