Geschiedenis der Noordsche Compagnie
Part 40
Bij eene zoo duidelijke redeneering kan het oppervlakkig eenigszins zonderling schijnen, dat de gedaagden aanvankelijk geen aanspraak op uitsluitende rechten gemaakt schijnen te hebben. Maar zoo sterk als hunne zaak was voor de Staten-Generaal, die slechts over inbreuken op het octrooi der compagnie en over het recht op de voordeelen van het »generael octroy” als arbiters uitspraak doen konden, zoo uiterst zwak was zij, wanneer hunne tegenpartij den gewonen weg van rechten wilde inslaan. De Noordsche Compagnie was dadelijk begonnen met aan de Staten over te leggen de Instructie van de bewindhebbers der compagnie, waarvan art. 10 bepaalde, dat niemand de besluiten der vereeniging of hetgeen hij in zijne hoedanigheid als aandeelhouder gehoord had, tot zijn partikulier voordeel mocht aanwenden. Volgens dit artikel waren de bewindhebbers natuurlijk volkomen gerechtigd hunne ambtgenooten, die op het van Kerckhoff in ~hunne hoedanigheid van bewindhebbers~ vernomene het ontdekte eiland, dat in het gunstigste geval ten bate der Delftsche kamer had moeten komen, in hun eigen voordeel geëxploiteerd hadden, voor de gewone rechters aan te spreken tot vergoeding van de schade, die de Noordsche Compagnie door de gevolgen hunner onrechtmatige daad geleden had. De verdediging van Kyen en Leversteyn was op dit punt uiterst zwak[1135].
[1135] „Debath,” in: Noordsche togten. 1. R.-A.--Mijn oordeel over de zaak is natuurlijk gegrond op de voorstelling, die ik van de feiten gegeven heb. Ik moet echter bekennen, dat deze uit de enkele stukken, ons over de quaestie bewaard, onvolledig en niet altijd met volkomen zekerheid op te maken zijn. Reeds dadelijk maakt het geen goeden indruk, dat de N. C. na het vonnis van den Hoogen Raad in 1617 Kyen en Leversteyn niet voor den gewonen rechter om schadevergoeding aangesproken schijnt te hebben; het bewijst, dat ook de compagnie zich eenig onrecht bewust was. Mag men de mededingers der N. C. gelooven, dan hadden de Amsterdammers zich o. a. schuldig gemaakt aan afzonderlijke walvischvangst aan de Noordkaap met Deensche passen.
Het zal dan ook wel door het bewustzijn geweest zijn, dat dit gevaar hen dreigde nu hunne handelwijze bekend geworden was, dat Kyen en Leversteyn, toen zij voor de door de Staten-Generaal benoemde commissie[1136] verschenen, voorstellen deden, die men van rechthebbenden volgens het »generael octroy” niet verwacht hebben zou. Zij sloegen voor: dat men hun zou toelaten met vier schepen aan het »eylant in questie” te visschen, terwijl de Noordsche Compagnie daarheen zoovele schepen zou mogen zenden als zij wilde; òf dat men hun verlof zou geven tot de vier reizen naar het eiland op de voorwaarden, dat zij al, wat de ondervinding hun over de ligging en de geschiktheid daarvan voor de visscherij had geleerd, aan hunne medebewindhebbers zouden mededeelen en dat zij door den verkoop hunner traan de markt voor de Noordsche Compagnie niet zouden bederven. Toen deze voorslagen werden geweigerd, verzochten Kyen en Leversteyn eindelijk, dat de Staten-Generaal in plaats van de »enorme sware conclusie” der Noordsche Compagnie toe te wijzen zouden bevelen, dat beide partijen zonder prejuditie der wederzijdsche aanspraken dit jaar aan Jan Mayen-eiland zouden mogen visschen. Men zou zoodoende in de gelegenheid zijn het sustenu der Noordsche Compagnie met betrekking tot de ligging van het eiland behoorlijk te onderzoeken en na acht of tien maanden zouden de Staten met kennis van zaken uitspraak kunnen doen[1137]. Dit voorstel werd eindelijk 29 Februari 1616 door de Staten-Generaal goedgekeurd[1138]. De Noordsche Compagnie was echter slechts door de bedreiging, dat men anders met afwijzing van al hare actiën tegen Kyen en Leversteyn over het vroeger gebeurde de nu voorgestelde regeling voor goed zou vaststellen, tot berusten in deze uitspraak der Staten te brengen[1139].
