Geschiedenis der Noordsche Compagnie

Part 36

Chapter 363,600 wordsPublic domain

De Staten-Generaal stonden tegenover Denemarken dit jaar op een veel te weinig onafhankelijk standpunt, om den machtigen vorst, dien men evenals Karel I van sterke Spaanschgezindheid verdacht, te durven weerstreven. De behandeling, aan de ambassade van 1639 wedervaren, versterkte de Nederlandsche regeering echter in den weerzin, dien zij voor Christiaan IV had opgevat; het liet zich aanzien, dat men geene gelegenheid zou laten voorbijgaan, om zich op de inhalige mogendheid, die de Sondtollen steeds hooger opdreef, te wreken. Langzamerhand dreigde eene Zweedsch-Nederlandsche alliantie in het verschiet, en Christiaan IV begon dan ook in te zien, dat hij te ver gegaan was door de Staten-Generaal zoo grovelijk te beleedigen. Zelf deed hij eenen stap in de richting van verzoening en liet zijnen zoon, den aartsbisschop van Bremen, aan de Staten-Generaal voorstellen doen om tot eene schikking der tusschen Denemarken en Nederland hangende partikuliere quaestiën te geraken. De Staten toonden zich daartoe natuurlijk niet ongeneigd en zonden de heeren Boreel, Sonck en Van Weede in Mei 1641 als commissarissen naar eene conferentie, die te Staden gehouden zou worden. Onder de daar te behandelen punten trad wel de quaestie over den Sondtol bepaaldelijk op den voorgrond, maar ook de twisten over de walvischvangst namen eene aanzienlijke plaats in de onderhandelingen in. En geen wonder! De gedragslijn, door den koning van Denemarken in deze zaak sedert 1637 gevolgd, dreigde den Nederlandschen handel met ernstige moeielijkheden. Christiaan IV had herhaaldelijk verklaard, dat hij ter voorkoming van te groote en voor zijne onderdanen schadelijke concurrentie alleen de schepen der Noordsche Compagnie op Spitsbergen wilde toelaten. En nu was het zoo goed als zeker geworden, dat het octrooi dezer compagnie, wanneer het met het jaar 1642 eindigde, niet zou verlengd worden, ja bij de vele concurrenten, die van alle kanten waren opgedaagd,--concurrenten, die, sinds 1636 door de Staten van Holland krachtig gesteund, onbevreesd hunne nering aan Spitsbergen zelf oefenden,--kon men het octrooi der compagnie reeds voor feitelijk vernietigd houden. Wanneer Christiaan IV dus ernstig voornam, de schepen, die niet onder de compagnie behoorden, van Spitsbergen te verdrijven, dan stond den Nederlandschen walvischvaarders eene groote schade te wachten, en het was dan ook geen wonder, dat dezen zich tot de Staten-Generaal wendden met de klacht, »dat de Coninck van Denemarcken in Spitsbergen ende andere Eijlanden naer den Noort Pool gelegen, onder pretext dat het syne Ma^{ts}. Landen syn, Voorneempt te verbieden daeromtrent het gebruyck van Zee ende Lant aende Ingesetenen deser Nederlanden.”[1003]

[1003] „Instructie vande Staaten-Genl. voor de heeren . . . . haar hoog mogende Gedep^{de}. Commissarissen, gaande naa de conferentie dag tot Staade” dd. 18 Mei 1641.

