Geschiedenis der Noordsche Compagnie
Part 4
Dit waren tijden, waarin stoute, geniale plannen konden gevormd worden, maar de kamergeleerde, de wetenschappelijke onderzoeker vond er geen plaats. Wie lust tot dergelijke bezigheid voelde, wijdde zich aan de theologie, die aller harten innam: buiten de kerk dwong de nood der tijden tot rusteloos werken, tot het zoeken van winst. In dien tijd moest een Plancius leven, rechtzinnig theoloog en wakker geleerde als éen, maar die misschien aan de geographische studiën zijne aandacht niet zou gewijd hebben, als hij er niet het eenige middel in gezien had om den noorderlijken doortocht naar het rijke Indië te vinden. Het was dit veelbelovende plan, dat aan de geographie in die dagen nieuwe vlucht gaf; daarmede waren schatten te verwerven, daardoor was Spanje gevoelig te treffen, daarvoor was dus ook de sympathie van regeering en volk. Stap voor stap naderde men het begeerde doel; allen werkten samen om het te verwezenlijken. Maar niet de geleerden gaven aan de uitvoering van het plan den krachtigsten stoot: een man der practijk, een Zuid-Nederlander bracht daartoe het meeste bij, evenals het weder eenvoudige kooplieden, weder Zuid-Nederlanders zouden zijn, die door het vestigen eener nieuwe nering de vruchten plukten van de inspanning hunner voorgangers.
* * * * *
Toen de Engelschen zich in 1553 aan den mond der Dwina bij het klooster van St. Nikolaas gevestigd hadden, was er door hen geene moeite gespaard om zich bij voortduring in het uitsluitend bezit van den handel op die streken te handhaven[30]. Slechts gedurende korten tijd had hun dit mogen gelukken; reeds twaalf jaren na de aankomst der Engelschen waren de Nederlanders er in geslaagd het spoor hunner voorgangers ten minste gedeeltelijk te vinden. In het jaar 1565 toch knoopte zekere Philip Winterkönig, een banneling uit Wardöhuus, betrekkingen met Nederland aan; een schip uit Enkhuizen kwam door zijne tusschenkomst naar de plaats, waar spoedig Kola verrijzen zou[31]. Reeds het volgende jaar (1566) durfden twee Antwerpsche kooplieden, Simon Van Salingen en Cornelis De Meijer, van Kola langs de kust gestevend, de Witte Zee inzeilen. Zij landden aan den mond van den Onega en reisden verder als Russen verkleed overland naar Moscou[32]. Schijnt ook deze moedige tocht, die geen ander doel had dan de regeling van partikuliere zaken, niet dadelijk tot het vestigen van handelsbetrekkingen met de Witte Zee geleid te hebben, de nederzetting te Kola bleef bestaan en nam weldra maatregelen om den directen handel met de Dwina in te leiden. Zij zond daartoe een vertrouwd persoon met Russische schepen naar Kholmogorui (eene stad, dicht bij de Engelsche nederzetting op het Rozen-eiland gelegen) om de Russische taal te leeren, waarschijnlijk ook om eenige voor de vestiging van handelsbetrekkingen noodige inlichtingen in te winnen. Die man was geen ander dan de vroeger zoo bekende[33], tegenwoordig voor velen raadselachtige Olivier Brunel[34].
[30] Vgl. Hamel, Tradescant der Aeltere. p. 204-20.
[31] Hamel, Tradescant. p. 150 Noot, 293, 318.
[32] Hamel, Tradescant. p. 212 Noot, 318.
[33] Dat Olivier Brunel op het laatst der zestiende eeuw een persoon van Europeesche vermaardheid was, blijkt reeds daaruit, dat bijna alle berichtgevers (o. a. Gerrit De Veer, Moucheron, Logan en Hudson) zijnen naam zonder eenige verdere aanduiding noemen.
[34] De berichten omtrent Brunel vindt men verzameld bij: Beke, Three voyages. p. XXXVII-LI. De voornaamste bron (Wassenaer, Hist. verhael. VIII fol. 93) is hem echter ontgaan. Aan den heer De Jonge komt de eer toe, het eerst op dit allerbelangrijkste bericht de aandacht gevestigd te hebben. Te groote bescheidenheid geeft echter den schijn, alsof hij zijne mededeelingen over Brunel alleen aan Hamel ontleend heeft, wiens verhaal door Beke zéer ten onrechte „a hypothetical biographical memoir” genoemd wordt.
