Geschiedenis der Noordsche Compagnie
Part 41
De Staten-Generaal hadden ongetwijfeld het recht, zich niet aan den tegenstand van eene provincie te storen. De grondwet der Vereenigde Provinciën had het verleenen van octrooien als niet dependeerende van de Unie aan de gewesten gelaten, en het was dus volgens de Unie van Utrecht aan zes provinciën volkomen geoorloofd een octrooi uit te geven, al weerhield de zevende zuster hare toestemming. Ook het gebruik, die gewichtige rechtsbron in de republiek, wettigde het besluit der Staten-Generaal. Het was namelijk reeds dadelijk in 1579 gewoonte geworden of liever gebleven, om sommige onderwerpen, wier regeling de Unie aan de provinciën had overgelaten, bij de vergadering der Staten-Generaal te brengen, ten einde meer eenstemmigheid in de vastgestelde maatregelen te verkrijgen. Tot die onderwerpen behoorde ook zonder tegenspraak het verleenen van octrooien. En daar dit eene zaak was, in verreweg de meeste gevallen van zeer ondergeschikt belang, hadden de provinciën stilzwijgend van haar recht afstand gedaan en besloot men daarin steeds bij overstemming. Het gebruik had deze regeling bekrachtigd en hechtte dus ook nu zijn zegel aan het besluit der generaliteit, om geen acht te slaan op Zeelands tegenstand. Wettigden dus recht en gewoonte gelijkelijk het verleenen van het octrooi, de positie van Zeeland bleef min of meer dubbelzinnig. De Unie van Utrecht liet de Staten der tegenstrevende provincie als souvereinen in hun gewest toe een afzonderlijk provinciaal octrooi te verleenen; de gewoonte vorderde, dat zij zich aan den wil der Staten-Generaal onderwierpen en zich gebonden rekenden door het door hen verleende octrooi. Ook hier weder week men echter in de republiek in sommige gevallen van het eenmaal vastgestelde af. De Staten-Generaal zelven hadden weldra het onmogelijke ingezien, om hun door gewoonte verkregen recht te handhaven. Was het reeds ondoenlijk gebleken machtige provinciën tot onderwerping aan de generaliteit te dwingen, waar de Unie dit uitdrukkelijk beval; hoeveel te minder was dit uitvoerbaar, waar de weerstrevende provincie den letter der wet in haar voordeel had. De Staten-Generaal waren dan ook steeds geneigd bevonden om toe te geven, wanneer eene machtige provincie meende zich niet door het tegen haren zin doorgegane besluit te moeten laten binden, en Zeeland had dus ook nu veel kans hare vrijheid erkend te zien.
Niet lang duurde het, of de provincie besloot van de gunstige positie, waarin haar het toeval geplaatst had, gebruik te maken. Nauwelijks bleek het, dat de Hollanders in de walvischvangst uitnemend slaagden en ook de Engelschen zich aanvankelijk rustig hielden of Jan Lampsius en eenige andere Vlissingsche kooplieden wendden zich tot de Staten van hun gewest met de mededeeling, dat zij voornemens waren zich nevens de Hollanders op de walvischvangst te gaan toeleggen. Daar echter de uitsluitende geest der Noordsche Compagnie hun te goed bekend was, verzochten zij van de Staten eene akte »om hun te indempniseren van zoodanigen schade als hun by de Hollanders zoude mogen aengedaen werden.” De Staten van Zeeland, naijverig op hunne vrijheid, verklaarden dadelijk: »dat, alzoo de Heeren Staten van Zeelant in het voorschreve Octroy niet en hadden geconsenteert, men niet en verstond dat selve soude strecken tot prejuditie van de Neeringe van hunne Ingesetenen, die daerom vryelyck nevens andere van dese Landen mochten aldaer visschen[1168].”
[1168] N. Z. 11 Mrt. 1615.