In de Instructie der commissarissen, die naar Staden vertrokken, werd overeenkomstig met deze klachten de last opgenomen om te bewerken, »dat de Vaert ende Walvischvanck int Noorden by Spitsbergen ende overall vry ende onbecommert werden gelaten aende Ingesetenen deser Lande volgens het recht van Natien, ende al waere Spitsbergen van des Rycke Norwegens dependentie, gelyck tselve niet en is[1004].” In dien zin waren dan ook Boreel en zijne ambtgenooten werkzaam. Tegenover het verzoek der Nederlanders om de walvischvangst in vrijheid te mogen oefenen zonder eenigen hinder van Deensche zijde en om eventueele quaestiën daarover bij tractaat te regelen, handhaafde Christiaan IV echter zijne oude stelling, dat hij niettegenstaande zijn recht op Spitsbergen de Nederlanders daar vrij wilde toelaten en alleen uit zorg voor den handel zijner eigene onderdanen wenschte te voorkomen, »dat de Commercie door altegrooten toeloop niet en mochte comen te niet te gaen.” Ook de Staten-Generaal zouden zeker met deze handelwijze instemmen, meende de koning, en hij stelde dus voor, dat beide partijen eene overeenkomst zouden treffen »op wat voet de Commercien te stabilieren ende jegens vremde die aldaer indringen wilden, te defenderen.” Vooraf eischte Z. M. echter de belofte, dat de Deensche compagnie niet als vroeger wel eens in hare nering gehinderd en dat de reeds toegebrachte schade haar vergoed zou worden[1005]. Na eenige onderhandelingen deed Z. M. zelf den eersten belangrijken stap en schreef, »dat gelyck haer Ho: Mo: dese commercie eenige jaren geleden door een sekere Compaignie gelimiteert hebben, Soo komt het syne Co: Ma^{t}. (voor) alderbest te wesen, tot verhoudinge van alle twist, ende tot meerdere profyt vande negocierende, dat men sigh te wedersyden veraccordere op een seker getael van schepen jaerlyx daerna toe te senden, ende dat buyten de genommeerde somme der Compaignie toebehoorende niemant anders toegelaten worde derwaerts te varen, Alsdan soude het aen byde perthyen connen toegestaen worden, ontrent Christiaenbergh ende het Eijlant van Johan May te mogen visschen sonder eenige verder exceptie ende condicie[1006].”

[1004] Instr. der commiss. te Staden, dd. 18 Mei 1641.

[1005] Verbaal der ambass. v. 1641 ad 13, 19/29 Juni, 5, 8/18, 10 Juli.

[1006] Verbaal der ambass. v. 1641 ad 10/20 Juli.

Niettegenstaande de uitdrukkelijke bijvoeging aan het einde van dezen voorslag, was echter daaraan reeds vroeger stilzwijgend de voorwaarde verbonden, dat Johann Braem vergoeding zou krijgen voor de schade, aan zijne schepen in 1623 en 1632 toegebracht. Van beide zijden werd deze zaak herhaaldelijk besproken, maar terwijl de Nederlanders steeds volhardden de klagenden naar de Nederlandsche rechters te verwijzen en hunne bemiddeling daartoe aan te bieden, werd dit voorwendsel door hen gebezigd voor het uitstellen van het beramen van een bepaald reglement op den door den koning voorgestelden voet. De bezwaren der Nederlanders tegen het sluiten van een tractaat zaten echter dieper: de commissarissen schijnen bij den twijfelachtigen toestand, waarin de Noordsche Compagnie verkeerde, niet recht geweten te hebben hoe zich te gedragen tegenover ’s konings voorstel, dat het bestaan eener Nederlandsche compagnie voor de walvischvangst onderstelde. Ook het bezit van Jan Mayen-eiland, dat nu voor het eerst in de onderhandelingen tusschen Denemarken en Nederland genoemd werd, kon licht tot zwarigheden aanleiding geven. Aitzema meent, dat de commissarissen ook oordeelden door verdere onderhandelingen bij veel tijdverlies niet dan nadeeliger voorwaarden te kunnen verkrijgen. Hoe dit zij, het is zeker, dat de Nederlanders aanvankelijk uitstellend, later bepaald onvoldoend antwoord gaven.

Christiaan IV volhardde echter aanvankelijk bij zijn plan. In September 1641 sloeg hij nogmaals voor, den band tusschen de wederzijdsche onderdanen nauw aan te halen door voortaan gezamenlijk »in Compaignie (buyten gemeene risico ofte winst nochtans)” de walvischvangst met een vooraf bepaald getal schepen aan Spitsbergen te oefenen en alle andere natiën van daar te weren. Ofschoon deze voorslag nagenoeg geheel overeenkwam met het door Van Cracouw in 1638 voorgestelde, wilden de commissarissen zich tot niets verbinden; zij beweerden nu stoutweg, dat eene regeling in den door den koning gewenschten geest onmogelijk was, daar er in Nederland geene geoctrooieerde compagnie voor de walvischvangst meer bestond[1007] en het hoogst onwaarschijnlijk heeten mocht, dat er eene nieuwe opgericht zou worden: elke regeling en beperking der Nederlandsche walvischvangst was dus ten eenenmale onmogelijk. Om die reden namen zij dan ook alleen op zich, den voorslag aan de Staten-Generaal mede te deelen. De koning uitte daarop wel den wensch, dat het octrooi der Noordsche Compagnie verlengd mocht worden, en betuigde zijne ontevredenheid, dat men niet dadelijk een tractaat wilde sluiten, maar toen de commissarissen bij hunne vroegere beweringen bleven en zelfs eene schriftelijke verklaring gaven, dat er geene compagnie voor de walvischvangst in Nederland meer bestond, gaf hij toe[1008]. Waarschijnlijk uit vrees voor verdere onaangenaamheden met de Staten-Generaal keurde de koning het nu eindelijk goed, dat voortaan alle Nederlandsche schepen met de Deensche vrijelijk de walvischvangst aan Spitsbergen zouden oefenen op voorwaarde, dat men zich goed gedragen en elkander niet door geweld hinderen of verdrijven zou. Het denkbeeld eener compagnie, uit leden van de beide natiën samengesteld, werd opgegeven: ook »de ongelimiteerde cours” werd door den koning vergund[1009].

