Geschiedenis der Noordsche Compagnie

Part 44

Chapter 443,702 wordsPublic domain

Maar de tijden van ongestoorde rust waren toch voor de vereeniging voorbij: in de nog overige jaren van haar bestaan schijnt zij zich ten gevolge der Hollandsche resolutie van 11 December 1636 in eene eenigszins dubbelzinnige positie bevonden te hebben. De concurrentie van niet tot de compagnie behoorende Nederlanders, waaronder misschien vele Hollanders uit de acht pretendeerende steden, die het octrooi voor vernietigd hielden, schuilden, nam steeds toe[1284], en in 1641 was het reeds zoover met de Noordsche Compagnie gekomen, dat de gedeputeerden der Staten-Generaal op de conferentie te Staden aan Christiaan IV officiëel durfden verklaren en op schrift verzekeren, dat er in Nederland geene geoctrooieerde compagnie voor de walvischvangst meer bestond[1285]. In deze omstandigheden meende natuurlijk ieder op zijne beurt deel aan het octrooi te kunnen krijgen. Overal vormden zich vereenigingen, die hun geld in de vaart op Spitsbergen wilden wagen, en aangemoedigd door het geluk van Friesland verzochten achtereenvolgens alle provinciën om toelating tot het octrooi. Die van Utrecht, reeds in 1622 begeerig om hun kapitaal in de walvischvangst te beleggen[1286], waren de eersten, die zich bij de Staten-Generaal aanmeldden. Mr. Jacob Le Petit verzocht 29 September 1638 om met zijne compagnie ter walvischvangst naar Spitsbergen te mogen uitreeden onder belofte, dat hij zich drie à vijf mijlen van de Hollandsche baai verwijderd zou houden; hij hield staande, dat Utrecht evenals de andere provinciën in het octrooi moest worden ingelaten. De Staten-Generaal plaatsten zich op een onzijdig standpunt; het request werd in handen der Noordsche Compagnie gesteld, en onwillig als deze was, verliep de tijd met het wisselen van re- en duplieken[1287]. Overijssel had reeds in 1634 te gelijk met Friesland getracht deel in de Noordsche Compagnie te krijgen, maar hare pogingen waren toen mislukt[1288]. Beide provinciën besloten nu den wettigen weg te bewandelen. Tegen het einde van het octrooi der compagnie wendden zij zich met Gelderland tot de Staten-Generaal met het verzoek, om bij de eventueele vernieuwing van het octrooi mede daarin toegelaten te worden. Utrecht herinnerde aan de pretensie van Le Petit en zijne compagnie; Overijssel wenschte Jan Van Gesscher en Johan Struckel met de hunnen toegelaten te zien; Gelderland noemde later Eustaes Feij en Willem Everts als de hoofden der door haar begunstigde compagnie. Gedachtig aan het met Friesland voorgevallene beriepen de drie provinciën zich reeds dadelijk op het recht, dat hun volgens de Unie van Utrecht toekwam, en verklaarden, dat de vernieuwing van het octrooi der Noordsche Compagnie bij overstemming of in hare afwezigheid niet ten nadeele der nieuwe pretendenten zou mogen geschieden[1289]. De Staten-Generaal, die aanvankelijk alleen beloofden op het verzoek der drie provinciën te zullen letten, wanneer de vernieuwing van het octrooi ter sprake kwam, verklaarden later uitdrukkelijk, dat zij de supplianten zouden toelaten als het octrooi verlengd werd[1290]. Daardoor aangemoedigd deed eindelijk ook de zevende provincie, Stad en Lande, eene gelijke verklaring als hare drie zusters; het schijnt echter, dat zij daarmede meer ten doel had haar recht niet te verliezen, dan om bepaald tot het reeds »in effecte gecesseerde” octrooi te worden toegelaten: althans de namen der pretendenten werden niet genoemd[1291].

[1284] Aitzema, Saken v. Staet. II p. 442.

[1285] Verbaal der zending v. 1641 naar Staden en Glückstadt ad 20/30 Sept., 23 Sept./3 Oct. 1641. R.-A.

[1286] R. S.-G. 22 Dec. 1622.

[1287] R. S.-G. 29 Sept. 1638, 31 Jan., 18 Mrt., 22 Juli, 22 Oct. 1639, 27 Jan., 1 Mei 1640.

[1288] R. S.-G. 17 Mrt. 1634, 13 Jan., 26 Apr. 1635.

[1289] R. S.-G. 11 Nov. 1641, 24 Febr. 1642.

