Geschiedenis der Noordsche Compagnie
Part 37
[1032] Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1150.--Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. c. Vrolicq dd. 2 Febr. 1634 en ald. bijl. D, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Het bij Aitzema l. c. medegedeelde over het verzoek van „die van Sint Ian de Lux, ~selver oock (van) den Gouverneur~ (?) ~Grammont~” aan de N. C. schijnt mij duister: alleen blijkt het, dat op de beide hierboven vermelde schepen van Bordeaux „Lestinotte” en „Le Pellecan” kapiteins waren Jean De Lasso en ~Jean De Gramont~.--Het komt mij om verschillende aanwijzingen waarschijnlijk voor, dat de pogingen der Basken om hunne walvischvangst te vestigen na 1615 beproefd werden niet aan Spitsbergen, maar aan Jan Mayen-eiland. Was het feit bewijsbaar, dan zou het zeker een argument zijn ten voordeele van Vrolicqs beweerde ontdekking van het eiland in 1612.
Weinige dagen nadat Johann Braem in zijn proces tegen de Noordsche Compagnie door het Hof van Holland in het ongelijk gesteld was, verleende de kardinaal De Richelieu een octrooi voor de walvischvangst aan zekeren Jean Vrolicq. De dus begunstigde persoon was een Bask van geringe afkomst, die vele jaren in dienst der Noordsche Compagnie geweest was[1033]. Later had hij de Nederlanders verlaten en was in dienst van Haraneder en Laralde,--de beide kooplieden, die na verscheidene vergeefsche pogingen bij de Noordsche Compagnie in 1623 het Deensche contract gesloten hadden,--bekend geworden met Braem. Daar de walvischvangst der Basken in 1623 dadelijk weder gestaakt werd, verscheen hij in het volgende jaar nogmaals in Nederlandschen dienst als harpoenier op Spitsbergen[1034]. Maar weldra trad hij als Braems zaakwaarnemer op en nam zijne belangen in Nederland waar gedurende het eindelooze proces voor het Hof van Holland[1035]. Nauwelijks namen de zaken echter voor de Denen een ongunstigen keer, of Vrolicq wendde zich tot Richelieu. De suppliant, die zich »Capitaine de la marine de la ville de St. Jean de Luz” noemde, beweerde, dat hij den 3 Juni 1612 op 71-1/2° NB. had ontdekt een eiland, Pico genaamd, dat vroeger nooit bekend geweest was. Met eenige andere Basken, die zich bij hem gevoegd hadden, zou hij daar de walvischvangst begonnen, maar weldra door de kooplieden der gepriviligiëerde Nederlandsche en Engelsche compagniën verjaagd zijn van zijne nieuwe ontdekking, die hij eerlang »à cause des grands profficts qui se font es costes d’icelle” Richelieu (ook wel Isle de Richelieu) genoemd had[1036].
[1033] Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, bijl. B, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[1034] Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, bijl. B, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[1035] Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634 l. c.--Vgl. R. S.-G. 10 Sept., 21 Oct. 1630.
[1036] Octr. v. Richelieu aan Vrolicq. (Bijl. C v. h. Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634 l. c.)
