Geschiedenis der Noordsche Compagnie

Part 33

Chapter 333,556 wordsPublic domain

Z. M. was zeer verontwaardigd, dus schreef hij, dat niettegenstaande de herhaalde beloften der Staten-Generaal toegelaten was, »das man Unsere hoheit uber die lande nicht allein streitig zu machen, Sondern so weit an ihnen gewesen, Vns gar zu entziehen sich unterstanden, Den die Compagnie in ihrer antwortt undt duplica aussdrücklich vorgebt, das sie die hoheit derselben den vereinigten Provintzen acquirirt[907].” Den 29 Januari en 21 Juni 1631 kwam Z. M. hierop terug en klaagde, dat de Noordsche Compagnie »ihre vorige vnbegründete einwürffe weittläufftig wiederholett, besondern auch seine vff seinem Landt Spizbergen habende hoheit vnnd bottmässigkeit fast mehr vnnd mehr in Zweiffell zuziehen vnnd disputirlich zu machen sich vnterstandenn.” Eerlang werd nu het eiland Spitsbergen »Christiansbergen”, de Mauritius-baai »Christianshaffen” verdoopt als bewijzen van het Deensche eigendomsrecht, en nadrukkelijk verzocht de koning de Staten-Generaal te verhoeden, »das seine hoheit über dieselbe Lande, da der Walfischfang geübet wird, in eintzig disputat gezogen werde[908].” In September 1631 kwam daarop een gezant met nieuwe klachten aan[909], en de Staten begrepen iets te moeten doen. Zij schreven dus aan den koning bij herhaling[910], dat »wat belanght de hoogheyt ende gerechtigheyt die sijn Majesteyt over de Landen van Groenlandt, ende andere quartieren om den Noort ghelegen souden mogen hebben, ofte pretendeeren, en is haer Hoogh Mog: meeninge ende intentie gansch niet dat alhier te Lande daer over sal werden gedisputeert, gelijck haer Ho: Mog: sulcks hier bevorens expresselijck hebben verbooden daer ’t behoort, al hoe wel het schijnt dat eenige gepoogt hebben, zijn Majesteyt contraerie opinie te doen suscipieeren, die nochtans met de waerheyt niet over een en komen, volgens dese haer Ho: Mog: ronde en sincere iterative verklaringe[911].”

[907] Miss. v. Christ. IV dd. 27 Mrt. 1630, in: L. D. 1630.

[908] Miss. v. Christ. IV dd. 29 Jan., 21 Juni 1631, in: L. D. 1631.

[909] Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1175.

[910] R. S.-G. 28 Juli, 4 Oct. 1631.

[911] Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1176.

Maar hierbij bleef het ook[912]. Men was minder dan ooit gezind ’s konings recht te erkennen en ook de eisch, dat de Staten aan Braem op de eene of andere wijze vergoeding zouden bezorgen, werd niet voor inwilliging vatbaar geoordeeld. Juist het herhaaldelijk bespreken van de souvereiniteitsrechten der Deensche kroon had het gevaar aangetoond om zich eene zaak als deze officiëel aan te trekken en de Staten waren dan ook vast besloten, dat zij als eene partikuliere quaestie met de Noordsche Compagnie zou afgehandeld worden. Daarop was dus de geheele gedragslijn der regeering ingericht. Braem wendde zich eindelijk tot de Noordsche Compagnie, maar na maanden onderhandelens was de zaak nog niet verder gekomen[913]. Een zeer heftige brief van den koning had ten gevolge, dat de quaestie toen nog eenmaal in handen van eene commissie uit de Staten-Generaal gesteld werd, maar ook daardoor vorderde men niet[914]. Eene laatste poging der Staten-Generaal om de zaak te schikken stuitte af op de onverzettelijkheid der Noordsche Compagnie, die niet van haar door het vonnis verkregen recht wilde wijken, al dreigde Christiaan IV ook met krasse maatregelen, al deed Johann Braem ook de verleidelijkste beloften[915]. Er schoot dus eindelijk voor de regeering niets anders over, dan aan Denemarken en aan de compagnie beiden definitief te schrijven, dat de quaestie eene partikuliere was en als zoodanig moest behandeld worden.

[912] R. S.-G. 10 Sept., 21 Oct. 1630.