Niettegenstaande deze gunstige beschikking ging er met de uitrusting der schepen te veel tijd heen, dan dat men nog dit jaar eene reis kon doen[1169]. Eerst in 1616 rustte de Vlissingsche reederij twee schepen, de »Cabbeliau” kapitein Willem Willemsz., en een ander schip, kapitein Jan Verelle, naar het noorden uit. De Noordsche Compagnie protesteerde wel daartegen, maar de Staten-Generaal handhaafden de vrijheid van Zeeland en bevalen commandeur Schrobop de Zeeuwen evenals de Hollanders tegen hunne vijanden te beschermen[1170]. In den zomer verschenen dan ook de twee schepen aan het pas ontdekte Jan Mayen-eiland en hadden eene goede vangst[1171]. Maar nauwelijks kregen de bewindhebbers der Noordsche Compagnie hiervan bericht, of zij schreven aan den commandeur met bevel om de beide Zeeuwen te arresteeren en naar eene Hollandsche haven te voeren. Het gevolg was, dat het schip de »Cabbeliau” werkelijk in Texel opgebracht werd en de Noordsche Compagnie zich gereed maakte het te laten verbeurd verklaren[1172]. De reeders wendden zich dadelijk in groote onrust aan de Staten van Zeeland. Zij klaagden over de gewelddadige handelwijze der Hollanders, niettegenstaande de akte van vrijgeleide hun door de Staten van Zeeland verleend, niettegenstaande het bevel der Staten-Generaal aan den commandeur om de Zeeuwen te beschermen, en zij eischten van hunne regeering, dat zij ter handhaving van hun vrijgeleide hunne onderdanen van het dreigende proces zouden bevrijden. De Staten van Zeeland, verontwaardigd over het door de Hollanders gepleegde geweld, zeiden den supplianten terstond hunne hulp toe en schreven aan hunne gedeputeerden naar Den Haag om hen op alle mogelijke wijzen bij te staan[1173].
[1169] Dit blijkt uit de Sent. v. d. H. R. dd. 31 Juli 1620, die de reis, waarop de arrestatie der Zeeuwsche schepen plaats vond, noemt „de eerste reijse.” Edge (Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 467) verhaalt ook, dat de Zeeuwen, die in 1617 op Spitsbergen kwamen, „were neuer in those parts before.”
[1170] R. S.-G. 3 Juni 1616.
[1171] Sent. v. d. H. R. in zake Jan Lampsius c. s. c. Jan Clarcque c. s. dd. 31 Juli 1620.
[1172] R. S.-G. 30 Aug. 1616.--Sent. v. d. H. R. dd. 31 Juli 1620.
[1173] N. Z. 15 Oct. 1616.
Hoe gunstig zich de zaak dus aanvankelijk voor de Vlissingsche reeders liet aanzien, de afloop was hun zeer nadeelig. En terecht! De Staten-Generaal hadden het recht van Zeeland erkend om ongestoord alle voordeelen te genieten, die aan de Noordsche Compagnie ~volgens haar octrooi~ toekwamen. Waarschijnlijk zou deze dan ook hare mededingers gewillig op Spitsbergen hebben toegelaten. Geheel anders stonden echter de zaken, nu de Zeeuwen aan Jan Mayen-eiland hunne nering wilden oefenen. Niet krachtens het octrooi, maar door haar verkregen recht als ontdekkers volgens het plakkaat van 27 Maart 1614 vischten de beide Hollandsche compagniën aan dit eiland. De provincie Zeeland had zelve medegewerkt tot het vaststellen van dit plakkaat en was dus aan de bepalingen daarvan gebonden. Zeeuwsche compagniën hadden hier niets voor boven Hollandsche: het was hun evenmin als dezen geoorloofd gedurende vier jaar aan Jan Mayen-eiland met de beide bevoorrechte vereenigingen te concurreeren. Weldra beter ingelicht, mengden zich dan ook de Staten van Zeeland niet verder in het proces. Het gearresteerde schip werd spoedig tegen cautie in vrijheid gesteld[1174], maar de Hooge Raad, aan wien de zaak door de Staten-Generaal in handen gegeven was[1175], besliste 13 April 1617, dat de Vlissingsche reederij gedurende den tijd bij het »generael octroy” bepaald geen recht had aan »het eylant in questie” te visschen. Over het gearresteerde schip zouden partijen zoo mogelijk eene minnelijke schikking treffen, en daartoe voor den raadsheeren Rombout Hoogerbeets en Adriaan Junius verschijnen[1176].