[1007] Eigenlijk was deze verklaring onjuist: het octrooi in 1633 vernieuwd (ingaande met 1 Jan. 1635) eindigde eerst 31 Dec. 1642. Waarschijnlijk steunt zich dus deze stoute uitspraak alleen op de verklaring van Holland van 11 Dec. 1636, waarover meer in Hfdst. IX.

[1008] Verbaal der ambass. v. 1641 ad 23, 26 Juli, 1 Aug., 10, 2/12, 9/19, 16/26, 18/28, 20/30 Sept., 23 Sept./3 Oct.

[1009] Zie over deze ambassade: Verbaal der ambass. v. 1641.--Aitzema, Saken v. Staet. II p. 768, 788-97.

Zoo hadden de Staten-Generaal eindelijk na bijna dertigjarige onderhandelingen hunnen zin volkomen gekregen; van de souvereiniteit van Denemarken over Spitsbergen werd niet meer gerept en de Nederlanders konden voortaan ongestoord aan het eiland visschen. Was er ook geen formeel tractaat over de quaestie gesloten, de commissarissen hadden »des Koninghs handt ende zegel” over het geslotene en hadden bij eene verdere onderhandeling slechts kunnen verliezen[1010]. Christiaan IV erkende de bindende kracht dezer regeling stilzwijgend, toen hij aan het einde van het verdrag van Christianopel (1645), dat over deze quaestie zweeg, instemde met de bewering, dat bij dit verdrag »alle differenten tusschen Denemarcken ende de Staeten Ghenerael geheelijck waren afghedaen ende afgehandelt[1011].”

[1010] Aitzema, Saken v. Staet. II p. 795.

[1011] Zie dit verdrag bij: Aitzema, Saken van Staet. III p. 13 vlg.--De aangehaalde woorden komen voor in art. XIX.

Nu de zaak dus eindelijk definitief geregeld was, beproefde Denemarken ook later niet voordeeliger voorwaarden te bedingen[1012]; de alle verwachting overtreffende vermeerdering der Nederlandsche walvischvangst na de vernietiging van het octrooi der Noordsche Compagnie maakte dan ook gewelddadige handelingen tegen haar nagenoeg onmogelijk, en gedurende de geheele zeventiende eeuw bleven verder de betrekkingen tusschen Nederland en Denemarken over deze zaak van den meest vriendschappelijken aard[1013].

[1012] Dit werd trouwens weldra onnoodig: de Deensche walvischvangst kwijnde reeds sinds 1636 en de compagnie gaf de concurrentie eerlang voor lange jaren op. (Scoresby, Account. II p. 167.)

[1013] Mauricius, Naleesingen over de Noordelijke Landen. (R.-A.)

HOOFDSTUK VIII.

ONEENIGHEDEN MET FRANSCHEN EN ZUID-NEDERLANDERS.

Terwijl Engelschen en Denen met de Nederlanders op Spitsbergen om de opperheerschappij kampten, wendde eene andere natie pogingen aan om zich tusschen de strijdende partijen te vestigen en in vrede haar bedrijf te oefenen. Het bleek echter weldra, dat het op den voorgrond stellen van uitsluitende aanspraken en het dreigen met krachtige maatregelen de zekerste wegen waren naar het vreedzaam bezit der visscherij: de volken, die de heerschappij op Spitsbergen voerden, lieten daar slechts uit vrees of uit onmacht vreemde mededingers toe. Het was dus het lot der Fransche natie om dikwijls pogingen aan te wenden tot het vestigen der walvischvangst, maar om ook telkens in de handen van een der oppermachtige volken te vallen. Hoe zij het ook aanlegde, hetzij zij zelfstandig optrad of de heerschende volken door geldelijke opofferingen tot toegevendheid trachtte te stemmen, altijd was zij genoodzaakt hare pogingen op te geven om ze na weinige jaren met even ongelukkigen uitslag te hervatten.