[1290] R. S.-G. 3 Mrt. 1642.

[1291] R. S.-G. 10 Juli 1642.

Zoo scheen er dus eenige kans te zijn, dat de Noordsche Compagnie werkelijk eene »generale Nederlantsche compagnie” zou worden, maar de concurrentie was te groot dan dat men dit plan zou hebben kunnen verwezenlijken. De acht Hollandsche steden herinnerden reeds in Mei 1641 aan hunne aanspraken van 1636[1292], en ook nieuwe Hollandsche pretendenten meldden zich aan. Eenige reeders te Jisp, die vier schepen uitgerust hadden, verzochten van de Staten-Generaal verlof om ter walvischvangst te mogen varen[1293]; Amsterdamsche kooplieden, voor wie Cornelis Ys, een naam in de geschiedenis der walvischvangst niet onbekend, optrad, verzetten zich tegen de verlenging van het octrooi der Noordsche Compagnie[1294].

[1292] Aitzema, Saken v. Staet. II p. 808--R. H. 25 Nov. 1641.--Req. der N. C. (dd. 18 Jan. 1642), in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N. C. R.-A.

[1293] R. S.-G. 3 Apr. 1640.

[1294] R. S.-G. 23 Sept., 1 Nov., 11 Dec. 1642.

Ofschoon dus door mededingers overstelpt, beproefde de belaagde compagnie in den aanvang nog tegen den stroom op te roeien en poogde hare vijanden te bevredigen. Op de aanzoeken der vier landprovinciën, zeker meer door kwaadwilligen opgestookt dan door hoop op eigen voordeel gedreven, schijnt zij geen acht geslagen te hebben, maar met de Hollanders hoopte zij tot eene schikking te komen. Zij stelde voor op nieuw conferentiën met hen te houden, en de Staten van Holland toonden zich geneigd, tot het maken eener vaste verdeeling der vangst mede te werken[1295]. Maar de eischen der steden waren te groot. Hoewel de Noordsche Compagnie veel verder ging in hare aanbiedingen dan in 1636 en o. a. aan Dordrecht en Haarlem zelfs ieder 1200 quarteelen traan aanbood, mits zij in de verlenging van het octrooi bewilligden, nam alleen Dordrecht daarmede genoegen. Haarlem drong niet eens op verdere beraadslagingen aan, maar verklaarde »mette voorseide presentatie int minste nijet te sijn te vreeden” en liever zelve met eenige andere steden moeite te willen doen om een nieuw octrooi van de Staten-Generaal te verkrijgen[1296]. Met zulke kwaadwilligen was niets aan te vangen. De Noordsche Compagnie mocht zich beroepen op hare ontdekking der noordelijke landen, op de vestiging der walvischvangst in de Vereenigde Provinciën door hare zorgen, op de bezwaren, die zij had doorgestaan en die nog steeds de walvischvangst bedreigden, zoo men ze niet met vereende krachten overwon, eindelijk op de »confusie ende disordren”, die het noodzakelijk gevolg zouden zijn van het gemis van »een behoorlyck ende voorsichtich reglement[1297]”, het baatte alles niets. De vernieuwing van het octrooi werd tallooze malen door de Staten van Holland besproken[1298]; herhaaldelijk verzocht men om last van de principalen[1299], maar tot eene ernstige beraadslaging kwam het niet meer. Men begreep, dat het groote aantal der »Competiteuren” het onmogelijk maakte hun allen voldoening te geven[1300], en de moeielijkheid om het eens te worden over de verdeeling der traan, die reeds in 1636 een der commissarissen tot den raad gedrongen had, om de walvischvangst voorloopig aan ieder vrij te laten zonder eenige verhindering[1301], deed nu dien voorslag definitief aannemen. Het jaar 1642 ging voorbij zonder dat de vernieuwing van het octrooi in de vergadering der Staten-Generaal zelfs ter sprake kwam, en met het einde van het jaar »liep ’t octroy in ’t wilde ende desert[1302]”.

[1295] Req. der N. C. aan de Stn. v. Holl. (dd. 18 Jan. 1642), in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.--R. H. 13 Dec. 1641, 29 Jan., 4 Juli 1642.

[1296] Resol. v. de Haarl. vroedsch. dd. 6 Mrt. 1642, in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.

[1297] Req. der N. C. aan de Stn. v. Holl. (dd. 18 Jan. 1642), in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N. C. R.-A.

[1298] R. H. 25 Nov., 13, 21 Dec. 1641, 18, 24, 28, 29 Jan., 4 Juli, 30 Sept. 1642.

