Geschiedenis der Noordsche Compagnie
Part 45
Dat omme de vruchten vande costen Inden voorleden Jare gedaen, eensamentlyck vande voorszeide nauigatie te mogen genijeten voor dezen Jare daertoe toegerust ende wtgezonden zullen worden drie schepen vande groote van ontrent hondert lasten, elck met een Bot Jacht van ontrent vyffthien lasten, gemant elck Schip ende Jacht met vyfftich mannen ende voorzien voer zesthien oft achthien maenden van alle behoeften tot de reyse, Dat bouendyen twee Jachten elcx ~van tusschen twintich ende dertich lasten~ („vijffthien lasten gelyck de voergaende”[1312]) zullen worden mede gesonden gemant elck met vyffthien mannen.
[1312] De woorden, tusschen haakjes geplaatst, zijn aanteekeningen, in het origineele stuk op de kant geschreven; het zijn de „Advisen op de Marge” van Moucheron en de andere Zeeuwsche gedeputeerden, waarvan de R. S.-G. 9 Mei 1595 spreken.
De voerszeide Schepen ende Jachten sullen Int Meersdiep byden anderen wezen jegens den 11^{en} Juny naestcommende,
Sullen van daer metten eersten wint haere reyse voorderen deur de Vaygats, voorts nae het promontorium Tabyn ende gepasseert zynde tzelve promontorium, zulcx dat zy ~zuydelyck een dach oft twee daernae geseylt zullen wezen~ („gesien zullen hebben dat dandre schepen tvoorszeide promontorium gedoubleert hebben”) zullen te rugge commen de voerszeide twee Jachten van ~tusschen XX ende XXX lasten~ deur de Vaygats naer deze landen, omme Rapport te doen van tgunt tot daer toe opte reyse es gepasseert ende beuonden,
De voerszeide drie schepen met haere Jachten zullen voorts haer cours nemen naede hauen ende Stadt van Quinsay ende by alle middelen aerbeyden omme aldaer te mogen hauenen, ende landen, ende te verstaen oftmen aldaer zoude mogen trafficqueren wt deze landen wat coopmanschappen aldaer aengenaem zyn, ende voer retour herwaerts zullen wezen te becommen,
Sullen van daer by zoe verre zy Guinsay nyet en connen becommen noch aldaer negotieren, voorts besoecken de hauenen ende Steden opde zelue custen zuytwaerts gelegen tot dat zy iegens het Noorteynde van Jappan zullen wezen gecommen ten eynde als vooren.
Sullen daernae zoe verre zy te voeren geen profytelycke hauen geuonden hebben zeylen naer het Noorteynde van Jappan ende aldaer gelyck onderzoeck doen,
De voerszeide Rycken, Hauenen, ende Steden successiuelyck als bouen besocht hebbende, zullen hen begeuen opde wedercompste zoe tytlyck dat zy jn Julio, Augusto ofte September XCVI de Veygatz weder mogen repasseren, houdende opte reyse van alles goede notitie, zulcx jn voorleden Jare by Instructie es belast, ende tzelue particulierlyck te rapporteren.
Sullen onder wegen twee van de drie Jachten tytlyck affzeynden omme te besoecken, oft zy achter Noua Zembla om, de reyse naer deze landen zouden connen doen, onder belofte dat de ghene die opte zelue Jachten zullen wezen by succes vande reyse een eerlycke recompense extraordinarie zullen genyeten.
Item alzoe omme te aengenamer te wezen jnde voerszeide landen, wel dienstelyck zoude wezen mette voerszeide Schepen eenige Coopmanschap aldaer te brengen, ende de Coopluyden op een zoe onzekere reyse nyet gaerne en zullen hazarderen, zoe salmen denzeluen daertoe Inviteren met belofte van vrydomme ~vanden toll ende vande vuytgaende ende jncomende goederen~, jnde conuoyen ende licenten, ende oick vry van Scheepsvrachten derzeluer goederen,
Ende zullen de Gedeputeerde weder byden anderen comen tegen den . . . . . . . om nopende de ladinge vande voerszeide Coopmanschap ende Superjntendentie vande zelue eenen gemeenen voet ende ordre te ramen daernae men hem zal jndyen regarde reguleren,
Item dat Cornelis Cornelisz. van Enckhuysen zal hebben de Superjntendentie vande Nauigatie, gelyck jnt voergaende Jaer, met zulcken verstande nochtans dat jngeual hy thert ende Resolutie nyet en hadde om voorts te varen, dat dandere tzelue zullen mogen doen, ende dat jndyen geualle de voerder Superjntendentie zal hebben . . . . . .