[1174] R. S.-G. 9 Sept. 1616.
[1175] Miss. v. de Stn.-Gen. aan den H. R. dd. 16 Mrt. 1617, in: Lias loop. 1617.
[1176] Sent. v. d. H. R. dd. 13 Apr. 1617.--Miss. v. Zeeland aan de Gedeput. dd. 4 Febr. 1620, als Bijlage achter de N. Z. 1620.--Waarschijnlijk is het schip vrijgegeven op voorwaarde, dat de compagnie, die het uitgezonden had, nooit weder op Jan Mayen-eiland zou doen uitreeden, althans in de aangehaalde missive van de Stn. v. Zeeland van 1620 wordt gezegd, „dat of eenigh Verdragh werde geobiciëert tegens eenige Zeelantsche Groenlants Vaerders (die verlof hadden verzocht naar Jan Mayen-eiland te stevenen) als ofte die mette Hollanders over de Visscherye van dien Eylande hadden getransigeert, dat zulcx geen plaetse kon grypen, dan misschien tegen Jan Lampsius cum Suis, ende niet tegen anderen.”
Voor deze laatste verzoenende bepaling was veel reden: de strijdende partijen stonden reeds niet meer vijandig tegen elkander over; het waren nu compagnons, die onderling twistten. Reeds in October 1616 was er in de statenvergadering van Zeeland ernstig beraadslaagd over het verzoek der Noordsche Compagnie om verlenging van haar octrooi, dat met het jaar 1617 eindigen zou[1177]. Nu zich in Zeeland zelf eene compagnie voor de walvischvangst gevormd had, toonden de Staten van dat gewest zich geneigd tot de verlenging mede te werken, mits men hunne onderdanen voor een gedeelte in de geoctrooieerde vereeniging toeliet[1178]. De vraag was nu echter, hoe de Hollanders, die natuurlijk met het oog op de voortdurende concurrentie der Zeeuwen, dezen gaarne in hunne compagnie wilden opnemen, bij die toelating zouden willen handelen. De Staten van Zeeland wenschten te weten, of de bedoeling der Hollanders was, de kapitalen der beide vereenigingen te combineeren en gezamenlijk éene compagnie uit te maken, waarvan alle leden gelijke aanspraak op winst en verlies hadden en allen door dezelfde bewindhebbers bestuurd werden, dan wel of de vereenigingen alleen zouden samenwerken in het gezamenlijk aanvragen van octrooi. In het laatste geval toch zou elke kamer der compagnie voor eigene rekening schepen uitrusten, terwijl men daarbij alleen door een reglement, door de gezamenlijke kamers gemaakt over de grootte en uitrusting der schepen en het samenblijven tot gemeenschappelijke verdediging tegen vijanden, in zijne vrijheid beperkt zou zijn. (regulated company.)[1179] Aan zulk een vrijzinnigen voorslag dachten echter de Hollandsche reeders niet: eene regeling als deze zou voor de Zeeuwen een ruim veld ter concurrentie overlaten, en de bezwaren, door de Noordsche Compagnie tegen de oprichting der Zeeuwsche geopperd, zouden zoodoende bijna allen blijven bestaan. Zij wezen er dan ook dadelijk op, dat twist onvermijdelijk was, wanneer men zich niet geheel vereenigde; het was toch onmogelijk, aan ieder der compagniën afzonderlijke baaien voor hare visscherij aan te wijzen en twee of drie zouden dus naast elkander haar bedrijf moeten oefenen. Bovendien was het noodzakelijk, dat men ook over het getal der uitterusten schepen bepalingen maakte, want »de neringe selve was soo groot niet, dat die vruchtbaerlyck met onbepaeldt getal van schepen soude connen werden gedaen.” De Noordsche Compagnie was dus van plan de verlenging van het octrooi voor zich alleen aan te vragen, »als vele costen gedragen hebbende met cleine profictien.” Wel wilde zij de Zeeuwen voor een nader te bepalen deel toelaten, maar het zou zijn op voorwaarde, dat zoowel het kapitaal als de risico vereenigd zouden worden en dus ook de uitrustingen voor gezamenlijke rekening zouden plaats hebben. Stonden de Zeeuwen er echter bepaald op, zich op zich zelf te houden, dan wenschten de Hollanders ieders aandeel in de vangst afzonderlijk te bepalen; de verschillende uitrustingen zouden dan »tot gemeenen behouve den visch vangen, die men in loco soude deelen en ijder sijn contingent mede gheven.”[1180].
