Geschiedenis der Noordsche Compagnie

Part 39

Chapter 393,794 wordsPublic domain

Toen namelijk de klachten van Clarke over de hem in 1617 toegebrachte schade met zijn verzoek om vergoeding den 16 Februari 1618 door de aartshertogen aan de Staten-Generaal waren aanbevolen, hadden dezen de stukken dadelijk in handen der Noordsche Compagnie gesteld om daarop te antwoorden[1101]. Het lag in den aard der zaak, dat deze eerst dan door de schade te vergoeden haar ongelijk erkennen zou, wanneer zij toegaf, dat Clarke recht had aan Jan Mayen-eiland te visschen. Wij zagen reeds, dat de bewindhebbers aan niets minder dachten en het is dus licht te begrijpen, dat de geest van uitsluiting, die hen drong tot het advies om de Duinkerksche compagnie niet aan het eiland toe te laten, hun ook het vergoeden der schade zou ontraden. De strijd, die door de Noordsche Compagnie tegen hare Duinkerksche zuster gevoerd werd, was dan ook, hoewel het niet tot een eigenlijk proces kwam, lang en verbitterd. Eerst na vele maanden kwam het eerste antwoord der compagnie op Clarke’s klachten in, en van toen af werden gedurende een paar jaren onophoudelijk replieken en duplieken bij de Staten-Generaal ingeleverd. De bedrijvige Duinkerkers hadden gewoonlijk reeds weder twee of drie nieuwe requesten gereed om hunne mededingster nader aan te sporen, terwijl deze hun het antwoord op vroegere memoriën nog steeds schuldig was[1102]. De Noordsche Compagnie handhaafde voortdurend het standpunt, door haar reeds in Maart 1618 ingenomen, dat de beweerde ontdekking van het eiland door de Duinkerkers verdicht was en zij zelve alleen dus recht op het bezit had[1103].

[1101] R. S.-G. 16 Febr. 1618.

[1102] R. S.-G. 12, 13 Oct., 7 Nov., 4 Dec. 1618, 11, 15 Febr., 7, 29 Mrt., 30 Apr., 14, 17 Sept., 1 Oct. 1619, 25 Jan., 17 Febr., 10 Mrt., 6 Apr., 15 Juli, 9, 30 Sept. 1620.--Req. v. de N. C. dd. 10 Mrt. 1620, in: Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A.

[1103] Rescr. der N. C. dd. 15 Mrt. 1619 (1618), in: Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A. (De ontkenning ligt in de bewering der ontdekking door Nederlanders opgesloten.)--R. S.-G. 23 Dec. 1620.