De nu bijna vergeten naam van Olivier Brunel verdient door den toekomstigen schrijver onzer handelsgeschiedenis in hooge eer gehouden te worden; ook in dit overzicht der Nederlandsche ontdekkingsreizen moet hij de eerste plaats innemen. Brunel was niet alleen de grondlegger van Nederlands handel op de Witte Zee, hij was ook onze eerste reiziger in het noorden. Laat ons zien in hoeverre wij uit de hier en daar verspreide losse berichten de levensgeschiedenis van dezen belangwekkenden man kunnen reconstrueeren[35].
[35] Ik neem hierbij de hypothese van Hamel over, die Olivier Brunel met Alferius vereenzelvigt. (Zie: Hamel, Tradescant. p. 316-19.) De juistheid dezer scherpzinnige gissing (te scherpzinniger omdat Hamel Wassenaers bericht slechts kende uit de verkorte mededeelingen van Scheltema in zijn: Rusland en de Nederlanden. I p. 39) wordt ook door De Jonge (Opkomst v. h. Nederl. gezag in Oost-Indië. I p. 10, 14) erkend. Daar deze echter de gronden zijner meening niet opgeeft, wil ik ze hier mededeelen om aan het ongeloof van mannen als Beke een einde te maken. Wij weten dan, dat in 1581 twee personen, beiden den niet gewonen naam van Olivier dragende, waarvan de een „natione Belga,” de ander „domo Bruxella” was, sinds lange jaren aan de Witte Zee gewoond hadden. Neemt men in aanmerking, dat eerst in 1578 zich eenige weinige Nederlanders voor het eerst daarheen begeven hadden, dan is reeds deze overeenkomst vrij in het oog vallend. Beider ontwikkeling was dezelfde: de een, Alferius was volgens Balak geen geleerde maar een man van rijpe ervaring; de ander, Brunel, had zijn leven als handelsreiziger in het noorden doorgebracht. Ook in beider levensomstandigheden is er eene treffende overeenkomst: Alferius „captivus aliquot annos vixit in Moscovitarum ditione, apud viros illic celeberrimos Iakouius et Vnekius”; Brunel werd in Rusland „eenighe jaren in gevanckenisse gehouden” en „daer uyt verlost door de Ameckers, dat seer treffelycke koopluyden zyn, ende haer houden tot Coolwitsogda”, die Brunel daarna „eenighe jaren gedient” heeft. „Iakouius et Vnekius” werden reeds door Lütke, die van Brunel waarschijnlijk niets wist, voor Iakov en Grigory Anikiew gehouden; Hamel was overtuigd, dat met de „Ameckers” alleen de Anikiews te Sol-Wütschegodsk bedoeld konden worden, hoewel zijn berichtgever Scheltema „Coolwitsogda” (Sol-Wütschegodsk) willekeurig in „Cool” (Kola) veranderd had. Alferius verder werd in 1581 naar Nederland gezonden, Brunel ging daar jaarlijks heen, Brunel reisde dikwijls over land naar Rusland, Alferius deed de reis langs de kusten der Oostzee. Alferius was dikwijls in dienst zijner patroons aan den Ob geweest, Brunel was jarenlang handelsbediende geweest bij Russen, die jaarlijks op den Ob handelden; Alferius zou van Nederland uit den noordelijken doortocht zoeken, Brunel is als de eerste Nederlandsche noordpoolreiziger bekend. Eindelijk: Brunel was een der bewerkers van de Nederlandsche noordpoolreizen en sprak daarover met den Zuid-Nederlander Moucheron; Alferius was op reis naar den Zuid-Nederlander Mercator, onder wiens medewerking Moucheron den stoot gaf tot het ondernemen dier noordpoolreizen.--Al deze redenen doen mij geen oogenblik aarzelen, voor Alferius Olivier Brunel te schrijven: de enkele bezwaren wegen niet tegen deze groote overeenkomst op.
