Geschiedenis der Noordsche Compagnie
Part 43
[1249] Zie o. a. de kaart van Spitsbergen, bij: Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 85.--Zie over de pogingen, door Friesland in 1642 en 43 aangewend om ~op geheel gelijke wijze~ deel te krijgen aan de O. I. C.: Van Rees, Gesch. der Staathuishoudk. II p. 205 vlg.
De meerdere buigzaamheid, door de Noordsche Compagnie in 1636 getoond, was het gevolg eener oppositie, die van elders kwam en de vereeniging met groot gevaar dreigde. Door de overeenkomst met de Friezen hoopten de bewindhebbers zich te sterken tegen de pretensiën van acht Hollandsche steden, die mede in het octrooi begeerden toegelaten te worden[1250]. Niettegenstaande de Hollandsche gedeputeerden ter generaliteit in 1633 uitdrukkelijk mede toegestemd hadden in de verlenging van het octrooi der Noordsche Compagnie, had de tegenstand door Friesland geboden, eenige leden der Hollandsche statenvergadering op het denkbeeld gebracht om met gelijke eischen op te treden.
[1250] Aitzema, Saken v. Staet. II p. 413.--Accoord der N. C. met de Friezen, art. 5-8, bij: Aitzema l. c. II p. 360.
Niet lang na de verlenging schijnen eerst Dordrecht, daarna Haarlem, Leiden en Alkmaar, later Edam, Monnikendam en Medemblik, en eindelijk ook Gouda aanspraak gemaakt te hebben op toelating tot het octrooi. Er werd gefluisterd, oogenschijnlijk niet zonder grond, »datt verscheijden landt-steden in Hollandt gheen ghelegentheijtt hebbende om ter See te equiperen, ~bij perticuliere persoonen in andere ghelegender Steden woonende~ wierden opgemaeckt[1251].” Hoe dit zij, de aandrang werd weldra zoo hevig, dat de regeering zich daarmede bemoeide. In Mei 1634 werd in de Hollandsche statenvergadering geproponeerd, »dat eenigen tijd geleden uyt goede consideratien ende ten dienste van dese Provincie het Octroy voor de Noortsche Compagnie ende Walvisch-vanghst, ter Vergaderinge van de Heeren Staten-Generael voor acht jaren was gecontinueert, ende Leden van dese Vergaderinge welckers Ingezetenen in ’t voorszeide Octroy participeren, of daer op pretenderen, elck anderen dienden te verstaen, of vereenight te werden, ten eynde ’t voorszeide Octroy te beter mochte werden gemainctineert.” De Staten besloten dadelijk, dat de participeerende en pretendeerende leden der vergadering voor hunne ingezetenen met elkander in conferentie zouden treden, om te trachten eene overeenkomst te treffen »aengaende de participatie ende verdeylinghe respective in de voorszeide Compagnie, tot conservatie van ’t voorschreve Octroy ende vande Neringe in dese Provincie[1252].”
[1251] Repartitie door de N. C. kamer Amst. aan gedeput. der Stn. v. Holl. overgegeven 19 Mrt. 1636, in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.
[1252] R. H. verg. v. 4-20 Mei 1634. p. 47.
Het was te voorzien, dat de Noordsche Compagnie niet gemakkelijk van haar verkregen recht zou afstand doen, en werkelijk werd men het na maandenlang gehaspel niet eens. De pretendenten waren over den tegenstand der compagnie zeer ontevreden; zij zagen weldra in, dat het niet aanging de compagnie tot toegevendheid te bewegen. Ten einde hunnen wensch een schijn van recht te geven, grepen zij toen een middel aan, zoo uiterst onbillijk, dat het op het eerste gezicht niets dan een voorwendsel bleek te zijn.