[1136] R. S.-G. 3 Oct. 1615.
[1137] „Cort advertissement,” in: Noordsche togten. 1. R.-A.
[1138] R. S.-G. 29 Febr. 1616.--De commandeur van het konvooi der walvischvaarders voor 1616, Jan Jacobsz. Schrobop, kreeg dan ook van de Stn.-Gen. bevel om met zijne stuurlieden te nemen „de rechte Polus Hoochte vande gelegentheyt van t’ selue Eylandt, wat streckinge, ende hoedanige opdoeninge tselue Eylandt is hebbende,” en om van zijne bevindingen zoo spoedig mogelijk rapport te doen aan de Stn.-Gen. (Instr. v. Schrobop dd. 23 Mei 1616, art. 5, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.)
[1139] R. S.-G. 16, 18, 23 Apr. 1616.
In den zomer van 1616 vischten beide partijen, nadat zij overeengekomen waren, dat men de door beiden te vangen walvisschen zou verdeelen naar evenredigheid van het getal der sloepen[1140], in vrede aan het eiland; maar spoedig wendden toch beiden zich weder tot de Staten met verzoek om bepaling van den tijd, waarin zij de bij het »generael octroy” vermelde vier reizen moesten doen[1141]. De Staten-Generaal toonden zich geneigd de zaak voor het volgende jaar nogmaals te schikken evenals in 1616[1142], maar de nadere kennismaking had beide partijen het gewicht van het eiland doen beseffen. De verbittering was zoo groot, dat zij beiden de Staten-Generaal verzochten om zonder uitstel in hunne zaak te beslissen. De stukken waren reeds vroeger gesteld in handen van den Hoogen Raad[1143] en na vele aanmaningen gelukte het nu, den 13 April 1617 eene definitieve uitspraak van dit college te verkrijgen[1144]. Waarschijnlijk op grond der bepaling in het »generael octroy,” dat »bij soo verre in ofte ontrent, een tijdt, ofte in een Jaer, een ofte meer Compagnien, nieuwe Passagien, Landen, Havenen ofte Plaetsen vonden ende ontdeckten, de selve te samen het Octroy ende Privilegie souden genieten,” besliste de Hooge Raad met het oog op de beide reizen van Kerckhoff en Paelman in 1615, dat beide partijen gedurende vier jaren, ingaande met 1618[1145] »met gelyck recht, ende sonder malkanderen eenich beleth te doen het eylant in questie souden mogen beuisschen op alsulcken ordre als syluyden metten anderen onderlinge souden ghoedt vinden, off anders by de hoochgemelte heeren Staten generael soude werden gearbitreert[1146].”
[1140] Instr. van Schrobop, art. 7, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Niet te verklaren schijnt mij een request van Kyen, Monier en Leversteyn (de drie Delftsche bewindhebbers der N. C.), waarvan de R. S.-G. 30 Aug. 1616 spreken.
[1141] Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Juni 1616, in: Noordsche togten. 3 Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.--R. S.-G. 3, 18 Oct. 1616.
[1142] R. S.-G. 3 Oct., 24 Dec. 1616, 16 Mrt. 1617.
[1143] Miss. der Stn.-Gen. aan den H. R. dd. 16 Mrt. 1617, in: Lias loop. 1617. R.-A.
[1144] R. S.-G. 25, 28, 29 Mrt., 3 Apr. 1617.
[1145] Octrooi der N. C. dd. 22 Dec. 1622, in: Groot Placaetb. I p. 675.--R. S.-G. 16 Mrt. 1618.