Dat tydelyck int Meersdiep Commissarisen sullen geordoneert worden die de voerszeide Schepen jn behoorlycken eede zullen brengen van deze Instructie oft zulcke ander als gemaeckt zal worden te achteruolgen,
Dat binnen middelen tyde oick geleth zal worden oftmen eenige quaetdoenders op het Landt zal stellen etc.
Item dat d’Officiers, ende ander Scheepsvolck zullen worden gegageert ende getracteert tot meesten voordeel ende minsten coste vanden Lande op eenen gemeenen voet.
Geraemt den IX^{en} May 1595.[1313]
[1313] Zie het origineel in de verzameling: Noordsche togten. 1. R.-A.
(Resolutiën der Staten-Generaal van 9 Mei 1595. „Compareren d’Heeren Parduijn, Oldt-Burgemeester, Mr. Johan van den Werck, Pensionaris der Stadt Middelboorch, ende Moucheron, Coopman residerende binnen derselver Stadt, gecommitteerde vanden Heeren Staten van Zeelandt, ende In haerluijder presentie geresumeert wesende de beraemde poincten daer op dat men wederom soude mogen besoecken ende continueren de Vaert Benoorden om naer den Coninckrijcke van China ende Japan daer diet’ voorleden Jaer gelaten is, met het gevoechde Advis opde Marge van deselve poincten van de voorszeide comparanten,
Es geresolveert ende geconsenteert dat men de voorschreven vaert als vooren ~opde voorszeide beraemde poincten, ende alsulcken vorder Instructie als tot dien eijnde noch alhier sal werden geresolveert~, wederom zal besoecken ende continueren, ende dat de lasten derselver zullen worden vervallen uijtte Incomptsten van de gemeene middelen der Convoijen ende Licenten,
Verclarende die van Utrecht niet te verstaen dat het Remboursement van de selve lasten sal mogen geschieden uijtte middelen totten Oorloge te lande gedestineert, zoo verre t’ selve In desen zoude alsoo werden gemeent daer van protesterende bij desen.”)
BIJLAGE IV. (p. 39 Noot 2.)
INSTRUCTIE voor Ian Huyghen van Linschoten, ende Francoys de la Dale, principale Commisen, waer nae sy hun sullen reguleeren in de Coninckrijcken van China, ende andere Coninckrijcken ende Landen, die besocht sullen worden by de Schepen ende Iachten, ghedestineert tot de Voyagie by Noorden-om, door de Vaygats, ofte Strate van Nassou.
I. In den eersten sullen syluyden, nae dat Mr. Christoffel Splindler Slavoen, aen landt sal gheweest zijn, ende versocht hebben, of men aldaer sal mogen aencomen, hen te lande vinden by den Coninck, Gouverneur ofte andere Overicheyt aldaer, ende den selfden aenbieden, (van wegen dese Landen) alle vriendtschappe: ende openen de Conditie deser Landen, namelick: dat sy hen geneeren van over Zee met alle Coninckrijcken ende Natien van de gheheele Werelt, vriendtlick ende oprechtelic te traffikeren, negocieren, ende handelen, hebbende daer toe vele commoditeyten van diversche soorten van coopmanschappen ende andersins.
II. Item dat d’ Overicheyt deser Landen, sekerlick geinformeert wesende, datmen in de selve Coninckrijcken ende Landen oprechte handelinge, traffijcke ende negociatie was doende, goet ghevonden hebben, eenige Schepen derwaerts te senden, onder goede ordre, politie ende geregeltheyt, oock met eenighe waren, penningen ende andere commoditeyten, om de handelinge te beginnen door sekere ghetrouwe ende vrome luyden, in deselve Schepen wesende, voor den welcken sy vrye toeganck aldaer sullen versoecken ten eynde voorszeid.
III. Sullen versoecken dat tot vroome, ghetrouwe, ende oprechte gestadige handelinghe, traffijcke ende navigatie, tot gemeene welvaren van de selve Coninckrijcken ende dese Landen: Midtsgaders den Ingesetenen der selver, mach worden verstaen. Ende soo t’ selfde aldaer goet ghevonden wordt, sullen verclaren dat men henlieden met een goede Ambassade ten selven eynde, met de eerste gheleghentheyt van meeninghe is te besoecken indien henluyden sulcks aenghenaem soude wesen.
