Geschiedenis der Noordsche Compagnie
Part 6
Het plan dezer tweede Nederlandsche noordpoolreis leeren wij nauwkeurig kennen uit de »pointen geproponeert opte Nauigatie benoorden om, naeden Coninckrycken van China ende Japan.”[65] Het voornemen was zich 11 Juni in het Marsdiep te verzamelen en van daar ten spoedigste langs Vaigatsch naar kaap Tabin te zeilen. Twee jachten waren bestemd om de tijding van het bereiken van dit moeielijk te naderen punt dadelijk in het vaderland aan te brengen. De expeditie zou ondertusschen van kaap Tabin voortstevenen »naede haeuen ende Stadt van Guinsay”, aldaar landen en moeite doen om den vrijen handel te bekomen, vooral er op lettende »wat Coopmanschappen aldaer aengenaem waren, ende voor retour herwaert szouden wezen te becommen.” Dezelfde pogingen moesten de schippers, wanneer het hun hier mislukte, herhalen in alle havens van Azië’s oostkust tot aan het noorden van Japan. Slaagde men ook daar niet, dan moesten de schepen terugkeeren om in Juli, Augustus of uiterlijk September 1596 straat Nassau weder te kunnen passeeren. Evenals het vorige jaar kreeg de bemanning last »van alles goede notitie te houden” en twee jachten af te zenden om den terugweg benoorden Novaya Zemlya te beproeven onder belofte van »eerlycke recompense extraordinarie by succes.” Zooveel wat de reis zelve betrof; de Staten wenschten echter reeds dadelijk de handelsbelangen te bevorderen en besloten »omme te aengenamer te wezen in de voorszeide landen” »eenige Coopmanschap” aan de schepen te doen medegeven. Ten einde de ondernemingszucht der kooplieden, »die op zoe onzekere reyse niet gaerne en zouden hazarderen,” te prikkelen, zou men hen »daertoe Inviteren” door de belofte van vrijdom van in- en uitgaande rechten en van de vracht. Ook kolonisatieplannen werden gekoesterd; ten minste men besloot, dat »oick geleth soude werden oft men eenige quaetdoenders op het Landt soude stellen.”[66]
[65] Zie dit merkwaardige stuk in de verzameling: Noordsche togten, 1. R.-A.--Deze „pointen” werden den 9 Mei 1595 in tegenwoordigheid van Moucheron en andere gecommitteerden der Staten van Zeeland in de vergadering der Staten-Generaal geresumeerd. Men besloot de reis ~op die punten~ vermeerderd met de adviezen der comparanten en op eene nadere instructie te ondernemen, en de kosten uit den opbrengst der konvooien en licenten te vinden. (R. S.-G. 9 Mei 1595.)
[66] Daertoe werd besloten; Van Meteren (Comment. ofte memor. fol. CXXV) verhaalt: „eenighe souden daer ontrent verwinteren, om te weten hoe langhe den Winter ende ghevries daer duert, daer toe ghereetschappe mede nemende om stoven op te stellen.”
Nog veel tijd ging met het gereedmaken der vloot heen: eerst 2 Juli konden de schepen voor de onderneming bestemd van Texel in zee steken. Opperbevelhebber der vloot was wederom Cornelis Cornelisz. Nay[67], opperstuurman Willem Barendsz. Als commiezen van Holland waren op de vloot aanwezig de bekende Linschoten, Heemskerck en Rijp; voor Zeeland De la Dale en Buys, neven van Moucheron. Zoo zeker rekende men ditmaal op het bereiken van Azië’s oostkust, dat men het anders geheel onnoodige getal van zeven schepen voor de reis had uitgerust; men hoopte ze beladen met kostbare handelsartikelen te zien terugkeeren, en werkelijk hadden eenige kooplieden de schepen met koopmanschappen bevracht. De Instructie, die voor Linschoten en De la Dale als oppercommiezen werd gereed gemaakt, schreef hun zelfs nauwkeurig voor, hoe zij met de vorsten der stammen ten noorden van Japan handelsbetrekkingen moesten aanknoopen.
[67] Merkwaardig is het zeker en het getuigt niet voor Nay’s bestuur op den eersten tocht, dat de Staten-Generaal besloten, wanneer de bevelhebber „thert ende Resolutie nyet en hadde om voort te varen”, de overige bevelhebbers dit op hunne eigene verantwoordelijkheid mochten doen; een nader aan te wijzen persoon, misschien wel de onversaagde Willem Barendsz., zou dan het bestuur voeren. (Pointen opte Nauigatie benoorden om, in: Noordsche togten, 1 R.-A.)