Eindelijk, na twee jaren van twist, werd de zaak op verzoek van Clarke in handen van eene commissie uit de Staten-Generaal gesteld om partijen te hooren en zoo mogelijk te vereenigen[1104], maar een paar maanden later moest men deze pogingen weder opgeven[1105]. Ook de kleine Noordsche Compagnie, die mede aanspraak op Jan Mayen-eiland maakte, bemoeide zich met de zaak[1106] en de wisseling van stukken begon op nieuw[1107], toen de ambassadeur Carleton zich de zaak van den Engelschen onderdaan aantrok en aandrong op »vuytinge” van de quaestie met Clarke[1108]. Toen eindelijk scheen er een einde aan de zaak te zullen komen; men besloot ze aan den Hoogen Raad van Holland in handen te geven om er in te vonnissen, nu de pogingen tot schikking mislukt waren[1109]. Maar ook bij dit laatste middel stuitten de Staten-Generaal op onverwachte moeielijkheden. Zij hadden den Hoogen Raad vrij zonderling bevolen te vonnissen »tot costen van partijen[1110]”, en deze nam daaruit aanleiding om de behandeling der lastige zaak, waarin zoovele belangen gemoeid, zoovele rechten betrokken waren, te weigeren met de merkwaardige verklaring, dat »alle souueraine Princen ende republycken schuldich ende gehouden syn haere ondersaten recht en Iustitie sonder der seluer costen te doen administreren, gelyck tot noch toe In dese Prouintiën Is gebruyct geweest.” Naar het oordeel van den Raad zou het zijn »Jegens de Hoocheyt ende reputatie deser Landen, mitsgaders digniteyt ende luyster van hun collegie, dat sy tvoorseide proces tot coste der partyen visiteren ende daerinne sententieren souden, als haere Hooch Mog. op hen waren begeerende[1111].” Hoewel het later bleek, dat dit alles niets was dan een schoonschijnend voorwendsel, terwijl de ware reden was, »dat dese saecke soo veele ingesetenen van dese landen was aengaende, Ende dat de trefves vuyt waren[1112],” bleven alle onderhandelingen om den Hoogen Raad van zijn gevoelen aftebrengen vruchteloos[1113]. Men waagde eindelijk eene poging, om partijen over te halen hun geschil bij overeenkomst aan den Hoogen Raad als scheidsrechter te onderwerpen[1114], en waarschijnlijk was het ten gevolge van zulk eene schikking, dat deze 1 December 1622 in de zaak uitspraak deed. Evenals het vorige jaar bevreesd om partikuliere belangen te kwetsen, poogde men ook nu nog partijen door de heeren Van Vosberghen en Pauw te doen »vereenigen,” maar voor het geval, dat dit niet gelukte, veroordeelde de Raad de Noordsche Compagnie, om aan Clarke en zijne deelgenooten te vergoeden de hoofdsom met interessen van alle schade, door hen geleden »deurt belet hen gedaen In haren Walvischvanck ende het affnemen van haerluyder traen[1115].” Toen eindelijk schijnt de Noordsche Compagnie in de schikking toegestemd te hebben[1116], want tot een nader vonnis kwam het niet.

[1104] R. S.-G. 1 Mei, 30 Sept., 3 Oct. 1620.

[1105] R. S.-G. 20 Oct., 5 Nov., 3 Dec. 1620.

[1106] R. S.-G. 3 Dec. 1620.

[1107] R. S.-G. 16, 23 Dec. 1620.

[1108] R. S.-G. 4 Jan. 1621.

[1109] R. S.-G. 5 Jan. 1621.

[1110] Miss. v. de Stn.-Gen. aan den H. R. dd. 5 Jan. 1621, in: L. loop. 1621.

[1111] Miss. v. d. H. R. aan de Stn.-Gen. dd. 23 Apr. 1621, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--R. S.-G. 27 Apr. 1621.

[1112] R. S.-G. 4 Mei 1621.

[1113] R. S.-G. 28, 29 Apr., 4, 11, 22 Mei, 13 Juli 1621.

[1114] R. S.-G. 4 Mei 1621.

[1115] Dictum v. d. H. R. dd. 1 Dec. 1622.

[1116] De N. C. beweerde in 1634, „qu’il a Convenu a ceux de la Compaignie de supporter de grande questions et disputes avecq quelcques marchands de Dunquercque, lesquels aussi soustenoijent avoir esté les premiers trouveurs de Spitsberguen (lees: Jan Mayen-eiland), Toutes lesquelles traverses et molesties il a fallu qu’ils aijent superées avec grande patience, et defendre leur bon droict ~avec frais et despens excessifs, de sorte qu’à cela ont esté despendus et consumez Capitaux tout entiers~.” (Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.)