IV. Sullen aldaer moghen openen wat commoditeyten ende Coopmanschappen uyt dese Landen aldaer van tijt tot tijt sullen mogen worden ghebracht, ende neerstelick ondersoecken, omme te verstaen wat Coopmanschappen ende goederen daer tegens by retour uyt de selve Conincrycken ende Landen sullen moghen worden ghetoghen, ende in dese Landen ghebracht.
V. Sullen van alle t’ ghene op de Reyse passeert, so wel binnen Scheepsboort, in de opdoeninghe van de Landen, Havenen, ende alle andere geleghentheyden, als van t’ ghene te lande hen sal voorcomen, goede ende partinente noticie houden, om terstont op hare wedercomste by geschrifte den Heeren Staten Generael, van alles te doen goet ende getrou rapport. Aldus gedaen ende gearresteert in de vergaderinghe van de Heeren Generale Staten der vereenichde Nederlanden, in S. Graven-Haghe den xvj. Junij Anno xv^{c}. xcv. Sloeth. vt. ter ordeninghe van de voornoemde Heeren Staten.
C. Aersens[1314].
[1314] Overgenomen uit: Linschoten, Voyasie ofte schip-vaert fol. 24 vso.
BIJLAGE V. (p. 42.)
RESOLUTIE der Amsterdamsche vroedschap »nopende de toerustinge van twee schepen omme by Noorden Noua Zembla te zeylen.”
Vergaderinghe gehouden den XXV^{en} Marty XV^{c}XCVI.
Ter voorsseide vergaderinghe hebben Burgermeesteren den heeren XXXVI Raden voorgedragen, dat op de leste daghvaert vanden Heeren Staten van Hollandt ende Westvrieslandt voorgeslagen zynde, ten eynde eenige nyeuwe toerustinghe van schepen van slands weghe mochte werden gedaen, omme nochmaels t’ ondersoucken by Noorden Noua Zembla te zeylen etc. t’ selffde (hoe wel meest alle de Steden daer toe eerst waren jnclinerende) ten lesten is affgeslagen ende Geresolueert, soe verre enighe Steden ofte Coopluyden int particulier, ten eynde voorsseid eenige schepen souden begeren toe te maecken ende wt te zenden, dat den selffden (Indien zy de voorsseide vaert quamen te vinden) voor een premium van slandts wege toegevought zal worden, de somme van XX ofte XXV^{m} guldens, Ende want bysunder dese Stad (als principaelyck Inde coophandel ende nauigatie bestaende) ende oick ’t gemeene landt ende d’Ingesetenen vandien in neringe, coophandelinge ende ryckdomme, grootelicx souden kommen te floreren, by soe verre de voorsseide vaert (daer toe goede hope wordt gegeuen) mochte werden geuonden[1315], Soe is by den Heeren Burgermeesteren ende XXXVI Raden goet geuonden ende Geresolueert, dat van stads wege twee schepen, te weeten een tusschen de L ende LX ende ’t ander van omtrent XXX lasten, ten minsten coste (diemen verstaet dat bouen de XII^{m} guldens nyet sullen bedragen) datelyck zullen werden toegemaect, ende als vooren gebruyckt, Ende ten eynde ’t selffde te beter mach worden geuordert ende geeffectueert Sullen d’Heeren Burgermeesteren daer toe mogen gebruycken eenige persoonen, die (volgende d’Instructie ende d’ordre hen te gheuen) zullen verzorgen, alle ’t gundt tot wtrustinge vande voornoemde schepen van noode wezen zal.[1316]
[1315] Vgl. R. H. 19 Febr. 1596. p. 112.--De resolutie werd 13 April door de Stn.-Gen. overgenomen.
[1316] Uit het resolutieboek der vroedschap op het Amsterdamsche archief.
BIJLAGE VI. (p. 42.)
GETUIGENISSEN van twee reisgenooten van Jan Cornelisz. Rijp over de noordpoolreis van 1596, 97.
