Geschiedenis der Noordsche Compagnie
Part 5
[45] Van Meteren, Comment. ofte memor. fol. CXXV. („Sints,” d. i. na Pet en Jackman in 1580, „heeft Olivier Brunel uyt Hollant de Noordooste passagie ghesocht, ende ontdeckte”, d. i. onderzocht (?), „de Reviere van Pechora.”)--Beschr. v. d. Samoyeden-Landt. p. 2.--Ook Van Dam (Gesch. der O.-I. C. MS. R.-A.) spreekt van vruchtelooze noordpoolreizen, door Nederlanders op het voetspoor der Engelschen ~reeds vóor~ 1594 ondernomen.
Nog wilden de twee bondgenooten het niet opgeven: zij besloten tot eene nieuwe poging. Maar eene noordpoolreis was geene zaak van gering belang: „by de Kooplieden alleen konde ’t selfde seer qualijck te weghe ghebracht worden sonder eenighe hulpe ofte assistentie midtsgaders d’ authoriteyt van ’t Landt daer toe te hebben[46].” Het vaderland had zich tot bijstand onmachtig verklaard: men moest zich dus elders heenwenden. Aan een terugkeer in Russische dienst viel voor Brunel niet te denken: vernamen wij reeds, dat hij tijdens zijn bezoek aan Balak niet van plan was zich bij de Russische onderneming naar het oosten aan te sluiten, hoe zou men hem ontvangen, nu hij van het geheim den geheimzinnigen Russen afgezien gebruik gemaakt had om den streng verboden handel op Siberië zelf te ondernemen? Hoe zou men den ontwerper van het plan beschouwen, terwijl de geldschieter Moucheron zelf, die nog in 1584 talrijke schepen naar de Witte Zee zond, daar met zulke wantrouwende blikken werd aangezien, dat hij het raadzaam oordeelde den winstgevenden handel eerlang te staken?[47] Maar eene andere mogendheid bleef hun over. Denemarken, reeds lang misnoegd over de tochten naar de Witte Zee, die zijnen Sondtol afbreuk deden, zou gaarne de gelegenheid aangrijpen om zelf in het noorden machtig te worden. Daarheen wendde zich dan ook eerlang Brunel en sloot uit naam van Moucheron met den koning eene overeenkomst, waarbij Z. M. den Zeeuwschen koopman verscheidene privilegiën schonk en hem zelfs ƒ 100,000 voor zijne moeite beloofde, zoo hij den tocht wilde doen ondernemen en zijne kennis voor den koning beschikbaar stellen. Maar ook ditmaal kwam er van de reis niets: mag men Moucheron gelooven, dan »prefereerde hy den dienst ende welvaert van deze landen” ten slotte boven het bevoordeelen van den vreemdeling, en was dus zuivere vaderlandsliefde de oorzaak, dat hij zich ongeneigd toonde den Deen te helpen[48].
[46] Linschoten, Voyasie ofte schip-vaert. (Voor-reden.)
[47] Contract van Moucheron met de Staten van Zeeland, bij: De Jonge, Opkomst. I p. 17.
[48] Dit bericht heeft De Jonge bekend gemaakt uit het contract van Moucheron met de Staten van Zeeland. (De Jonge, Opkomst. I p. 17.)
Maakt ook dit wel wat laat opgekomen gewetensbezwaar bij iemand, die zoo goed wist wat hij wilde als de latere handlanger van Hendrik IV, een eenigszins verdacht figuur, zeker is het dat Brunel minder nauwgezet was. De wegen der beide krachtvolle mannen scheiden zich hier. Terwijl Moucheron zich langzamerhand en in het geheim voor verdere noordpoolreizen voorbereidde, zocht Brunel elders bevrediging voor zijn onleschbaren dorst naar avonturen. Eenmaal in betrekking met Denemarken bood hij den koning aan de lang verlorene Groenlandsche koloniën voor hem te gaan opzoeken. Het aanbod van den ervaren noordpoolreiziger kon niet anders dan welkom zijn aan eene natie, die reeds vroeger een paar maal tochten met dit doel had ondernomen, en gretig werd dan ook de voorslag aangenomen. Brunel trad dadelijk in Deenschen dienst en gaf niet eerder zijne pogingen op, voordat drie vruchtelooze reizen, door hem in achtereenvolgende jaren ondernomen, hem van de ijdelheid van zijn streven hadden overtuigd[49].
