Geschiedenis der Noordsche Compagnie
Part 34
Terwijl alzoo Christiaan IV door zijne herhaalde verzoeken aan de Staten-Generaal evenmin als door gewelddadige handhaving der Basken een stap verder gekomen was tot zijn doel, de erkenning van zijne souvereiniteit over Spitsbergen door de Biscaaiers en vooral door Nederland, had Johann Braem zelf langs omwegen hetzelfde doel trachten te bereiken. Reeds in 1631 had hij aan de Noordsche Compagnie als een groot voordeel aangeboden, dat zij tegen vergoeding der door hem in 1623 geledene schade deel zou kunnen krijgen in het octrooi hem door den koning verleend, ja zelfs voor eene recognitie aan Denemarken de walvischvangst aan de Noordkaap zou mogen oefenen[944]. Het komt mij weinig twijfelachtig voor, dat met deze schoonschijnende aanbieding, zeker met voorkennis van Christiaan IV gedaan, niets anders bedoeld werd dan de compagnie tot eene daad te verlokken, waardoor zij minst genomen den schijn op zich zou laden, dat zij van den koning van Denemarken het recht op de walvischvangst tegen betaling verkregen had. De Staten-Generaal liepen in den strik; de Noordsche Compagnie weigerde echter kortaf[945]. Toen dus ook deze poging om het voorgestelde doel te bereiken vruchteloos gebleken was, beraamde Braem een tweede list. Den 26 Februari 1633 wendde zich een Amsterdamsche koopman, Pelt genaamd, een handelsvriend van Braem en waarschijnlijk voor deze zaak zijn compagnon[946], tot de Staten-Generaal met verzoek om een te Amsterdam voor Johann Braem tot de walvischvangst uitgerust schip naar Denemarken te mogen laten vertrekken[947]. Op advies der Amsterdamsche admiraliteit werd het verzoek echter afgeslagen[948] en weinige dagen later gingen de Staten zelfs op verzoek der Noordsche Compagnie over tot het arresteeren van een plakkaat tegen alle »directe ofte indirecte lorrendrayerien[949].” »Wij komen in ervaringe,” dus schreven de Staten-Generaal daarin, »dat deur toedoen van eenige ongeruste Menschen, de welvaert deser Vereenichde Landen benijdende, ghetracht wort de Walvisscherije, by directe ende indirecte wegen ende middelen, te contramineren, om de goede Ingesetenen deser Landen van de voorszeide Neeringe t’ ontsetten, ende de verwachte Vruchten selfs te genieten, poogende tot dien eynde in dese Vereenichde Provintien tot hen te trecken veele Inghesetenen ende Inwoonderen deser Landen, om by andere wegen als deur directie ende beleydt van de Noortsche Compagnie, binnen de Limiten van Nova Sembla tot Fretum Davits te varen, ende de Neeringe van Walvisschen ende andere Zee-Monsters te plegen, exerceren, ende de selve elders buyten dese Lande te diverteren. Ende dat oock vele onser Ingesetenen hun vervorderen soodanige diensten aen te nemen, andere daer toe te induceren ende helpen aennemen, ~mitsgaders in Uytheemsche Compagnien ende voyagien te participeren, ende de selve met hun middelen te helpen formeren~, streckende alle ’t selve tot groot naedeel van de voorszeide Compagnie, interest van de gemeene welvaert deser Landen, ende uyt-nemende groote schade van veele Ingesetenen van dien, daer uyt de voorszeide Compagnie is gheformeert, waer jegens nae behooren dient voorsien, ende alle mogelijcke ordre gestelt.” Op deze gronden verboden de Staten alle inwoners der Vereenigde Nederlanden 1^{o}. om in vreemde dienst ter walvischvangst uit te varen, 2^{o}. om Nederlandsche schepen te verhuren aan vreemde walvischvaarders, en 3^{o}. om aandeelen te nemen in vreemde compagniën voor de walvischvangst[950]. Toen de Staten hunne gedragslijn zoo openlijk hadden afgebakend, was er natuurlijk aan geen inwilligen van het verzoek van Pelt meer te denken. Hoewel dan ook niet alleen Johann Braem en de Nederlandsche resident in Denemarken Carel Van Cracouw, maar ook de koning zelf het verzoek nog dringend aanbevalen, stuitte ook deze toeleg om Nederlandsche walvischvaarders onder de Deensche vlag te scharen af op de besliste houding der Staten-Generaal. De aanbeveling van Van Cracouw werd voor kennisgeving aangenomen[951], Braem verwees men naar het plakkaat[952]; de booze brief van den koning eindelijk werd ter zijde gelegd als »niet geschreven in soodanige terme als syne Co. Ma. gewoon is aen hare Ho. Mo. te schryven.” Het stuk werd zelfs later teruggezonden met de vraag, »waerom datmen in dese den gewoonlicken styl was te buyten gegaen, ende hare Ho: Mo: niet gequalificeert (had) met den titul die deselve competeert[953].”