In 1612 was onder de vreemde schepen, die toen voor het eerst met Engeland kwamen wedijveren, ook een Spaansch schip geweest, dat door den Engelschman Nicholas Woodcocke naar Spitsbergen geleid was. Het was uit St. Sebastiaan afkomstig, en, ervaren als de Basken door lange oefening reeds in de walvischvangst waren, brachten zij eene rijke vangst mede naar huis[1014]. Het was niet te denken, dat zulk een schitterend resultaat onbekend zou blijven. Behalve verscheidene schepen uit St. Sebastiaan zelf, verschenen dan ook in 1613 vier schepen van Fransche Basken uit St. Jean de Luz op Spitsbergen. Vier wedijverende reederijen hadden van daar hare vaartuigen uitgezonden: de grootste, die van »Monsieur de Turbyde”, had een groot schip uitgereed, de andere zonden elk slechts een klein scheepje. Een dezer laatste werd dadelijk na zijne aankomst in Behouden-haven (17 Juni) door den Engelschen admiraal naar huis gezonden[1015]; een ander, dat zich met het Enkhuizensche schip onder Bonner vereenigd had, onderging 23 Juni in Horn-sound hetzelfde lot[1016]; het derde, aanvankelijk door Van Muyden en het schip van De Turbyde verjaagd, kreeg later tegen betaling eener belasting van 40 tonnen traan van de Engelschen verlof om in Bell-sound te visschen. (21 Juli[1017].) Het schip van de compagnie van De Turbyde, grooter en sterker dan de andere Basken, sloot eene overeenkomst met Van Muyden en zijne Nederlanders om gezamenlijk alle andere walvischvaarders uit Bell-sound te weren. Een maandlang vischten zij in vrede, maar den 21 Juli verscheen admiraal Joseph en liet het Fransche schip, dat zich dadelijk onderwierp, slechts tot de visscherij toe op voorwaarde, dat het de helft der gekookte traan en alle walvischbaarden aan de Engelschen zou uitleveren[1018].

[1014] Hist. de Spitsberghe. p. 11.--Poole, Relation of a Voyage to Greenland in 1612, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 715.--Edge, Dutch disturbance, bij Purchas l. c. III p. 466.

[1015] Baffin, Iournall of the Voyage to Greenland in 1613, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 717.--Hist. de Spitsberghe. p. 21.

[1016] Hist. de Spitsberghe. p. 24.--Baffin, Iournall of the Voyage to Greenland in 1613, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 717.

[1017] Hist. de Spitsberghe. p. 23.--Baffin, Iournall of the Voyage to Greenland in 1613, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 718, 19.

[1018] Hist. de Spitsberghe. p. 22, 23.--Baffin, Iournall of the Voyage to Greenland in 1613, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 718, 19.--Baffin verhaalt ad 31 Mei 1613, dat een der schepen van St. Jean de Luz van de (Moscovische) Compagnie verlof had medegebracht om op Spitsbergen te visschen. (?)

Andere Franschen, die zich dit jaar op Spitsbergen vertoonden, was het niet beter gegaan. Een klein schip, te Hoorn voor zekeren Jean Macqui, een koopman te La Rochelle, uitgerust, werd 17 Juni door den Engelschen admiraal uit Behouden-haven verjaagd, en vertrok naar de Noordkaap.[1019] Een grooter schip, de »Jacques” van Bordeaux, waarop Allan Sallowes, die het vorige jaar de Nederlanders naar Spitsbergen had geleid, stuurman was, gaf zich tegelijk met dat van La Rochelle na eenige aarzeling aan de Engelschen over. Men trof de overeenkomst, dat het schip in Greenharbour zou mogen visschen en dat de eerste acht walvisschen, die men ving, voor de Engelschen zouden zijn, Sallowes had dit jaar eene goede vangst: niet alleen was hij in staat de bedongene acht walvisschen te leveren, maar met eene buit van niet minder dan dertig visschen kon het schip 24 Augustus met de Engelschen naar huis keeren.[1020]

[1019] Hist. de Spitsberghe. p. 21, 22.--Baffin, Iournall of the Voyage to Greenland in 1613, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 716, 17.--Het verhaal van Baffin omtrent de verschijning van een tweede schip uit La Rochelle aan Spitsbergen (11/21 Juli 1613) schijnt op een misverstand te berusten. Het bedoelde scheepje was uit St. Jean de Luz. (Hist. de Spitsberghe. p. 23.)