Nous Bourgmaistres et Regens de la ville d’Amsterdam faysons foy A tous quil appartient et certifions pour la verite que pardevant nous est comparu Arent Martenssen d’Anvers aagé d environ 40 ans habitant de ceste ville juridiquement adjourné pour rendre tesmoignage de verite a linstance de Lambert van Tweenhuysen Jacques Nicquet et Consorts, Lequel a declaré deposé et affirmé par serment solemnel Estre veritable Qu’en lan 1596 sesquipperent pour ceste ville d’Amsterdam deux navires dont estoijent Maistres de lun Jean Cornelissen Reip et de lautre Willem Barentsz. qui s’envoyerent au nord Aijant iceluij tesmoing navigé avec ledit navire de Jean Simonssen Reip pour Pilote estant venus le X^{e} de Juillet a certaine petite Isle laquelle (a cause quils ij avoijent prins un Ours) ils nommerent Beeren Eijlant qu’est a dire Lisle aux Ours et passans outre Jusques a la Terre ferme qui est a l’hauteur de huictante degrez et onze minutes furent la quelques Jours en beaucoup d’endroicts de Paijs ou ils prirent et tuerent plusieurs Bestes et Volaille et allerent aussi querir à Terre une partie de Lest quils mirent en leur navire Auquel Paijs ils donnerent alors le nom de Spitsberguen ores nommé par les Anglois Gronlande Declare en outre quil fust conclu et ordonné par le Conseil du Navire qu’on mist tant audit Spitsberguen qu’autres Lieux et Endroicts a terre quelque Pieux en signe que nos Gens avoijent esté en ces paijs et quartiers Aussi vray Dieu le Tout puissant puisse estre en Aijde a iceluij Attestant Ens Tesmoing de quoij le seau aux causes de ceste dite Ville est imprimé sur l’Espace le 25 de Novembre 1630. Estoit signe I. de Haen avec le seau de ceste dite Ville imprimé en Cire verde au bas sur le space[1317].
[1317] Naar een afschrift onder de bijlagen van het: Request der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Het getuigenis is in zooverre eenigszins verdacht, dat de getuige, in 1630 ongeveer 40 jaar oud, reeds op zijn zesde jaar of daaromtrent als stuurman moet zijn uitgevaren. Maar het feit, hoe verbazend ook op zich zelf, dat personen van minderen stand in die tijden geheel niet wisten, welken leeftijd zij bereikt hadden, komt te dikwijls voor, dan dat men daarom alleen het stuk onecht zou noemen, te minder omdat falsarissen op dergelijke in het oog springende zaken zeker veel nauwlettender zouden toegezien hebben dan het Amsterdamsche stadsbestuur.--Arend Martensz. is in den tekst (p. 42) verkeerdelijk als Amsterdammer vermeld.
Nous Escoutette Bourgmaistres Eschevins et conseil de la ville de Leijden Compté d’Hollande Faisons foij et attestons à tous par cestes Que ce jourdhuij dabte des presentes par devant André Jasparssen de Vesanevelt et Mr. Jean Goes Eschevins esticij establi et comparu Anthoine Classen Herman, Capitaine de Navire, habitant de ceste Ville aagé d’environ trente huit ans, juridiquement adjourné par vn Sergeant porte verge de ceste dite Ville pour rendre tesmoignage de verite à l’instance et requeste de Lambert van Tweenhuijsen Jaques Niquet et Consorts Lequel par consequent a dit et attesté par serment solemnel a luij deferé et prins de luij estre veritable Que l’an mille cinq cens nouante six estans esquippez pour la Ville d’Amsterdam deux navires pour s’en aller au Nord chascun du port de cinquante Lestes dont estoijent Maistres de l’un Jean Cornelissen Reip et de l’autre Willem Barentsz., iceluij Deposant auroit navigé sur ledit navire de Jean Cornelissen Reip avec lequel ils estoijent sortis du Flie Et que le dixiesme jour de Juin de la mesme année veindrent à une petite Isle située à soixante cinq milles Nordouest du Cap Septentrional ou environ: ou ils Allerent à terre avec le Batteau et prenans la hauteur de l’orient trouverent estre a septante cinq degrez moins seise minutes suijvant quoij ils prindrent leur cours nord-nordwest de ladite Isle jusques à la hauteur de huictante degrez: ou ils trouverent la terre quils nomment Terre neufve et aussi Spits-berguen et Gronlande Item une plage ou Baije quils nommerent le grand Inwijcq trouverent aussi plus haut a septante neuf degrez un coing quils nommerent Vogel-hoeck quest a dire le Coing aux Oijseaux aupres du quel ij a une Riviere sur la quelle ils navigerent bien une lieue ou deux pensant de traverser mais a cause de la Glace furent Contraints de retourner Araison de quoij ils nommerent icelle Riviere Queerweicq Aijans bien plus haut à 80 degrez trouvé plusieurs Isles rompues ou ils furent à Terre et aussi à la terre ferme où ils allerent querir beaucoup de volaille et d’oeufs et y tuerent ou prindrent un ours blanc et allerent querir du lest de terre ou ils Trouverent aussi des dens de Baleines Ramans avec le Bateau dans les Golphes ou destours sans pouvoir recognoistre quil ij eust esté quelque Gens Et pourtant trouverent ils en quelques lieux sur quelques Valons de grand monceaux de Pierres entassées Dans quelques uns desquels ils mirent un Bois ou Pal en signe pour ceux qui en apres y pourroijent venir pour voir quil ij avoit esté des Gens Ne declarant autre Chose a dit Aussi vraij Dieu le Toutpuissant puisse estre en Aijde a iceluij Comparant En tesmoing de quoij Nous avons fait imprimer cij dessous Nostre seau aux causes du quel nous vsons maintenant Et fait corroborer la presente par la signature de Nostre Greffier Ce 2^{e} de Decembre l’an mil six cents trente estoit signé J. van Bancken avec le seau de ladite Ville imprimé aupres en Cire verde[1318].