Was dus Clarke tegen de Noordsche Compagnie in het gelijk gesteld, het kon hem nu gewis vrij onverschillig zijn. Zeker was het hem minder om de schadevergoeding zelve te doen geweest, dan om zijn recht voor het vervolg erkend te zien, maar eene zoo late erkenning baatte hem niets. Want hoewel de Hooge Raad de Duinkerkers bij dezelfde uitspraak zelfs ontsloeg van het hierboven vermelde contract van 1617, waarbij hun scheepsvolk zich verbonden had, niet weder op Jan Mayen-eiland te verschijnen[1117], en hun recht op de vrije visscherij dus bepaald erkend was, komt het mij niet twijfelachtig voor, dat hunne walvischvangst daardoor in geenen deele bevoordeeld is. Reeds in 1620 was er, toen Clarke van de Staten-Generaal hangende het proces wederom verzocht had te zorgen, dat de Noordsche Compagnie de schepen, die hij ook nu weder voornemens was naar Jan Mayen-eiland te zenden, niet hinderde[1118], op zijn request geene dispositie gevolgd en dus de visscherij aan het eiland voor hem onveilig geworden. Mogelijk heeft hij echter niettegenstaande de herhaalde oneenigheden met de Noordsche Compagnie dit jaar nog volgehouden, maar toen »de trefves vuyt waren” was het ondenkbaar, dat de onderdaan der aartshertogen zich zou kunnen handhaven tegen de machtige Nederlandsche compagnie, voortaan door den oorlog gerechtigd tot openlijke vijandelijkheden[1119].

[1117] Dictum v. d. H. R. dd. 1 Dec. 1622.

[1118] R. S.-G. 27 Mrt. 1620.

[1119] Dat de Duinkerkers de walvischvangst opgaven, schijnt ook opgemaakt te kunnen worden uit de verklaring der N. C. in haar request aan de Stn.-Gen. dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

* * * * *

Bij de groote overeenkomst van de geschillen der Noordsche Compagnie met Vrolicq en Clarke in aanleiding en doel, verschillen zij echter onderling in twee opzichten. Terwijl over de zaak van Vrolicq nagenoeg geen enkel stuk uit de nog voorhanden, hoewel verspreide verzameling gemist wordt, is van de gedurende vier jaren tusschen de Noordsche Compagnie en Clarke gewisselde stukken er nauwelijks éen overgebleven om ons over het sustenu der partijen in te lichten. Zelfs de resolutiën der Staten-Generaal, anders soms een vruchtbare bron, geven hier, hoewel zij zeer dikwijls van de zaak spreken, nagenoeg niets dan bevelen, die op de wisseling der stukken betrekking hebben. Ook de registers onzer rechterlijke collegiën kunnen ons hier slechts weinig helpen. Het hierboven over Clarke en zijne pretensie medegedeelde is dus slechts het geraamte eener zaak, die, wanneer men ze door betere kennis der omstandigheden vleesch en bloed kon bijzetten, misschien even leerzaam zou zijn voor de kennis der beginselen, die de Noordsche Compagnie leidden, als de andere in dit hoofdstuk behandelde. Nu reeds bezit zij in tegenstelling met deze het belang, dat zij ons overtuigend bewijst, dat, terwijl de Noordsche Compagnie, reeds bij hare oprichting even exclusief als gedurende haar geheele verdere bestaan als geoctrooieerde compagnie, ook tegenover de ontdekkers van het door haar bezeten land haar onrechtmatig systeem volhield, de Staten-Generaal hunne vrijzinnige beginselen wijzigden, naarmate de omstandigheden het belang der Nederlanders verplaatsten. Terwijl de regeering in 1618 verstandig genoeg was om in te zien, dat, wanneer men eenige kans wilde hebben op eene overwinning in de hevige geschillen met de Engelschen over de walvischvangst, men dan ook vooral tegen een Engelsch onderdaan consequent moest vasthouden aan de vrijzinnige leuze, die de steun der Nederlandsche diplomaten in hunne onderhandelingen met Jakob I was, vergat zij in latere jaren, toen de Nederlandsche walvischvangst zich krachtig ontwikkeld had en zich met goeden uitslag tegen alle mededingers staande hield, welke beginselen haar in vroegere jaren geleid hadden, en gaf zij aan Jean Vrolicq gegronde aanleiding om te zeggen, dat hij »van haer Ho: Mo: alsoo veel gunste verwacht hadde, als in gelycke gelegentheyt voor desen genoten hadde gehadt Jan Clerck woonende tot Duynkercken.”[1120]

[1120] Rescr. v. Vrolicq aan de Stn.-Gen. dd. 15 Apr. 1633, onder de: Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.