[1299] Punten v. beschr. der Stn. v. Holl. tegen 17 Juni 1642, art. 14,--tegen 8 Sept. 1642, art. 13,--tegen 18 Nov. 1642, art. 24.

[1300] R. H. 30 Sept. 1642.

[1301] Versl. v. d. Hrl. gedeput. v. de confer. met de N. C. (Conc. rapp. v. 19 Mrt. 1636), in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N. C. R.-A.

[1302] Aitzema, Saken v. Staet. II p. 808.

De Staten-Generaal handelden dusdoende niet alleen zeer verstandig, maar ook zeer consequent. De noodzakelijkheid van samenwerking en eenheid tegenover de aanvallen van vreemde natiën was hun hoofdmotief voor het verleenen van het octrooi geweest; nu Engelschen en Denen hunne pretensiën uitdrukkelijk hadden opgegeven, hadden de Nederlandsche walvischvaarders niets meer van hen te vreezen en de concurrentie van andere natiën was niet belangrijk genoeg, om de Staten-Generaal op zulk een gewichtig punt van hunne oude vrijzinnige politiek te doen afwijken[1303]. Toch bleef het altijd eenigszins een waagstuk, om een bedrijf, waartoe zulk een groot kapitaal, zoovele voorbereidingen noodig waren als de walvischvangst, voor de concurrentie geheel open te stellen. Het was de vraag, of enkele partikulieren de macht en den moed zouden hebben om zoo groote sommen te steken in gevaarlijke ondernemingen, die waarschijnlijk niet dan uiterst schrale winst zouden opleveren. De Noordsche Compagnie had dikwijls verlies gehad in plaats van winst: wat zou het zijn, zoo de groote concurrentie de prijzen van traan en balein sterk deed dalen? Werkelijk sloeg de walvischvangst na den val der Noordsche Compagnie weldra aan het kwijnen: de visschen werden door de vele schepen schuw en verdwenen uit de van ouds bezochte baaien; het liet zich aanzien, dat deze nering met de vele daaraan verbondene bedrijven in Nederland evenals in Engeland zou ondergaan[1304]. Maar eerlang toonde zich de Nederlandsche energie in al hare grootheid: de wijkende prooi werd verder nagezet, de kostbare inrichtingen op de noordsche stranden werden verlaten, de schepen anders ingericht en moedig in het drijfijs gestuurd. En met uitstekend gevolg! De ijsvisscherij leverde door grootere bezuiniging in administratie en uitrusting ruime winsten; het getal schepen nam verbazend toe en vijf en twintig jaren na den val der Noordsche Compagnie kon men roemen, dat het aantal Nederlandsche walvischvaarders in dien tijd ~vijftienvoudig~ verdubbeld was[1305]. De Noordsche Compagnie zelve was voortaan een afschrikkend voorbeeld, dat overal werd aangehaald, waar het gold de nadeelen van monopolie en bescherming overtuigend te bewijzen: de geschiedenis der bevoorrechte vereeniging werd een krachtig wapen in de handen der mannen van vrijheid en vooruitgang.

[1303] Vgl. Aanwysing der heils. polit. Gronden en Maximen. p. 191.--Uit het voorgaande blijkt genoegzaam, dat de reden door Luzac (Hollands rijkdom. I p. 347) opgegeven voor den val der N. C. onjuist is. („De geringe voordelen, welke misschien door de kosten van bewind werden ingezwolgen, gaven aanleiding, dat de Noordsche Maatschappij van zelve een einde nam.”)--Vgl. ook: Tegenw. Staat. I p. 591.

[1304] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 238, 241.

[1305] Aanwysing der heils. polit. Gronden en Maximen. p. 84.

BIJLAGEN.

BIJLAGE I. (p. 35.)

INSTRUCTIE voor Wilhem Barentsz. waer naer hy hem sal hebben te reguleren, omme die reyse by Noorden (Noua sembla[1306]) om, t’ ondersoucken, ende te vinden naer ’t Coninckryck van China etc.[1307]

[1306] De woorden, tusschen haakjes geplaatst, zijn in het origineel bijgeschreven door Oldenbarnevelt zelven. Het is merkwaardig, en het getuigt van zijne kennis van al, wat op de noordpoolreizen betrekking had, dat die bijvoegingen altijd betrekking hebben op het plan van Plancius om benoorden Novaya Zemlya om te zeilen.