Al deze schoone verwachtingen zouden echter op de grievendste wijze teleurgesteld worden. Eerst den 10 Augustus bereikte de vloot den Noordkaap; reeds den 17 ontmoette zij drijfijs. Toch kwamen de reizigers weldra aan de straat van Nassau, waar zij echter in eene baai, door hen Traenbaei genoemd, moesten blijven liggen: de geheele straat van Nassau was eene onafgebroken ijsvlakte. Wel gelukte het 24 Augustus de straat door te zeilen, maar het ijs dreef de schepen spoedig weder naar Vaigatsch terug en toen zij eindelijk 3 September het Staten-eiland bereikten, bleken de moeielijkheden in de zee van Kara toch te groot dan dat men zich daarin durfde wagen. Na herhaalde vruchtelooze pogingen door Barendsz., die van geen terugkeeren hooren wilde, gedaan om ergens open water te vinden, bewilligde deze eindelijk 15 September in het mede-onderteekenen van een protest, waarbij alle bevelhebbers der vloot voor God verklaarden, dat het hun onmogelijk was dit jaar verder te zeilen. Eerst in November kwamen de schepen zeer verspreid in het vaderland terug[68].
[68] Zie over deze reis: Linschoten, Voyasie ofte schip-vaert by Noorden om. (Tweede reis.)--De Veer, Drie seylagien na de Coninckrycken van Catthay ende China. (Tweede reis.)
Maar al was het resultaat ontmoedigend, de kooplieden wilden hun streven niet opgeven. Nog vóor het einde van het jaar leverde Linschoten aan de Staten-Generaal zijn journaal van de reis over; tegelijk gaf hij HHM. een nieuw plan ter overweging. Op het voorbeeld der Portugeezen wijzende, die eerst na herhaalde proefnemingen den weg naar Oost-Indië hadden gevonden, wekte hij de Staten tot een nieuwe poging op. Door het reeds omtrent de gelegenheid der Yszee bekende achtte hij het ontwijfelbaar, dat de noordoostelijke doortocht naar Oost-Indië bestond; uit de jaarlijksche tochten der Russen naar den Ob besloot hij, dat de straat van Nassau niet altijd zoo onbevaarbaar zijn kon als de Nederlanders haar dien zomer gevonden hadden. Alleen »de kennisse ende rechte ervarentheydt van den tijt” was nog onbekend. Om die kennis te verkrijgen stelde Linschoten voor, dat de Staten vroeg in het voorjaar van 1596 twee »Iachten ofte Boots” naar de straat van Nassau zouden zenden om daar het oogenblik af te wachten, dat de Russische schepen de reis naar den Ob deden. Eenmaal daar aangekomen twijfelde hij niet of de verdere weg was gemakkelijk: zijne ondervinding van 1594, toen hij meenende reeds voorbij den Ob te zijn eene opene zee had gevonden, boezemde hem daaromtrent het volste vertrouwen in. Weldra zouden de schepen de rivier de Gillissy (de Jenissei) bereiken, waar zij des gevorderd gemakkelijk overwinteren en van de talrijke kustbewoners de noodige inlichtingen verzamelen konden om het volgende jaar de reis voort te zetten[69].
[69] Linschoten, Voyasie ofte schip-vaert by Noorden om. (Conclusie ofte Na-reden.)--Hetzelfde plan werd later nog aanbevolen door Massa (Cort verhael. p. 8, in: Beschr. v. d. Samoyeden-Landt),--en door Pontanus. (Beschr. v. Amst. p. 179.)