[1146] Sent. v. d. H. R. dd. 13 Apr. 1617.--Zie eene geheel verkeerde voorstelling dezer quaestie by Wassenaer (Hist. verh. X fol. 107), die echter iets van de ware toedracht der zaak vernomen schijnt te hebben.--Om de herhaling van dergelijke onaangename zaken te voorkomen, hielden de Staten-Generaal bij de verlenging van het octrooi der N. C. in 1617 de beslissing van alle geschillen tusschen de participanten aan zich. (R. S.-G. 24 Jan. 1617.--Gr. Placaetb. I p. 673, 74.)--De N. C. stelde voortaan als straf op het openbaren en het tot eigen voordeel gebruiken van resolutiën, adviezen, ontdekkingen of andere geheimen der compagnie eene boete van ƒ 100 voor de armen, vergoeding van alle schade aan de N. C. en bovendien ~ontzetting van de betrekking van bewindhebber~. (Contr. der N. C. met Zeeland, art. 8, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.)
Zoo hadden dus de kapitalisten, die hun geld in de onderneming van Kyen en Leversteyn steken zouden, recht om ten minste gedurende vier jaren nevens de Noordsche Compagnie openlijk als mededingers op te treden. De gelegenheid was te schoon om ze niet te gebruiken: aan Jan Mayen-eiland had men niet zooals aan Spitsbergen eene zware concurrentie van buitenlanders te vreezen. De ondernemingszucht der Nederlandsche kooplieden aarzelde dan ook niet, aandeelen op ruime schaal te nemen. Reeds in 1616 was »de cleyne Noortsche Compagnie”, zooals men de vereeniging noemde, in staat geweest, vijf schepen naar het eiland te zenden, terwijl de uitrusting der Noordsche Compagnie uit slechts zes schepen bestaan had[1147]. Eene quaestie tusschen de beide wedijverende compagniën over den zin van het vonnis schijnt geen gevolg gehad te hebben[1148], en de Noordsche Compagnie berustte weldra in wat niet te veranderen was. Den 25 Mei 1620 trof zij met hare jongere zuster eene overeenkomst, waarbij partijen op de gemeenschappelijke visscherij aan het eiland orde stelden[1149], en elkander tot behoud der goede verstandhouding een gedeelte van het strand tot de oprichting van de tot de vangst noodige gebouwen toedeelden[1150].
[1147] Instr. v. Schrobop, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[1148] R. S.-G. 17 Jan., 9 Febr. 1618.--De Stn.-Gen. verwezen partijen weder aan den H. R., maar een nieuwe uitspraak schijnt niet gevolgd te zijn.
[1149] Req. der kleine N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A.
[1150] Akte der Stn.-Gen. voor de Zeeuwsche walvischvangers, in: Groot Placaet-boeck. I p. 674.
De vereeniging der beide compagniën schijnt reeds toen vrij nauw geweest te zijn[1151], en toen weldra de tijd aanbrak, waarop de kleine Noordsche Compagnie door het einde van haar vierjarig recht zich zou moeten oplossen, had de geoctrooieerde vereeniging, door herhaalde verliezen verzwakt, er niets tegen zich door de opname der kleinere met haar vrij aanzienlijk kapitaal te versterken. Wel is waar moest dan het uitsluitende recht der Noordsche Compagnie op Spitsbergen opgegeven worden, maar de visscherij aan dat eiland, waar Engeland en Denemarken om den voorrang twistten, had in de laatste jaren sinds de exploitatie van Jan Mayen-eiland veel van haar belang verloren. Men besloot dan ook 4 December 1620 om het volgende jaar, wanneer ook het octrooi der Noordsche Compagnie ten einde liep, op naam der twee compagniën aan de Staten-Generaal verlenging daarvan te vragen; tegen 26 Augustus 1621 zouden afgevaardigden van de beide vereenigingen in Den Haag verschijnen om nadere maatregelen te beramen. Met de Zeeuwsche walvischvaarders vereenigd, hoopte men eene groote compagnie vrij van alle concurrentie te vormen[1152]. Toen echter de combinatie der Noordsche Compagnie met de Zeeuwen spoedig tot stand kwam,--toen misschien eene goede vangst in den zomer van 1621 de walvischvaarders verrijkte, schijnt de Noordsche Compagnie gemeend te hebben, dat zij de medewerking der kleine Noordsche wel kon ontberen. Zeker is het ten minste, dat de oude animositeit weder opleefde, en toen de afgevaardigden der kleine Noordsche Compagnie op den bepaalden tijd in Den Haag aankwamen, vonden zij hunne partij van gevoelen veranderd. Tegenspraak baatte niet, en werkelijk verzocht de Noordsche Compagnie 1 September 1621 alleen op haar eigen naam verlenging van het octrooi voor twaalf jaren[1153]. Dadelijk protesteerde de kleine Noordsche, en verzocht van hare zijde een octrooi voor de walvischvangst van zes jaren[1154].