Het is van algemeene bekendheid, dat de personen, die de provinciën als hare vertegenwoordigers naar de Staten-Generaal zonden, slechts als lasthebbers hunner principalen optraden en eigenlijk tot geen besluit mochten medewerken, waarover zij niet eerst den wil hunner committenten gehoord hadden. Het spreekt echter van zelf, dat men in oneindig vele gevallen van die gedragslijn moest afwijken. Dagelijks kwamen er zaken voor, die dadelijk afdoening vorderden; dagelijks werden er besluiten aan de orde gesteld, die van veel te weinig belang waren, om de Staten van elk der zeven gewesten daarover te raadplegen. Het gebruik had dan ook ingevoerd, dat de leden der Staten-Generaal in dergelijke zaken ook zonder bepaalden last besloten; wel is waar bleef het natuurlijk den Staten der provinciën voorbehouden, hunne vertegenwoordigers te desavoueeren, maar hoogst zelden kwam het tot zulk een uiterste. De Hollandsche afgevaardigden, wier committenten op slechts weinige schreden afstands van de zaal der Staten-Generaal vergaderden, maakten natuurlijk van deze door het gebruik gewettigde vrijheid een minder ruim gebruik dan die der andere gewesten, en zoo was dan ook het laatste octrooi der Noordsche Compagnie van 1622, dat den 20 December in de Staten-Generaal aan de orde gesteld was[1253], eerst twee dagen later gearresteerd[1254], nadat de Hollandsche Staten hunne afgevaardigden den vorigen dag tot de goedkeuring gemachtigd hadden[1255], iets waartoe de andere provinciën uit den aard der zaak geen tijd gehad hadden. Maar toen den 25 October 1633, terwijl de Staten van Holland niet bijeen waren, het nieuwe octrooi aan de orde was gekomen, hadden de Hollandsche afgevaardigden geene zwarigheid gemaakt, om in de verlenging toe te stemmen, daar hun geene bezwaren daartegen, geene pretensiën van Hollanders bekend waren[1256]. Misschien maakte de aandrang der Friezen, die dien dag juist afwezig waren, het toen voor de Hollanders zelve gewenscht, dat de zaak nu dadelijk zonder verdere deliberatiën doorging. De Staten van Holland hadden natuurlijk, toen zij weder samenkwamen, van de zaak vernomen, maar noch toen noch gedurende de eerste maanden dachten zij er aan, de handelwijze hunner afgevaardigden af te keuren. Wij zagen zelfs, dat zij veelmeer nog in Mei 1634 verklaarden, dat het octrooi »eenigen tijd geleden uyt goede consideratien ende ten dienste vande Provintie ter vergaderinge van de Heeren Staten-Generael was gecontinueert.” Het was dus waarlijk niet twijfelachtig, of de verlenging hunne goedkeuring had weggedragen, en niets luidde vreemder dan de verklaring, door de pretendenten eerst in December 1634 gedaan, dat het octrooi verlengd was »sonder kennisse van haer Ed. Groot Mog.” en dat zij zich dus niet aan eene beperking hunner vrijheid dachten te storen, die zij onrechtmatig oordeelden, maar integendeel voorgenomen hadden, openlijk met de Noordsche Compagnie te gaan concurreeren[1257].
[1253] R. S.-G. 20 Dec. 1622.
[1254] R. S.-G. 22 Dec. 1622.
[1255] R. H. 21 Dec. 1622.
[1256] R. S.-G. 25 Oct., 19 Nov. 1633. (Tegenwoordig was voor Holland o. a. de heer van Heemstede)--Een praecedent hadden de Hollanders in het gebeurde in 1617, toen het octrooi der N. C., hoewel de Staten van Holland bijeen waren, zonder hunne voorkennis verleend was.--Vgl. ook: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 413.--Toch schijnt er reeds in Juli 1633 verschil tusschen eenige Hollanders en de N. C. geweest te zijn, waarin o. a. Haarlem gemengd was. (R. H. 13 Juli 1633.) Wat daarvan was, blijkt niet.
[1257] R. H. 5 Dec. 1634.
De Noordsche Compagnie kon dan ook thans evenmin als vroeger besluiten, de eischen der acht steden toe te geven: eene commissie, door Holland benoemd om de twistende partijen te vereenigen en »in stilheyt een bequame uytkomste te vinden[1258],” bracht het na maandenlange conferentiën niet verder dan de vorige[1259]. In Maart 1635 dreigde men eindelijk, dat de oneenigheid »in tyd ende wylen wel eenige ongemacken soude mogen veroorsaecken[1260];” later drong Dordrecht aan, om het volgens haar niet geldige octrooi »te houden voor nul ende van onwaerden[1261],” en werkelijk begonnen de pretendeerende steden in den zomer van dit jaar zonder zich aan de compagnie te storen de walvischvangst aan Spitsbergen[1262].