Olivier Brunel werd in de eerste helft der zestiende eeuw te Brussel geboren. Van zijne eerste levensjaren is ons volstrekt niets bekend. Men kan gissen, dat hij reeds in 1565 met de eerste Enkhuizer schepen te Kola gekomen is; men kan het er voor houden, dat hij, evenals vele Zuid-Nederlandsche koopmansgeslachten, zooals de Moucherons, de Le Maire’s, de Usselincxs en anderen, Alva’s dwingelandij ontvluchtende, zich eerst later daarheen begeven heeft. Zeker is het, dat hij reeds spoedig na de vestiging der Nederlanders te Kola de bovenvermelde reis naar Kholmogorui aanvaardde. Het geluk diende hem daar niet: spoedig door de Engelschen opgemerkt en als concurrent gevreesd werd hij door hen als spion overgeleverd aan de Russische regeering, die hem te Jaroslawl verscheidene jaren gevangen hield. Eindelijk daagde er voor hem hulp op: de gebroeders Iakov en Grigory Anikiew[36], die tot het aanzienlijke handelshuis der Stroganows te Sol-Wütschegodsk behoorden, verzochten en verkregen van den czaar zijne vrijheid. De edelmoedige kooplieden hadden alle reden zich over de weldaad aan Brunel bewezen te verblijden: hun beschermeling nam ijverig en opmerkzaam deel aan de jaarlijksche tochten, die de Russen naar het oosten ondernamen. Zoowel te land door Samojedenland en Siberië, als ter zee langs de kust voorbij de rivier de Pechora, bereikte hij met hen den door Engelschen en Nederlanders vergeefs gezochten Ob. Op een dier reizen, die waarschijnlijk nu en dan ook langs den in Rusland gewonen weg door Matyushin-sjar gingen, werd hij door zijnen Russischen gids in Kostin-sjar gebracht, eene zeeëngte die door dit bezoek aan Europa bekend werd.
[36] Zie over de Anikiews en hunne plannen zeer uitvoerig: Massa, Beschryvinge van Siberia, in: Hessel Gerritsz, Beschr. v. Samoyeden-Landt. Zij hadden o. a. „eenighe van hunne Slaven ende Knechten, tot 10 ofte 12 toe met de Samoieden in haer Lant gesonden, bevelende de selve, dat se alle ’t Landt datse door-reysden, alles wel neerstelyck bespieden souden, ende oock alle haer manieren, wooningen, leven ende ghebaerden wel ordentelijck souden op-teeckenen, om so van alles goedt rapport te doen, als sy weder t’huys souden comen, d’welck eens geschiet zijnde, heeft hyse, dieder geweest waren, wel ghetracteert, ende oock goede gunste toe-ghedragen, dan heeft haer neerstelijck bevolen te swyghen, ende oock heeft hy ’t neerstelijck by hem gehouden, sonder yemant daer van te vermanen, maer heeft het Jaer daer aen volghende meerder partye daer heenen ghesonden, oock eenighe zyner Vrienden, met Coopmanschap van kleynder weerden, als Duytsche Cramerye, Bellen ende dierghelijcke dinghen: dese zijn oock met gereyst, ende hebbent oock gelijck als d’andere alles wel door-snuffelt ende doorsien, ende reysden tot de Riviere Oby toe, door vele Woestynen, ende verscheyden Rivieren, die daer vele zijn, ende maeckten met sommighe Samoyeden aldaer groote Vruntschap ende Alliantie.... In somma, door-saghen ’t alles, ende quaemen met rijckdommen van Bont weder t’huys, ende hebbende Anica doen van alles verstaen, daer hy nae wenschte, soo dreef hy met zyne Vrunsten eenighe Coopmanschappe op die Landen, eenighe jaren langh, so dat dese Aniconij heel machtich wierden.” Deze Aniconij „woonden inde Stadt Osoil, op de Riviere Witsogda ghelegen.” Is het niet, alsof deze beschrijving een commentaar is op het ons reeds van Alferius Brunel en zijne patroons bekende? en is het wel gewaagd onzen landgenoot onder deze „Slaven ende Knechten,” die de Aniconij „wel ghetracteert ende oock goede gunste toe-ghedraghen hebben,” eene eervolle plaats aan te wijzen?
Weldra maakte de ondergeschikte zich echter voor zijne meesters nog verdienstelijker door het openen van nieuwe wegen voor hunnen handel. Met de Nederlandsche kolonie te Kola en met de behoeften van den Nederlandschen handel goed bekend, opperde Brunel het plan om in het westen eene gelegenheid te zoeken tot afzet der Russische producten. Om dit plan uit te voeren vertrok hij zelf, begeleid door twee bloedverwanten der Anikiews en met passen van den czaar naar Kola, huurde daar een Nederlandsch schip en kwam behouden te Dordrecht aan. Daar vonden de Russische bezoekers goede gelegenheid om hunne waren te verkoopen. Het overblijvende gedeelte werd te Antwerpen en te Parijs voordeelig geplaatst, en toen Brunel het volgende jaar bij zijne patroons teruggekomen was, toonden dezen zich met het resultaat der reis zeer ingenomen. Zij besloten tot het aanknoopen van geregelde handelsbetrekkingen met Kola en van daar uit met Nederland. Zoo bezocht Brunel jaarlijks als agent der Anikiews beide plaatsen.