[1307] Twee zaken schijnen mij in deze Instructie vreemd: 1^{o}. dat het stuk uitging van de Stn.-Gen., niet van de Amsterdamsche vroedschap, op wier kosten zooals men weet het schip, waarover Barendsz. het bevel voerde, was uitgerust, 2^{o}. dat de Instructie door de regeering gegeven werd niet aan Nay, den „superintendent” der expeditie, maar aan Barendsz., die voor zoover wij weten niets met de schepen der Stn.-Gen. te maken had. Beide zaken getuigen wel voor het gewicht, dat men aan Barendsz.’ tegenwoordigheid reeds op deze eerste reis hechtte.

Inden Iersten sal den voorszeiden Wilhem Barentsz. stuerman het volcommen commandement hebben, ende goede ordre houden ouer spys, ende dranck, deselue ten meesten oorboer gebruyckende, ende daerbenevens goede discipline houden ouer alle tscheepsvolck, achtervolgende d’ artyckelbrieff daerop gemaeckt,

Ende sal den voorszeiden Wilhem Barentsz. stuerman met zyn schip, ende schipsvolck in dese maendt van Meye hem gereet vinden int meersdiep, omme van daer met de twee andere schepen totte voyage gedestineert de voorszeide reyse te voorderen soohaest alst doenlyck ende mogelyck sal wesen,

Ende sullen de voorszeide dry schepen hen byden anderen houden waerouer die Superintendentie sal hebben Cornelis Cornelisz. van Enckhuysen in tgene dat tot voorderinge van dese voorszeide voyage, off reyse sal strecken, Ende oft gebeurde (twelck Godt verhoede) dat dese schepen door storm, of onweder, oft oock door lanckduerige mist, oft ysganck, oft anderssins vanden anderen dwaelden, oft eenich ongeluck ouerquame, dat In sulcken geualle een ydert van d’ andere schepen euenwel hare voorszeide reyse sal voorderen, sonder dat d’ een d’ andere inde voorszeide voyage sal mogen empescheren ofte verhinderen,

Ende gepasseert zynde de noortcaep sullen hen alsdan verdeylen te weeten Cornelis Cornelisz., ende Brant Ysbrantsz. sullen haer cours nemen, nade Vaygatz ende Willem Barentsz. nae noua zemla, omme by alle mogelycke, ende doenlycke middelen t’ ondersoucken daer door te commen in de zee van Tartarien genaempt Mare tabin, Ende Ingeualle de voorszeide Wilhem Barentsz. door (oft om de) noua zemla niet soude connen passeren sal alsdan gehouden wesen de andere schepen te volgen door de Vaigatz, Ende ter contrarien d’ andere schepen niet connende passeren door de Vaigatz, oft door de Vaigatz alreede eenige mylen geseylt zynde, ende beuindende empeschement, oft letsel van ys, sulcx dat zy niet voorder souden connen door commen, sullen alsdan mede haer voyage dirigeren naer noua zemla, ende d’ ander schip volgen,

Ende sal de voorszeide stuerman scherpelyck letten op de forme, gesteltenisse ende gelegentheyt van t’ eylandt (ende wateren van ende om noua sembla, ende alle andere eylanden ende wateren, die hij opte reijse om noua sembla sal beuinden, ende zoo hij nade Vaygats mede compt te seylen, oick) van vaygatz, hoe tzelue gesitueert is, ende op wat hoochte, ende ondersoucken die wyte, ende breete vande canalen derzeluer, Insgelycx die diepten, ende gronden soo aende Noortzyde nae (van) noua zemla, als aende suytsyde wesende aende custen van moscouien, ende Tartarien, ende van gelycken wat droochten, sanden, ende riffen daer mogen wesen, ende oft daer oock hauenen, oft Reeden zyn om schepen te bergen soo voorden ysganck, als anderssins, Ende daerbeneffens wat volck op tzelue Eylandt, Ende aen beyde custen derzelue woont etc. Ende dit alles pertinentelyck aen te teekenen ende by gescrifte te stellen,

Ende door den canael van Vaygatz gepasseert synde sal de voorszeide stuerman alsdan synen cours nemen oost noort oost, ofte noortoost ten oosten aen op de noortcaep van tartarien genaempt de caep van tabin, ende neerstelyck letten op de hoochte vande selue caep, op de gedaente van tlandt ende gelegentheyt vande diepten ende die steylten, oft vlacten vande strandt aldaer met alle voordere circumstantien daertoe dienende,