[1258] R. H. 5 Dec. 1634.
[1259] R. H. 3, 22 Mrt., 4, 5, 24, 27 Apr., 1, 24 Mei, 27 Juni 1635.
[1260] R. H. 3 Mrt. 1635.
[1261] R. H. 24 Mei, 27 Juni 1635.
[1262] Versl. v. d. Hrl. gedeput. v. de confer. met de N. C. (1^{e} confer. dd. 14 Febr. 1636), in: Stu. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N. C. R.-A.--Vgl. hiervóor p. 270, 72.
Toen eindelijk zag de bedreigde vereeniging het gevaar in en verklaarde zich bereid de nieuwe pretendenten toe te laten. Met nieuwen ijver werden nu de conferentiën hervat: de gecommitteerden (de heer Van Noortwyck met een gedeputeerde van Haarlem, Leiden en Alkmaar[1263]) beproefden onvermoeid eene schikking tot stand te brengen. De bewindhebbers, door Hollanders en Friezen te gelijk bedreigd, gaven eindelijk toe. Zij verklaarden zich bereid de nieuwe pretendenten toe te laten; maar zij stelden dadelijk als voorwaarde dier toegevendheid drie eischen: de Staten-Generaal moesten het octrooi der Noordsche Compagnie verlengen voor twintig jaar, den invoer van alle uitheemsche walvischtraan verhinderen of zeer hoog belasten, en aan alle Nederlanders streng verbieden om ter walvischvangst uit te varen. Op deze voorwaarden schijnt door de Staten van Holland geene aanmerking gemaakt te zijn, maar meer moeielijkheid baarde de voorloopige begrooting van het aandeel, dat de nieuwe participanten in de compagnie zouden krijgen. Er werden zeer hooge eischen gesteld. Nadat de Noordsche Compagnie verklaard had, dat zij aannam, wanneer alle concurrentie door de Staten-Generaal op de bovenvermelde wijze geweerd werd, hare vangst van 16.000 quarteelen traan op 24.000 te brengen, maakten de acht Hollandsche steden dadelijk aanspraak op de geheele vermeerdering van 8000 quarteelen. Het was zeker wel wat veel gevergd, terwijl Zeeland slechts 1/4 bezat en Friesland zich eerlang met 1/9 moest tevreden stellen, dat men aan acht steden eener provincie, die reeds het leeuwendeel in het octrooi bezat, nog 1/3 aandeel in de vangst zou inruimen, en de Noordsche Compagnie meende dan ook, dat men zich met 5000 quarteelen behoorde tevreden te stellen. Bovendien eischte zij, dat de nieuwe aandeelhouders een deel zouden betalen van de kosten van ontdekking der tot de visscherij noodige eilanden en van de processen, door de compagnie over het bezit daarvan gevoerd. De indringers bleven echter bij hunnen eisch; slechts op éen punt was men eenstemmig: de Friezen moesten met vereende krachten geweerd worden[1264].
[1263] R. H. 5 Dec. 1634.--Versl. v. d. Hrl. gedeput. ov. de confer. met de N. C., in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N. C. R.-A.
[1264] Deze en de volgende bizonderheden over eene quaestie, waarover juist van elders bijna niets bekend is, ontleen ik aan de aanteekeningen, door den Haarlemschen gedeputeerde (den burgemeester Van der Camer) van de zes door hem in 1636 bijgewoonde conferentiën gemaakt om rapport te doen aan de Staten van Holland. Ze zijn grootendeels geschreven op de keerzijde van andere stukken, en met eenige andere papieren over de N. C. vereenigd in eenen bundel: Stn. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N. C. R.-A.--Het hier medegedeelde is een overzicht van het verslag der eerste conferentie v. 14 Febr. 1636.