[944] R. S.-G. 26 Juli 1631.
[945] R. S.-G. 28 Juli 1631.--In 1626 schijnen eenige Nederlanders gewilliger geweest te zijn, maar de slechte uitslag der walvischvangst aan de Noordkaap heeft hen zeker van het doorzetten der zaak afgeschrikt. (Wassenaer, Hist. verh. XI fol. 131.)
[946] Vlg. den brief van Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 24 Mei 1639 (L. D. 1639) was Philips Pelt „factoor” van Braem te Amsterdam, en „wiert hy oock verdacht te sijn in Compagnie met Jan Braem weegen de walvischvangst.”
[947] R. S.-G. 26 Febr. 1633.
[948] R. S.-G. 7 Mrt. 1633.
[949] R. S.-G. 7, 11 Mrt. 1633.--R. H. verg. v. 16 Febr.-26 Mrt. 1633. p. 15.
[950] Gr. Placaetboeck. I p. 680-83.--Het plakkaat zal misschien bedoeld hebben, tegelijkertijd een einde te maken aan eenige handelingen van Nederlanders van geheel denzelfden aard met betrekking tot eene Fransche compagnie. Zie hierover meer in Hfdst. VIII.
[951] R. S.-G. 21 Apr., 3 Mei 1633.--Zie den brief (dd. 20/30 Mrt. 1633) in: Stn. N. C. v. d. Haarl. gedeput. R.-A.
[952] R. S.-G. 13 Apr. 1633.
[953] R. S.-G. 19 Apr. 1633.
Niettegenstaande de Staten-Generaal dus alle erkenning, hetzij ze zijdelings of direct verzocht werd, stoutweg durfden weigeren, trachtten zij toch gedurig te bewerken, dat men hen van verdere aanzoeken verschoonde. De voortdurende brommende vertoogen van Christiaan IV over zijne »Hoocheit ende Regalia” moede, wenschte men langs diplomatieken weg den koning van het impolitieke zijner handelwijze te overtuigen, toen het bleek dat de standvastige weigering hem het gekozene standpunt niet deed verlaten. Reeds dadelijk na de overeenkomst van 1625, waarbij het geschil met Braem aan het Hof van Holland was onderworpen, had de Noordsche Compagnie, daar het scheen, dat de zaak een goed einde zou nemen, van de gelegenheid gebruik gemaakt om er bij Christiaan IV op aan te dringen, dat hij alle reden tot dergelijke onaangenaamheden voor het vervolg zou voorkomen. Zij had den koning verzocht, om voortaan slechts aan zijne onderdanen paspoorten voor de visscherij bij Spitsbergen te willen uitreiken en wel onder beding, dat verkoop aan vreemden ongeoorloofd zou zijn[954]. Ofschoon dit verlangen zeker zeer billijk was, werd aan den Nederlandschen gezant Van Vosbergen, wien de zaak in handen gegeven was[955], door den koning geantwoord, dat de voorstelling door de Noordsche Compagnie van Braems handelingen gegeven geheel onjuist was. Zoo de Nederlanders mochten kunnen bewijzen, dat Braem zijn octrooi werkelijk verkocht had, wilde de koning hem »ten exemple van anderen sonder genade straffen[956].” De Noordsche Compagnie antwoordde op deze vordering door het overleggen van een afschrift van Braems contract met de Basken, waaruit de oneerlijke handelwijze van ’s konings beschermeling duidelijk bleek. De Staten-Generaal zonden dit stuk naar Kopenhagen met eene begeleidende missive, waarin zij nader op het ophouden van alle betrekkingen met de Biscaaiers en het intrekken van Braems octrooi aandrongen. Wij kunnen niet gelooven, dus schreven de Staten, »d’jntentie van uwe Con. Ma^{t}. te syn de Walvischerije ende neringe daer an dependerende uyt uwe Ma^{teyts} Coninckrijck te doen diverteren, strydende het selve jegens de fondamentale redenen ende de nature zelver van alle octroijen, daer toe streckende, omme de onderdanen selver ende niet vremde ende uytheemsche te gratificeren[957].” De koning moest zich met deze overtuigende bewijzen wel tevreden houden, maar aan het verzoek der Staten werd voorloopig niet voldaan. Waarschijnlijk heeft Braem »met sijne fauoriten” de zaak gesust. De onaangename toon, door Christiaan IV aangeslagen, belette verder geruimen tijd alle kalm overleg en jarenlang staakte men alle pogingen in dezen geest. Eerst de memorie, door de Noordsche Compagnie in 1631 aan de ambassadeurs Van Beveren, Oetgens van Waveren en Schaffer medegegeven[958], behandelde de politieke quaestie weder zeer uitvoerig. Het was eene geheime mededeeling, alleen ter instructie van de gezanten bij eventueele klachten bestemd, en laat ons dus een diepen blik in de politieke drijfveeren der twistende partijen slaan.