Ende sal de voorszeide Wilhem Barentsz. onder anderen bysonder letten wat eylanden op dese voorszeide vaert gelegen zyn, ende waer, Ende wel distinctelyck aenteeckenen haere situatie ende die hoochte van dien, die commoditeyten van hauenen, ende Reeden derseluer, ende by wat volck d’ selue bewoont wordden, ende voorts daervan alle voordere kennisse nemen, sulcx als hy noodich ende dienstelyck sal beuinden,

Van gelycken sal de voorszeide Wilhem Barentsz. acht nemen op de stroomen, ende getyen van dese geheele passaige, soo by westen, als by oosten die Vaigatz, ende wel distinctelyck aen teeckenen op wat plaetssen, ebbe, ende vloet gaet, ende hoe hooch dattet daerop vloet, ende hoe lanck dat die ebbe, ende vloet op alle dese plaetsen gaet, Ende bouen dien ondersoucken de nature, ofte qualiteyt vande wateren aldaer te weeten, off deselue sout ofte soet, ofte brack zyn, Ende sal hier van pertinente notitie houden,

Alle tgene voorszeid is met Godts hulpe volbracht ende van alles pertinente notitie gehouden, ende alle aenteeckeninge scriftelyck gedaen zynde, soo sullen de voorszeide schepen wederkeeren, ende alsdan heuren cours nemen, die eenen lancx de custen van noua zemla, ende d’ andere lancx de custen van Tartarien, wel scherpelyck lettende op de streckinge ende gedaente vande Landen, ende die hoochte derseluer, mitsgaders die diepten, ende gronden, ende van gelycken die droochten, clippen, sanden, ende riffen met alle circumstantien daertoe dienende, Ende sullen die voorszeide schepen malcanderen verwachten ontrent het eylandt Colgoyeue,

Voorts sal de voorszeide Wilhem Barentsz., ende van gelycken synen onder stuerman, oft schipper pertinent Journael houden van alle die coursen, geduerende dese voyage, beginnende vanden noortcaep aff, ter tyt dat die schepen aldaer wederom door Godts genade gecomen sullen wesen, Ende sal tallen tyden, ende plaetssen des doenlyck zynde die hoochte affmeeten geduerende dese voorszeide reyse, als voorszeid is Ende daervan goede notitie houden, Ende voorts van alles een pertinent verbael maecken naer behooren, omme d’ Heeren Staten ouergeleuert te wordden,

Ende ten eynde eenen Iegelyck veroirsaeckt sal wesen syn vuyterste debuoir te doen sal de voorszeide Willem Barentsz. voor al van syne belooffde penningen betaelt wordden, ende de saecke wel geluckende, ende de reyse door Godts hulpe volbracht ende wederom hier te lande gecommen zynde, Sal de voorszeide Wilhem Barentsz. noch daerenbouen eerlyck gerecompenseert wordden, mitsgaders zyn scheepsvolck nade neersticheyt die een yegelyck in tvolbrengen van tgene voorszeid is gedaen, oft gemeriteert sal hebben,

Ende sal de voorszeide Wilhem Barentsz. vande reyse wederom gecommen synde hem vervougen met zyn schip, ende scheepsvolck ter plaetsse daer hy toegerust is, ende hem terstont addresserende aende Magistraten derseluer plaetsse, die hem sullen verclaren, waer naer hy hem sal hebben te reguleren, houdende middelertyt syn volck in scheepsboort, sonder te voren om eenige oorsaecken yemant van henlieden aen landt, oft oock van tlandt aen boort te laten commen,

Aldus gedaen, besloten, ende gearresteert Inde vergaderinge vande heeren generale Staten vande Vereenichde Nederlantsche Prouincien in Sgrauenhage den XVI^{en} Meye XV^{c} vier ende tnegentich.

J. van Oldenbarnevelt.[1308]

[1308] Uit het: Register der Instructien van de Stn.-Gen. 1588-1611. R.-A.

BIJLAGE II. (p. 38.)

BRIEF over de Nederlandsche noordpoolreis van 1594.