Maar hoe schoon het plan mocht schijnen, er kwam niets van. De onvoldoende uitslag der laatste onderneming schrikte de regeering van verdere pogingen af. Wel beraadslaagden de Staten-Generaal en de Staten van Holland nogmaals ernstig over een nieuwen tocht, maar »hoe wel meest alle de Steden van Hollant daer toe eerst waren jnclinerende”[70], besloot men toch geen geld meer aan zoo onzekere kansen te verkwisten en liever eene premie van ƒ 25.000 benevens vrijdom van in- en uitgaande rechten uit te loven voor dengene, die den doortocht werkelijk ontdekt had[71]. Amsterdam, altijd zoo ijverig in het bevorderen van deze zaak, liet het er niet lang bij blijven. Reeds vóordat de premie uitgeloofd was had de vroedschap besloten,--overwegende »dat bysonder dese Stad (als principaelyck Inde coophandel ende nauigatie bestaende) ende oick ’t gemeene landt ende d’Ingesetenen vandien in neringe, coophandelinge ende ryckdomme grootelicx souden kommen te floreren, by soe verre de voorszeide vaert (daer toe goede hope wierd gegeven) mochte werden gevonden,”--dat de stad ƒ 12.000 zou beschikbaar stellen om twee schepen, éen van 50 à 60 en éen van 30 last, naar het noorden uit te zenden[72]. Plancius was nu evenals de vorige malen niet alleen een der voornaamste bevorderaars der reis, maar ook de eerste raadsman der regeering. Had hij het vorige jaar bij het opmaken der plannen voor de reis zijne eigene inzichten opgeofferd, toen het scheen alsof de straat van Nassau een geheel ijsvrijen weg naar Oost-Indië zou openen; nu het gebleken was, dat deze straat somtijds nog grootere moeielijkheden opleverde dan het omzeilen van Novaya Zemlya, kwam hij op zijn oude plan terug. Men besloot dan ook, dat deze expeditie den door Barendsz. onderzochten weg nogmaals zou inslaan.
[70] Resol. der Amst. vroedschap, dd. 25 Maart 1596. (Amst. arch.)
[71] R. S.-G. 13 Apr. 1596.--De Veer, Derde seylagie. fol. 16.
[72] Resol. Amst. vroedsch. 25 Mrt. 1596.--Pieter Hasselaer en eenige anderen werden door de burgemeesters volgens deze resolutie aangewezen, „omme te verzorgen alle ’t gundt tot wtrustinge vande voornoemde schepen van noode wezen zou.” De Veer, Drie seylagien. fol. 61.
Wederom waren het ervarene zeelieden, aan wie het bestuur der schepen werd toevertrouwd. Was Jan Cornelisz. Rijp van Enkhuizen, die reeds den vorigen tocht als commies had medegemaakt, schipper en commies op het eerste schip met Arend Martensz. van Amsterdam als stuurman[73]; in het andere bekleedde Jacob Hendricksz. Heemskerck dezelfde betrekkingen als Rijp, terwijl geen minder persoon dan Willem Barendsz. stuurman was. De bizonderheden van deze allerbelangrijkste onderneming, waarbij men verdere ontdekkingen deed dan de meeste beroemde zeevaarders der negentiende eeuw, zijn algemeen bekend: deze reis is een der populairste gedeelten onzer geschiedenis. Ik kan mij dus bepalen tot het geven van een overzicht van den gevolgden weg. Den 18 Mei van Vlieland uitgezeild zette men noordelijk koers. Reeds spoedig ontstonden er onaangenaamheden tusschen de aanvoerders van beide schepen. Rijp meende, in overeenstemming met Plancius’ inzichten[74], dat het volgen van den ouden koers tot bij Novaya Zemlya de expeditie evenals vroeger in het ijs zou voeren; hij vreesde ook op de reeds zoo dikwijls onoverkomelijk bevonden bezwaren, die de zee bij Vaigatsch aanbiedt, te zullen stuiten. Ook Barendsz. was wel niet van plan zich naar Vaigatsch te begeven, maar hij meende toch dat de richting, die Rijp aangaf, te veel westelijk was. Voor eenen tijd gaf hij echter toe dien koers te blijven vervolgen. Het resultaat daarvan was reeds 9 Juni de ontdekking van Beeren-eiland en weinige dagen later (17 Juni[75]) ook van Spitsbergen, dat zij niet verre van den noordwestelijken hoek bereikten. De pogingen om van daar in noordwestelijke richting eenen doorgang door het ijs naar de pool te vinden mislukten. Men keerde na eene landing op een der noordwestelijke eilanden terug en poogde, langs de kust zuidelijk gestevend, de zeeëngte, die Prince Charles’ foreland van Spitsbergen scheidt, door