[954] R. S.-G. 26 Apr. 1625.
[955] R. S.-G. 13 Mei 1625.
[956] Miss. v. Vosberghen aan de Stn.-Gen. dd. 4/14 Juni 1625, in: L. D. 1625.--R. S.-G. 28 Juni 1625.
[957] Miss. v. de Stn.-Gen. aan Christiaan IV dd. 2 Jan. 1626, in: L. D. 1626.--R. S.-G. 2 Jan. 1626.
[958] Zie hiervóor p. 257 Noot 6{[917]}.
De Noordsche Compagnie begon met de handelwijze van Braem in deze zaak kortelijk te verhalen. Eerst had deze zijn octrooi aan de Biscaaiers verkocht en daardoor een lang en nadeelig proces met de Noordsche Compagnie moeten voeren. Daarna, toen hij zag dat zijn toeleg niet gelukte, had hij een nieuw octrooi van den koning verzocht met volmacht om de Basken daarin te mogen opnemen. Dit octrooi, schijnbaar aan Braem verleend, was in werkelijkheid alleen den Franschen voordeelig geweest, want Jean Vrolicq had tegelijkertijd een octrooi van Frankrijk gevraagd, en terwijl het zeker was, dat de Deensche onderdanen in de Fransche compagnie »niet eenen stuyver” aandeel hadden, kregen dezen alleen een zeker gedeelte van de vangst voor het verlof om op de Deensche passen te mogen varen.--Aan dit verhaal werden nu de gevolgtrekkingen vastgeknoopt, dat 1^{o}. door het vragen van een Fransch octrooi de souvereiniteit der Denen over Spitsbergen, waarop Christiaan IV zoozeer gesteld was, twijfelachtig gemaakt werd, en 2^{o}. dat door de slinksche streken van Johann Braem de nering der walvischvangst uit Denemarken werd overgebracht naar vreemde landen. Over dit laatste punt waren de bewindhebbers vooral uitvoerig. Uit het medegedeelde bleek voldoende, schreven zij, »met wat studie” de Basken, die vroeger meermalen verzocht hadden tegen recognitie door de Noordsche Compagnie op Spitsbergen te worden toegelaten,--een verzoek, steeds »om gewichtige redenen met beleeftheyt afgeslagen,”--»van tijdt tot tijdt hadden getracht hen selven in te dringen in de Visscherie om alsoo metter tijdt de andere natiën daer van te depossederen.” Het hoofdpunt der memorie bleef dan ook het betoog »hoe schaedelijck dat het soude wesen, niet alleen voor dese Landen, maer oock voor die van Denemarcken selven, het inruymen van de Biscayers, Francoisen, ofte andere Natien, in den Walvisch-vanckst op Spitzberghen: ende dat daer mede die gantsche neringe niet alleen uyt dese Landen, maer oock uyt Dennemarcken soude werden gediverteert, en in de andere Koninckrijcken ende Landen getransporteert”[959].
[959] Zie de memorie bij: Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1149.