HOOFDSTUK IX.

BINNENLANDSCHE WEDIJVER.

De strijd met de buitenlandsche mededingers was dus volstreden en het jaar 1642 vond de Noordsche Compagnie zegevierend gevestigd in de Mauritius-baai op Spitsbergen en in het ongestoord bezit van Jan Mayen-eiland. Ongelukkig voor haar was juist dit jaar bestemd om haren val te zien. Buitenlandsche concurrentie kon de Nederlandsche kooplieden der zeventiende eeuw niet van de eens ingenomene plaats verdrijven, maar eindelijk bezweek de bevoorrechte vereeniging voor den tegenzin harer landgenooten, die haar reeds sinds hare oprichting gedurig met vernietiging had bedreigd.

Wij zagen, dat reeds op den dag, toen het octrooi der Noordsche Compagnie verleend werd, de tegenwerking van Le Maire aan de Staten eene heilzame beperking daarvan afdwong; de nieuwe compagnie moest daardoor steeds op hare hoede zijn voor mededingers, die éen enkele gelukkige reis voor haar kon oproepen. Had ook op den duur deze maatregel voor de compagnie niet de gewichtige gevolgen, die men er gewis van verwacht had, weinige maanden na de uitvaardiging bracht het »generael octroy” aan de bevoorrechte walvischvangers toch een gevoeligen slag toe. Van de drie kwetsbare plekken, die het uitsluitende octrooi der Noordsche Compagnie aanbood en die achter elkander zouden gebruikt worden om concurrenten op te roepen, was de beperking van het charter der vereeniging door het »generael octroy” de eerste bres, waardoor men eenen aanval op haar monopolie deed.

In het vijfde hoofdstuk hebben wij gezien, dat in Juli 1614 door twee schepen van de Noordsche Compagnie op 71-1/2° NB. toevallig ontdekt werd een den Nederlanders nog onbekend eiland, dat naar den bevelhebber der expeditie Jan Mayen-eiland genoemd werd. De reis werd gedaan op kosten der kamers van Amsterdam en Enkhuizen. Maar de Delftsche kamer der Noordsche Compagnie had in hetzelfde jaar onder bevel van kapitein Jan Jansz. Kerckhoff een ander schip »het cleyne Swaentgen” naar het noorden gezonden. Ook Kerckhoff kwam kort na de andere reizigers toevallig aan Jan Mayen-eiland, en verstandiger dan zijne voorgangers ging hij aan land en onderzocht het nauwkeurig. Natuurlijk werd na de terugkomst der drie schepen rapport van de reizen gedaan aan de bewindhebbers, die ze uitgezonden hadden, maar de aandacht der Amsterdammers schijnt zich op de gedane ontdekking niet bizonder gevestigd te hebben. Althans toen zij aan Z. Exc. en aan eene commissie uit de Staten-Generaal rapport van hunne reis deden, schijnt van Jan Mayen-eiland niet gesproken te zijn; aan de Delftsche bewindhebbers werd het overgelaten, of zij door hunnen kapitein Kerckhoff volgens de bepalingen van het »generael octroy” verslag van hunne ontdekking wilden doen aan de Staten-Generaal[1121]. Eerst daardoor toch, zoo was er voorgeschreven, kon men eene akte verkrijgen, dat men recht had op de vier als belooning der ontdekking uitgeloofde reizen, met de bepaling van den tijd, waarin die reizen volbracht moesten zijn[1122].

[1121] Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 29 Aug. (lees: 2 Sept.) 1615, in: Noordsche togten. 3 Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.--„Debath gedaen maecken” enz. v. Kyen c.s. aan de gecommitt. der Stn.-Gen., in: Noordsche togten. 1. R.-A.