[1151] Dit maak ik op uit het feit, dat de Resolutiën der N. C., medegedeeld bij het request der kleine N. C. dd. 2 Sept. 1621 (Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A.) getrokken zijn uit „het resolutiebouck vande heeren Bewinthebberen vande grootte ende ~de consorten~ vande cleyne geoctroyeerde noortsche compagnie.”
[1152] Resol. N. C. 4 Dec. 1620, 25 Mrt., 29 Juli 1621, bij het: Req. der kl. N. C. dd. 2 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A.
[1153] R. S.-G. 1 Sept. 1621, 8 Jan. 1622.--Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 1 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 3 Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.
[1154] R. S.-G. 24 Aug., 2 Sept., 6 Oct. 1621.--Req. der kl. N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A.
De Staten-Generaal waren nu in een moeielijk geval. Eenheid in de uitrustingen ter walvischvangst te brengen en daardoor dit bedrijf niettegenstaande den tegenstand van buiten in de Vereenigde Nederlanden te vestigen was steeds hun streven geweest. Hunne pogingen, in 1614 door de vereeniging van alle bestaande compagniën onder éen octrooi zoo goed geslaagd, waren reeds in 1616 door de oprichting van twee nieuwe compagniën weder vruchteloos gemaakt. Wat wonder was het, dat zij, nu twee der mededingsters zich met eensluidende verzoekschriften tot hen wendden, dadelijk besloten om te beproeven van beide compagniën en eventueele nieuwe participanten bij deze gelegenheid eene nieuwe generale compagnie voor de walvischvangst te vormen[1155]. Het kapitaal van beiden zou zoodoende voor de Nederlandsche walvischvangst behouden blijven, zonder dat er gevaar was dat de eene compagnie de andere doodvaren zou.
[1155] R. S.-G. 2 Sept. 1621.
Holland, als altijd toongevend in een besluit dat handel en zeevaart betrof, poogde dadelijk de beide twistende vereenigingen door hare tusschenkomst tot een vergelijk te brengen. Na langdurige conferentiën sloegen de gedeputeerden der Staten van dit gewest voor, de aandeelhouders der kleine compagnie over de kamers van Maas en Noorderkwartier te verdeelen; de onderlinge verhouding van de kamers der Noordsche Compagnie zou dan in zooverre gewijzigd worden, dat, terwijl Zeeland het haar toekomende 1/4 van de geheele vangst behield, de overschietende 3/4 in drie gelijke deelen tusschen de kamers van Amsterdam, de Maas en het Noorderkwartier verdeeld zouden worden. Maar deze regeling stuitte af op den bepaalden onwil der groote compagnie, voornamelijk zeker van de Amsterdamsche kamer, die dusdoende haar overwicht zou verloren hebben. Een andere voorslag »omme de cleyne Compaignie te laten soo die is,” d. i. eene afzonderlijke kamer op te richten, vond niet meer genade in de oogen der oudste zuster en ook de jongere was hardnekkig en »wilde oick niet en affstaen.” Het scheen onmogelijk de twistenden tot overeenstemming te brengen; de tijd der nieuwe uitrusting naderde en de commissie wist dan ook geen beter raad te geven, dan om »alsoo de disputen langer tyt requireerden” de beide compagniën te machtigen, dat jaar nog op den ouden voet haar bedrijf te oefenen en onderwijl de onderhandelingen voort te zetten. De Staten van Holland vereenigden zich met dezen voorslag en gelastten hunne gedeputeerden ter generaliteit in dien geest werkzaam te zijn[1156]. Zij deden dit met het beste gevolg: reeds den volgenden dag werd door de Staten-Generaal eene commissie benoemd, om de twee requestranten tot een vergelijk en tot berusten in den wil der Staten-Generaal te brengen[1157]. Na eenige weinige conferentiën bleek het echter ook aan deze gedeputeerden, dat de onderlinge naijver der twee compagniën te groot was