Deze zoo behendig gestelde Instructie miste haar doel niet. Wel schijnt men den gezanten niet van de zaak gesproken te hebben, maar waarschijnlijk lieten zij het stuk in handen van den Nederlandschen resident Van Cracouw, die er weldra een nuttig gebruik van maakte. De onafhankelijke stelling in 1632 door Vrolicq aangenomen, die niet schroomde tegen de Denen, die hem op Spitsbergen binnengeleid hadden, uit kracht van zijn Fransch octrooi op te treden,--de ongelukkige uitslag der proefneming door Braem met andere Basken gewaagd, openden de oogen van den Deenschen vorst voor de onvermijdelijke gevolgen zijner handelwijze. Van die veranderde gezindheid maakte Van Cracouw dadelijk een behendig gebruik; de eerste gelegenheid greep hij aan, om den koning voor de redenen der Noordsche Compagnie te winnen. De »meededelinge” der paspoorten aan de Biscaaiers, dus betoogde Van Cracouw, was de eenige oorzaak van de onaangenaamheden tusschen Denemarken en Nederland. De Noordsche Compagnie had lange jaren aan de Denen op Spitsbergen »alle hulpe ende assistentie” verleend, en was nog bereid daarmede voort te gaan; maar de Basken, die nu met twee schepen gekomen waren en zeker in volgende jaren met hoe langer hoe grooter uitrusting Spitsbergen zouden bezoeken, wilde men niet toelaten, »alsoo sij bij alle weegen ende middelen sochten de Neeringe ende vischerie der Compaignie te ontrecken, niet alleene tot groote prejuditie ende Schade derseluer Compaignie maer oock tot Sijne Ma^{ts}. onderdanen selffs”[960]. Deze redeneering vond dadelijk een gunstig onthaal. Z. M. verzocht den resident bij gelegenheid eens nader over de zaak te spreken. Reeds die tweede audientie had door de behendigheid van Van Cracouw het gelukkige resultaat, dat de koning aan Braem verbood zijne paspoorten aan de Biscaaiers over te doen of met hen in compagnie te zijn. Z. M. besloot voortaan geene paspoorten voor de walvischvangst meer aan de Basken uit te geven en beloofde aan Van Cracouw, dat hij de reeds verleende zou intrekken[961]. Het belang der Deensche walvischvangst schijnt eindelijk de overhand behouden te hebben op ’s konings begeerte om zijn voorgewend recht erkend te zien, een recht, dat hem toch zeker minder voordeel zou opbrengen dan de handel zijner onderdanen zelf, wanneer het gelukte dien te doen bloeien.
[960] Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 26 Dec. 1632, in: L. D. 1633.
[961] Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 5 Febr. 1633, in: L. D. 1633.
Johann Braem bukte voor den bepaalden wil des konings; hij beloofde »de Basques te willen affsnijden ende met haer geen handel meer te hebben.” Weldra bracht hij aan Van Cracouw een bezoek en betuigde voortaan weder in »goede vrundtschap ende correspondentie” met de Noordsche Compagnie te willen leven; hij zou daartoe evenals vroeger met twee Deensche schepen naar Spitsbergen ter walvischvangst komen. Van de compagnie hoopte hij dan ook weder de toestemming te verkrijgen, om met die twee schepen in vrede naast de hare te mogen visschen[962]. De Noordsche Compagnie van hare zijde had zich reeds lang daartoe »ouerboodich” verklaard en alle moeite gedaan om zonder in iets toe te geven weder met Braem op goeden voet te komen. Met vreugde werd dus het verzoek begroet en zoo was de quaestie eindelijk in der minne geschikt[963].
[962] Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 20/30 Mrt. 1633, in: Stn. N. C. v. d. Haarl. gedeput. R.-A.
[963] Van Deensche zijde werd tevens beloofd, dat men moeite zou doen de intrekking van het Fransche octrooi te verkrijgen. (Miss. v. Van Cracouw dd. 5 Febr. 1633, in: L. D. 1633.) Spoedig werden echter pogingen aangewend, die met deze belofte streden. De Basken, eenmaal op Spitsbergen toegelaten, hadden zich niet laten verdrijven. Christiaan IV besloot toen, op nieuw te trachten, van hen zooveel voordeel te trekken als mogelijk was. Op het laatst van 1635 verscheen zijn natuurlijke zoon aan het Fransche hof en poogde te bewerken, dat de Basken, die op Spitsbergen voeren, van den koning van Denemarken paspoorten verzoeken en hem recognitie betalen zouden. De gezant der Staten, Pauw van Heemstede, werkte dit dadelijk tegen door het voordragen van het halfslachtige Nederlandsche sustenu: „dat die vaert ende visscherije op de voorszeide van nieuws ondeckte landen ende eijlanden vry ende niemant subiect is, behalven dat d’ eerste inventeurs ende ontdeckers by preferentie mogen ende behooren te genieten de plaetsen bij haer tot so grote costen ende periculen ondeckt ende bevischt.” (Miss. v. Pauw aan de Stn.-Gen. dd. 21 Dec. 1635, in: L. F. 1636.--R. S.-G. 4 Jan. 1636.) De zaak schijnt geen verder gevolg gehad te hebben, en eerlang staakten de Basken hunne tochten. (Verbaal der ambass. naar Denem. v. 1639 ad 7 October.)