[913] R. S.-G. 22 Mrt. 1631.--Miss. v. Christ. IV dd. 29 Jan. 1631, in: L. D. 1631.

[914] R. S.-G. 9, 19, 30 Apr., 12, 21, 22 Mei, 21 Juli 1631.--Miss. v. Christ. IV dd. 21 Juni 1631, in: L. D. 1631.

[915] R. S.-G. 26, 28 Juli 1631.

Aan de Noordsche Compagnie ontzeiden dus de Staten-Generaal hunnen steun, nu zij geweigerd had de pretensie van Braem voor eene kleine som geld af te koopen; den koning verzocht men, zich de zaak evenmin aan te trekken en de rechters te laten beslissen[916]. Geheel overeenkomstig met dit plan weigerden de Staten-Generaal ook in de Instructie van de ambassadeurs Van Beveren, Oetgens van Waveren en Schaffer, die in September 1631 naar Kopenhagen vertrokken, de redeneeringen der Noordsche Compagnie over deze quaestie op te nemen[917] en werd de Deensche gezant Claus Daa, die in dezelfde maand herwaarts kwam met last om bij de Staten over de zaak te klagen, onbevredigd weggezonden met eene verwijzing naar den Hoogen Raad[918]. Een tweede Deensche gezant, Gunter, die in 1632 te ’s-Gravenhage verscheen en op nieuw ernstige klachten deed hooren, verkreeg van de regeering evenmin iets meer dan een algemeen antwoord[919], en ook Gödert Braem, die in hetzelfde jaar herwaarts kwam om zijnen broeder Johann door onderhandelingen met de Noordsche Compagnie de verlangde schadevergoeding te bezorgen, moest onverrichter zake weder vertrekken[920].

[916] R. S.-G. 28 Juli 1631.

[917] R. S.-G. 20 Aug. 1631.--De Staten keurden het echter goed, dat de N. C. zelve de ambassadeurs van last voorzag. Zie de memorie, die van deze aanmaning het gevolg was, bij: Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1149. Vgl. hierna p. 267.

[918] R. S.-G. 19, 23 Sept., 4 Oct. 1631.--Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1175, 76.--Mauricius. Naleesingen over de Noordelijke Landen. (R.-A.)

[919] R. S.-G. 21 Juli, 30 Aug., 4, 6 Sept. 1632.

[920] R. S.-G. 13, 31 Mrt., 24 Juli 1632.--Miss. v. Christ. IV en v. G. Braem dd. 16 Jan., 13 Mrt. 1632, in: L. D. 1632.

Toen begreep Christiaan IV, dat hij een anderen weg moest inslaan. Het verkrijgen van schadevergoeding voor Johann Braem werd opgegeven; slechts een enkele maal werd er nu en dan in latere jaren van gesproken[921]. De zaak zelve was van weinig belang, nu de koning in plaats van door de schadevergoeding eene erkenning van zijne rechten te verkrijgen, door de Nederlanders integendeel zijne souvereiniteit bestreden zag. Maar de hoofdzaak, het binnenleiden der Basken op Spitsbergen, werd op nieuw het doel, waarnaar Christiaan IV streefde; en al wilde de Noordsche Compagnie haar ongelijk niet erkennen, de koning had besloten den tegenstand te breken.

[921] Verbalen der ambassaden naar Denemarken v. 1639 en 1641, ad 7 Oct. 1639, 11, 23 Juli, 19, 26 Sept. 1641.--In 1641 werd er zelfs van beide zijden over gesproken, dat de quaestie der restitutie in revisie op nieuw aan de Nederlandsche rechters zou worden voorgelegd. Daarvan schijnt echter niets gekomen te zijn.