Laat ons hier even stilstaan, om te zien wat er van de zaak was. Reeds door de opgave van de ligging van het eiland blijkt, dat hier sprake is van het bekende Jan Mayen-eiland[1037]. Zoo Vrolicqs bewering waar was, dan had hij dus een beter recht dan de Noordsche Compagnie, die eerst in 1614 het eiland ontdekte en er niet vóor 1616 de visscherij vestigde. Juist om deze reden is echter het verhaal van Vrolicq onmogelijk: al wat hij bericht van zijne onaangenaamheden in 1612 of 1613--immers alleen de onmiddellijke inbezitneming en vestiging op het eiland schiep zijn recht,--met de Noordsche Compagnie, die niet vóor 1616 en met de Moscovische Compagnie, die voor zoover mij bekend is nooit op Jan Mayen-eiland eenige acht heeft geslagen, is natuurlijk onwaar. Maar ook om andere redenen is de bewering van Vrolicq onwaarschijnlijk: wie zal het gelooven, dat iemand die in 1624 nog jong was en het niet verder gebracht had dan tot harpoenier op een Nederlandsch walvischvaarder, reeds twaalf jaren vroeger op een eigen schip reizen deed en nieuwe plaatsen ontdekte, die dadelijk rijke winst afwierpen? dat die persoon, nadat hij die winst gemaakt had, berust zou hebben in de verdrijving zijner schepen van die plaats door overweldigers, die minder recht hadden dan hij, zonder ooit over deze zaak bij zijnen machtigen koning te klagen voordat zeventien jaren daarna verloopen waren? dat een man, die later toonde even ondernemend als volhardend te zijn, niet alleen geene pogingen aanwendde om zijn recht te handhaven en zijne ontdekking te exploiteeren, maar zich integendeel in den dienst begaf eener natie, die hem verongelijkt had;--eene natie, die er natuurlijk belang bij had, dat de ontdekking geheim bleef en die dus juist de eenige was, bij wie hij met de openbaring geen voordeel doen kon. Ik aarzel dan ook niet, hoewel Vrolicq een plan der ligging van het eiland en het proces-verbaal der ontdekking overlegde, met de Noordsche Compagnie te verklaren: »que Jean Vrolicq ne prouvera jamais avoir esté en icelle Isle, qu’au service de ceux de la Compagnie flamande; qu’aussi il n’est point vraij semblable, et n’ij a nulle apparence, que ledict Vrolicq eust trouvé ladite Isle l’an 1612, et seulement l’auroit descouvert l’an 1629[1038].”
[1037] De N. C. verhaalde in 1631, dat Vrolicq walvisschen wilde vangen op „~Spitzbergen~ noemende de selve plaetse Pico ende Richelieu.” (Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1150.) Ook de Rouaansche admiraliteit sprak in 1633 van „la Baye de Richelieu, dict le port de S. Pierre, le long des costes du Nord et Terre verte.” (Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, bijl. I. l. c.--De bedoelde baai is de Robbenbaai op Spitsbergen.) Toch is dit eene vergissing. Al bewees niet reeds de opgave der ligging van het eiland en de naam Pico, die klaarblijkelijk op den zeer in het oog vallenden Beerenberg slaat, dat hier sprake is van Jan Mayen-eiland, dan zou reeds het feit, dat Vrolicq lang in Nederlandschen dienst geweest was, hem wel vrijspreken van eene domme vergissing als deze. Het kan hem toch niet onbekend geweest zijn, dat Spitsbergen in 1612 reeds lang ontdekt was.
[1038] Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
In Frankrijk, waar men met de toedracht der zaken minder goed bekend was, kon Vrolicq zijn ongerijmd verhaal met kans op goed geloof doen. Hij deelde dan ook zijne gewichtige ontdekking aan Richelieu mede, beriep zich op »le droict des gens qui permet à toutes personnes d’aller pescher en mers eslonguées,” en op het recht der Basken, die, sinds jaren gewoon de IJszee ter walvischvangst te bezoeken, aan de vreemde natiën jaarlijks hunne onmisbare hulp en voorlichting verleenden. Hij wees verder op het nadeel, dat Frankrijk leed door de uitsluiting van de walvischvangst en de noodzakelijkheid om alle traan en balein van buitenslands te ontbieden, en eindigde met op grond van Frankrijks recht en in naam der vrijheid octrooi voor tien jaren te verzoeken voor eene compagnie, die hij met eenige Basken en andere Franschen gevormd had om de visscherij van walvisschen en andere zeemonsters te ondernemen in het noorden tusschen 60° en 80° NB.[1039].
[1039] Octrooi v. Richelieu aan Vrolicq. (Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, bijl. C. l. c.)
Richelieu, die den Franschen handel zoo krachtig aanmoedigde, verleende Vrolicq dadelijk uit naam van den koning van Frankrijk het verzochte octrooi (3 Juli 1629) en gaf hem en zijne compagnie verlof om met uitsluiting van alle andere Franschen overal ten noorden van 60° en bepaaldelijk aan het eiland Richelieu walvisschen te vangen gedurende vier jaren ingaande met 1 Januari 1630, op voorwaarde dat de vangst in vier aangewezene Fransche havens ingebracht zou worden. Inbreuken op het octrooi zouden met verbeurdverklaring van schip en goed gestraft worden, maar na verloop der vier jaren zou de visscherij weder voor alle Franschen vrij zijn[1040].
