Geschiedenis der Noordsche Compagnie
Part 35
Niettegenstaande deze memorie in de vergadering der Staten-Generaal den 15 Mei eindelijk gelezen was[972], werd het antwoord op den brief van Christiaan IV steeds uitgesteld. Driemaal moest van Deensche zijde aangedrongen worden op bescheid[973]. Eindelijk besloten de Staten-Generaal, toen uitstel niet langer mogelijk scheen, op advies van Holland[974] uit den brief der Noordsche Compagnie eene missive aan Christiaan IV samen te stellen[975]. De Staten klaagden daarin over inbreuken op het octrooi der compagnie, die door Pelt en anderen sinds 1633 niettegenstaande het plakkaat van 11 Maart onverholen gepleegd werden[976]. Er was reden tot klagen over de Deensche walvischvaarders, dus luidde het, »vermits deselve onder hun laten schuilen vele jngesetenen deser Landen diewelcke in prejuditie en tegens het Octroy, ’t welck wy aende voornoemde onse Compaignie hebben verleent deselve onderstaen den walvischvanxt te ondercruipen, daertoe gebruikende verscheiden pretexten”[977]. Wanneer de koning geen orde op de zaak wilde stellen, dan werd met strenge handhaving van het plakkaat tegen de »lorrendrayerien” gedreigd. Den 26 Juni 1637 werd het stuk gearresteerd en verzonden[978].
[972] R. S.-G. 15 Mei 1637.
[973] R. S.-G. 6, 15 Mei, 19 Juni 1637.
[974] R. H. 19 Mei 1637.
[975] R. S.-G. 24 Juni 1637.
[976] Zie daarover hiervóor p. 264 vlg.--Dat de knoeierijen nog voortduurden, blijkt uit den brief van Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 24 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.
[977] Zie den brief in: L. D. 1637.--Hij is afgedrukt bij: Scheltema, Aemstels oudheid. III p. 226-28; de daarbij gevoegde inleiding behoort hier echter niet thuis.
[978] R. S.-G. 26 Juni 1637.
Christiaan IV liet zich met zoo onvoldoend antwoord niet tevreden stellen. Zijne pretensie werd ontkend; in plaats van voldoening waren hem zelven klachten te gemoet gevoerd. Hij besloot de Staten-Generaal met geweld te dwingen, om den grooten toeloop van walvischvaarders, die niet eens tot de Noordsche Compagnie behoorden, te verhinderen. In den zomer van 1638 verscheen kapitein Corvitz Vhlefeldt met drie Deensche oorlogschepen in de IJszee. Nog in volle zee ontmoette hij twee schepen van de kamer der Noordsche Compagnie te Amsterdam, genaamd de St. Pieter, kapitein Claes Melchiorsz., en de Eenhoorn, kapitein Adriaen Ollebrantsche (Hillebrantsz.?)[979], die in navolging hunner concurrenten daar met de walvischvangst bezig waren. De ontmoeting beloofde niets goeds. Immers de zeevisscherij zelve, tot nog toe alleen door mededingers der Noordsche Compagnie gedreven, was in de oogen van den Deen reeds een reden om de plegers te wantrouwen. Vhlefeldt dwong dan ook de bevelhebbers door eenige schoten met scherp dadelijk, hem hunne scheepspapieren te toonen. Hoe wel de schepen der compagnie, sinds jaren niet in hun vreedzaam bedrijf gehinderd en op niets dergelijks verdacht, de vereischte bescheiden niet bij zich hadden, schijnt het hun toch gelukt te zijn den Deen tevreden te stellen met de verzekering, dat zij Nederlanders waren en niets anders deden dan hun geoorloofd was. Tegen betaling van eene vergoeding van ƒ 10 voor elk gedaan schot liet Vhlefeldt hen gaan. Ongewoon als het echter toen nog was, de zeevisscherij door schepen der Noordsche Compagnie zelve te zien oefenen, schijnt het bedrijf der beide schepen den Deenschen kapitein toch nog altijd verdacht voorgekomen te zijn. Hij kon niet gelooven, dat de compagnie zelve de voordeelige kustvisscherij zou opgeven voor een bedrijf, dat tot nu toe alleen door hare mededingers gedreven was, en hij hield dus de beide schepen verder in het oog. En nauwelijks lieten zij het anker aan Fair foreland vallen, of hij legde beslag op schip en lading. Het was nu uitgemaakt, meende hij, dat zij door de visscherij aan Spitsbergen eene daad pleegden, die niet hun maar alleen de bevoorrechte compagnie bij uitzondering geoorloofd was. Het gelukte den Nederlanders ditmaal niet, Vhlefeldt van zijn ongelijk te overtuigen: een geheele maand bleven zij in arrest en eerst aan andere schepen der compagnie, die toen van de zaak kennis kregen, gelukte het de gevangenen in vrijheid te stellen. Daar het reeds ingeladen spek, onbereid als het was, gedurende het arrest meest gesmolten was, en de gelegenheid om dit verlies te herstellen hun door het langdurige oponthoud ontbrak, kwamen de beide schepen met groot verlies te Amsterdam aan[980].