[1020] Baffin, Iournall of the Voyage to Greenland in 1613, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 716, 17, 19.--Hist. de Spitsberghe. p. 21, 22.--Het verhaal van dit laatste boekje over een roof, door de Engelschen op dit schip gepleegd, vindt zijne verklaring in het door Baffin (ad 17 Juli 1613) medegedeelde van een twist over het recht op eenen gevonden walvisch. („The order of the Biscaines is, that who so doth strike the first Harping Iron into the Whale, it is his, if his Iron hold.”)

Ernstig werd weldra tegen de aanmatigende handelwijze der Engelschen geprotesteerd door den Franschen ambassadeur te Londen, De Buisseaux. Hij drong herhaaldelijk aan op schadevergoeding en ging zelfs zoover van te beweren, dat de toeëigening, waarop Jakob I zijn recht grondde, reeds daarom niet bestaan kon, omdat de Franschen Spitsbergen lang voor de Engelschen bezeten hadden. (?) Veel liet hij zich ook voorstaan op het verlof, door den koning van Frankrijk aan de Biscaaiers van St. Jean de Luz en Bayonne verleend, om sinds 1610 tegen loon de Engelschen naar Spitsbergen te vergezellen en hen de walvischvangst te leeren.[1021]

[1021] „Verclaringh vande Francoisen opte vaert ende visschery vande Waluisschen Int noorden ontfangen vande heere du maurier den 12^{en} Mey 1615,” in: Noordsche togten. 4. Loopende N. C. R.-A.

Hoewel de Franschen zoo vast van de gegrondheid dezer dwaze aanmatigingen overtuigd waren, dat zij ze twee jaren later nog herhaalden[1022], durfden de Fransche reeders toch in 1614 geene schepen ter walvischvangst naar Spitsbergen zenden[1023]. Maar dat dit slechts eene tijdelijke terughouding was, bleek weldra. Nauwelijks waren Wotton en de overige leden van het Engelsche gezantschap den 6 Mei 1615 na eenige onderhandelingen over de Nederlandsche walvischvangst uit Den Haag vertrokken[1024], of de Fransche ambassadeur Du Maurier leverde aan Oldenbarnevelt eene »verclaringh” over, waarin hij protesteerde tegen het door hem veronderstelde plan der Engelschen om met de Nederlanders eene overeenkomst te treffen, ten einde met vereende krachten alle andere natiën van Spitsbergen te verdrijven. Wij zagen reeds, dat deze verdenking volkomen ongegrond was: de Engelschen toch waren in 1615 evenmin tot eene combinatie met Nederland als met Denemarken geneigd[1025]. Maar Du Maurier meende desniettegenstaande zeker genoeg van de zaak te zijn, om bij Oldenbarnevelt ernstige pogingen aan te wenden tot verijdeling der gewaande Engelsche plannen. Onder beroep op geheel dezelfde tweeslachtige argumenten als de door Nederland in deze zaak steeds gebruikte, op de vrijheid van zee en visscherij en op het door Frankrijk verkregen bezit, verklaarde de gezant, dat Spanje en Frankrijk voornemens waren in deze zaak gezamenlijk te handelen en de walvischvangst hunner onderdanen te handhaven. Wilden de Staten-Generaal in het verbond tegen Engeland treden, het zou den verbondenen vorsten aangenaam zijn. In ieder geval was Du Maurier van plan, de Nederlandsche regeering officiëel met de voornemens der vereenigde vorsten bekend te maken, ten einde haar van eene combinatie met Engeland terug te houden[1026].

[1022] In de hierboven aangehaalde „verclaringh.”

[1023] Verclaringh vande Francoisen, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

[1024] Zie hiervóor p. 206-8.

[1025] Toch schreef ook De Groot, toen hij aan Du Maurier de hier vermelde „verclaringh” terugzond, na vele betuigingen van instemming met de houding der Franschen: „Ego cum jampridem viderem, hoc agere Anglos, ut exclusis aliis gentibus nos solos in societatem iniquissimi juris admitterent, sedulo obstiti ne veniretur ad tam turpes pactiones.” (Grotii Epistolae. p. 19. Ep. 59.)

[1026] Verclaringh vande Francoisen, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Grotii Epistolae. p. 19. Ep. 59.