[1177] N. Z. 12, 13 Oct. 1616.--Men meende in Zeeland, dat het octrooi met het jaar 1616 eindigde. (Miss. der Stn. v. Zeel. aan hunne gedeput. dd. 14 Oct. 1616, in: N. Z. 1616.) Het was echter in 1615 met een jaar verlengd (R. S.-G. 1 Apr. 1615) en eindigde dus eerst met 1617.
[1178] N. Z. 14 Oct. 1616.
[1179] Miss. v. de Stn. v. Zeel. aan de Gedeput. dd. 14 Oct. 1616,--en v. Gecommitt. Raden v. Zeel. aan den magistraat v. Zierikzee dd. 23 Oct. 1616, achter: N. Z. 1616.
[1180] Miss. v. de Gedeput. aan de Stn. v. Zeeland dd. 19 Oct. 1616, in: Archief Zeeland.
De onderhandelingen duurden lang. Zeeland schijnt zich met de haar eigene doorzettende vrijheidsliefde tegen eene geheele vereeniging verzet te hebben, en tot eene combinatie van kapitalen kwam het dan ook niet. Toch kregen de Hollanders in zooverre hunnen zin, dat het getal schepen onderling bepaald werd en aan elk der contractanten een vooruit bepaald aandeel aan de uitrustingen werd toegekend. Zij boden daarop den Zeeuwen 1/5 aan[1181]; de Vlissingsche reederij was niet ongeneigd, voor 1/4 aandeel als lid der vereeniging op te treden[1182]. Door bemiddeling der Staten-Generaal[1183], die in de talrijke concurrenten der Noordsche Compagnie vijanden der eenheid en macht zagen, die zij door het octrooi aan de Nederlandsche walvischvaarders hadden willen geven, werden de twee compagniën het nu weldra eens, en gezamenlijk werd bij de Staten-Generaal een nieuw octrooi aangevraagd[1184]. Den 24 Januari 1617 werd dit op naam der beide vereenigingen voor vier jaar verleend[1185]. De Staten van Zeeland, die in deze zaak met groote behoedzaamheid handelden en niet dan met volkomen kennis van zaken hunne toestemming verleenen wilden[1186], keurden het 27 Januari goed[1187].
[1181] N. Z. 26 Jan. 1617.
[1182] N. Z. 27 Jan. 1617.
[1183] R. S.-G. 24 Dec. 1616.
[1184] R. S.-G. 21 Jan. 1617.
[1185] R. S.-G. 24 Jan. 1617.--Gr. Placaetb. I p. 671.
[1186] N. Z. 12, 13, 14 Oct. 1616, 26 Jan. 1617.--Miss. der Stn. v. Zeel. dd. 14, 23 Oct. 1616, in: N. Z. 1616. (Bijlagen.)
[1187] N. Z. 27 Jan. 1617.