[979] Eigenlijk zegt de Instructie der ambassade van 1639 (bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 632), dat het waren „twee Schepen van Amsterdam, toebehoorende aen de ~Bewinthebbers~ van de Noordtsche Compagnie.” Daar echter de N. C. zelve zich voor de schepen in de bres stelde, komt het mij voor, dat de woorden moeielijk anders verstaan kunnen worden dan ik in den tekst deed, te meer daar een inbreuk op het octrooi door de bewindhebbers zelven toch onwaarschijnlijk is.--De Denen beweerden, dat de schepen behoorden aan zekeren „Jochim Melchert,” die het verlof om naar Spitsbergen te varen en in de opene zee te visschen gekocht had van de bewindhebbers van de Amsterdamsche kamer der N. C. (Antw. v. Christ. IV dd. 7 Oct., in: Verbaal der ambass. v. 1639--Br. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.) Ik heb den oorsprong van dit verhaal niet kunnen opsporen. Zie de plechtige verklaring der Stn.-Gen. over de onwaarheid daarvan in hunnen brief aan Christiaan IV dd. 29 Mrt. 1639. (L D. 1639.)
[980] Het verhaal is ontleend aan de berichten in de: Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 29 Mrt. 1639, in: L. D. 1639, en in de: Instructie van de Staten Generael.... voor de Heeren.... Burgh.... ende Conders van Helpen, .... gaende in Ambassade aenden Coninck van Dennemarcken, dd. 14 Mei 1639.--Zie ook: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 629.
De handelwijze van den Deenschen koning schijnt door de Nederlanders geheel verkeerd begrepen te zijn. Terwijl het Christiaan IV alleen te doen was om de in die jaren door de Staten van Holland begunstigde, veelvuldige inbreuken op het octrooi der Noordsche Compagnie te weren en zoodoende de walvischvangst zijner onderdanen voor te groote concurrentie te beveiligen, meende de compagnie, dat Z. M. niets minder bedoeld had, dan van alle Nederlandsche walvischvaarders Deensche verlofpassen voor de visscherij aan Spitsbergen te eischen en dus ook de compagnie zelve in haar jarenlang ongestoord bezit der walvischvangst te storen[981]. Zij klaagde dan ook hevig bij de Staten-Generaal en dadelijk werd door dezen aan Van Cracouw geschreven, dat hij zorgen zou voor spoedige voldoening[982].
[981] R. S.-G. 9 Nov. 1638.--R. H. 3 Dec. 1638.--Instr. der ambass. v. 1639.--Aitzema, Saken v. Staet. II p. 538.
[982] R. S.-G. 18 Oct. 1638.