te zeilen. Maar deze nauwe straat bleek onbevaarbaar en de expeditie voer dus het eiland westelijk langs, bezocht Bellsound en bereikte, nadat zij de geheele westkust van Spitsbergen gevolgd had, den 1 Juli het Beeren-eiland weder[76]. Hier deed zich het verschil van gevoelen tusschen beide bevelhebbers op nieuw voor en men besloot tot eene scheiding. Rijp zeilde nogmaals noordelijk om te trachten de pool te bereiken. Daar hij aan de westzijde van het nieuw ontdekte Spitsbergen de ijsvlakte dicht aaneengesloten bevonden had, beproefde hij ditmaal of ten oosten van dat land de kans hem gunstiger zou zijn. Maar vergeefs! Ook daar vond hij de ijsmuur ondoordringbaar en al volgde hij den rand daarvan westelijk, geen doorgang vertoonde zich. Bij zijne pogingen om dien te vinden geraakte hij ondertusschen hoe langer hoe meer westelijk, ten noorden van het land, en kwam eindelijk op de plaats terug, waar hij eenige weken te voren met Heemskerck en de zijnen vruchteloos naar eenen doorgang gezocht had. Van daar zuidelijk gezeild, richtte hij in eene baai op 79° en eenige minuten NB., waarschijnlijk de Cross-bay, een paal op, zooals hij dat met de anderen had afgesproken en zeilde ook de vroeger bezochte Vogelhoek voorbij. Het vinden van een doortocht noordelijk naar den pool werd nu opgegeven en Rijp besloot Heemskerck en de zijnen naar Novaya Zemlya te volgen. Het jaargetijde was ondertusschen verre verloopen en weldra stuitten de reizigers op zooveel ijs, dat zij genoodzaakt waren »sonder veel anders uyt te rechten” te Kola binnen te loopen en van daar huiswaarts te keeren[77]. Niet het schip van Heemskerck heeft dus, zooals onlangs beweerd is, Spitsbergen omzeild; aan Rijp alleen komt de eer van die moeielijke reis toe. De weinige publiciteit, die echter aan den tocht van Rijp na zijne scheiding van Heemskerck gegeven is, schijnt de oorzaak geweest te zijn, dat de aardrijkskundige wetenschap der zeventiende eeuw van zijne ontdekking, dat Spitsbergen een eiland is, geen partij getrokken heeft.
[73] Zie zijne getuigenis over den tocht van Rijp in de verzameling: Noordsche togten. 4. Loopende Noordsche Compagnie. R.-A.
[74] Plancius meende volgens Linschoten (Voyasie ofte schip-vaert by Noorden om. Voor-reden): „dat boven Nova-Zembla, ~te weten, onder den Polus Arcticus door~, den rechten ende doenlijcksten wegh moeste zijn; om welkes te bevestighen, hy . . . . ghenoegh met sekerheyt bevestighde, . . . . dat ~den wegh onder den Pole~, te weten, boven Nova Zembla om, seker, gantsch ghewis, ende sonder twijffel goet was.”
[75] Dien datum geeft het journaal van Barendsz., door Hessel Gerritsz. medegedeeld; dat van De Veer vermeldt eerst 19 Juni het zien van land.
[76] In de beschrijving van deze reis verwerp ik het gevoelen van Beke (Three voyages. p. LXXXV-LXXXIX), die meent, dat Spitsbergen door Heemskerck en Rijp omzeild is. Ook De Jonge is het niet met Beke eens (Opkomst. I p. 23-26); het komt mij echter voor, dat zijne gronden niet alle even afdoende zijn. Doch sinds de uitgave van dat werk zijn er een paar ontdekkingen gedaan, die Beke’s gevoelen geheel wederleggen. Tiele heeft aangetoond (Mém. s. l. journ. des navigat. Holl. p. 93, 112, 195): 1^{o}. dat de opgave van den weg der reizigers van 1596/7 op de „tabula geographica” (opgenomen o. a. in Ashers Hudson the Navigator) door Barendsz. zelven daarop is aangeteekend en dus een onwederlegbaar bewijs levert, dat Spitsbergen door hem ~niet~ omzeild is. 2^{o}. dat de voornaamste grond, waarop Beke de authenticiteit van het door Hessel Gerritsz. in zijne ~Histoire de Spitsberghe~ medegedeelde journaal van Barendsz. zelven betwist, (namelijk de vermelding daarin van den naam Spitsbergen,) vervallen is door De Jonge’s ontdekking van Rijps getuigenis, waarin men leest, dat reeds de eerste ontdekkers aan het eiland den naam gaven, waaronder het later bekend bleef. (Opkomst, I p. 24.) De andere reden, waarop Beke de echtheid daarvan betwist, beteekent m. i. niets. Hij meent, dat Barendsz’. journaal noodzakelijk na den dood van den schrijver in handen