Het duurde niet lang of hij maakte van zijne gunstige positie gebruik om het plan uit te voeren, waarom hij jaren geleden met zoo ongelukkigen uitslag in Rusland gekomen was. Hij trad in overleg met zekeren Jan Van de Walle en in 1577 haalde hij dezen over om overland de reis naar Rusland mede te maken. Van de Walle maakte zich zijnen tijd uitnemend te nutte: reeds het volgende jaar werd het eerste Nederlandsche schip door stuurman Jan Jacobsz mette Lippen van Alkmaar in den Pudoshemscomond der Dwina voor anker gebracht. (1578.) Dit schip, uit Vlissingen uitgezeild, behoorde aan Gillis Van Eychelenberg, gezegd Hoofman, een Antwerpsch koopman te Middelburg gevestigd; als zijn agent was Jan Van de Walle daarop aanwezig. Onder de schepen, die tegelijk met dat van Hoofman in Rusland aankwamen, bevond zich reeds dadelijk dat van Adriaan Crijt, een zeekapitein in dienst van den bekenden Balthazar De Moucheron.
De handel van Nederland met de Witte Zee was zoodoende gevestigd. Spoedig kwam Melchior De Moucheron zich als agent van zijnen bloedverwant Balthazar aan den Dwina-mond vestigen. De handelsnederzetting werd verlegd naar een haven bij het klooster van St. Michiel; weinige jaren later verrees daar de stad Novo-Kholmogorui, meestal Archangelsk genoemd. Na langdurige aarzeling waren de Engelschen genoodzaakt hunne nederzetting op het Rozen-eiland te verlaten en zich in de nieuwe reeds bloeiende koopstad te vestigen: de Nederlandsche energie was hun te machtig, Nederlands handel bloeide weldra meer dan die van Engeland, dat toch den weg gebaand had[37]. Dit alles uitvoerig te verhalen ligt buiten ons bestek: wij keeren tot Olivier Brunel terug.
[37] Zie over de vestiging van den Nederlandschen handel op de Witte Zee: Wassenaer, Hist. verhael. p. 89-93.--De Jonge, Opkomst. I p. 9-14.--Purchas, Pilgrimes. III p. 464.--Uitvoerig bij: Scheltema, Rusland en de Nederlanden. I, en bij: Hamel, Tradescant, passim.
Reeds twee jaren nadat Brunel den Nederlandschen handel op Rusland had bevestigd, vinden wij hem bezig met nog grootscher en avontuurlijker plannen. Het was het jaar 1580, toen Pet en Jackman onder den toeloop van duizenden op eene nieuwe noordoostelijke reis uitgevaren waren, toen de geleerde wereld in gespannen verwachting den uitslag van deze poging verbeidde. Ook aan den Dwina-mond zullen de Russen, die dagelijks met de dienaars der Moscovische Compagnie in aanraking kwamen, zonder twijfel kennis gekregen hebben van de verwachtingen, die men omtrent den noordelijken doortocht koesterde. Niet te verwonderen was het zeker, dat Russen, met de kusten der IJszee oneindig beter bekend dan de Engelschen, van die meerdere kennis gebruik trachtten te maken, om aan de plannen op het vinden van den noordoostelijken doortocht gebouwd deel te nemen[38]. De Anikiews hadden reeds dadelijk een Zweedsch scheepsbouwmeester in hun dienst, die zich bezighield met het bouwen van twee tot die reis geschikte schepen. Brunel, de Nederlandsche handelsreiziger, kreeg van hen den last om in Antwerpen bekwame stuurlieden en matrozen te huren, al was het tegen hooge prijzen.
[38] Dat Engelsche en Russische kaarten Brunel tot zijne reis aangespoord hebben, blijkt uit de mededeeling van Hessel Gerritsz (Beschryvinghe van Samoyeden-Landt. p. 2), die trouwens met Brunel en zijne daden reeds veel minder bekend schijnt dan Barendsz en zijne tijdgenooten.--Overigens komt het mij waarschijnlijk voor, dat de twee schepen, door de Anikiews uitgerust, eerder met de plannen tot de verovering van Siberië omstreeks dien tijd in verband gestaan zullen hebben, dan met het zoeken van den noordoostelijken doortocht. Massa (Beschr. v. Siberia. p. 4) is zeer uitvoerig in het verhalen van het aandeel door de Anikiews aan dien tocht genomen.