[1122] Gr. Placaet-boeck. I p. 564.

Ondertusschen dachten de Delftsche heeren aan niets minder. Kerckhoff had na zijne terugkomst dadelijk uitvoerig rapport van zijne bevindingen gedaan aan de twee bewindhebbers der Delftsche kamer, onder wier toezicht deze uitrusting geschied was, Nicasius Kyen en Dirck Adriaensz. Leversteyn (de derde bewindhebber Antonie Monier was in 1614 zelf als bevelhebber der visscherijvloot mede naar Spitsbergen gegaan en dus niet tegenwoordig geweest.) De kapitein verhaalde aan zijne reeders dadelijk, dat hij aan het nieuwe eiland eene menigte walvisschen gezien had: de zee scheen daar ten minste even vischrijk als bij Spitsbergen. Deze belangrijke ontdekking, die aan de andere schippers ontgaan schijnt te zijn, wekte natuurlijk in hooge mate de belangstelling der beide bewindhebbers: zij waren de mannen er niet naar om hun voordeel daarmede niet te doen. Niet zeer kiesch in de middelen om winst te maken, schijnen beiden personen geweest te zijn van meer dan gewone bekwaamheid en volharding. De familie Kyen had dadelijk aan de beginselen der walvischvangst hare aandacht gewijd en er krachtig aan deelgenomen: terwijl een der leden reeds in 1612 als commies op het schip van Van Muyden aanwezig was en op Prince Charles’ foreland den dood vond[1123], vinden wij Nicasius onder de oprichters der Noordsche Compagnie genoemd. Dadelijk had hij eenen zetel ingenomen als bewindhebber van de kamer der nieuwe compagnie, die te Delft, de stad zijner inwoning, gevestigd werd[1124]; naast hem vinden wij Dirck Adriaensz. Leversteyn genoemd, den energieken man wiens krachtig optreden tegen de Noordsche Compagnie eene soms verrassende overeenkomst vertoont met de rol, door Isaac Le Maire in dezelfde jaren tegenover de Oost-Indische gespeeld[1125]. Ook zijne familie wijdde zich met kracht aan de exploitatie der walvischvangst: terwijl zijn zoon Abraham in 1618 als bevelhebber der walvischvaarders op Spitsbergen tegen de Engelschen optrad, was een andere zoon, Adriaen, de man die de taak zijns vaders moedig opvatte. Reeds in 1616 kapitein op een walvischvaarder aan Jan Mayen-eiland[1126], was hij het, die in 1618, 1624 en 1625 de drie reizen deed ondernemen, die oorzaak waren, dat op Groenlands oost- en westkust nieuwe plaatsen voor de walvischvangst geschikt werden ontdekt[1127].

[1123] Poole, Relation of a Voyage to Greenland in 1612, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 714.--Hist. du pays de Spitsberghe. p. 12.

[1124] De heer burgemeester Kien, die met groote welwillendheid op mijn verzoek wel heeft willen nazien, of zijne familiepapieren stukken betreffende de kleine Noordsche Compagnie en haren oprichter bevatten, bericht mij, dat het archief der vereeniging niet onder hem berust. Nicasius Kien was volgens aantekening in gemelde familiepapieren zijnen vader Pieter Kien in November 1604 opgevolgd als Commissaris-generael van de Vivres. Beiden liggen met hunne wapenen begraven in een grafkelder van het koor der Groote kerk te ’s-Gravenhage.

[1125] Ofschoon Leversteyn eerst in 1631 overleed, schijnt hij zich weldra van de zaken teruggetrokken te hebben. Reeds in 1622 toch vinden wij zijnen zoon Adriaen als aandeelhouder der kleine N. C. genoemd; hij zelf stierf als „Contrerolleur vande buyten Ontfanck” te Grave. (R. S.-G. 21 Febr., 22 Mrt. 1631.)