[1040] Het octrooi werd echter weldra stilzwijgend verlengd door de bepaling (bij de akte van koning en kardinaal dd. 28, 30 Jan. 1632), dat geen Fransch schip het door Vrolicq op Spitsbergen ingenomen terrein dichter dan op tien mijlen zou mogen naderen gedurende zes jaren (dus tot 1638).--Zie de stukken bij: Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, bijl. G.
Met dit octrooi wendde zich nu Vrolicq 27 November 1629 tot de Staten-Generaal en verzocht hen de Noordsche Compagnie te bevelen, hem »rustelick ende vredelick” te laten visschen volgens het verlof van den koning van Frankrijk. Als gewoonlijk vroeg de regeering de voorlichting der compagnie[1041] en deze haastte zich, de handelwijze van Vrolicq als »mauvaise et impertinente” voor te stellen, terwijl zijne ontdekking van het eiland ontkend werd[1042]. Men besloot dan ook Vrolicq evenals vroeger Braem naar de justitie te verwijzen, om daar zijnen eisch tegen de Noordsche Compagnie in te stellen[1043]; maar deze voorkwam dit en verkreeg van het Hof van Holland mandement penael tegen Vrolicq. Op welke gronden dit geschiedde blijkt niet, maar de bedreigde nam dadelijk de wijk buiten de Vereenigde Provinciën[1044] en vergenoegde zich verder met zijne zaak door den Franschen ambassadeur in Den Haag aan de Staten te laten aanbevelen. Dezen verklaarden dadelijk, dat zij de Noordsche Compagnie bij haar recht wilden handhaven, maar zij oordeelden toch »dattet soude strecken tot gerustheit van de compagnie, dat dese saecke buyten verwyderinge werde gehouden” en trachtten dan ook de zaak door conferentiën met de bewindhebbers te schikken[1045].
[1041] R. S.-G. 27 Nov. 1629.
[1042] Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, l. c.
[1043] R. S.-G. 18 Dec. 1629.
[1044] Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, l. c.
[1045] R. S.-G. 4, 18 Juni 1630.
Maar de Staten mochten zich met een goeden uitslag op zulke halve maatregelen vleien, Vrolicq kende de compagnie en haar streven beter. Hij zag reeds toen dadelijk in, dat hij niet zonder hulp tot de vrije visscherij aan Spitsbergen zou geraken. Evenals zijne vroegere patroons wendde hij zich dus tot Braem en het gevolg van het gemeen overleg was, dat de koning van Denemarken een nieuw octrooi aan de compagnie voor de walvischvangst verleende met uitdrukkelijk verlof om twee Baskische schepen onder hare uitrusting naar Spitsbergen op te nemen[1046]. Nu hij zich zoodoende den steun van Denemarken verzekerd had, wendde Vrolicq zich met eenen aanbevelingsbrief van Christiaan IV nogmaals tot de Staten-Generaal, klaagde over de Noordsche Compagnie en drong zijn verzoek om toelating tot de walvischvangst nader aan[1047]. Een gunstig antwoord volgde echter ook nu niet.
[1046] Zie hiervóor p. 258, 259.
[1047] R. S.-G. 13 Aug., 10, 20 Sept. 1630.
Onderwijl werd in Frankrijk alles tot de visscherij gereed gemaakt. De compagnie werd te Havre de Grace gevestigd en in den zomer van 1631 verscheen Vrolicq met een klein scheepje op Spitsbergen, waar Gödert Braem met zijn schip reeds aangekomen was. Wij hebben boven gezien, dat de beide schepen door de ontwikkeling der Nederlandsche macht in de Mauritius-baai sinds 1623 daar nu geen plaats meer konden vinden en dus genoodzaakt waren in de Robbenbaai een toevlucht te zoeken. Uitvoerig werd ook reeds verhaald, hoe de Nederlandsche commandeur van Braem trachtte te vernemen, of Vrolicq bij hem behoorde, maar dat hij slechts zeer onvoldoend antwoord verkreeg. Ook Vrolicq had na overleg met Braem geweigerd zijne paspoorten en commissie te vertoonen en beweerd, dat hij aan niemand rekenschap van zijne daden schuldig was. De Nederlandsche commandeur had hem toen het visschen verboden en gedreigd hem met geweld te zullen verdrijven, maar zoodra Braem eene verdedigende houding aangenomen en eenige kanonnen ontbloot had, had hij afgehouden en beide schepen verder met vrede gelaten[1048].