Op zijnen weg daarheen kwam Brunel in Februari 1581 op het eiland Oesel in de golf van Riga, waar hij in de stad Arensburg eene samenkomst had met zekeren Johan Balak, een cosmograaph met den beroemden Gerard Mercator bevriend. Balak, die zeer veel belang schijnt gesteld te hebben in ontdekkingstochten, gaf hem eenen aanbevelingsbrief aan Mercator te Duisburg mede. Uit dezen brief, door Hakluyt bewaard, kennen wij de plannen en inzichten van onzen landgenoot. Zoo Balak het ons niet uitdrukkelijk verzekerde, uit de mededeelingen van Brunel zelven zouden wij het reeds kunnen opmaken, dat hij, de koopman, geen geleerde was, maar een man van rijke ervaring: zijne plannen getuigen niet van de studie van Plinius, maar daarentegen van eene betrekkelijk nauwkeurige kennis van de Siberische kusten.
Brunel was dan voornemens een schip van weinig diepgang in Nederland met koopmansgoederen te beladen, in de Witte Zee eenige ervaren Russen te huren, zich van den noodigen proviand te voorzien en in de maand Mei ter ontdekking uit te zeilen. Oostwaarts voorbij het eiland Dolgoi gestevend, wilde hij den mond der Pechora bezoeken, onderweg alle kusten en zeeën nauwkeurig opnemen en zooveel mogelijk de afstanden bepalen. Vooral den mond der Pechora wilde hij als een geschikt station voor de heen- en terugreis nauwkeurig onderzoeken. Langs de kust door de Yugorsky-sjar stevenende, de Karabaai overstekende, meende hij spoedig aan den Ob te zullen komen. Eenige van de vele monden dezer rivier wilde Brunel opnemen en dan twaalf dagen de rivier stroomopwaarts opzeilen totdat hij aan de plaats kwam, waar een andere groote rivier, de Yaks Olgush genaamd (de Taz-rivier?), zich in den Ob uitstortte. Op zijne reizen overland was hij vroeger reeds op die plaats geweest, waar de inboorlingen hem verzekerd hadden, dat zij, wanneer zij daarheen varende den Ob in drie dagen waren overgestoken, rijke scheepsladingen door zwarte menschen de rivier (namelijk de Yaks Olgush) hadden zien afvoeren. Eene nabijgelegene rivier, de Ardoh (de Keta of de Taimyr?), die zich in het meer van Kittai[39] (Keta of Taimyr?) uitstortte, begrensde dan ook het land, bewoonde door de Carrah Colmak, dat niets anders was dan het rijke en beroemde Cathay. (Khatangsk?) Brunel hoopte daar te overwinteren en het volgende jaar naar de Witte Zee terug te keeren.
[39] China heet volgens Hamel in het Russisch nog steeds Kittai.
Dit was het plan, dat de oudste Nederlandsche noordpoolreiziger zich had voorgesteld. Tot den mond van den Ob had hij zijne eigene ondervinding om hem te leiden. Verder moest hij alleen op de onvolkomene berichten der Samojeden afgaan. En dat dezen geene veilige gidsen waren, blijkt reeds bij eene oppervlakkige studie der kaarten. De verwarring, door Plinius’ berichten gesticht, was nauwelijks grooter dan die, waartoe de verhalen der wilde stammen Brunel brachten. Tot den Ob kunnen wij hem volgen. Maar zoo al de gissingen, hier en daar over zijn verderen tocht uit de overeenkomst van naam en ligging door mij gewaagd, juist zijn, in ieder geval blijkt het, dat de opgaven der afstanden voorbij den Ob geheel verkeerd zijn. En Brunel zou zeker spoedig hebben bemerkt, dat bij den Ob zijne reis eerst begon.