[49] Dit interessante bericht omtrent Brunel heb ik gevonden bij: Megiser, Septentrio Novantiquus (1613), die op p. 174 verhaalt: „Innerhalb 100 Iahren haben die Dennenmercker den Strich oder Weg dahin (d. i. naar Groenland) verlohren. Darumb dann beij vnsern Zeiten, Olivier Brunel, ein wolerfahrner Stewrman dreij Iahr nach einander vom König von Dennenmarck gegen Mitternacht gesandt worden, diese Insul Gronland zu suchen.” Ik heb er een oogenblik aan gedacht, of met die drie reizen in drie opeenvolgende jaren ook die van Hall c. s. (1605-7) bedoeld zouden kunnen zijn.
Het komt mij waarschijnlijk voor, dat Brunel zich daarna in zijn vaderland heeft nedergezet om krachtig mede te werken tot verwezenlijking zijner geliefkoosde plannen en om de begeerte zijner landgenooten naar betere kennis van het geheimzinnige noorden te prikkelen. Wij weten toch, dat de latere noordpoolreizen der Nederlanders voor geen gering deel aan zijne bemoeiingen moeten toegeschreven worden[50]; wij kunnen nagaan, dat hij met Barendsz. zelven uitvoerig over zijne ervaringen moet gesproken hebben[51]. Waarschijnlijk ging hij met zijne onderrichtingen voort tot aan zijnen dood, die zeker op het einde der zestiende eeuw voorgevallen is: althans in 1577 was hij »al een bedaeght man”[52]. Zijn naam bleef wijd en zijd bekend: Engelschen en Nederlanders vermelden hem als iemand van gezag en ondervinding[53]. Slechts de zorgeloosheid der geschiedschrijvers is oorzaak, dat wij zoolang onbekend gebleven zijn met de lotgevallen van eenen landgenoot, wiens naam als die van zoovele reizigers dier tijden tot nog toe nagenoeg het eenige was, dat van hem ter onzer kennis was gekomen[54].
[50] Hessel Gerritsz verhaalt (Beschr. v. d. Samoyeden-Landt. p. 2), dat „de tochten der Engelschen ~ende van Olivier Brunel~” aanleiding tot de Nederlandsche noordpoolreizen gegeven hebben.--Ik vermoed, dat Brunel om tot die reizen aan te sporen zelfs eene brochure heeft uitgegeven, waarin hij zijne lotgevallen in het noorden beschreef. Het boekje is waarschijnlijk de aan prof. Fruin (Tien jaren p. 241 Noot 2) onbekend gebleven bron van Wassenaer.
[51] Dit maak ik op uit het feit, dat Barendsz. Kostin-sjar ~herkende~ volgens de beschrijving door Brunel daarvan gegeven. (De Veer, Drie seylagien. Eerste reis. fol. 7.)
[52] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 93.--Het tijdstip van zijnen dood maak ik op uit het feit, dat hij, bekend als hij was en na al zijne bemoeiingen, niet voorkomt onder de bevelhebbers der drie noordpoolreizen van 1594-97. Ook sprak Hessel Gerritsz. reeds in 1613 van zijne reis als die van „Oliverii ~cuiusdam~ Bunelli.” (Descr. detect. freti, bij: Asher, Hudson. p. 237)--Ik geloof dan ook niet, dat hij in 1606 bij de ongelukkige noordpoolreis van John Knight tegenwoordig geweest kan zijn, wat men anders zou kunnen opmaken uit de volgende mededeeling. Aan het einde van het journaal der reis (bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 831) staat vermeld: „The rest of this Iournall, from the death of Master John Knight, was written by Oliuer Browne (of „Brownel”) one of the Company.” (De laatste letter van den naam Brownel is niet duidelijk afgedrukt.) Maar al is de lezing „Brownel” (de gewone Engelsche verbastering van „Brunel”) juist, dan schijnt het toch vreemd, dat een oud en ervaren, algemeen bekend zeeman als hij nog in eene ondergeschikte betrekking zou gevaren hebben. Onmogelijk is het echter volstrekt niet, dat wij hier een belangrijk bericht over den verderen levensloop van onzen landgenoot bezitten. Dat Brunel te gelijk met Knight uit Deenschen in Engelschen dienst overgegaan is en zoodoende het noordwesten op nieuw bezocht, is op zich zelf niet onwaarschijnlijk, te minder daar de Engelschman Josiah Logan nog in 1611 nauwkeurig wist te zeggen, hoe Brunel Kostin-sjar gevonden had. (Beke, Three voyages. p. XLIII.) Ik maak hieruit op, dat deze Engelsche noordpoolreiziger, die uit de ons bekende veel kortere Nederlandsche berichten niet geput kan hebben, Brunel persoonlijk moet gekend hebben. En bovendien zou het feit, dat Brunel zich na zijne mislukte noordpoolreis in 1584 voortdurend in Deenschen en Engelschen dienst bevond, zijne afwezigheid op de latere Nederlandsche noordpoolreizen en Hessel Gerritsz.’ onbekendheid met zijne lotgevallen voldoende verklaren.