In 1624 had de Deensche compagnie noch hare Baskische deelgenooten uit vrees voor verdere onaangenaamheden met de Nederlanders tot eene uitrusting durven besluiten[922]. Wel schijnt het volgende jaar Gödert Braem, Johanns broeder, op Spitsbergen geweest te zijn[923], maar terwijl het proces onbeslist was, kon het verblijf op Spitsbergen naast de machtige Nederlanders voor de Denen toch niet wenschelijk zijn. De vereeniging had zich ontbonden[924] en sinds 1625 was het eiland door Denen niet meer bezocht[925]. Toen echter het vonnis uitgesproken was en alle aanvragen om op andere wijze voldoening te krijgen vruchteloos waren, verleende Christiaan IV in 1630 aan Johann Braem een nieuw octrooi, waarbij het hem geoorloofd werd, met vijf of zes schepen in de Mauritius-baai te visschen. Onder die schepen zouden er twee uit Biscaaie mogen zijn[926]. Zoo was aan de Staten-Generaal elk voorwendsel ontnomen, om Braem van verkoop van octrooi of oneerlijkheid te beschuldigen: de koning zelf billijkte openlijk zijne compagnieschap met de Baskische reeders. Toch was de nieuwe knoeierij erger dan de eerste. Toen de Biscaaiers er aan begonnen te wanhopen om de verzochte schadevergoeding van Braem machtig te worden, had Jean Vrolicq, een zeekapitein in hunnen dienst, van den koning van Frankrijk octrooi verzocht om op Spitsbergen te mogen varen. Wel begrijpende, dat de Nederlanders de Franschen op hun eigen naam nog minder in de Mauritius-baai zouden toelaten dan onder Deensche vlag, schijnt hij echter met Johann Braem op nieuw een contract gesloten te hebben, waarbij deze beloofde te gelijk met de Basken eene uitrusting op Spitsbergen te zullen doen. Voor de hem door de Denen verleende vergunning en de te genieten bescherming zou Vrolicq aan Braem en zijne compagnie een zeker gedeelte van zijne vangst afstaan. De geheele compagnieschap was dus evenals de vorige slechts een bedekt middel om van de Franschen eene soort van recognitie te verkrijgen, en de Noordsche Compagnie had volkomen gelijk toen zij aanmerkte, dat »alhoewel het selve pas op naem van Braem van de Maj. van Denemarcken is verkreegen, soo is het eyghentlijcken ende in der daedt voor en tot behoef van de Biscayers”[927].

[922] Sent. v. h. Hof v. Holland dd. 29 Juni 1629.

[923] Miss. v. Christ. IV dd. 29 Jan. 1631, in: L. D. 1631.

[924] Scoresby, Account of the arctic regions. II p. 166.

[925] Miss. v. Christ. IV dd. 28 Dec. 1631, in: L. D. 1632.

[926] Memorie der N. C. v. 1631, bij: Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1149.

[927] Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1150.

In den zomer van 1631 verscheen nu Gödert Braem met een wel toegerust schip op Spitsbergen en weldra volgde Vrolicq met een klein scheepje uit Havre de Grace. Aanvankelijk scheen het geluk hen niet te begunstigen. Gedurende de jarenlange afwezigheid der Denen van Spitsbergen hadden de Nederlanders zich niet alleen meester gemaakt van het na het overhaast vertrek der Basken in 1623 achtergelaten gereedschap, maar ook langzamerhand het door hunne deelgenooten aan de Mauritius-baai gebruikte terrein in bezit genomen en met hunne schuren bezet. In de meening, dat de Denen niet terug zouden komen, hadden zij zelfs een fort ter verdediging daarbij gebouwd. Toen Gödert Braem dus in 1631 aankwam, vond hij zijne plaats grootendeels ingenomen[928]. Klachten baatten natuurlijk niet en hij koos dus met zijnen medgezel de Robbenbaai op het later naar de Denen genoemde eiland voor zijne vestiging[929]. Deze baai was wel is waar binnen het beweerde Nederlandsche gebied, maar toch op eenigen afstand van de Mauritius-baai gelegen, en er was geen het minste gevaar, dat beide natiën elkaar hinderen zouden. Toch waren de beide schepen daar nauwelijks met de walvischvangst begonnen, of de Nederlandsche commandeur naderde Braem, verzocht zijne paspoorten van den koning van Denemarken te zien en vroeg tevens of Vrolicq bij hem behoorde en door hem beschermd en gehandhaafd zou worden. Braem, reeds korzelig gestemd, antwoordde, dat hij niet verplicht was de eerste vraag te beantwoorden, en wat de tweede betrof verklaarde hij eenigszins ontwijkend, dat Vrolicq »son inthime amij” was en als zoodanig door hem behandeld zou worden. Vrolicq zelf weigerde na overleg met Braem zijne papieren te toonen. De Nederlandsche commandeur verbood hem toen te visschen en bedreigde hem met gewelddadige verhindering in zijn voornemen, maar toen Braem daarop dadelijk eenige kanonnen liet zien en zich gereed maakte Vrolicq te verdedigen, waren de Nederlanders toch te onzeker over de betrekking, die tusschen Denen en Franschen bestond, om het na al het over de gebeurtenis van 1623 voorgevallene tot geweld te durven laten komen. Zij hielden af en de beide schepen vischten verder gerust[930].