De ontwerper zelf was van de deugdelijkheid zijner plannen overtuigd. Niet echter zijne Russische weldoeners, het vaderland moest het voordeel genieten, dat de jarenlange nasporingen van den handelsreiziger zou beloonen. Nu hij zelf eindelijk de noodige kennis voor het aanvaarden der reis verkregen had, besloot Brunel dadelijk, de liefde tot het vaderland hooger stellende dan de dankbaarheid, om eenige kooplieden in Nederland voor zijn plan te winnen. Dadelijk na zijne aankomst stelde hij alles in het werk om tot de verwezenlijking zijner geliefkoosde denkbeelden te komen. Ik geloof dan ook niet, dat het gewaagd is aan te nemen, dat het op zijnen aandrang was, dat eenige kooplieden aan prins Willem I het voorstel deden om door het noordoosten eenen weg naar Oost-Indië te zoeken, mits de regeering hen ondersteunde. De bekende Middelburgsche koopman Balthazar De Moucheron[40], de beroemde geleerde Gerard Mercator[41], beiden evenals Brunel Zuid-Nederlandsche ballingen, beiden met hem goed bekend, schijnen aan dit plan niet vreemd geweest te zijn. De toestand des lands was echter te benard, dan dat de regeering het op zich had kunnen nemen veel geld te wagen in ondernemingen, waarvan de uitslag zoo twijfelachtig was als van deze. Hoe ingenomen de prins persoonlijk met het plan zijn mocht, aan ondersteuning van staatswege viel dus niet te denken.[42]
[40] Zie over Moucheron: De Jonge, Opkomst v. h. Ned. gezag. I p. 109-12.
[41] Moll, Zeetogten der Nederl. p. 46.--Reeds lang vóor 1581 had Mercator, volgens den brief van Balak, van de reizen naar den noordpool bizondere studie gemaakt.
[42] De Jonge, Opkomst. I p. 15.--Linschoten, Voyasie ofte schipvaert by Noorden om. (Voor-reden.)
De beide ondernemende Zuid-Nederlanders, Brunel en Moucheron, lieten zich echter niet afschrikken. Het komt mij hoogstwaarschijnlijk voor, dat in 1584 op kosten van Moucheron de eerste Nederlandsche noordpoolreis ondernomen werd[43]. Hoe dit zij, zeker is het, dat aan Brunel de eer dier eerste reis toekomt. Met een schip van Enkhuizen--de stad, die reeds sinds 1565 handel dreef op Kola,--vertrok de onvermoeide reiziger »lange voor Willem Barentszoons reis” naar het noorden om het verre Cathay te bereiken. Evenals al zijne navolgers, die, kooplieden in merg en been als de Nederlanders waren, zich ook op zulke gevaarlijke reizen niet van den handel wilden onthouden[44], hield ook Brunel zich onderweg bezig met het aanknoopen van handelsbetrekkingen met de Samojeedsche stammen. Zijne pogingen waren hem echter noodlottig: nog voordat hij Novaya Zemlya bereikt had, nam zijne reis een einde. De rivier de Pechora, die hij blijkens den brief van Balak reeds vroeger als zeer ondiep had leeren kennen, verzwolg zijn schip, dat reeds met eene rijke lading kostbare handelsartikelen (pelterijen, bergkristal en Russisch glas) bevracht was[45].
[43] Ik maak dit op uit het bericht van den hier zéér welingelichten Middelburgschen notaris Le Petit (Gr. chron. anc. et mod. II p. 651), die op het jaar 1594 verhaalt, dat Balthazar De Moucheron „s’asseurant sur cela (d. i. de berichten uit Rusland over de mogelijkheid van den noordelijken doortocht) ~oultre la petite espreuve que dix années auparavant il en avoit desia faite~, advertit le prince Maurice de la délibération qu’il avoit de chercher ledit passage.” Moucheron deed juist in 1584 met kracht eene uitrusting op de Witte Zee en wij weten, dat hij dien handel sedert, „mits dat zijnen naem in desen eenichsins kennelic ende ruchtbaer gemaect was, nyet en heeft moghen ofte derven vervolgen ende continueren.” (De Jonge, Opkomst. I p. 15, 17.)--Wel verhaalt Linschoten (Voyasie, Voor-reden) dat „etlijcke Kooplieden ende andere dese Noordtsche Vaert ofte ondersoeckinghe langhe ghesocht hebben op de baen te brenghen; maer dat dat altijdt achterghebleven is tot op het Iaer 1593,” maar het bericht van den anders natuurlijk zeer betrouwbaren getuige is toch bepaald onjuist, daar wij weten dat Brunel omstreeks 1584 eene mislukte reis deed. Het eenige, dat tegen het noemen van Moucheron als reeder van Brunels schip pleit, is het feit, dat deze laatste uit Enkhuizen vertrok, terwijl de Moucherons zooals men weet te Middelburg, later te Veere gevestigd waren.
[44] Zoo moest b. v. ook de tweede noordpoolreis (van 1595) volgens de Instructie alleen dienen om handelsbetrekkingen met Cathay en andere Aziatische landen aan te knoopen: verder dan Japan mochten de schepen nog niet gaan.