Gedurende de eerstvolgende jaren na 1633 werd de walvischvangst tusschen de beide mogendheden niet besproken. De Deensche visscherij ontwikkelde zich langzamerhand en de Nederlanders dachten er niet aan, hunne bondgenooten in hun vreedzaam bedrijf te hinderen. Langzamerhand bedreigde echter een nieuw gevaar de goede verhouding der twee natiën. Ditmaal waren het de Nederlanders, die hoewel onwillekeurig aanleiding waren, dat Denemarken zich tot krachtige maatregelen verplicht rekende. Terwijl gedurende den geheelen tijd van haar bestaan de uitrustingen der Noordsche Compagnie nagenoeg even sterk schijnen gebleven te zijn, zag men kort na 1633 het getal der Nederlandsche schepen in de IJszee plotseling toenemen. Niet de Noordsche Compagnie gaf door grootere inspanning aanleiding tot die vermeerdering; concurrenten waren in Nederland zelf tegen de bevoorrechte vereeniging opgestaan. Niet alleen het altijd betrekkelijk kleine getal »interlopers”, niet alleen de sinds 1634 door acht concurreerende Hollandsche steden openlijk naar Spitsbergen gezondene schepen[964], vooral de op eenigen afstand van dit eiland gedrevene zeevisscherij deed het getal walvischvaarders klimmen. Deze vroeger nauwelijks opgemerkte en door de compagnie steeds geminachte concurrenten namen weldra zoozeer toe, de vangst in de volle zee bleek eerlang, toen de walvisschen de baaien meer en meer verlieten, zoo voordeelig, dat de compagnie zelve eenigszins bezorgd begon te worden. De koning van Denemarken, sinds 1631 reeds uit de Mauritius-baai verdreven, begon dan ook bevreesd te worden, dat de Nederlanders zijne onderdanen zouden overvleugelen en langzamerhand geheel verdringen. Hij besloot op afdoende wijze aan de zoo ras toenemende concurrentie een einde te maken. De macht daartoe zou hem niet ontbreken: »alleen in Vreede sittende, ende al de werelt in actie ende Oorlogen siende, dede hy wat hem beliefde, ende meende hem konde geen Zee te hoogh gaen”[965].
[964] Versl. v. d. Hrl. gedeput. v. de confer. met de N. C. (1^{e} confer. dd. 14 Febr. 1636), in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.
[965] Aitzema, Saken v. Staet. II p. 442.
Evenals de Noordsche Compagnie, bewerende dat de Denen slechts volgens haar goedvinden en door hare welwillendheid op het aan Nederland toebehoorende Spitsbergen vischten, wel eens te kennen had gegeven, dat zij ongaarne meer dan het van ouds gebruikelijke getal van twee Deensche schepen tot de visscherij zou toelaten[966], zoo had ook Christiaan IV uit kracht van zijne beweerde souvereiniteit reeds een paar maal verzocht, dat de Nederlanders niet meer dan eenige weinige schepen naar de Mauritius-baai zouden zenden, opdat zijne onderdanen niet binnen den kleinen omvang der baai in hunne walvischvangst gehinderd zouden worden[967]. Nu echter scheen het noodzakelijk dien eisch met kracht door te zetten, opdat niet ook de Robbenbaai voor de Denen gesloten zou worden. De Noordsche Compagnie had zich echter in de jaren, die sinds de quaestie met Braem verloopen waren, een goede en weinig hinderlijke nabuur getoond en Christiaan IV maakte dus geen bezwaar haar ook verder op Spitsbergen toe te laten. De groote vermeerdering der Nederlandsche walvischvaarders was niet van de compagnie uitgegaan, maar hoofdzakelijk van hare concurrenten, en aan dien ongeregelden toeloop van Nederlandsche visschers wenschte de koning paal en perk te stellen. Geen beter middel was er om dit doel te bereiken, dan om zijne souvereiniteitsrechten, die, tot nog toe alleen een middel tot geldafpersing, sinds dat streven nutteloos gebleken was bijna niet meer genoemd waren, op nieuw met nadruk op den voorgrond te stellen. Daartoe werd dan ook weldra besloten.