[53] Vgl. de bij Beke (Three voyages. p. XLIII, XLIII) aangehaalde gezegden van Barendsz., Hudson en Logan. Zie ook het contract van Moucheron met Zeeland, bij: De Jonge, Opkomst. I p. 17.
[54] Ik ben in de beschrijving van het leven van Brunel uitvoeriger geweest dan ik over de verdere Nederlandsche noordpoolreizen zijn zal, omdat hetgeen over dezen persoon, die reeds vroeger de aandacht der geschiedkundigen getrokken heeft, bekend is, gevonden wordt in allerlei oude werken. De eenige, die er een overzicht van geeft is--behalve De Jonge, die natuurlijk zeer kort is,--Hamel, wiens boek door het geheele gemis van opgaven der bronnen minder vertrouwen geniet dan het verdient. De drie nu volgende, beroemde ontdekkingsreizen der Nederlanders zijn echter meer dan voldoende bekend: ik zal dus bij het verhalen daarvan den tegenovergestelden weg inslaan en mij zooveel mogelijk bekorten.
Maar waren ook zijne daden vergeten, de uitwerkselen daarvan zijn sinds eeuwen wereldberoemd. Brunel zelf schijnt de uitvoering zijner plannen niet meer beleefd te hebben, maar zijn deelgenoot Moucheron vatte met de hem eigene energie het oude, niet vergeten plan weder met kracht aan, zoodra hij een geringe kans van slagen zag. Gedurende de lange jaren, dat de onderneming schijnbaar was opgegeven, had hij door zijne bloedverwanten te Archangel en te Londen, door personen, die hij alleen met dat doel naar Rusland zond, onvermoeid de meest volledige inlichtingen verzameld over de kansen op eene noordoostelijke doorvaart en de resultaten door Russen en Engelschen reeds verkregen[55]. In 1593 kon hij zich dan ook tot Maurits Van Nassau wenden[56] en, door dezen aan de Staten aanbevolen, in December aan den thesaurier van Zeeland Jacob Valcke en aan de Gecommitteerde Raden dier provincie zijne plannen ontvouwen. De Staten van Zeeland toonden zich dadelijk geneigd tot medewerking: zij boden Moucheron het bestuur over de onderneming aan en 1/3 van de in- en uitgaande rechten der langs den nieuwen weg te vervoeren goederen, mits hij 1/4 van de kosten droeg. Toen echter de zaak door eene conferentie van Moucheron met Maurits, Oldenbarnevelt, Cant, Maelson en Valcke meer algemeen bekend werd, mengde zich ook Holland daarin en beide provinciën besloten geheel op eigene kosten zonder tusschenkomst van Moucheron den tocht te doen ondernemen. Den ontwerper beloofden zij met eene som gelds of eene jaarwedde voor hem en zijne nakomelingen te zullen beloonen. Moucheron moest, hoewel hij liever zelf als aandeelhouder in de verwachte voordeelen der onderneming had willen deelen, toegeven en hij sloot met de Staten van Holland en Zeeland een contract, waarbij hij zich verbond hen voor de ontworpen reis met zijne verkregen kennis bij te staan. Na lange beraadslagingen en vele conferentiën met Moucheron werd eindelijk 11 Mei 1594 de Instructie voor de expeditie vastgesteld en den 16 door de Staten-Generaal bekrachtigd. Dit gewichtige stuk bevatte den last om de Yugorsky-sjar, de straat tusschen het vaste land en het eiland Vaigatsch, door te zeilen, te trachten over de Kara-zee het voorgebergte Tabin te bereiken en van daar na alle kusten, eilanden, havens en reeden, alle zeeën en andere wateren goed opgenomen te hebben, na de nauwkeurigste waarnemingen omtrent vloed en eb en andere belangrijke verschijnselen in het scheepsjournaal te hebben aangeteekend, onverwijld huiswaarts te keeren. Het zoeken van den verderen weg werd voor eene volgende reis bewaard[57].