Twee conferentiën werden nu weder spoedig na elkaar gehouden, voordat men iets vorderde; maar den 19 Maart 1636 zond de Amsterdamsche kamer der Noordsche Compagnie eindelijk eenen uitgewerkten voorslag bij de commissie in. Zij wees er daarin op, dat het onmogelijk zou zijn ooit in eene algemeene vergadering tot eenstemmigheid te komen, wanneer men in elk der pretendeerende acht steden volgens haar verlangen eene nieuwe kamer der Noordsche Compagnie oprichtte; reeds nu »vielen dickwils in eene vergaderinge maer te veel swaricheijden voor om alle de verstanden ende sinnen in een te brenghen.” Bovendien zou eene inruiming aan de acht steden op zoo groote schaal als zij eischten noodzakelijk eene groote uitbreiding in de vangst ten gevolge moeten hebben, zoo men allen wilde voldoen; en zulk eene uitbreiding zou bij grootere kosten dadelijk eene belangrijke prijsvermindering van de traan te weeg brengen. De Amsterdammers stelden dus voor, aan Dordrecht, Haarlem en Leiden toe te staan elk 800 quarteelen, aan Gouda, Alkmaar, Edam en Medemblik elk 600, en aan Monnikendam 400 quarteelen. De Haarlemmers wilde men voegen bij de Amsterdamsche kamer, Gouda bij de Rotterdamsche, Alkmaar bij Hoorn; Enkhuizen zou vereenigd worden met Medemblik, Leiden met Delft of Amsterdam, terwijl Edam en Monnikendam samen slechts éene kamer zouden uitmaken. Alleen Dordrecht zou dus eene afzonderlijke kamer hebben[1265].
[1265] Repartitie door de Amst. kamer der N. C. aan de gedeput. der Stn. v. Holland overgegeven 19 Maart 1636, in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N. C. R.-A.
De commissarissen beloofden van dezen voorslag rapport te zullen doen en trachtten te verkrijgen, dat de Noordsche Compagnie de beslissing over deze zaak aan de Staten van Holland overliet. Amsterdam en Delft keurden dit goed, maar Rotterdam, Hoorn en Enkhuizen herhaalden, dat zij niet »van haeren ouden tax ende quote wilden gaen, ofte soo sij seyden niett en konden missen”[1266]. Zij leverden aan de commissie eene »aenwijsinghe” over, waarin zij uiteenzetten, dat zij »geene inruijminghe conden toestaen,” tenzij het aandeel van ieder hunner met 500 quarteelen vermeerderd werd; geschiedde dit niet, dan zou het aandeel van »de drij voornaemste zeesteden van Hollant naest Amsterdam”, dat nu reeds »seer cleen” was, »geheel vruchteloos worden gemaect”[1267]. Van den voorslag om zich aan de Staten van Holland te onderwerpen kwam dus niets, en daar de commissie weigerde tot de inwilliging van de drie eischen der compagnie mede te werken, voordat men het over de repartitie eens was[1268], schijnt men 6 September 1636 eindelijk overeengekomen te zijn, dat Dordrecht, Haarlem en Leiden elk 800 quarteelen zouden hebben, Gouda en Alkmaar elk 600, Medemblik, Edam en Monnikendam elk 400. De oude kamers der compagnie zouden dan echter ook verplicht zijn, de onlangs toegelatene Friezen met 2000 quarteelen te voldoen uit hun aandeel van 16.000, niet uit de geheele nieuwe raming van 20.800 quarteelen[1269]. De nieuwe aandeelhouders weigerden bovendien iets bij te dragen tot de kosten, door de ontdekking van Spitsbergen en Jan Mayen-eiland en de over hun bezit gevoerde processen veroorzaakt, op grond dat het octrooi der Noordsche Compagnie vervallen was(!) en zij de voordeelen der visscherij sinds jaren als vergoeding dier kosten alleen genoten had. Alleen eene recognitie voor het gebruik van hare gereedschappen en inrichtingen werd aan de compagnie toegestaan[1270].
[1266] Versl. v. d. Hrl. gedeput. v. de confer. met de N. C. (Versl. v. de 4^{e} confer. dd. 21 Mrt. 1636,--en: Conc. rapport v. d. Hrl. gedeput. dd. 19 Mrt. 1636), in: Stn. v. d. Hrl gedeput. ov. de N. C. R.-A.