Weldra kwam nu de zaak in orde: den 19 Maart 1617 sloten de Hollandsche en Zeeuwsche compagniën voor de walvischvangst eene overeenkomst, waarbij aan die van Zeeland 1/4 deel in het gemeenschappelijk octrooi werd ingeruimd. Er werd verder bepaald, dat gedurende drie jaren Holland vier stemmen zou hebben tegen Zeeland éene, terwijl de vergaderingen onder praesidium van eene der Hollandsche kamers in die provincie zouden gehouden worden; het vierde jaar zou Holland drie stemmen hebben tegen Zeeland twee, terwijl een der Zeeuwsche bewindhebbers de algemeene vergadering in Zeeland zou praesideeren. (art. 2-4.) De meerderheid der kamers zou de minderheid binden aan alle besluiten der algemeene vergadering. (art. 5, 7.) Nieuwe bewindhebbers eener kamer zouden uit een dubbeltal, door de overblijvende bewindhebbers uit de hoogste participanten opgemaakt, gekozen worden door den magistraat der stad, waar de kamer gevestigd was. (art. 10.) Over de jaarlijksche uitrustingen zou de algemeene vergadering beslissen. (art. 12.) Ontdekkingen, door schepen der Noordsche Compagnie gedaan, zouden komen ten bate der generale compagnie. (art. 19.)[1188]
[1188] Zie het contract als bijlage achter het request der Vlissingsche reeders aan de Gecommitt. Raden v. Zeel., in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
Evenals de Hollandsche walvischvaarders werden nu ook de Zeeuwen in kamers verdeeld. De hoop op vereeniging met de groote compagnie voor de walvischvangst had nieuwe mededingers opgeroepen. Eene tweede Vlissingsche compagnie, aan het hoofd waarvan zekere Jan De Moor stond, was naast Lampsius en de zijnen opgetreden[1189] en zond in het voorjaar van 1617 naast zijne twee schepen een derde naar Spitsbergen. En weldra meldden zich nog meer Zeeuwen aan, die begeerig waren in de winsten der walvischvangst te deelen. De Staten van Zeeland hadden dadelijk na het verleenen van het nieuwe octrooi, brieven rondgezonden aan de verschillende Zeeuwsche steden, ze aanschrijvende binnen veertien dagen opgave te doen van de kooplieden, die in elke stad in de nieuwe compagnie wilden participeeren[1190]. Het resultaat was zeer bevredigend geweest, en uit de oude participanten, te zamen met de nieuwe pretendenten werden nu bij het contract met de Hollanders drie kamers gevormd. De beide Vlissingsche reederijen werden tot éene kamer der Noordsche Compagnie vereenigd[1191]; uit de nieuwe participanten werden twee andere kamers gevormd, die zich te Middelburg en te Veere vestigden[1192]. Deze verdeeling bleef bestaan tot den val der Noordsche Compagnie toe.
[1189] Getuigenissen in zake het gebeurde met de Engelschen op Spitsbergen in 1617, als bijlagen bij het: Request der Zeeuwsche reeders aan de Gecommitt. Raden v. Zeeland, in: Noordsche togten 4. Loop. N. C. R.-A.
[1190] N. Z. 27 Jan. 1617.--Miss. v. Zeeland dd. 27 Jan. 1617. (Bijl. achter N. Z. 1617.)
[1191] In het request der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 1 Sept. 1621 (in: Noordsche togten. 3 Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.) worden Lampsius en De Moor naast elkander als bewindhebbers van de Vlissingsche kamer der N. C. genoemd.
[1192] Hoewel in 1617 alleen de beide Vlissingsche compagniën hare schepen naar Spitsbergen zonden, werd echter deze verdeeling in drie kamers reeds dadelijk in het contract aangenomen. Dit blijkt uit de onderteekening daarvan door verschillende personen voor Middelburg, Vlissingen en Veere. Waarschijnlijk was het jaar reeds te ver verloopen, dan dat de nieuwe participanten reeds in 1617 eene uitrusting konden gereed krijgen.