[1318] Naar een afschrift onder de bijlagen van het: Request der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Op dit stuk past dezelfde aanmerking als op het vorige omtrent den leeftijd van den getuige.
BIJLAGE VII. (p. 43.)
EXTRACT uit het scheepsjournaal van Willem Barendsz. betreffende de ontdekking van Spitsbergen.
Le 18. de May, stile neuve, nous sommons partis de Texel, & arriverent le 22. contre Fayril[1319] & pres des Orcanesses[1320].
[1319] Fair-island, een eiland halfweg tusschen de Orcadische en Schetlandsche eilanden.
[1320] De Orcadische eilanden.
Le 5. de Iuing, summons venus en la glace, laquelle a nostre advis estoit venu de Groenland, car nous faissions compte d’estre environ 25. lieues au dehors dudict Groenland, l’eau estoit verdet, brun de couleur, jetterent le sonde sans trouver fond, la glace, s’estendoit au long de la Mer, Sudest & Norouest, & estoit du tout en pieces, ou escosses.
Le lendemain faysoyent nostre route Nordest & Norest quard du nort 9. lieues, arriverent contre une grande glace, par laquelle ne pouvoyent passer, ne trouverent nul fond a 120. brasses, a nostre advis estoyent 55. lieues de l’Isle Luffoet vers Nordouest, & du Cap de Nord 110. ou 115. lieues.
Tournoyent alors vers l’Est & arriverent le 10. de Iuing a l’Isle des Ours, a la hauteur de 74. degrées 35. min. & faisant voile de la Norest, arriverent en la glace, auquel jecterons ancre, & fumes contraints de retourner soubs l’Isle, De l’Isle des Ours summons departis, & faisoyent Oest noroest pensant trouver vers le nord meilleur passage, car ceux de l’autre Navire, vouloyent tousiours tirer vers l’oest, & j’avoy desir d’estre plus vers l’Est, avons couru jusques au soir Oest noroest 16. lieües, la nuict jusques au matin Noroest 15. lieues.
Le 14. Avancé jusques au soir Nord quar d’oest 22. lieues. Lors le temps devient clair, & nous nous trouvions pres de la glace, & nous sembloit veoir terre vers le Nord[1321], mais nous n’en estions pas asseuré.
[1321] De zuidpunt van Prince Charles-foreland?
Le 15. Nous tournions ven du vent, sondions sans trouver fond a 150. brasses, routoyant jusques au midy, Sudest & Sudest quart d’est 5. lieues, ayant la hauteur de 78-1/4 degrés.
Alors nous allions vent arriere, vers l’Est, 7. lieues.
Et apres jusques au soir Nornordest, 5. lieues.
Passions une grande Balaine morte, sur lequel y avoit plusieurs meauves.
Le 16. Il faisoit brun, le vent Oest passans jusques a midy, Nornord Est 21. lieues, arrivans en la glace, & nous nous retirans passans au loing d’icelle Nordest 5 lieues.
Et derechef hors de la glace Sudest 6. lieues.
Iusques a ce que nous venions derechef avec la roete de S. S. Oest, en la glace 4. lieües, lequel estoit du matin.