De onderhandelingen, door dezen met Christiaan IV gevoerd, leidden aanvankelijk tot een gunstig gevolg. Van Cracouw stelde twee eischen. Hij verzocht 1^{o}. reparatie van de schade, door Vhlefeldt aan de Nederlanders in hunne nering veroorzaakt, en 2^{o}. handhaving van het recht der Noordsche Compagnie uit kracht van hare ontdekking van Spitsbergen en haar jarenlang bezit der walvischvangst. Hoewel Z. M. dit laatste punt volstrekt niet wilde toegeven en volhield, dat zelfs het geven van den naam Spitsbergen eene usurpatie was, daar het land behoorde tot de »Gronländischen Vtscheren” en »Christiansbergen” heette, toonde hij zich evenwel tot eene schikking geneigd[983]. Op verzoek van den kanselier Reventlow, met wien de onderhandeling werd voortgezet, deed Van Cracouw dadelijk eenige voorslagen, om de walvischvangst der twee volken en de verdeeling van de traan tusschen hen te regelen, opdat alle oneenigheden in het vervolg voorkomen worden en beide partijen daardoor meer voordeel dan tot nog toe trekken zouden. Van Cracouw stelde voor op hoop van de goedkeuring der Noordsche Compagnie: 1^{o}. dat de twee volken overeen zouden komen om jaarlijks een bepaald getal schepen naar Spitsbergen te zenden in verhouding tot de krachten der wederzijdsche compagniën, 2^{o}. dat beiden zouden blijven binnen de grenzen van het nu door hen op het eiland bezeten gebied, of 3^{o}. dat de Deensche compagnie hare traan alleen in Denemarken zou invoeren, en dat haar dit land en »heel Oostlandt” (de landen aan de Oostzee) als débouché zou worden overgelaten; terwijl de Noordsche Compagnie de landen aan de Elbe, Weser en Eems benevens Nederland, Frankrijk en de overige zuidelijke en westelijke landen van traan zou voorzien. Op het eerste gezicht beviel deze regeling Christiaan IV wel; eerst na nader onderzoek van de verhouding der beide compagniën wenschte hij zich echter bepaald uit te laten. Wat de zaak van Vhlefeldt aanging, voorloopig beloofde Z. M. (9 November 1638) onderzoek te zullen doen naar het in den zomer aan Spitsbergen voorgevallene; reeds nu gaf hij aan Van Cracouw te kennen, dat het zijne bedoeling geheel niet was de Nederlanders hunne nu eenmaal gevestigde walvischvangst te beletten. Zijn verlangen was alleen, dat zij in hunne »gepürende schranken” blijven zouden, en hij was dan ook voornemens nieuwe vreemde indringers te weren. Mits de Nederlanders de Deensche walvischvaarders niet hinderden, wilde hij alles doen om de visscherij van beide natiën te bevestigen en te verzekeren. Inbreuken op zijne koninklijke rechten wenschte hij echter gestraft te zien[984].
[983] Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 18 Nov. 1638, in: L. D. 1638.
[984] Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 27 Nov. 1638, in: L. D. 1638, en de verklaring van 9 November, die als bijlage bij den brief van Van Cracouw dd. 18 November is gevoegd.
Op deze gunstige verklaring volgde echter niets. Van Cracouw wachtte maandenlang eene nadere beslissing, maar te vergeefs. En weldra bleek het, dat de zaken weder geheel van aanzien veranderd waren en er niets goeds meer van den koning te hopen was. Het onderzoek, dat Z. M. aan Van Cracouw beloofd had in de zaak van Vhlefeldt te zullen doen, schijnt ten nadeele der Nederlanders afgeloopen te zijn: de admiraliteit van Kopenhagen besliste 25 Februari 1639, dat Vhlefeldt geheel volgens zijne Instructie gehandeld had en dat daarentegen de Nederlanders door het bevrijden der twee gearresteerde schepen gehandeld hadden als »meyneedige schelmen,” die ’s konings jurisdictie geschonden hadden[985]. Christiaan IV, om politieke redenen weder minder vriendschappelijk dan vroeger jegens de Staten-Generaal gezind, nam de houding aan als wilde hij volgens dit vonnis handelen; er liep een gerucht, dat de sterke uitrusting, dit voorjaar in Denemarken gedaan, tegen de Nederlandsche walvischvaarders gericht was[986]. Dadelijk werden nu de sinds lang rustende onderhandelingen door Van Cracouw op verzoek der Noordsche Compagnie weder opgevat[987]. Weder stelde hij de oude eischen, schadevergoeding en verzekering voor het vervolg, maar de zaak vorderde ditmaal geheel niet. Van de Nederlandsche