[928] Miss. v. Christ. IV aan de Stn.-Gen. dd. 28 Dec. 1631, in: L. D. 1632.--Propos. v. Gunter, in: R. S.-G. 21 Juli 1632.

[929] Toch waren er nog in 1634 Deensche vaten op het Amsterdamsche eiland. (Vander Brugge, Journael der Seven Matroosen. p. 29); het kaartje der Mauritius-baai in Van Keulen’s groote Zee-atlas (I p. 72) noemt daar zelfs nog een „Deensche Tent.” Denkelijk waren de Deensche bezittingen aan de Enkhuizensche kamer overgegaan, maar hadden zij den naam behouden. (Krt. v. de Maur.-b. in den Zee-atlas v. V. Keulen I p. 72, jcto. de beschr. daarvan ald.--Vgl. hiervóor p. 143.)

[930] Protest v. de bewindh. der N. C., als bijl. D achter hun req. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Zie ook de rescriptie der N. C. dd. 8 Apr. 1633 op het req. v. Vrolicq dd. 11 Mrt. 1633, onder de: Stn. v. d. Haarl. gedeput. N. C. R.-A.

Naar mijn inzien had de Noordsche Compagnie dan ook geen recht, om Braem of Vrolicq over hun gedrag lastig te vallen. De geheel toevallige omstandigheid, dat de beide schepen dit jaar niet in de Mauritius-baai maar in de Robbenbaai terecht kwamen, schijnt mij voor het recht der Denen beslissend. Het gebied der Nederlanders op Spitsbergen toch was wel niet, zooals Vrolicq later verklaarde, »soo onseecker als hare begeerlycheyt onmatich is, ende alle palen ende limiten te buyten gaende,” maar het kon toch niet ontkend worden, dat de Nederlanders, hoe klein het gedeelte van Spitsbergens kust, waarop zij aanspraak maakten, ook was, zich meer aanmatigden dan de geringe omvang hunner visscherij wettigde. Van de geheele uitgestrektheid van Fairhaven tot Maudlensound toch werd alleen de Mauritius-baai en het Amsterdamsche eiland door hen jaarlijks bezocht; bepaaldelijk in de Robbenbaai schijnen zij zich vóor 1631 niet vertoond te hebben[931]. En de beweerde overeenkomst met de Engelschen, waarbij hun de geheele noordwesthoek van Spitsbergen afgestaan heette te zijn, mocht tegen dezen als wapen gebezigd kunnen worden; de Denen noch eenig ander volk zouden zich zeker storen aan eene regeling, waardoor eene geheele uitgestrektheid lands, waar veel winst te behalen was, aan het verkeer onttrokken werd ter wille van eene natie, die misschien de noodige formaliteiten vervuld had, maar zeker de eigenlijk gezegde inbezitneming van verreweg het grootste gedeelte van het haar afgestane land achterwege gelaten had. Volkomen met hetzelfde recht als de Nederlanders zich indertijd nevens de Engelschen op door dezen niet gebruikte plaatsen gevestigd hadden, namen nu de Denen op hunne beurt weder van de eenzame Robbenbaai bezit. De toestand van onverdeeld gemeenschappelijk bezit der Mauritius-baai door Nederlanders en Denen nam dus een einde, maar terwijl de Nederlanders voortaan dien zeeboezem voor zich alleen behielden, hadden dan ook de Denen het recht in de door hen ingenomen Robbenbaai allen toe te laten, die zij wilden.