[55] Zie hierover en over de verdere voorbereidingen tot de expeditie: Linschoten, Voyasie ofte schip-vaert by Noorden om. (Voor-reden.)--Contr. der Stn. v. Zeeland met Moucheron, als bijlage achter de Notulen Zeeland 1594.--Le Petit, Gr. chron. anc. et mod. II p. 651.--De Jonge, Opkomst v. h. Nederl. gezag in Oost-Indië. I p. 14-18.--Een uitnemend en tot in bizonderheden volkomen juist overzicht van de aanleiding en voorbereiding der Nederlandsche noordpoolreizen vindt men bij: Fruin, Tien jaren. p. 238-54.--In: Begin ende Voortgangh van de Oost-Indische Compagnie (Inleid. p. 1, 2) worden Jacob Valcke en Christoffel Roeltius, Thesaurier en Pensionaris van Zeeland, en de bekende kooplieden Balthazar De Moucheron, Jan Jansz. Carel en Dirk van Os als de voornaamste aanleggers der noordoostelijke tochten genoemd. Eveneens bij: Van Meteren, Comment. ofte Memor. fol. CXXV.
[56] Le Petit. Gr. chron. anc. et mod. II p. 651.--Linschoten, Voyasie ofte schip-vaert by Noorden om. (Voor-reden.)
[57] „Instructie voor Wilhem Barentsz. waer naer hy hem sal hebben te reguleren, omme die reyse by Noorden (Noua Sembla) om t’ ondersoucken ende te vinden naer ’t Coninckryck van China enz.” dd. 16 Mei 1594, in het Register der „Instructien zedert 1588 tot 1610.” R.-A.
Ondertusschen had de Amsterdamsche regeering, wier opmerkzaamheid zich weldra op de onderneming vestigde, het plan opgevat om voor zich een aandeel in den roem en het voordeel daarvan te verkrijgen. Aangevuurd door haren burger, den beroemden cosmograaph Petrus Plancius, besloot zij tegelijk met de Staten-Generaal een schip voor eigene rekening naar het noorden uit te zenden. De plannen, door de hooge regeering in overleg met Moucheron gemaakt, droegen echter de goedkeuring der Amsterdammers niet weg. Zij besloten de inzichten van Plancius te volgen. Misschien onder den invloed der berichten van Brunel, die ongetwijfeld van den Russischen handelsweg naar het oosten door Matyushin-sjar ten noorden van Novaya Zemlya (~propria~) gesproken had, verkondigde Plancius de leer, dat de weg door Yugorsky-sjar met vele moeielijkheden verbonden was (de reis van Pet en Jackman had dit voldoende bewezen) en dat men dus de voorkeur moest geven aan het zoeken van eenen doortocht ten noorden van Novaya Zemlya[58]. De instructie, aan de Amsterdammers door de Staten-Generaal gegeven, luidde dus, dat zij overeenkomstig met deze begrippen den weg aan de beide andere schepen voorgeschreven wel een eind ver moesten volgen, maar dat zij vóor het bereiken van Novaya Zemlya daarvan moesten afwijken en trachten dit land te omzeilen. Na het bereiken van kaap Tabin moest ook deze expeditie na soortgelijke waarnemingen als de andere langs denzelfden weg huiswaarts keeren[59].
[58] Tot het aannemen van Plancius’ meening werkte ongetwijfeld mede de onzekerheid of Novaya Zemlya een eiland dan wel ten noordoosten met het vaste land verbonden was. Was het laatste waar, dan voerde de Yugorsky-sjar niet naar eene opene zee maar naar eene baai, die geen uitgang ten oosten had. (Vgl. o. a. Hessel Gerritsz’ aanteekeningen op de kaart van Massa in: Beschr. v. d. Samoyeden-Landt.--Ook de Instr. der Mosc. Comp. aan Bassendine c. s. en aan Pet en Jackman, aangehaald hiervóor p. 17 Noot 2{[24]}.--Eindelijk nog: Philosophical Transactions. Vol. X (1675) p. 418.)
[59] Instr. der Stn.-Gen. voor Wilhem Barentsz., dd. 16 Mei 1594, in: Instructieboek der Stn.-Gen. 1588-1610. R.-A.