van De Veer had moeten komen en dus met het journaal van den laatste in alle opzichten overeenstemmen. De ~noodzakelijkheid~, dat het journaal van den opperstuurman na diens dood aan een ondergeschikt, zij het ook bevriend, persoon uit de bemanning ter hand gesteld werd, zie ik volstrekt niet in. Maar ook al neemt men die aan, dan toch is het ~ondenkbaar~, dat de eerlijke Gerritsz., om de ontdekking van Spitsbergen door de Nederlanders te bewijzen, terwijl hij uit het journaal van De Veer eenige feiten overnam, de oppervlakkig beschouwd zeer onwaarschijnlijke koersen langs nog grootendeels onbekende kusten, die het door hem medegedeelde extract opgeeft, zou ~verzonnen~ hebben, ~zonder daardoor zijne argumentatie vóor de ontdekking van Spitsbergen door Nederlanders ook maar iets sterker te maken dan ze door de eenvoudige mededeeling van De Veer’s journaal zou geweest zijn~. Het verschil in de opgaven der koersen en hier en daar in het verhaal der omstandigheden, bewijst voldoende, dat wij hier twee geheel zelfstandige werken voor ons hebben. En dan verdient het journaal van Barendsz., dat minder anecdoten, maar meer opgaven van koersen geeft, m. i. zelfs veel meer vertrouwen dan de onduidelijke opgaven van De Veer, die blijkbaar minder goed op de hoogte was. Nog meer: uit den tekst van het door Gerritsz. medegedeelde uittreksel zelf blijkt m. i., dat het aan het dagboek van den stuurman ontleend is. De uiterst nauwkeurige mededeeling van de gevolgde koersen, van de gemaakte waarnemingen, het geheel verwaarloozen van alles, wat aan het verhaal voor den lezer iets aangenaams geven kan, stempelt het fragment als een scheepsjournaal, een „logbook”, dat niet tot lectuur bestemd is. Ik meen dus, dat het journaal van Barendsz. echt is. Maar ook al neemt men dit niet aan, dan nog verdient het fragment als zelfstandig werk van een blijkbaar beter ingelicht persoon dan De Veer, wiens mededeelingen soms zeer onbestemd zijn, alle vertrouwen. En Beke zelf geeft toe (Three voyages. p. LXXXIX Noot), dat de daar beschrevene reis langs Spitsbergens westkust niet ten noorden van het eiland plaats had. (Vgl. ook het verhaal der reis van den goed ingelichten Van Meteren, Comment. ofte memor. fol. CLIII,--en het verhaal door Hessel Gerritz. in de Detectio freti. ed. 1613, F. 2 ~uit het journaal van De Veer~ opgemaakt.)--Zoo het noodig was, bij deze afdoende argumenten tegen de omzeiling van Spitsbergen door Barendsz. een ander te voegen, dan zou reeds het door Beke zelf vermelde feit, dat Spitsbergen door Barendsz (en door velen lang na hem) voor een gedeelte van Groenlands oostkust gehouden werd (een feit, dat volstrekt niet strijdt met het geven van den naam van Spitsbergen aan een gedeelte dier kust) onverklaarbaar zijn, wanneer het eiland op de zoo algemeen bekende reis van 1596/7 door Barendsz. omzeild was. (Vgl. o. a. Van Meteren, Comment. fol. CLIII.--Zie ook: Hist. de Spitsberghe. p. 13, waar gezegd wordt: „Du Fayre Forland au long de la coste il faut prendre la route Nord nordest et Nordest, jusqu’es par dessus la hauteur de 80 degrés ~la ou Guilliaume Barenss. et Jean Corneliss. Rijp, decouvrirent premièrement le Pays~”,--en van het noordelijke gedeelte van den Foreland fjord: „c’est la mesme Baye la ou ont esté Guilliaume Barenss. et Jean Corneliss. laquelle ils pensoyent passer par derrière ou par dedans, mais ils n’y trouvoyent pas prou (?) profond et y avoit de la glace, qui estoit ferme attaché au fond, comme aussi a trouvé la Navire de Duynkerkes, selon qu’a raconté un de leur Pilotes.” Het Duinkerksche schip was in 1613 op Spitsbergen ter walvischvangst. (Hist. de Spitsb. p. 21.) Deze ijsdam, waarop men stuitte, wordt nog op eene in 1631 vervaardigde kaart van Spitsbergen (in: White, Greenland and Spitsbergen p. 253) als „The Barr” aangeteekend.--Zie over de op deze reis aangedane plaatsen ook de getuigenissen van Arend Martensz. en Antonie Claesz. Homan, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A., waar duidelijk het Amsterdamsche eiland, de Foreland fjord en Bellsound opgegeven worden.)