[1126] Instr. der Stn.-Gen. voor Schrobop als commandeur van het konvooi der walvischvaarders dd. 23 Mei 1616, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

[1127] Zie hiervóor p. 178, 181, 184.

Mannen als dezen, in de walvischvangst zoo ervaren, waren dadelijk met hun plan gereed. Er werd besloten den door de Staten-Generaal voor het rapport der ontdekking gestelden termijn van veertien dagen na de terugkomst van het schip te laten verloopen en voor eigene rekening eene uitrusting naar het eiland te doen: de betrekking der bewindhebbers was voor hen geen bezwaar, om als concurrenten op te treden der vereeniging, wier belangen zij moesten waarnemen. Kerckhoff en zijn stuurman Pieter Douckesz. werden met eenig bootsvolk, dat de reis van 1614 medegemaakt had, in dienst genomen en in het voorjaar van 1615 in het geheim[1128] weder naar Jan Mayen-eiland gezonden met een schip, geheel tot de walvischvangst uitgerust. De onderneming beantwoordde volkomen aan de gekoesterde verwachting: Kerckhoff nam bezit van het eiland, plantte er de wapens der Staten-Generaal en noemde het Mauritius naar den naam van Z. Exc. Ook de walvischvangst gelukte uitnemend: met een rijken buit keerde het schip huiswaarts[1129].

[1128] Misschien werd als het doel der reis IJsland opgegeven, althans Kyen verzocht 18 Mei 1615 uit naam der „compaignie van Islandt” van de Stn.-Gen. vijf gotelingen te leen, om zijne schepen te beschermen op de visscherij aan IJsland, „alwaer ordinaris veel Roovers haer onthouden.” De Stn. stonden het verzoek toe „tot vermeerderinge van neringe in dese landen.” (R. S.-G. 18 Mei 1615.)

[1129] Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 29 Aug. (lees: 2 Sept.) 1615, in: Noordsche togten. 3 Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.--Req. der kleine N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A.

Onderwijl had ook de Noordsche Compagnie niet stilgezeten. De Amsterdamsche bewindhebbers hadden in het begin van 1615 bij afwezigheid van alle andere kamers besloten dit jaar eene nieuwe ontdekkingsreis te doen ondernemen. Het schip »Tswaentgen”, ook wel genoemd »het duyffgen”, werd onder bevel van kapitein Jan Sybrantsz. Paelman van Opperdoes uitgezonden, om nieuwe eilanden te ontdekken en tegelijk Jan Mayen-eiland nader te onderzoeken met het oog op eventueel aldaar te verkrijgen voordeel[1130]. Reeds in Augustus kwam Paelman overhaast terug met het bericht, dat hij aan het eiland het schip van Kyen en Leversteyn met de walvischvangst bezig had gevonden.

[1130] Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 29 Aug. (lees: 2 Sept.) 1615 in: Noordsche togten. 3 Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.--„Debath gedaen maecken” door Kyen en Leversteyn, in: Noordsche togten. 1. R.-A.--Zee-atlas van Van Keulen. I p. 75.

Dadelijk wendden zich nu de bewindhebbers tot de Staten-Generaal, die zich de arbitrage over geschillen, uit het »generael octroy” ontstaande, hadden voorbehouden. Zij verzochten volmacht om beslag op het schip van Kyen en Leversteyn te mogen leggen en eischten, overeenkomstig met hun tweeslachtig sustenu, dat niet alleen schip en goed volgens de bepalingen van hun octrooi verbeurd verklaard, maar dat de reeders ook veroordeeld zouden worden in de boete van 50,000 dukaten, op den inbreuk van het »generael octroy” gesteld. Een paar dagen later verzochten zij, na breedvoerige uiteenzetting hunner grieven tegen Kyen en Leversteyn octrooi voor de ontdekking van Jan Mayen-eiland volgens het plakkaat van 27 Maart 1614[1131]. De regeeringen van Amsterdam, Enkhuizen, Hoorn, vooral die van Delft, ondersteunden de Noordsche Compagnie krachtig tegen hare mededingers[1132], en de Staten-Generaal besloten Kyen en Leversteyn voor zich te ontbieden. Den 17 Augustus 1615 verschenen beide partijen »geassisteert met heure Advocaten respective” in de vergadering: aan de Staten-Generaal was het nu om tusschen hen te beslissen.[1133]

[1131] R. S.-G. 13 Aug., 2 Sept. 1615.