Vl. sal wel vernomen hebben het arriuement jn hollandt vande IIII scepen, die ouer vier maenden van hier vertrockken, om die nauigatie van Indien te vinden, ende van China achteromme, hebbende haer vornemen verricht, Vl. sal weeten, dat die twee, derseluer hebbende die hoichte gehadt vandie witte zee, sijn oostwartz aengeloopen, so om die Reuier Obij te soucken, (van waer aen allen sijden wyt Armenien koemen(de), herwartz worden gebracht, tot beter coepe, als die selue tot Venetia gelden) als oeck dien wech nae Chjna te mogen gebruijcken, alsoe hy naerder is, als lanxs Groenlandt, ende gecoemen aen die Vaigats (die welcke die plaetz is, daer alltijt die difficulteit van passeren is geweest, alsoe Oliuier Brunel tot daer sijnde gecomen, vont selue al toegeuroren, jnt midtse des somers, ende hadde alsoe 18 jaeren geweest[1309]), dese Vaigatz is een Eijlandeken, leggende jn een straete van beide seyden anderhalff meile vant landt, all waer koemende, jnt leste van Julio, vondent als dat voll ijs, twelck al 4, 5 vadem bouent water lach, ende daer nae koemende die hette, was jn drie dagen wech, soe versmolten als ewech gedreuen, door den stercken stroom die daer ginck, waermede die selue scepen, door(t) gat liepen, Geuende die selue den naem, die Straet van Nassouwe, vervolgende voorts hae(r) reise nae Obij, xvi daegen langh, soe wel mit contrarie wijndt, vindende een groote zee, ende ouerall groote diepte, 120, 140, 150 ende meer vademen, hebbende 130 meijlen geseijlt, Ende synde op 20 mylen nae by Obij, vresende off die wijnt gecoert hadde, ende dat sy daer door nijet weder soude door die Vaigatz hebben gecost, om den vorst, die daer stracks begost, keerde wederom, hebbende genoich discouuert, gheene sij begeerden, Deze en hebben nergens aent landt geweest, dan door die vaigatz sijnde, sagen eenen man opt landt die sy mit een boet aent landt gaende vervolg(d)en, dan liep ewegh, ende stracks quaemen op haer 30 ofte 40 mans, mit pijlen sittende elcx in een sleede van een hardt getrocken, waer af die Bootzgesellen vervaert sijnde wederom sceepe gingen, dander twee scepen gingen noortwaerts aen ende coemende op 78 graden, vondent lant, twelcke noua Sembla was, waeraf sij gebracht hebben viele mons(t)ers van Christall de montagna, datter mit bergen voll is, oeck van anderen Mineralen, onder anderen van desen en(i)gen Bergen, die se seggen vol gouts soude weesen, Ende gheen volck daer geuonden, hebben van daer gegaen, vonden onderwegen, dese 2 Schepen, die de Straette hadden gepasseert, ende soe syn tsamen thuys gecoemen. Die Staetten schijnt willen op die Vaigatz 2 Schanssen maecken, soe om die vaert alleen te houden, alse om dat haer van die volck wt Indien vaeren(de) daer huer vertreck hebben, alst Gat toe waer geuroren[1310], het volck sal mettertyt wonder wtrichten. Godt geue wat salich is. Giellisz heft een passagier gesproecken, die daer mede is geweest, ende hem dese relatie heeft gedaen[1311].

[1309] Merkwaardig is wederom deze vermelding van Brunel als den man, van wien de Nederlanders hunne berichten over de poolstreken ontleenden; het is een nieuw bewijs van zijne algemeene bekendheid. Het bericht zelf over hem medegedeeld is van belang, omdat het ons meldt, dat zijne noordpoolreis niet, zooals ik in den tekst (p. 31) zeide, reeds aan de Pechora geëindigd is, maar dat hij eerst na vruchtelooze pogingen om de straat van Nassau te passeeren op zijne terugreis in den mond der Pechora zijn schip verloor. Mogelijk heeft ook het bezoek van Kostin-sjar (zie p. 27) op deze reis plaats gehad; het blijft echter zonderling, hoe hij op zijne reis in Nederlandschen dienst na met zijne patroons gebroken te hebben, een Russischen gids had kunnen krijgen.--Dat de straat van Nassau in 1584 in geen achttien jaren open geweest was, is natuurlijk onjuist: Pet en Jackman waren ze nog in 1580 gepasseerd. Het bericht wekt het vermoeden, dat ook het bezoek van de straat van Nassau, evenals waarschijnlijk dat van Kostin-sjar, misschien vóor 1580 in dienst zijner Russische patroons heeft plaats gehad.

[1310] Vgl. p. 39.

[1311] De brief bevindt zich in een zeer slordig afschrift zonder eenige aanduiding van schrijver of geadresseerde onder de papieren van Buchelius op het archief der provincie Utrecht. Ik vond hem te laat om er in den tekst melding van te maken.

BIJLAGE III. (p. 39.)

POINTEN geproponeert opte Nauigatie benoorden om, naeden Coninckrycken van China ende Japan.