[931] Vrolicq althans verzekerde dit herhaaldelijk. (Zie o. a. zijn request aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1633, in: Stn. v. d. Haarl. gedeput. N. C. R.-A.) De N. C. ontkende het nooit bepaald, en de Stn.-Gen. beweerden slechts éen enkele maal, blijkbaar minder juist ingelicht, dat de N. C. de walvischvangst in de bedoelde baai niet alleen sinds lang had geoefend, maar zelfs daarvan had bezitgenomen „bactissant leur loges et dressans tout leur appareil necessaire.” (Antw. der Stn.-Gen. aan Baugy dd. 22 Juli 1634, in: L. F. 1634.)

Hoewel dus de verplaatsing der Deensche walvischvangst naar de Robbenbaai het gunstige gevolg scheen te zullen hebben, dat de koning in zijne plannen met de Basken bij beter recht ook meer kans van slagen hebben zou, was Christiaan IV echter niet geneigd zich zonder protest te laten verdringen. Weldra verscheen Gödert Braem in Den Haag met brieven van den koning, die klaagde, dat de Noordsche Compagnie zich niet ontzien had een groot gedeelte van de plaats »vff der von vnserm Königreich Norweg dependirenden Grönländischen Insull Christiansbergen, von anderen Spitzbergen genand,” waar de Denen van ouds gewoon waren te visschen, zich toe te eigenen en te bebouwen. Onder bedreiging met krachtige maatregelen verzocht de koning kort en goed »restitution und demolition[932].” De zaak werd nog nader aangedrongen[933], maar de Staten-Generaal gaven niet dan uitstellend antwoord en er kwam ook verder niets van eenige voldoening. Ook scheen dit onnoodig: de Deensche walvischvaarders vestigden zich voor goed in de Robbenbaai; zij hadden daar en misschien in het nabijgelegen Deensche gat even goede gelegenheid voor hun bedrijf als vroeger, zonder ooit met de Nederlanders te behoeven in aanraking te komen.

[932] Miss. v. Christ. IV aan de Stn.-Gen. dd. 28 Dec. 1631, in: L. D. 1632.--R. S.-G. 13 Mrt. 1632.

[933] Propos. v. Gunter, in: R. S.-G. 21 Juli 1632.--R. S.-G. 31 Mrt., 24 Juli 1632.

De gelegenheid om de Baskische walvischvaarders op Spitsbergen binnen te leiden scheen dus nu schooner dan ooit. Ongelukkig liet juist op dit oogenblik de ondankbare Vrolicq zijne beschermers in den steek. Hoewel hem in 1631 ongetwijfeld alleen door de tusschenkomst van Gödert Braem het verblijf in de Robbenbaai gegund was, schijnt hij gemeend te hebben, dat hij nu ook voortaan wel zonder van zijne daden rekenschap te geven op Spitsbergen zou kunnen verkeeren. Dadelijk na zijne terugkomst in Frankrijk verkondigde hij dan ook, dat de Nederlanders de Fransche paspoorten erkend hadden en hij maakte zich gereed zelfstandig op Spitsbergen te verschijnen. Wij zullen spoedig zien, dat zijne onafhankelijkheid hem ten minste aanvankelijk slecht bekwam[934]; voorloopig houden wij ons alleen met de Denen bezig.

[934] Zie hierover meer in Hfdst. VIII.

Johann Braem liet zich niet ontmoedigen: nu Vrolicq hem ontvallen was, knoopte hij dadelijk onderhandelingen met andere Franschen aan. Het gelukte hem werkelijk eenige Basken, wien de walvischvangst aan Spitsbergen door het uitsluitend octrooi, dat Richelieu aan Vrolicq verleend had, gesloten was, voor zijn plan te winnen en in den zomer van 1632 verschenen nevens Gödert Braem twee Biscaaische schepen, de »Pigeon blanc” kapitein Pierre Bathon[935] en de »Ste. Marie” kapitein Jean De Sigaroy in de Robbenbaai. Commandeur Jacob Jansz. Duynkercker, doortastender maar ook minder nauwgezet dan het vorige jaar, gelastte hun echter dadelijk te vertrekken. Braem schijnt zijne beschermelingen niet tegen den bepaalden wil der Nederlanders in de Robbenbaai te hebben kunnen handhaven en de Basken moesten voor de overmacht bukken en zich naar de Noordkaap begeven. Om zich te wreken wachtten zij echter daar het vertrek der Nederlandsche walvischvaarders van Jan Mayen-eiland af en zeilden toen daarheen. Den 31 Augustus 1632 landden zij, braken de verlatene schuren der Nederlanders open, roofden niet minder dan 600 quarteelen van de daar achtergelatene traan en meer dan 200,000 pond walvischbaarden. Ook gereedschappen tot de walvischvangst werden medegevoerd; wat niet draagbaar was werd vernield[936] en toen de schepen der Noordsche Compagnie in 1633 weder op het eiland aankwamen, begrootten zij de schade op veel meer dan ƒ 100,000. Van eenige Basken vernam men al spoedig, wie de daders waren[937].