Nog een enkel woord over de beide verhalen van de ontdekking van Spitsbergen: de ontdekking van het journaal van Barendsz. geeft een zeer goede maatstaf voor de kritiek van De Veer’s reisverhaal. Ik zeide reeds, dat de mededeelingen van Barendsz. in alle opzichten den voorkeur verdienen. Niet alleen heeft Barendsz. als zegsman meer gezag dan zijn onderhoorige, maar zijne opgaven zijn beter. Barendsz. geeft gedurig uiterst nauwkeurig de richting op, die soms verscheidene malen op één dag veranderd werd; De Veer zegt dikwijls, dat de koers b.v. ~eenigszins~ noordelijk was zonder nadere aanduiding. Barendsz. geeft elken dag het voorgevallene op; De Veer slaat somtijds een paar dagen over. De Veer houdt zich niet alleen dikwijls bezig met uitvoerige verhalen, die van geen belang zijn (b.v. de tallooze gevechten met beeren), maar hij verwaarloost daarom dikwijls zaken van meer belang, waarbij hij trouwens misschien niet altijd tegenwoordig was, of die om andere redenen hem als ondergeschikte dikwijls onbekend bleven. Maar vooral daalt het journaal van De Veer in waarde, wanneer wij door de vergelijking met dat van Barendsz. bemerken, dat hij zijn journaal niet dagelijks bijschreef, maar later opgesteld heeft: hoewel in de hoofdzaak beide verhalen volkomen overeenstemmen is de chronologie van De Veer geheel verkeerd.--Van de andere zijde is het verwijt aan De Veer gedaan, dat zijn verhaal niet te begrijpen zou zijn en de richting van het schip niet te volgen (Beke, Three Voyages. p. LXXXV.--De Jonge, Opkomst. I p. 23,--vooral: Asher, Hudson. p. CXXXIX) onverdiend. Het schijnt mij duidelijk, dat de schepen, van Beeren-eiland NW. gezeild (De Veer’s mededeeling van een NO. koers wordt door de feiten weêrsproken; niettemin was men reeds op de reis zelf het over de gevolgde richting niet eens: Rijp hield met De Veer vol, dat zij NO. gezeild waren. cf. Hist. de Spitsb. p. 10), den 17 Juni ten NW. van Spitsbergen op het ijsveld stuitten, dat zich ten noorden van het eiland uitstrekt. Westelijk deed zich geene opening daarin op, zuidoostelijk scheen het in eene punt te eindigen. De wind belette den reizigers die punt te omzeilen, maar hunne ZO. richting had hen in de nabijheid van Spitsbergen gebracht, dat zij den 19 ontdekten op ongeveer 79°50´ NB. en 13° OL. van Greenwich. Den 20 volgden zij de kust in westelijke richting en zeilden den 21 den NW. hoek van het eiland om. 22 Juni onderzochten zij dien NW. hoek (de twee eilanden en het schiereiland, waar zij de rotganzen vingen, zijn zonder eenigen twijfel het Amsterdamsche en het Deensche eiland met het schiereiland ten N. van de Magdalenabaai, waarop nog de „Rotges- of Rotganzen-berg” ligt.) 23 Juni: vergeefsche pogingen om NW. door den ijsdam naar de pool door te breken, en daarop ~terugkeer~. Zij zeilen daarop „langs de westzijde van het land.” 24 Juni: Cross-bay. 25-27 Juni: tusschen Spitsbergen en Prince Charles’ foreland. 28 Juni: om Vogelhoek Z. langs de kust. 29 Juni: langs de kust tot de zuidpunt van het eiland. 30 Juni: ZO. door de zee. 1 Juli: Beereneiland.--Barendsz.’ journaal komt ~in hoofdzaak~ met deze beschrijving van den tocht overeen; vooral in de chronologische volgorde der feiten verschilt hij echter nu en dan en over het geheel geeft hij ook de gevolgde koersen veel nauwkeuriger op.