Wel niet te gelijk, maar toch op denzelfden dag (5 Juni 1594) verlieten de beide expedities de reede van Texel. Den vorigen dag had men besloten gezamenlijk den tocht tot Kildin te maken en Cornelis Cornelisz. Nay, den kapitein van een der beide schepen van de Staten-Generaal, tot opperbevelhebber van de geheele vloot benoemd. Den 23 Juni lag men te zamen voor Kildin: spoedig daarop vertrok elk in de hem voorgeschrevene richting. Wij zullen eerst de grootste der beide uitrustingen op haren weg volgen.
De twee schepen, de Swane van Veere en de Mercurius van Enkhuizen, uitgerust onder toezicht van Moucheron en Maelson, vertrokken 2 Juli naar Vaigatsch. Op de Swane was kapitein Cornelis Cornelisz. Nay van Enkhuizen, die meermalen voor Moucheron op de Witte Zee gevaren had, stuurman Pieter Dircksz. Strickbolle van Enkhuizen, een zeeman, die zijne ervaring mede in dienst der Moucherons had verkregen; als commies was daar de bekende Francoys De la Dale, een bloedverwant van Moucheron, die lang voor hem aan de monden der Dwina vertoefd had; Christoffel Splindler, een Slavoniër die te Leiden gestudeerd had, ging als tolk mede. Op de Mercurius was kapitein Brandt Ysbrandtsz. Tetgales van Enkhuizen en stuurman Claes Cornelisz. uit dezelfde stad; de commies was de beroemde Jan Huygen Van Linschoten. Wat kon men niet van de vereenigde pogingen van zoovele ervarene en geleerde mannen verwachten!
Het resultaat der onderneming was, hoezeer ook door tijdgenooten geroemd, slechts gering: de Nederlanders kwamen langs denzelfden weg als Pet en Jackman ongeveer tot hetzelfde punt als hunne voorgangers. Reeds dadelijk door drijfijs bemoeielijkt zeilden zij langs de Russische kust, staken de Witte Zee en de Cheskaia-golf over en bereikten 18 Juli den mond der Pechora. Den 21 kwamen zij bij Vaigatsch voor anker, zeilden na vele onderzoekingen de Yugorsky-sjar door en bereikten 1 Augustus de zee van Kara. Ook daar werden zij zeer door drijfijs gehinderd, maar na moedig doorzetten kwamen zij 9 Augustus op omstreeks 71° NB. in eene opene zee. Zij meenden daarom wel wat voorbarig de doorvaart naar Indië gevonden te hebben en »stemden met een ghemeen accoort de Cours weder naer ’t Vaderslandt te stellen om aldaer (hun Godt sulcks gunnende) dese wel-gheluckte begonnen vaert, met blijdtschap te communiceren.” Aan verschillende, zooals zij meenden door hen ontdekte plaatsen hadden zij namen gegeven. Zoo noemden zij Yugorsky-sjar de straat van Nassau, Vaigatsch het Enkhuizer eiland, de Kara-zee de Nieuwe Noordzee, twee eilanden het Maelsons- en het Staten-eiland[60]. Fier op het resultaat hunner reis, die hen naar zij meenden voorbij den Ob en in het gezicht van kaap Tabin gebracht had, ontmoetten Nay en de zijnen den 16 Augustus ten westen van Vaigatsch de Amsterdammers, die minder hoog van zich zelven denkende in werkelijkheid aan het voorgestelde doel veel nader gekomen waren.
[60] Vgl. over deze reis: Linschoten, Voyasie ofte schip-vaert by Noorden om. (Eerste reis.)
Deze expeditie bestond uit slechts éen schip, de Mercurius, dat een jacht of visschersschuit bij zich had. De geringe krachten der onderneming werden echter ruimschoots opgewogen door de tegenwoordigheid van Willem Barendsz. als kapitein. Het is voldoende zijnen naam te noemen om voor den lezer dadelijk het beeld op te roepen van dezen beroemden Terschellinger, den ervaren stuurman, die »~van syne kintsche daghen aen~ altijt gheneghen gheweest was, omme nae alle syn vermoghen, de Landen die hy bewandelde oft beseylde, Caertsghewyse met den omloopenden Zeen, Wateren, ende Streckinghen af te beelden”[61],--den vromen held, die volgens zijne zinspreuk »Niet sonder God”[62] deed,--den man eindelijk, wiens karakter zijnen onderhoorigen tegelijk diep ontzag en warme genegenheid inboezemde. Het is dan ook overbodig meer over zijnen persoon te zeggen; van zijne vroegste lotgevallen is het onmogelijk iets van belang mede te deelen.