[1048] Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, bijl. D. l. c.--Zie ook: Req. der N. C. dd. 8 Apr. 1633, in: Stn. v. d. Haarl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.--Vgl. hiervóor p. 259, 260.
In het vorige hoofdstuk merkten wij reeds op, dat den Nederlanders dan ook het recht ontbrak de Denen en hunne beschermelingen uit de Robbenbaai te verdrijven: terecht beriep Vrolicq zich later herhaaldelijk op de geheele vrijheid der Robbenbaai vóor 1631. Maar overigens liet hij zich blijkbaar weinig met juridieke redeneeringen in: het was hem onverschillig met welk recht hij toegelaten werd, zoo men hem slechts in de gelegenheid stelde om winst te maken. Twee zaken waren hem volkomen duidelijk: de Nederlanders hadden hem zonder vertoon zijner commissie tot de walvischvangst toegelaten en hij was zonder hinder met een volgeladen schip te Havre de Grace aangekomen. Weinig kiesch in de keuze zijner middelen vergat hij, dat hij slechts aan de tijdige tusschenkomst van Gödert Braem zijne toelating te danken had, en dat hij krachtens zijn eigen recht alle aanspraak op de visscherij in de Robbenbaai miste. Niet inziende, dat het geheel van de Denen afhing of zij hem daar wilden toelaten, was hij dadelijk gereed zelfs tegen hen op te treden, nu hem dat voordeelig scheen. Nogmaals evenals in 1629 wilde hij beproeven, zelf zonder vreemde hulp op Spitsbergen toegelaten te worden. Hij verklaarde dus na zijne terugkomst in Frankrijk aan ieder, die het hooren wilde, dat de Nederlanders hem op zijn Fransche paspoort aan Spitsbergen hadden toegelaten,--dat hij bezit genomen had van de Robbenbaai, die hij voortaan St. Pierre noemde, en dat de Fransche compagnie de visscherij nu vrijelijk aan Spitsbergen kon oefenen[1049]. Deze bewering, geheel bezijden de waarheid, kwam volstrekt niet overeen met de bedoelingen der Noordsche Compagnie. Wel begrijpende, dat het Vrolicq alleen te doen was om de walvischvangst in Frankrijk te vestigen, had zij integendeel haren commandeur gelast geen Fransch schip op Spitsbergen toe te laten. Nu de tegen hare bedoeling begunstigde Franschman zulk eene verkeerde voorstelling der zaak gaf, zweeg de compagnie dan ook niet; zij liet een verhaal van de ware toedracht der gebeurtenissen opstellen, verklaarde daarbij dat het hare bedoeling geenszins geweest was, vreemden binnen haar gebied op Spitsbergen toe te laten behalve de Denen, die zij uit vriendschap duldde, en dreigde haar octrooi evenals in 1623 met geweld tegen de Franschen te zullen handhaven. Dit protest werd tot behoud van het recht der compagnie aan Vrolicq en zijn compagnon Adriaan Ficq beteekend[1050]. Het was echter te denken, dat dezen zich daardoor niet zouden laten afschrikken: Vrolicq verzocht en verkreeg zelfs van koning en kardinaal de bevestiging van zijn octrooi en verbod aan alle Franschen, die op het gerucht van zijne goede vangst zich gereed maakten uitrustingen naar Spitsbergen te doen, om de plaats waar hij zich bevond op tien mijlen te naderen[1051]. Onbeschroomd verscheen hij daarop in het laatst van Juni 1632 met twee schepen weder in de Robbenbaai.
[1049] Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634 en ald. bijl. D. l. c.
[1050] Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634 l. c.--Het protest is daarbij gevoegd als bijlage D.
[1051] Zie dit stuk als bijlage G. achter: Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634 l. c.--De Fransche schepen, waarover Vrolicq klaagde, waren misschien de twee Biscaaiers, die met Deensche passen op Spitsbergen en Jan Mayen-eiland verschenen. (Zie hiervóor p. 262.)