Of het zoover gekomen is, blijkt niet; maar allicht zouden de voorstellen, hoe gewillig de Staten-Generaal zelven toen ook zijn mochten om in deze zaak eene vrijgevige politiek met betrekking tot de vreemde mogendheden te volgen[1027], afgestuit zijn op den onwil der Noordsche Compagnie. Want deze had geheel andere plannen, zooals weldra blijken zou. In den zomer van 1615 bleek de samenwerking tusschen Franschen en Spanjaarden reeds openlijk, toen twee schepen van Bordeaux, die voor eene reederij te St. Sebastiaan voeren, op Spitsbergen verschenen. De Noordsche Compagnie, die door hare groote machtsontwikkeling in 1614 en 1615 zich in de IJszee reeds eene zelfstandige plaats meende veroverd te hebben, even onaantastbaar als die der Engelschen, toonde zich echter geenszins geneigd op hare beurt weder anderen tot de met zooveel inspanning bemachtigde visscherij toe te laten. Zij weigerde bepaald den schepen verlof tot het visschen te geven. Niettegenstaande de bekende gezindheid der Staten-Generaal werden de Basken van Spitsbergen geweerd, hoewel zij zelfs aanboden om 1/3 van hunne vangst voor hunne toelating aan de Nederlanders uit te keeren[1028]. Het volgende jaar gelastten de Staten de compagnie wel toegefelijker te zijn en bevalen zij uitdrukkelijk, de Biscaaiers, wanneer zij hun aanbod hernieuwden, niet alleen vriendelijk te behandelen maar ook tegen de Engelschen te beschermen[1029], maar het was te laat: de Franschen schijnen door de behandeling der Nederlanders ontmoedigd te zijn. Hoewel zij zich na 1615 nog een enkele maal aan Spitsbergen vertoond schijnen te hebben[1030], was het toch in 1619 reeds zoover gekomen, dat koning Jakob I verklaren kon, dat zij met de andere mededingers der Engelschen van de visscherij aldaar hadden afgezien[1031]. Toen dit resultaat eenmaal verkregen was, weigerde de Noordsche Compagnie hen weder toe te laten; hoewel de Basken herhaaldelijk pogingen aanwendden om de visscherij met kleine schepen ongemerkt weder te beginnen en zich zelfs op nieuw bereid verklaarden voor het verlof te betalen, werd dit door de compagnie steeds »met beleeftheyt” maar zeer bepaald geweigerd[1032]. In het vorige hoofdstuk is breedvoerig verhaald, hoe de ongelukkige Biscaaiers bij de Denen voor dergelijke aanbiedingen gewilliger ooren vonden, maar dat de Nederlanders ook tegenover de slinksche handelingen der vereenigde natiën hun doel niet uit het oog verloren en hardnekkig de toelating der vreemden bleven weigeren. De poging, door de Franschen beproefd om op eigen naam toegang tot de visscherij aan Spitsbergen te verkrijgen, verdient hier echter uitvoeriger beschreven te worden dan daar uit den aard der zaak geschied is.

[1027] Instr. der Stn.-Gen. voor H. Gsz. Quast en J. Jsz. Schrobop, dd. 29 Apr. 1614, 23 Mei 1616, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--R. S.-G. 10 Apr. 1618.--Req. v. J. Vrolicq aan de Stn.-Gen. dd. 15 Apr. 1633, in: Stn. N. C. v. d. Haarl. gedeput. R.-A. (Vrolicq beweerde, dat volgens de R. S.-G. de Instructie, door den prins aan de walvischvaarders gegeven, „expresselyck mede bracht”: „dat soo verre syluyden in haere reyse ende walvisch neeringe eenighe vreemde natien comen te ontmoeten, sij luijden aen de selve verclaeren souden, haerluyden intentie niet anders te syn, dan alleenlyck vryichlyck den Walvischvanck te mogen doen, sonder imanden anders van gelycken te doen te willen beletten.” Ook „andere resolutien” waren volgens hem „by haere Ho. Mo. over dese saecke tot voordeel vande vreemde natien, ende specialyck vande ondersaeten vande Croone van Vranckryck genomen.” Alleen de drie bovenaangehaalde stukken van 1614, 1616 en 1618 komen, voorzoover ik heb kunnen nagaan, met deze beschrijving overeen.)

[1028] Instr. v. Schrobop art. 15.

[1029] Instr. v. Schrobop art. 11, 12.

[1030] R. S.-G. 10 Apr. 1618.

[1031] Muller, Mare Clausum. p. 162.