om spoedig eene verzoening te weeg te brengen: de commissie adviseerde de Staten-Generaal »hierinne met authoriteyt te decreteren ende decideren.” Zij zelve deed daartoe in den geest van de resolutie door Holland genomen eenen voorloopigen voorslag, dien zij wenschten, dat de Staten-Generaal de beide compagniën op verbeurte van haar octrooi zouden doen aannemen. Dienovereenkomstig werd besloten[1158] en de voorslag 4 Februari 1622 gearresteerd. De geheele jaarlijksche vangst der Nederlanders was daarbij begroot op 21.000 quarteelen traan en de Staten-Generaal beslisten nu, dat van dit getal de geoctrooieerde Noordsche Compagnie zou mogen vangen tot 10.000 quarteelen, terwijl de kleine met 6000 zou moeten tevreden zijn[1159]. De kleine Noordsche Compagnie bleef bij hare vangst als vroeger beperkt tot Jan Mayen-eiland; de groote zou echter in mindering van haar aandeel aan de visscherij bij dit eiland haar bedrijf ook aan Spitsbergen of elders mogen oefenen. De voorslag zou het recht van geene der partijen bij eene definitieve regeling praejudiciëeren, maar het was dan ook alleen bij aanneming daarvan, dat de Staten-Generaal voorloopig nog voor éen jaar aan beiden verlof tot de walvischvangst gaven[1160]. Aan Pieter Van der Graeff, Reyer Van der Burch en Adriaen Dircxz. Leversteyn, die te zamen 1/4 aandeel hadden in de kleine Noordsche Compagnie, werd op hun herhaald verzoek eene afzonderlijke vermeerdering van hunne portie toegestaan met 1500, later met nog 300 quarteelen[1161], zoodat de kleine Noordsche Compagnie nu bestond uit drie deelen, elk van 1500 quarteelen, en een vierde, dat onder drie kooplieden verdeeld was, die gezamenlijk recht hadden op 3300 quarteelen[1162]. Uit de resolutie van 4 Februari zou daarop volgens de voorstellen van alle compagniën een reglement op de walvischvangst door de Staten-Generaal gearresteerd worden[1163].
[1156] R. H. 24 Jan. 1622.
[1157] R. S.-G. 25 Jan. 1622.
[1158] R. S.-G. 3 Febr. 1622.
[1159] De overige 5000 quarteelen werden aan de Zeeuwsche walvischvaarders toegeleid. (Zie hierna p. 331.)
[1160] R. S.-G. 4 Febr. 1622.
[1161] R. S.-G. 10, 11, 12 Febr. 1622.--Miss. v. Delft aan de Stn.-Gen. dd. 9 (lees: 10) Febr. 1622,--en: Req. v. Van der Graeff c. s. aan de Stn.-Gen. (dd. 12 Febr. 1622), in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Miss. v. de Stn.-Gen. aan Delft dd. 11 Febr. 1622, in: Lias loop. 1622.
[1162] De naijver tusschen de N. C. en Van der Graeff eindigde hiermede niet. Van der Graeff en een Rotterdamsch koopman, Willem Van Muylwyck, schijnen zich door aankoop in het bezit van eene groote party aandeelen in de Noordsche Compagnie gesteld te hebben (de beperking der vangst door de Stn.-Gen. had vele reeders der kleine N. C. van het bedrijf afkeerig gemaakt. cf. Miss. v. Delft aan de Gecommitt. Raden v. Holl. dd. 7 Febr. 1622, in: Noordsche togten. 4. Loop N. C. R.-A.) en in 1622 met eene grootere uitrusting dan het reglement der compagnie hun toeliet ter walvischvangst uitgevaren te zijn. De N. C., vooral de Amsterdamsche kamer, protesteerde hiertegen met kracht en 13 April 1623 kwam het tot een vergelijk, waarbij de compagnie de geheele uitrusting, die de reeders voor eene nieuwe reis hadden aangekocht, overnam op voorwaarde, dat Van der Graeff zich metterwoon te Amsterdam zou vestigen en lid der daar bestaande kamer zou worden, totdat bij eene nieuwe regeling elders eene bewindhebbersplaats voor hem openkwam. (R. S.-G. 24 Mrt., 4, 8, 11, 12, 14 Apr. 1623.) Van Muylwyck was ondertusschen overleden, maar Van der Graeff lag nog anderhalf jaar na dit contract met de N. C. overhoop. (R. S.-G. 10, 12 Mei 1623.--Sent. v. h. Hof v. Holl. dd. 11 Sept. 1624.)