De overmoedige handelwijze van Vrolicq tegenover Denemarken kon onmogelijk door Christiaan IV gebillijkt worden en de Franschen stonden dus alleen tegenover de Noordsche Compagnie. Zij waren nu onafhankelijk; maar het bleek weldra, dat zij toch nog te zwak waren om op eigen beenen te staan. Gödert Braem, weder in de Robbenbaai aanwezig, liet Vrolicq naar het schijnt wel toe nevens hem te visschen, maar toen den 29 Juni de Nederlandsche commandeur Jacob Jansz. Duynkercker daar ook verscheen en Vrolicq aan boord klampte, maakte Braem zich niet als in 1631 gereed om de Franschen te verdedigen, maar wachtte kalm af hetgeen gebeuren zou. Duynkercker--steunende op den last der Noordsche Compagnie, die het uitsluitend recht der Denen op de Robbenbaai niet erkende,--verbood daarop aan Vrolicq op last der Noordsche Compagnie het visschen aan Spitsbergen. Hij liet hem aanzeggen, dat hij hem krachtens de ontdekking en toeëigening van de Mauritius-baai en de aangrenzende plaatsen door de Noordsche Compagnie en het octrooi aan haar verleend, verzocht zich te begeven naar de opene zee of elders buiten het Nederlandsche gebied, waar goede gelegenheid voor de visscherij was. Vrolicq van zijn kant beriep zich op zijn octrooi en op zijn gerust bezit en gebruik der Robbenbaai in 1631; de ontdekking en toeëigening van Spitsbergen door Nederlanders wilde hij niet ontkennen, »alsoo de selve dispute genouchsaem bij andere tegens die vande Compaignie gedaen wort,” maar het eigendomsrecht der Nederlanders op geheel Spitsbergen en met name op de Robbenbaai, waar hij beweerde dat zij nooit gevischt hadden, ontkende hij bepaaldelijk. Ten slotte wees hij op de goede verstandhouding der Staten-Generaal met Frankrijk, die met eene vijandelijke behandeling der Fransche walvischvaarders zoo weinig zou strooken[1052]. Duynkercker was echter niet gezind juridieke debatten te beginnen; hij liet aan Vrolicq eenvoudig een antwoord insinueeren, waarin hij op de reeds aangevoerde gronden dreigde, bij weigering van vertrek »genootsaeckt te sullen wesen te gebruycken soo daenige middelen van wapens ende andersints als hy soude meynen tot dienste van syn voornemen de stercxste ende crachtichste te wesen.” Vrolicq herhaalde daarop mondeling de verzekering, dat hij volgens zijn Fransche pas en verkregen recht zou voortgaan met visschen totdat hij met geweld verdreven werd[1053], en de Nederlanders waren dus wel genoodzaakt, wilden zij hun doel bereiken, geweld te gebruiken. Nauwelijks begonnen zij echter hunne bedreiging uit te voeren, of de Franschen maakten zich tot het vertrek gereed, en de zaak liep dus zonder bloedvergieten af. Vrolicq vertrok met zijne twee schepen en het derde, dat hij onderweg ontmoette, naar IJsland, waar hij echter te vergeefs trachtte eene goede vangst te doen: toen hij in het najaar te Havre de Grace binnenviel, had de reis hem niet alleen geen winst, maar zelfs een verlies van 350,000 livres opgeleverd[1054].
[1052] In de later gewisselde stukken beriep Vrolicq zich herhaaldelijk op het volkenrecht, volgens hetwelk „t’ eenemael woeste ende onbewoonde landen gehouden werden van deselve natuyre ende recht als de zee selffs.” (Req. aan de Stn.-Gen. dd. 15 Apr. 1633, onder de: Stn. v. d. Haarl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.) De N. C. antwoordde daarop met een beroep op de handelwijze der Franschen zelven in Canada en Terre-neuve, waar het aan alle vreemde volken verboden was te visschen of te handelen. (Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, bijl. E. l. c.)
[1053] Zie de drie gewisselde stukken bij elkander in: L. F. 1633 (bij de nota van Baugy dd. 11 Mrt. 1633); de twee eerste bevinden zich ook onder de: Stn. v. d. Haarl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.
[1054] Zie over deze reis van Vrolicq: Req. v. Vrolicq en v. de N. C. dd. 11 Mrt., 8 Apr. 1633, onder de: Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.--Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634. l. c.