voorslagen tot regeling der visscherij werd niet meer gerept, en terwijl men den resident na langdurige onderhandelingen met den kanselier Fries tot het verkrijgen van schadevergoeding naar den aanstaanden Deenschen rijksdag en vandaar weder naar de justitie verwees, bleef de koning eene nieuwe schriftelijke verklaring van zijne goede bedoelingen jegens de Noordsche Compagnie weigeren met de verzekering, dat hij zich aan de nota van 9 November bleef houden. Toch was het moeielijk door dergelijke betuigingen gerustgesteld te worden, terwijl de Deensche regeering hardnekkig weigerde aan het goede recht der beide schepen te gelooven, terwijl de verhalen over de uitrusting van Deensche oorlogschepen toenamen[988], en terwijl er zelfs voor de Kopenhaagsche admiraliteit geprocedeerd werd tusschen Vhlefeldt en Johann Braem, nog steeds het hoofd der Deensche compagnie voor de walvischvangst, wie de oorzaak was geweest van het ontsnappen der schepen en dus de schade aan den vertoornden koning moest vergoeden. De meest tegenstrijdige geruchten waren te Kopenhagen in omloop. Terwijl de een verzekerde, dat de Noordsche Compagnie, voorzien van »een nieuw vast Octrooij bij alle de Provintien geconfirmeert”, hare uitrustingen zou moeten »besnijden” en eene overeenkomst met de Deensche compagnie treffen over de onderlinge verhouding harer uitrustingen[989], wisten anderen te verhalen, dat niets dan het verkrijgen eener recognitie het geheime doel van den Deenschen vorst was; alle moeielijkheden, meenden dezen, zouden plotseling eindigen, wanneer men hiervan slechts repte[990]. De ware bedoelingen van Christiaan IV bleven zoodoende een geheim, maar toch scheen er reden om ernstig ongerust te zijn.
[985] Aitzema, Saken v. Staet. II p. 629.
[986] Aitzema, Saken v. Staet. II p. 629.--Instr. der ambass. v. 1639.
[987] Zie over Van Cracouw’s onderhandelingen tot de aankomst der Nederlandsche ambassade: Missive v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 4, 11 Mrt., 14 Apr., 6 Juni 1639, in: L. D. 1639.--R. S.-G. 24, 29 Mrt. 1639.--R. H. 24, 25 Mrt. 1639.--Miss. v. de Stn.-Gen. aan Christ. IV en aan Van Cracouw dd. 29 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.
[988] Die verhalen bleken echter onjuist; lang schijnt men geweifeld te hebben, maar eindelijk bleven de schepen liggen. (Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt., 28, 31 Mei, 6 Juni 1639, in: L. D. 1639.) Nog den 9 Augustus waren zij niet vertrokken. (Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 9 Aug. 1639, in: Verbaal der ambassade van 1639.)
[989] Als reden daarvoor werd opgegeven, dat „de traen in reputatie gehouden” moest worden, en dat bij voortduring van concurrentie de beide compagniën „sich souden consumeeren” en de vaart op Spitsbergen te niet gaan. (Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.)
[990] Toch geloof ik niet, dat dit nu de bedoeling van Christiaan IV was. Uit allerlei omstandigheden blijkt dit overtuigend. Om iets te noemen: men beweerde, dat Vhlefeldt na het nemen der beide schepen aan alle Nederlandsche walvischvaarders eene generale insinuatie en protestatie had laten beteekenen, waarbij hij hun uit naam van den koning op hooge boeten verbood, voortaan zonder Deensche commissiën en verlofsbrieven aan Spitsbergen te verschijnen. (Miss. der Stn.-Gen. aan Chr. IV dd. 29 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.) Deze handeling werd te Kopenhagen dadelijk gedesavoueerd, als zonder last gedaan. (Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.) Misschien had de insinuatie van Vhlefeldt betrekking op de visscherij aan de Noordkaap, die altijd aan vreemdelingen verboden was. (Zie hiervóor p. 240 Noot 1{[861]}.) De Deensche oorlogschepen werden ten minste in volle zee op verren afstand van Spitsbergen het eerst gezien, en de kanselier Fries verklaarde bij deze gelegenheid uitdrukkelijk, dat zijn meester niet voornemens was de walvischvangst aan de Noordkaap zonder zijne paspoorten toe te staan, terwijl Van Cracouw daarbij opmerkte, dat Z. M. „sich scheen te asscribeeren Dominium Maris Septentrionalis ~Norvegici~.” (Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.)