[1132] Ook Petrus Plancius--met de bewindhebbers der N. C. Tweenhuysen en Harencarspel voor de vaart op Nieuw-Nederland in compagnie (O’Callaghan, New Netherland. I p. 94)--koos de zijde der Noordsche Compagnie, en stond de reeders evenals in 1613 met zijne aardrijkskundige kennis bij. Hij trachtte in eene memorie, vergezeld van „sekere raijinge,” te bewijzen, dat Jan Mayen-eiland onder het octrooi der compagnie behoorde. („Cort advertissement” v. Kyen c. s. aan de gecommitt. der Stn.-Gen. dd. 29 Febr. 1616, in: Noordsche togten. 1. R.-A.)

[1133] R. S.-G. 17 Aug. 1615.

Bij de onvolledigheid der gegevens is het hoogst moeielijk een oordeel te vellen over de quaestie, wie der partijen het recht aan zijne zijde had in eene zaak, die zoo geheel van het vervullen of verwaarloozen van formaliteiten afhing en waarin van beide zijden zoozeer geknoeid schijnt te zijn om elkaar de loef af te steken. Het komt mij echter volkomen zeker voor, dat de Noordsche Compagnie gelijk had met de bewering, dat Kyen en Leversteyn niet alleen »int regart van de generale societeyt nijet al te sinceerlick mette compagnie ofte heure geassocieerde gehandelt hadden”, maar ook dat de beide bewindhebbers »meer sochten haer particulier proffyt als het beste vande gemene Compaignie twelck sij schuldich waeren te besorgen.” Maar afgezien van de moraliteit der zaak schijnt het mij toe, dat de Noordsche Compagnie ~door de Staten-Generaal~ bepaaldelijk in het ongelijk gesteld moest worden. De bewindhebbers erkenden zelven, dat zij niet voldaan hadden aan de bij het »generael octroy” gestelde voorwaarde; zij mochten nu de fout, door hen begaan, op rekening hunner tegenpartij schuiven en van »het versuym ofte veel eer eygenbaatsouckicheyt” van Kyen en Leversteyn spreken, te ontkennen was het niet, dat zij hun recht op een octrooi van vier jaren voor goed verbeurd hadden. Zelven schijnen zij dit gebrek in hun sustenu te hebben ingezien, althans zij trachtten vrij onhandig de Staten te overtuigen, dat het nieuw ontdekte eiland eigenlijk reeds onder het octrooi der Noordsche Compagnie begrepen was als behoorende onder »de Kusten ende Landen van Nova Sembla tot Fretum Davidis toe” en als een van de »andere Landen die onder Groenlant gevonden souden mogen werden.” Juist om dergelijke redeneeringen te voorkomen, was echter het »generael octroy” uitgevaardigd, en de eenvoudige lezing van het octrooi der Noordsche Compagnie in verband met het plakkaat van 27 Maart 1614 overtuigt dan ook ieder van de ongegrondheid dezer beweringen. Dit feit als bewezen aannemende, verklaarden de gedaagden dan ook ronduit, dat de beoordeeling der middelen, waarmede zij hun voordeel »in mari libero” gezocht hadden, niet aan de Staten-Generaal stond; slechts een uitspraak over de feitelijke quaestiën, of het eiland al of niet onder het octrooi der Noordsche Compagnie behoorde, en zoo neen wie als ontdekker daarvan moest beschouwd worden, werd van de Staten geëischt[1134].

[1134] „Cort advertissement,” in: Noordsche togten. 1. R.-A.