[935] Ik kies dezen naam op goed geluk af uit de verschillende, die vermeld worden: Bathon, Balcon, Ratson en Piasion.

[936] Uit vrees voor eene herhaling van dergelijke aanvallen waren de Nederlandsche matrozen, die in 1633 op Spitsbergen en Jan Mayen-eiland overwinterden, dan ook zeer tegen de komst van Baskische schepen op hunne hoede. (Journ. der Seven Matroosen op Mauritius. p. 4.--Vander Brugge, Journael. p. 6.)

[937] Req. v. de N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Febr. 1634, ook: ald. bijl. K, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Rescr. der N. C. dd. 8 Apr. 1633 op het req. v. Vrolicq dd. 11 Mrt. 1633, in: Stn. N. C. v. d. Haarl. gedeput. R.-A.

Het was eene netelige zaak, waarover men van verschillende kanten en bij verschillende rechters klagen kon. De Nederlanders schijnen dan ook met de zaak verlegen geweest te zijn. Terwijl de Noordsche Compagnie volhield, de toegebrachte schade als van Baskischen oorsprong te schrijven op rekening der Fransche compagnie voor de walvischvangst, die natuurlijk tegen de daders even vijandig gezind was als zij zelve[938], klaagde zij toch bij de Staten-Generaal over de »molestie”, hun door de Denen op Spitsbergen aangedaan door het herhaalde invoeren van Fransche walvischvaarders[939]. Tevens verzocht zij met nadruk, om door de Staten »by haer recht ende octroy gemainteneert te worden[940].” De Staten zeiden der compagnie wel hunne bescherming toe[941], maar durfden bij Christiaan IV, met wien men juist bezig was over eene schikking te onderhandelen, niet te klagen uit vrees voor nieuwe moeielijkheden. De koning van zijne zijde wilde niet spreken van den inbreuk, op zijn recht gemaakt door de weigering van toelating der Basken uit vrees voor eischen tot vergoeding der door hen aangerichte schade. Blijkbaar was ook Z. M. met de zaak verlegen. Hij sprak Van Cracouw een enkele maal daarover aan, en vroeg zeer naïef: »waer wil dat eijntelick heen?” Maar toen de Nederlandsche resident hem op de verkeerde gevolgen van Braems knoeierijen met de Basken wees, liet hij zich toch weldra tot eene betere regeling voor het vervolg vinden[942]. Een eisch tot vergoeding der geledene schade werd eerst in 1641, toen de juiste toedracht der zaak vergeten was, in zeer overdrevene termen aan de Nederlandsche ambassadeurs op de conferentie te Staden gedaan. Weder werd de zaak zóo voorgesteld, alsof de Noordsche Compagnie Gödert Braem zelven van Spitsbergen verjaagd had, en met veel ophef werd weder gewaagd van de »hergebrachte gerechticheyt ratione proprietatis et dominij” van Denemarken over de zeeën, »die van Norwegen ende Groenlant dependeren.” Ook over deze grief verwees men echter de Denen naar de gewone rechters[943], en van de zaak, die zoolang gerust had, werd niet verder gesproken.

[938] Dupl. v. Vrolicq dd. 15 Apr. 1633 op de rescr. der N. C. dd. 8 Apr. 1633, in: Stn. N. C. v. d. Haarl. gedeput. R.-A.

[939] R. S.-G. 18 Jan. 1633.

[940] R. S.-G. 21 Jan., 10 Febr. 1633.

[941] R. S.-G. 18 Jan., 10 Febr. 1633.

[942] Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 26 Dec. 1632, 5 Febr. 1633, in: L. D. 1633,--en dd. 20/30 Mrt. 1633, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.

[943] Verbaal der ambass. v. 1641 ad 16/26 Sept. 1641.