Le 17. Il faisoit calme iusques au midi, alors trouvamus la hauteur de 80. degrées & 10. minutes, nous louvions, car avoyons vent au vent, pour sortir hors de la glace, estoyons passe Si, ou 6. lieues, ayans vent Oest jusques au soir, ayant le fond de 90. brasses. Passants outre encore un quartier avec vent Sudest, allions Sud Siroest 4. lieues. Alors vismes terre & allions encore Oest Siroest, la terre s’estendoit Oest quar de Noroest, & Est quart de Sudest, bien 8. ou 9. lieues, la terre estoyt haute & tout couvert de neige, & du pointe du Norouest, s’estendoit ceste terre iusques a un autre pointe.
Le 18. Siroest quart d’Oest, 6. lieues, & la nous trouvions la hauteur de 80. degrées.
Allions contre vent au long de la terre, avec vent Oest & Noroest. Iusques au midi, le 20. Lors estoit le cap d’ouest de la terre, de nous environ Sud suroest 5. lieues. Passions outre Sud suroest & Siroest quar de su 5. lieues, & arrivames joinct a une ance large[1322], laquelle s’estendoit en la terre vers le Sud: & encore une Baye devant laquelle y avoit un Isle, laquelle Baye s’estendoit bien avant vers le Su[1323].
[1322] De Roode baai?
[1323] De Zeeuwsche baai met de Archipel en de Mauritius-baai.
Retournasmes alors de la terre, & passions oultre jusques au soir, Norouest quart du Nort 2. lieues, & arrivames derechef en la glace, parquoy nous falloit tourner vers le Su.
Le 21. Il faisoit grand vent & naigeoit fort du Siroest, & nous courions au vent jusques au soir, mouillons l’ancre proche de la terre pres de nostre Compagnon, justement devant l’entrée du Canal, a 18. brasses, fond de sablon, Au pointe d’Est de l’embouchure y avoit une Roche, laquelle estoit fendue par desus, fort bon a connoistre[1324]. Il y avoit encore un petit Isle ou Rocher, environ le tiers d’une lieue dudit bout d’Est. Au pointe d’Ouest y avoit ausi un Rocher bien proche.
[1324] Cloven-cliff en de andere eilandjes van den „Archipel.”
Le 22. Prenions de Lest de 7. Chalupes plain de callions, d’autant que nostre Navire estoit peu lestée. Et vient un grand Ours naiger pres du Navire, lequel poursuivions avec 3 Chalupes, & fut tué, sa peau avoit longeur de 12. pieds, nous entrames ce jour la avec la Chalupe en l’entre, pour cercher meilleur port, ce qu’estoit necessaire, & trouvames en dedans, la terre du tout separée & rompue, & aucuns Isles, ou il avoit bon ancrage en plusieurs endroits.
Le 23. Cerchames nostre vray Meridional, par le Cercle Astronomique, & trouvions avant midy, 11. & apres midy, 16. degrées, declinaison, que le Compas, ou l’aiguille tournoyt vers le Noroest, tellement que le Cercle n’estoit pas correct. Nous sortions hors la Baye, pour rechercher jusques ou la coste se pouvoit estendre, car il faisoit fort clair, ne pouvions apercevoir le bout de la terre, laquelle s’estendoit Sud quart de Siroest 7. lieues, Iusques a un bout haut & montueus, lequel se descouvrit, comme s’il estoit une Isle[1325]. Prenions de minuict l’hauteur du Soleil, de 13 degrées, tellement que nous estions a la hauteur du Pole de 79. degrées 34. min.
[1325] Fair-foreland.
Le 24. Avant midy, faisoit il calme avions le vent Siroest, la terre (au long duquel prenions nostre route) estoit la plus part rompue, bien hault, & non autre que Monts & montaignes agues, parquoy l’appellions Spitsbergen.
Nous navigeames environ Siroest & Siroestquart de Su 7 lieues, & lors nous estions environ 10. ou 12. lieues, du lieu ou nous avions sondée la premiere fois l’ancre, plus vers l’Est.
Nous destournames du soir derechef de la terre, le bout du Noroest: estoit Nordest de nous, & partions de la terre oest, & oest, quart du noroest, 8. lieues.
Iusques a la fin du premier quartier.
Destournasmes vers le Est, & allions Sudest & quart du Sud 8. lieues, jusques le 25. a midy.
Apres arrivames pres de la terre, & seiglants vent arriere Nornordest, 2. lieues.
Et le mouillerons arriere un pointe a 18. brasses, fond de sablon, & nous sembloit qu’il y avoit flus, & reflus, car nous trouvions en 12. heures de temps, un courant du Siroest, & un autre du Nordest, si fort que les boyns de nos ancres, se casseans dessoubs leauë.