[1267] Aenwysinghe door de kamers der N. C. v. Rott., Hoorn en Enkh. overgeleverd aan de gedeput. der Stn. v. Holl., in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N. C. R.-A.
[1268] Versl. v. d. Hrl. gedeput. v. de confer. met de N. C. (5^{e} confer. dd. 29 Juli 1636), in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.
[1269] Ook een ander pretendent, Pieter Ranst, directeur der compagnie van Nieuw-Nederland (O’Callaghan, N. Netherland. I p. 411), moest door de oude kamers met 600 quarteelen tevreden gesteld worden. (Versl. der 6^{e} confer. v. 6 Sept. 1636.) Omtrent diens van elders onbekende pretensie zeggen de Amsterdammers, dat zij gaarne zouden „ontlast blyuen vande equipage Van Pieter Ranst, dewelcke volgende hett contract, ende om redenen vorenverhaelt (?) getollereertt soude moetten werden, voor den tijtt van noch seuen aenstaende equipagien, mits datt de generale Compaignie daer van de recognitie trecke.” (Repartitie der Amst. kamer N. C., in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.)
[1270] Verslag v. d. Hrl. gedeput. v. de confer. met de N. C. (Versl. der 6^{e} conferentie v. 6 Sept. 1636), in: Stn. ov. de N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.--Het stuk deelt de hierboven vermelde opgaven mede; het is echter mogelijk, hoewel niet waarschijnlijk, dat het alleen het antwoord der pretendeerende steden is op de eischen der N. C.
Den bewindhebbers werd nu eindelijk verlof gegeven om te vertrekken[1271] en de verdere conferentiën werden uitgesteld tot 25 November, als wanneer men hoopte het ook met de Zeeuwen eens te zullen worden, die tegen dien dag naar Den Haag beschreven waren[1272]. Men had tot nog toe steeds gehoopt de zaak onder de hand te zullen kunnen schikken met de Hollandsche kamers, die men geneigd meende te zullen vinden aan hare zusters een aandeel in de winst aftestaan[1273]. Daarin had men zich echter geheel bedrogen: de Hollanders hadden zich zeer natuurlijk ongeneigd betoond alleen den geheelen last te dragen, en het was dus onmogelijk geweest in de afwezigheid der Zeeuwen eene definitieve overeenkomst te sluiten. Maar ook nu was de hoop daarop gering. De bewindhebbers der Zeeuwsche kamers hadden namelijk, nadat de conferentiën om hunnentwil tot na de algemeene vergadering van Maart geschorst waren, zich zeer onhandelbaar getoond. Eerst was er niemand van hen verschenen[1274], daarna hadden zij zich van de behandeling der zaak geëxcuseerd tot zij voltallig waren[1275]. En de afwezigen bleven weg niettegenstaande het opontbod der Staten-Generaal[1276]. De Hollanders van hunne zijde rekenden het nutteloos zonder hunne ambtgenooten eene overeenkomst te treffen, en meenden »dattet nijet geraden was onder den anderen te accorderen, dewyl sy beducht waren dat Zelant op syn luymen lach.” Maar dit uitstel was niet het eenige gevolg van den onwil van Zeeland: hare eischen zelve waren onredelijk. De bewindhebbers bleven er op staan, dat hun aandeel van 1/4 in de geheele uitrusting ongeschonden zou blijven en dus bij de vergrooting der generale raming ook hun deel vergroot moest worden zonder eenige vermindering door de toelating der nieuwe participanten, die alleen Holland aangingen[1277].
[1271] R. S.-G. 30 Sept. 1636.
[1272] R. H. 1 Oct. 1636.--R. S.-G. 27 Oct. 1636.
[1273] R. H. 29 Jan. 1636.
[1274] Versl. v. d. Hrl. gedeput. v. de confer. met de N. C. (2^{e} confer. v. 12 Mrt. 1636), in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N. C. R.-A.
[1275] Versl. v. d. Hrl. gedeput. v. de confer. met de N. C. (3^{e} confer. v. 15 Mrt. 1636), in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.
[1276] R. S.-G. 28 Mrt. 1636.
[1277] Repartitie der Amst. kamer N. C. dd. 19 Mrt. 1636. (Stn. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N. C. R.-A.)