[966] Miss. v. Van Cracouw, dd. 5 Febr., 30 Mrt. 1633, in: L. D. 1633, en in: Stn. N. C. v. d. Haarl. gedeput. R.-A.--Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1150.--Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A., en: Protest der N. C. v. 1631, aldaar als bijl. D.
[967] Miss. v. Christ. IV aan de Stn.-Gen. dd. 28 juli 1624, 29 Jan. 1631, in: L. D. 1624, 1631.--Propos. v. Gunter, in: R. S.-G. 21 juli 1632.
Den 10 April 1637 ontvingen de Staten-Generaal eenen brief van Christiaan IV van 12 Februari, waarin hij aandrong op vermindering en regeling van de uitrustingen der Nederlanders op Spitsbergen, daar de Noordsche Compagnie meer schepen uitzond »als de plaets leedt”, en vooral daar schepen niet aan de compagnie behoorende te gelijk met de hare aankwamen. Z. M. beweerde, dat zijn uitsluitend recht op het eiland door alle natiën erkend was; hij meende, dat het eene slechte vergelding was voor het verlof, den Nederlandschen walvischvaarders boven anderen »by conniventie” en uit vriendschap verleend, dat men nu door de grootere uitrustingen de Denen belette hun bedrijf te oefenen, en hij eindigde met de verklaring, dat hij vertrouwde, dat de Staten-Generaal deze handelwijze zouden afkeuren en, voordat hij tot andere maatregelen overging, zorgen, dat er voortaan niet meer Nederlandsche schepen op Spitsbergen verschenen dan tot nog toe het geval geweest was[968].
[968] R. S.-G. 10 Apr. 1637.--Aitzema, Saken v. Staet. II p. 442.
De Staten-Generaal waren met dezen bepaalden eisch, die nog nooit met zooveel nadruk gesteld was, zeer verlegen. De resolutie op den brief des konings werd uitgesteld en de Noordsche Compagnie om inlichting gevraagd over de daarin besproken zaak[969]. Weldra kwam er bij de Staten-Generaal eene remonstrantie van de compagnie over den Deenschen eisch in[970]. Zij betoogde in dat stuk, dat de Nederlanders krachtens hunne ontdekking en gerust bezit sinds 1596 heeren van Spitsbergen waren geweest; dat de aanspraak der Denen op het eiland van 1617 dagteekende, toen de Noordsche Compagnie een Deensch schip uit vriendschap tot de walvischvangst had toegelaten, en dat het aan Denemarken toebehoorende Groenland een geheel ander land was dan het hier bedoelde Spitsbergen. Van hare zijde klaagde de compagnie nu, dat de Denen sinds 1617 langzamerhand het getal hunner schepen hadden vermeerderd en zoowel hierdoor als door het verkoopen der passen aan de Basken den Nederlandschen walvischvaarders veel schade hadden toegebracht; dat zij nu tegen de plakkaten der Staten-Generaal hunne uitrustingen in de Vereenigde Provinciën deden en ook hunne vangst daar verkochten tot groot nadeel der compagnie en als een blijkbare inbreuk op haar octrooi. In de hoofdgrief van den koning deelde de compagnie zelve volkomen: ook zij klaagde, dat vele schepen niet aan haar toebehoorende tegen het octrooi der Staten-Generaal aan Spitsbergen kwamen visschen en dat daardoor een voordeelige vangst onmogelijk werd. Op al deze gronden werd van de Staten-Generaal handhaving van het octrooi der Noordsche Compagnie, hernieuwing van het plakkaat van 1633 tegen de inbreuken daarop en verbod of zware belasting van den invoer van traan en baarden door vreemden verzocht[971].
[969] R. S.-G. 10 April 1637.
[970] R. S.-G. 15 Mei, 24 Juni 1637.--De inhoud der memorie is medegedeeld bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 442.
[971] Aitzema, Saken v. Staet. II p. 442.