Geen wonder dan ook, dat de Noordsche Compagnie op maatregelen bedacht was om zich te verdedigen. Herhaaldelijk had zij reeds op het laatst van 1638 bij de Staten-Generaal op bijstand aangedrongen. In den beginne had zij alleen verzocht om voorlichting, hoe zich den volgenden zomer jegens de Denen te gedragen[991]; maar toen de Staten daarop geen voldoend antwoord konden geven, had zij bepaalde maatregelen tegen hare vijanden geëischt. Zij wenschte de hernieuwing van het plakkaat van 1633 tegen de inbreuken op haar octrooi, verbod of zware belasting van den invoer van traan en baarden, eindelijk bijstand met een oorlogschip[992], »niet soo seer tot assistentie (want sy waren den Deenen wel ghewassen) als om te toonen, dat sy aldaer vischten met kennis ende authoriteyt van den Staet”[993]. De prins van Oranje, wiens advies was ingewonnen, had deze maatregelen wel goedgekeurd, maar toch geraden, voordat men tot geweld overging, den koning van Denemarken nog eens nadrukkelijk het recht der Vereenigde Provinciën op de visscherij bij Spitsbergen voor te dragen[994]. Dienovereenkomstig hadden de Staten reeds dadelijk besloten, de ambassade, die gereed stond naar Denemarken te vertrekken, van last over deze zaak te voorzien[995]. Onder den indruk der ongunstige berichten uit Denemarken werden nu deze resolutiën met kracht doorgezet. De Staten besloten de Noordsche Compagnie bij te staan met het gevraagde konvooischip, welks kapitein last kreeg de walvischvaarders overal tegen ieder, die ze lastigviel, wie het ook wezen mocht, te beschermen[996]. En zoodra de onderlinge twisten der provinciën het toelieten, werd ook de Instructie voor de ambassade naar Denemarken gearresteerd[997]. Burch en Coenders Van Helpen waren tot gezanten benoemd[998].
[991] R. S.-G. 2 Nov. 1638, 11 Mrt. 1639.
[992] R. S.-G. 2, 9 Nov. 1638, 11 Mrt. 1639.
[993] Aitzema, Saken v. Staet. II p. 629.
[994] R. S.-G. 9 Nov. 1638.--R. H. 20 Dec. 1638.
[995] R. S.-G. 16 Apr. 1639.--R. H. 17 Apr. 1639.
[996] R. S.-G. 11 Mrt., 23 Apr., 15, 18 Juni 1639.
[997] R. S.-G. 14 Mei 1639.--R. H. 12 Mei 1639.
[998] R. S.-G. 14 Mei 1639.--R. H. 15, 17 Apr., 16, 19, 23 Mei 1639.
Hunne Instructie behandelde de zaak, die ons bezig houdt, zeer uitvoerig. Na het verhaal van het met kapitein Vhlefeldt voorgevallene volgde de last om te bewerken: 1^{o}. dat de koning den Nederlandschen walvischvaarders geen overlast meer aandoen zou, 2^{o}. dat voortaan geen onderscheid gemaakt zou worden tusschen de leden der Noordsche Compagnie en andere Nederlandsche ingezetenen, hetzij zij octrooi hadden of niet, 3^{o}. dat het vonnis der Kopenhaagsche admiraliteit, dat »nul ende van geender waerden en was”, daar men de Noordsche Compagnie niet behoorlijk ter harer verdediging had opgeroepen, niet uitgevoerd en dus op de twee schepen, die het vorige jaar gearresteerd en nu gereed waren om met de andere weder uit te varen, geen wraak genomen worden zou, zooals het gerucht wilde dat men voornemens was. Mocht Z. M. geene ronde en afdoende verklaring willen geven, dat hij de Nederlandsche walvischvaarders voortaan ongehinderd zou laten, dan werd den gezanten aanbevolen, de zaak »wat ernstiger” aan te dringen door te wijzen op de ontdekking van Spitsbergen door Nederlanders, op de erkenning van hun recht door alle mededingers zelfs de Engelschen, en op het feit, dat de Denen zeer vele jaren[999] na de Nederlanders komende uit vriendschap door dezen op Spitsbergen waren toegelaten[1000].