Op dezen eisch schijnt dan ook de geheele zaak afgesprongen te zijn. De gezamenlijke bewindhebbers verschenen eindelijk op den bepaalden tijd in Den Haag en de conferentiën met den heer Nobel, door de Staten-Generaal daartoe gecommitteerd, begonnen. (1 December 1636.)[1278] Maar reeds eene week later bleek het, dat alle moeite vergeefs zou zijn: de Noordsche Compagnie leverde eene remonstrantie bij Holland in, om »ghemaintineert te worden by haer octroy, in voegen gelyck het selve laetstelijcken ter Generaliteyt was geprolongeert.” Na »lange discoursen” over de »consideratien tegen de prolongatie van den Octroye bij verscheyde leden gemoveert,” verklaarden de Staten van Holland echter, dat de Noordsche Compagnie vóor 25 December »redelijck contentement” aan de acht steden had te geven; »bij faute vandien” zouden de Staten van Holland het octrooi houden voor »nul en van onwaerden”[1279]. (11 December 1636.) De Staten van Holland traden dus openlijk toe tot het systeem der nieuwe pretendenten; zij desavoueerden het gedrag hunner afgevaardigden ter generaliteit ten aanzien van een besluit, meer dan drie jaren geleden genomen en door hen reeds zijdelings goedgekeurd. Ook al neemt men aan, dat deze met alle recht en billijkheid strijdige handelwijze wettig was, omdat de gedeputeerden werkelijk geen last gehad hadden[1280], dan nog streed het met den tekst der Unie en met de constante gewoonte, een octrooi door vijf van de zeven provinciën verleend voor »nul en van onwaerden” te verklaren op grond, dat een der beide overige gewesten weigerde zich te onderwerpen. De hoogste eisch, dien Holland stellen kon, was, dat men haar toestond een afzonderlijk provinciaal octrooi te verleenen, en ook dit nog was met het oog op het groote getal Hollandsche participanten eenigszins twijfelachtig[1281].
[1278] R. S.-G. 1, 2 Dec. 1636.
[1279] R. H. 10, 11 Dec. 1636.--Aitzema, Saken v. Staet. II p. 413.
[1280] Aitzema (Saken v. Staet. II p. 413) zegt, dat de Stn v. Holl. „daer mede te kennen gaven, dat sy den Staten Generael niet toestonden eenigh Recht van Souverainiteyt.” Hij bedoelt er waarschijnlijk mede, dat men den gedeputeerden der provinciën het recht ontzeide zonder last hunner committenten een besluit te nemen. Het komt mij trouwens voor, dat dit bepaaldelijk in zaken als deze geen betoog behoefde.
[1281] Vgl. over deze quaestie: hiervóor p. 323, 24.
Zoo dachten ook de Staten-Generaal, en zij traden krachtig op voor de bedreigde vereeniging, die zij het aanzijn geschonken hadden. Dadelijk bevestigden zij het verleende octrooi en bepaalden, dat de Staten van Holland hunne bezwaren daartegen bij hen hadden in te brengen om ze te doen onderzoeken. Eerst wanneer die bezwaren geldig bevonden waren, zouden de Staten-Generaal overgaan tot de intrekking van het octrooi[1282]. Deze krachtige houding had het gewenschte gevolg: de Hollandsche heeren zagen in, dat zij te ver gegaan waren. Tegen hunne gewoonte bukten zij voor de generaliteit; ten minste het blijkt niet, dat die van Holland ooit aan de oproeping eenig gevolg gegeven hebben. De nieuwe pretendenten, dus door hunne beschermers verlaten, gaven hunne eischen op, en wachtten op gunstiger tijden om ze door te zetten. De Noordsche Compagnie liet de acht steden niet toe[1283], en handhaafde haar octrooi tot aan het jaar 1642.
[1282] R. S.-G. 22 Dec. 1636.
[1283] Dit maak ik op uit de Resolutie der Haarlemsche vroedschap van 6 Maart 1642 (Stn. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N. C. R.-A.), waaruit blijkt, dat de N. C. in dat jaar o. a. met Dordrecht en Haarlem over hare opneming in de compagnie onderhandelde.