Boven hebben wij reeds gezien, dat de vereeniging van Hollanders en Zeeuwen aanvankelijk niet de gewenschte vruchten droeg[1193]. Door hunne bondgenooten alleen gelaten konden de drie schepen der Vlissingsche compagniën in 1617 geen verlof van de Engelschen krijgen om hun bedrijf aan Spitsbergen te oefenen, en werd een der schepen van Lampsius door hen zelfs van alles beroofd[1194]. Eene poging, door de teleurgestelde reeders gewaagd, om zich voor dergelijke aanvallen in het vervolg te behoeden door zich te vereenigen met eene nieuwe Engelsche compagnie, die zich gereed maakte met de Moscovische Compagnie te concurreeren, mislukte[1195] en in 1618 wreekten twee Vlissingsche walvischvaarders en een van Veere zich op de Engelschen door het berooven van het schip »the Pleasure” in Sir Thomas Smiths-bay[1196].
[1193] De onderlinge naijver schijnt met het sluiten van het contract niet opgehouden te zijn; ten minste voor de uitrusting van 1618 was het noodig, dat partijen eene nieuwe overeenkomst sloten. (R. S.-G. 7 Dec. 1617.) De onaangenaamheden over den omslag der schade, den Zeeuwen in 1617 door de Engelschen in de afwezigheid der Hollanders toegebracht, kunnen hiertoe medegewerkt hebben.
[1194] R. S.-G. 9 Nov. 1617.--Miss. v. Zeeland dd. 21 Dec. 1617, als: Bijlage achter de N. Z. 1617.--Zie meer hiervóor p. 211, 12.
[1195] Macpherson, Annals of commerce. II p. 287.
[1196] Zie meer hiervóor p. 215-17.
Eene andere zaak dreigde de Zeeuwen nog langen tijd met moeielijkheden. Niettegenstaande het contract van 1617 bleef er tusschen de Hollandsche en Zeeuwsche compagniën voor de walvischvangst nog steeds een groot onderscheid. Zeeland bleef van Jan Mayen-eiland natuurlijk uitgesloten; de oude Noordsche Compagnie was de eenige der drie mededingsters, die hare uitrustingen zoowel naar Spitsbergen als naar Jan Mayen-eiland kon zenden. Deze ongelijkheid hinderde de Zeeuwen steeds, maar door de ondervinding geleerd, waagden zij het niet weder zonder uitdrukkelijke verklaring van de Staten-Generaal aan Jan Mayen-eiland te verschijnen. Eene eerste poging, reeds in 1618 tot het verkrijgen van zulk eene verklaring aangewend, stuitte natuurlijk af op het blijkbare recht der Hollanders[1197]. In het voorjaar van 1620 werd het verzoek der Zeeuwen met meer nadruk en ook met meer recht herhaald[1198]: de beide Hollandsche compagniën hadden nu reeds vier jaren aan Jan Mayen-eiland gevischt, de kleine zelfs reeds vijf jaren, en de tijd bij het »generael octroy” bepaald was dus verstreken. Het schijnt echter, dat de Hooge Raad bij zijn vonnis den tijd der vier reizen heeft willen doen ingaan met 1618[1199] en het gelukte den Hollandschen reeders dan ook, de toelating der Zeeuwen aan het eiland te doen verschuiven tot twee jaren na de aanvrage. De Zeeuwen berustten daarin, en niettegenstaande hunne onaangenaamheden met de Engelschen op Spitsbergen in 1617 en 1618 hielden zij vol en zonden telkens weder hunne schepen daarheen. In de aan de Mauritius-baai grenzende inham, die de Zeeuwsche baai genoemd wordt, vestigden zij zich afgescheiden van hunne deelgenooten; kort na 1624 verhuisden de Vlissingers zelfs naar het door de Denen lediggelaten terrein in de Mauritius-baai[1200]. Toen echter het octrooi van 1617, dat alleen verleend was »sonder prejuditie van het recht