[61] Barentzoen, Nieuwe beschr. ende Caertboeck vande Midlandtsche Zee. (Voorrede.)
[62] Barentzoen, Caertb. vande Midlandtsche Zee. (Lofdicht.)--De opvoeding van Barendsz. schijnt door Beke (Three voyages. p. LV) met recht „good if not learned” genoemd te zijn: uit de opdracht van het Caertboeck blijkt, dat hij Latijn verstond.
Den 29 Juni verliet de Amsterdamsche expeditie Kildin, den 4 Juli kreeg zij Novaya Zemlya in het gezicht ten noorden van Matyushin-sjar. De lijn der kust volgende bereikte Barendsz. reeds 10 Juli zonder vele moeielijkheden kaap Nassau, het punt van waar de kust zich oostwaarts wendt, maar reeds drie dagen later ontmoette hem veel ijs en het overige gedeelte der reis ging daardoor met ontelbare bezwaren gepaard. Steeds heen en weer zeilende kwam het schip eerst 29 Juli op 77° NB. bij het noordelijkste punt van Novaya Zemlya, dat IJskaap genoemd werd, en twee dagen later bij de Oranje-eilanden, die nog steeds de herinnering aan Willem Van Oranje bewaren. Juist op dit punt, waar de lang gezochte zee van Kara zich opende, moest Barendsz. zijne pogingen opgeven: de zee was vol drijfijs en de bemanning weigerde verder te gaan. Men zeilde terug geheel langs Novaya Zemlya tot de zuidpunt toe, miste echter Matyushin-sjar, waar men juist de kust eenige dagen verlaten had, en bereikte na lang omzwerven Vaigatsch. Den 16 Augustus ontmoette Barendsz. daar Nay en de zijnen[63].
[63] Vgl. over deze reis: De Veer, Drie seylagien na de Coninckrycken van Catthay ende China. (Eerste reis.)
Den 16 September 1594 kwam de verzamelde vloot behouden in het vaderland aan. De bevelhebbers deden dadelijk verslag van hunne verrichtingen aan Maurits, aan de Staten-Generaal en aan de Staten van Holland, in tegenwoordigheid van eenen afgevaardigde van Zeeland. Het resultaat van Nay’s reis, hoe gering het ons moge schijnen, en ook het verslag door de Amsterdammers uitgebracht, waren wel geschikt om den Staten moed te geven tot verdere pogingen. Beide ondernemingen hadden ten oosten van Novaya Zemlya eene opene zee gevonden; beide konden meenen, dat de bezwaren op eenen weg naar Oost-Indië niet onoverkomelijk waren. Dadelijk werden dan ook de voorbereidende maatregelen getroffen om op nieuw uit te zeilen. Door middel van den bekenden Emanuel Van Meteren, Nederlandsch consul te Londen, werden inlichtingen ingewonnen van den Engelschen geograaph Richard Hakluyt. Het bericht door dezen gegeven luidde alleszins bemoedigend: Hakluyt geloofde, ook onafhankelijk van de door de Nederlanders verkregen kennis, vast aan het vinden van den noordoostelijken doortocht. Door al deze berichten was men in Nederland vol hoop; men vreesde zelfs nu reeds mededinging van Frankrijk langs den te vinden weg: men stelde voor de straat van Nassau te versterken en zoo aan alle vreemde natiën den pas af te snijden; tot het verder voortzetten der ontdekkingsreizen werd zonder aarzeling besloten. Holland was de eerste provincie, die van de zaak sprak. Reeds in October 1594 werd de zaak daar in de statenvergadering behandeld. Ook Zeeland toonde zich ijverig: Moucheron was den Staten weder met raad en daad behulpzaam. Na langdurige conferentiën van Holland en Zeeland onderling en van deze provinciën met de Staten-Generaal, werd 9 Mei 1595 tot het ondernemen eener tweede reis op staatskosten besloten: de instructie werd 16 Juni vastgesteld[64].
[64] De Jonge, Opkomst v. h. Nederl. gezag in Oost-Indië. I p. 20, 21.--De Instructie is afgedrukt in de „Voyasie” van Linschoten op fol. 24.