[1163] R. S.-G. 5, 20 Febr., 3 Mrt. 1622.--Daartoe kwam het echter waarschijnlijk niet. (Vgl. de akte der Stn.-Gen. voor de Zeeuwsche walvischvaarders dd. 28 Mrt. 1622, in: Gr. Placaetb. I p. 673, 74.)
Nu de regeering zoodoende tot eenheid gedwongen had, nam ook het onderlinge twisten der mededingsters een einde. De proef van een jaar gelukte uitnemend: den 20 December 1622 verzochten beide compagniën, nu tot éene vereenigd, om verlenging van haar octrooi[1164]. De Staten-Generaal waren dadelijk bereid het verzoek toe te staan[1165], en de kleine Noordsche Compagnie deelde voortaan als tweede Delftsche kamer der geoctrooieerde compagnie voor de walvischvangst in alle voordeelen harer oudere zuster[1166].
[1164] R. S.-G. 20 Dec. 1622.
[1165] R. S.-G. 22 Dec. 1622.
[1166] Nog onder het contract der N. C. met Friesland van 25 Juli 1636 teekenden voor de Delftsche kamer twee personen, Jacob Van de Graaf (waarschijnlijk voor de kleine N. C.) en Dirk De Haan (voor de groote N. C.). De opgave der bewindhebbers over den staat der N. C. in Februari 1636 spreekt echter behalve van de gewone Delftsche kamer van eene 1^{e} Delftsche kamer, waarvan de aandeelen verdeeld waren tusschen een Zeeuw Willem Pedij en een Enkhuizenaar Jacob Meyn,--en eene 2^{e}, die verdeeld was tusschen de kamers van Vlissingen, Delft, Hoorn en Enkhuizen. (Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.)
De tweede aanval op de alleenheerschappij der Noordsche Compagnie kwam van Zeeuwsche zijde. Toen de Staten-Generaal in 1614 octrooi verleend hadden aan de vereenigde walvischvangers, had Zeeland zich met kracht hiertegen verzet. De provincie meende, dat het als eene uittarting van den machtigen vorst van Groot-Britannië zou beschouwd worden, zoo men niettegenstaande diens bepaald uitgedrukt verlangen openlijk de overtreders van zijn gebod in bescherming nam en hunne handelwijze wettigde. Door zijdelingsche ondersteuning en aanmoediging van staatswege, dus schreven de Staten van Zeeland, zou de Nederlandsche walvischvangst weldra in staat zijn zich met de Engelschen te meten; dezen zouden dan geen aanval meer wagen en de koning zelf zou dan niet langer aandringen op de erkenning van souvereiniteitsrechten, wier handhaving onmogelijk gebleken was. Eerst wanneer dit resultaat door bezendingen en goede woorden verkregen was, zou de tijd gekomen zijn om aan de walvischvaarders het verzochte octrooi te verleenen. Niettegenstaande alle pogingen van Den Haag uit aangewend, bleef Zeeland in zijne oppositie volharden en het octrooi werd eindelijk zonder de toestemming der provincie verleend[1167].
[1167] R. S.-G. 27 Jan., 22 Febr., 27 Mrt., 4 Apr. enz. 1614.--N. Z. 30 Jan., 8 Febr., 19, 20 Mrt. 1614.--Miss. v. de Stn. v. Zeeland aan hunne Gedeput. ter Generaliteit dd. 3 Febr. 1614, als bijlage achter de: N. Z. 1614.