op het Eylant in questie by d’ Ondeckers van ’t selve uyt krachte van het Generael Placaet verkregen”[1201], met het jaar 1621 geëindigd was[1202], begreep de Noordsche Compagnie zelve, dat verdere pogingen om de Zeeuwen van Jan Mayen-eiland verwijderd te houden vruchteloos zouden zijn. Zij nam het initiatief en noodigde de Zeeuwsche walvischvaarders tot eene conferentie om over de voorwaarden eener algeheele vereeniging te beraadslagen[1203]. De zaak slaagde naar wensch en 8 Januari 1622 verzochten beide compagniën te zamen verlenging van het octrooi voor de walvischvangst[1204]. De toegevendheid der Noordsche Compagnie was waarschijnlijk niets dan eene list om eene combinatie met de gehate kleine Noordsche Compagnie te vermijden: met de Zeeuwen vereenigd voelde zij zich sterk genoeg om alle concurrentie te trotseeren. De Staten-Generaal waren echter van een ander gevoelen; wij zagen reeds, dat door hunne tusschenkomst de drie compagniën gedwongen werden voor het jaar 1621 zich bij de vangst tot een bepaald getal quarteelen traan te beperken. Terwijl aan de groote en kleine Hollandsche compagniën 10,000 en 6000 quarteelen traan werden toegelegd, bedroeg het aantal der Zeeuwen in de te vangen 21,000 quarteelen slechts 5000. Maar tevens werd dan ook hun recht op de visscherij bij Jan Mayen-eiland, dat sinds het vierjarig octrooi der ontdekkers geëindigd was, onder het octrooi der Noordsche Compagnie behoorde, uitdrukkelijk erkend[1205]. De Hollanders schijnen echter, nu eens de toestemming der Staten verkregen was, weder minder willig geweest te zijn om de resolutie uit te voeren; althans het reglement, dat volgens het verlangen der regeering in den geest der jongste regeling door de compagnie zelve opgemaakt moest worden, stuitte bij hen voortdurend op zwarigheden[1206]. Geen wonder dan ook, dat de Zeeuwen hunne medeleden wantrouwden; gedachtig aan hun wedervaren van 1616 verzochten zij de Staten-Generaal om eene afzonderlijke akte, waarbij hun uitdrukkelijk verlof gegeven werd om aan Jan Mayen-eiland hunne traankokerijen te mogen bouwen. De akte werd dadelijk verleend[1207], en op het einde des jaars werden de Zeeuwen evenals de kleine Noordsche Compagnie mede begrepen onder de definitieve verlenging van het octrooi der walvischvaarders voor twaalf jaar[1208]. Voortaan was er dus in Nederland slechts éene compagnie, waarvan alle kamers geheel dezelfde rechten genoten.
[1197] R. S.-G. 21 Apr. 1618.
[1198] N. Z. 4 Febr., 12 Mrt. 1620.--Miss. v. Zeeland dd. 4 Febr. 1620, achter: N. Z. 1620.
[1199] Octrooi der N. C. dd. 22 Dec. 1622. (Gr. Placaetb. I p. 675.)--Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 1 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 3 Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.
[1200] Zie meer hierover: hiervóor p. 142, 43.--Vgl. ook over de walvischvaart der Zeeuwen van 1619-22: hiervóor p. 109 Noot 5{[357]}.
[1201] Gr. Placaetb. I p. 672.--R. S.-G. 21, 24 Jan. 1617.
[1202] Het octrooi was verleend voor vier jaren, maar ging door de éenjarige verlenging van het octrooi der N. C. op 1 April 1615 eerst met het jaar 1618 in.
[1203] Resol. N. C. 29 Juli 1621, bij het: Request der kleine N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A.
[1204] R. S.-G. 8 Jan. 1622.
[1205] R. S.-G. 3, 4 Febr. 1622.