Dadelijk wendde Vrolicq zich dan ook tot den koning van Frankrijk; hij verzocht hem de Nederlanders te dwingen om het Fransche octrooi voortaan niet weder te schenden en om de hem en zijnen deelgenooten toegebrachte schade te vergoeden. In Frankrijk was men echter niet geneigd, om zulk eene betrekkelijk onbelangrijke zaak geweld te gebruiken en men verwees dus Vrolicq naar de Staten-Generaal als de overheid der Noordsche Compagnie, om door hunne tusschenkomst schadevergoeding en betere regeling voor het vervolg te verkrijgen[1055]. Daartoe wendde zich dus Vrolicqs zaakgelastigde Isaac Mahieu, een deelgenoot der Fransche compagnie, den 11 Maart 1633 tot de Staten en verzocht na breedvoerig verhaal van het in 1631 en 1632 voorgevallene behalve vergoeding der geledene schade eene akte, waarbij aan de Noordsche Compagnie bepaaldelijk verboden werd de Franschen te hinderen in hunne visscherij, al werd die binnen de grenzen van haar octrooi gedreven, opdat de schepen, die Vrolicq voornemens was in 1633 weder naar Spitsbergen te zenden, ongestoord hun bedrijf zouden kunnen oefenen. Een proces over de geldigheid van het Fransche octrooi werd reeds dadelijk geweigerd: Vrolicqs ondervinding in de zaak van Braem had hem genoeg geleerd, dat er van de Nederlandsche rechters niets te hopen was en hij schreef dus, »dat de kennisse van de qualiteyt van het octroy niet en competeert aen eenich Hoff ofte Gerichte van herwaerts over”[1056]. De Fransche ambassadeur Baugy voegde bij deze memorie eene aanbevelende nota, waarin hij er op wees, dat de visscherij aan Spitsbergen den Franschen even goed als aan alle andere natiën, die jaarlijks schepen daarheen zonden, vrij moest zijn[1057].
[1055] Req. v. Vrolicq aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1633, onder de: Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.
[1056] Zie het request onder de: Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.--Vgl. R. S.-G. 11 Mrt. 1633.
[1057] Zie de nota in de: L. F. 1633.
Op deze stukken, die dadelijk aan de Noordsche Compagnie gezonden werden, antwoordde deze weldra (8 April) met een breedvoerig verhaal van Vrolicqs aandeel aan haar proces met Braem, eene uiteenzetting van zijne verdere handelwijze sinds 1629, en eindelijk met hevige klachten over twee Baskische schepen, die in 1632 aan Jan Mayen-eiland de loges der compagnie geplunderd hadden[1058]. De compagnie verklaarde zich bereid, met Vrolicq voor de Nederlandsche rechters te procedeeren, en verzocht onderwijl onder beroep op haar met zooveel moeite verkregen recht en onder verwijzing naar het belang der Nederlandsche walvischvaarders handhaving van haar octrooi tegen alle inbreuken[1059]. Van Fransche zijde werd deze redeneering den 15 April beantwoord met eene korte uiteenzetting van Vrolicqs goed recht tot het oprichten eener Fransche compagnie voor de walvischvangst op gezag van den koning, een plan »dat by alle redelycke menschen altyts gehouden soude werden voor goet, eerlyck ende pryselyck.” Na uitvoerige wederlegging van alle hem door de Noordsche Compagnie toegedichte streken bleef Vrolicq standvastig een proces weigeren[1060].
[1058] Zie over deze hier niets ter zake doende gebeurtenis: hiervóor p. 262.--Natuurlijk is ook het aandeel van Vrolicq aan de zaak van Braem hier van geen belang.
[1059] Zie de memorie onder de: Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.--R. S.-G. 8 Apr. 1633.--De N. C. beweerde o. a. in deze memorie, dat „onder de mede participanten” van Vrolicq ook waren „eenige Nederlandsche Factoors tot Roan haerlieden onthoudende, dewelcke naer apparentie oock haere meesters hadden in dese Landen.” Vrolicq antwoordde 15 April, dat door de N. C. „sonder reden ende fondament gesuspicieert werdt, dat onder zyne geassocieerde waren eenige inwoonders van dese landen, nochte ondersaeten van haere Ho: Mo:”. Niettemin waren zulke praktijken ter ontduiking van het octrooi der N. C. niet ongewoon, getuige het plakkaat der Stn.-Gen. van 11 Maart van hetzelfde jaar, waarvan boven (p. 265) sprake was.
[1060] Zie de memorie onder de: Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.--R. S.-G. 15 Apr. 1633.