[999] De juiste toedracht van het in 1615 en 1616 over de walvischvangst met Denemarken voorgevallene schijnt aan beide zijden vergeten geweest te zijn. De Nederlanders, meenende dat Spitsbergen in 1594 ontdekt was, beweerden, dat de Denen 23 jaar na hen op het eiland aangekomen waren (Instr. der ambass. v. 1639, bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 638 vgl. p. 442); terwijl de Denen van hunnen kant het over de souvereiniteitsrechten van Christiaan IV in 1615 en 1616 voorgevallene terugbrachten tot de komst van den eersten Deenschen ~walvischvaarder~ op Spitsbergen. (1617.) Zij verwezen dan ook naar eenen volgens hen in 1617 door Z. M. geschrevenen brief, als „van de welcke de reden sonderling soude dienen tot esclaressement ende decisie van dit geheele stuck.” (Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 9 Aug. 1639, in: Verbaal der ambass. v. 1639.) De Stn.-Gen. antwoordden echter, dat zich in hun archief zulk een brief niet bevond, maar dat zij een afschrift zonden van de missive van 18 Februari 1616. (Miss. v. de Stn.-Gen. aan de ambass. in Denem. dd. 26 Aug. 1639, in: L. D. 1639.)
[1000] „Instructie vande. . . Staten Generael. . . voor de Heeren . . . Burgh. . . ende . . . Conders van Helpen . . . gaende in Ambassade aenden Coninck van Dennemarcken” dd. 14 Mei 1639. (Ook afgedrukt bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 629 vlg.)
De voorbeeldeloos lompe behandeling, die deze ambassade van Christiaan IV had te verduren, verhinderde, dat deze last behoorlijk uitgevoerd werd. Den 16 Juli 1639 in Denemarken aangekomen, hadden de gezanten eerst 25 September gelegenheid om geheel volgens het eerste gedeelte hunner Instructie de klachten der Nederlandsche walvischvaarders aan Z. M. voor te houden. Den 7 October werd hun een antwoord gezonden, waarin de koning zijne verwondering betuigde, dat de Noordsche Compagnie, terwijl hij met zoo groote kosten de walvischvaarders op Spitsbergen beschermd en alle vreemden behalve de leden der compagnie van daar geweerd had, klaagde over eene handeling, die haar niet dan voordeelig kon zijn. De twee gearresteerde schepen toch, dus beweerde de vorst, behoorden niet aan de Noordsche Compagnie en hadden zelfs geene papieren bij zich gehad om hunne herkomst te bewijzen. Z. M. herhaalde de verklaring aan Van Cracouw gedaan, dat hij de compagnie volgens de oude gewoonte op Spitsbergen wilde toelaten, maar »der ferner unconditionnirter Fischfanck”, die tot nadeel van de compagnie en van de geheele. walvischvangst moest strekken, zou hij niet dulden, evenmin als de Staten-Generaal die zeker wilden begunstigen. Hadden de Nederlanders echter bezwaren tegen het vonnis der Kopenhaagsche admiraliteit, dan konden zij door beroep op den koning zelven spoedig eene beslissing verwachten. Alsof dit alles nog niet genoeg geweest ware om de Nederlanders teleur te stellen, werd de oude zaak van Johann Braem op nieuw opgerakeld en op voldoening aangedrongen.
Voordat de Nederlandsche ambassade een repliek gereed had, was Christiaan IV reeds weder vertrokken en de Staten-Generaal riepen hunne gezanten op het eerste bericht van hun wedervaren terug. (28 November 1639[1001].) In December ontvingen de Staten eene nadere verklaring van den koning, waarin hij echter over dit punt volkomen hetzelfde zeide als reeds aan de ambassadeurs in het kort geantwoord was[1002].
[1001] Zie over deze ambassade: Verbaal der ambassade van 1639, vooral ad 25 Sept., 7 Oct. 1639; ook: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 633-36.
[1002] Zie deze „naerder verklaringh” bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 636.