Geschiedenis der Noordsche Compagnie
Part 32
[882] Christiaan IV verklaarde in 1625 aan den Nederlandschen gezant Vosberghen, „dat hy geen paspoorten op Spitsbergen hadde gegeven als alleen aan eenen Braem, ende aen nyemant meer geven soude.” (Miss. v. Vosberghen aan de Stn.-Gen. dd. 4/14 Juni 1625, in: L. D. 1625.)
[883] De eilanden Tromsondt en Suröe liggen bij Hammerfest.
[884] Deze plaats ligt volgens oude Nederlandsche kaarten aan den mond der rivier, waaraan St. Jean de Luz ligt, juist tegenover deze stad; op nieuwe kaarten vind ik den naam niet.
[885] Het verhaal dezer gebeurtenis is hoofdzakelijk ontleend aan het vonnis van het Hof van Holland dd. 29 Juni 1629. (R.-A.) Enkele kleine trekken zijn er uit hier en daar verspreide berichten bijgevoegd.--Zie o. a. Wassenaer, Hist. verh. V fol. 157 en de brieven van Fanne, Catcher en Goodlard, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 786-38. (Catcher wantrouwde de Biscaaiers en schreef: „I know the Captaines will what he would haue done in it. I hold it not fit that they should harbour there,” d. i. in Greenharbour.)
Daarmede was eene quaestie ontstaan, die gedurende tien volle jaren de Staten voortdurend tot last zou zijn, en waarover nog bijna twintig jaar na het plegen van het feit nu en dan geklaagd worden zou. Wat was de reden, dat over zulk eene kleinigheid zoolang onderhandeld werd? Het komt mij voor, dat er in deze zaak meer gezocht moet worden, dan er bij oppervlakkige beschouwing in ligt. Ik zal trachten mijne uit enkele verspreide aanwijzingen opgemaakte meening duidelijk te maken.
De koning van Denemarken, wiens pretensie op de souvereiniteit over Spitsbergen wel nergens erkend, maar daarom niet opgegeven was, had de handelwijze van Braem niet ongaarne gezien. Het was met zijne toestemming, dat de Basken in de Deensche compagnie waren opgenomen. De walvischvangst zijner onderdanen was van weinig belang. Sinds 1617 was het getal der Deensche schepen, die op Spitsbergen kwamen, bijna niet toegenomen: het octrooi van Braems compagnie, die de eenige reederij ter walvischvangst was en blijven moest, verleende hem slechts verlof om met drie schepen daarop uit te gaan. En nu bleek het bovendien, dat Braem zelf de winsten, die de visscherij hem beloofd had, na eene proefneming geringschatte. Wat wonder was het dan, dat Christiaan IV het voordeeliger oordeelde, dat zijne reeds in 1616 op den voorgrond gestelde rechten door vreemde natiën erkend werden, dan dat de walvischvangst zijner onderdanen een kwijnend bestaan voortsleepte en aan éene compagnie karige winst verschafte? In het door Braem beraamde contract meende de koning nu een uitnemend middel te hebben om dit grootere voordeel te verkrijgen. De Baskische reeders zouden visschen op naam van Braem en op gezag van Deensche paspoorten; een gedeelte van den opbrengst der vangst zou schijnbaar als aandeel in de winst, eigenlijk als koopprijs, misschien als belasting aan de Deensche compagnie worden uitgekeerd. Het plan was niet slecht bedacht en had kans van slagen. Op eene weigering van toelating door de Nederlanders was echter volstrekt niet gerekend; dit blijkt genoegzaam uit de onvoldoende bewijsstukken, die men den Basken naar Spitsbergen medegaf. Toch was de handelwijze der Noordsche Compagnie zeer redelijk. Sinds jaren in het bezit van de Mauritius-baai, die daarnaar zelfs den naam van Hollandsche baai gekregen had, eerlang door de Engelschen niet meer in dat bezit gehinderd, was het reeds veel, dat zij in die beperkte ruimte nog de Denen mede tot de walvischvangst had toegelaten. Naar het schijnt was die toelating dan ook alleen geschied als »een Accommodatie uyt Nabuyrlycke Vruntschap” en onder eene beperking, wat het aantal schepen betrof[886]. Het was nu eindelijk wat veel gevergd, dat zij tot de walvischvangst, die toenmaals uit haren aard niet in de volle zee kon geoefend worden, nog andere natiën zou toelaten, terwijl het geheele overige gedeelte van het eiland toch voor de weinige schepen der Engelschen niet noodig was. Ook al bleek het, dat de indringers op naam en gezag van de met de Nederlanders bevriende Denen kwamen, dan nog was het niet twijfelachtig, dat Braem misbruik maakte van de goedheid der Noordsche Compagnie[887],--een misbruik, waartegen deze recht had te waken. Uit een zuiver juridiek oogpunt beschouwd komt het mij zelfs voor, dat de Noordsche Compagnie recht had tot wat zij deed. Terwijl in haren strijd met Engeland de vrijheid der zee haar hoofdargument geweest was,--al werd de ontdekking van Spitsbergen te dikwijls vermeld om aan de vrijzinnigheid der compagnie in veranderde omstandigheden te gelooven,--werd in de Deensche onaangenaamheden de quaestie der vrije zee door geen van beide partijen aangeroerd. Beiden kenden zich op even onhoudbare gronden[888] de souvereiniteit over geheel Spitsbergen toe, maar beiden namen ook zonder gronden voor hunne bewering op te geven, eenstemmig hun gemeenschappelijk, alle andere natiën uitsluitend bezit van de Mauritius-baai aan. En die bewering schijnt mij volkomen juist. Al hadden de Nederlanders ook de Denen alleen uit vriendschap en »provisioneel” verlof gegeven om nevens hen te visschen; zulk een verlof, verleend in eenen tijd toen niemand hun uitsluitend recht op de Mauritius-baai erkende, ja toen zij zelven daarop misschien nog geen aanspraak maakten, kon niet herroepen worden, toen de Denen door jarenlange visscherij, door inbezitneming en omheining van den grond, door vestiging eindelijk nevens de Nederlanders op de aan niemand toebehoorende plaats een even goed recht hadden verkregen als dezen, die alleen de oudheid van het hunne boven de Denen voorhadden. De meening, dat de Mauritius-baai uitsluitend aan de Nederlanders en Denen behoorde, werd destijds algemeen gedeeld, zooals blijkt uit het feit, dat noch de Denen noch de Basken zelven gedurende verscheidene jaren er ooit in ernst aan schijnen gedacht te hebben, dat deze laatsten daar krachtens een eigen recht zouden mogen visschen. De handelwijze der Noordsche Compagnie tegen de Basken was dan ook volgens de Denen zelven alleen in strijd met de beweerde souvereiniteit van Christiaan IV over Spitsbergen; werd die niet erkend, dan hadden de Nederlanders het recht allen behalve de Denen uit de Mauritius-baai te weren. Ook Christiaan IV beschouwde de zaak zoo. Hij beweerde, dat het verdrijven der Basken een inbreuk op zijne kroonrechten was, dat hem de souvereiniteit over Spitsbergen toekwam en dat dit recht door de Noordsche Compagnie geschonden was.
[886] Memorie der N. C. van 1631, bij: Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1150.
[887] Een „voornaem heer in Denemarcken” zou dan ook volgens de N. C. in 1632 gezegd hebben: „Laett de Hollanders hett kindeken Jesum gaen soecken, wan sij hett geuonden hebben, soo willen wij het oock gaen aenbeden.” (Rescr. der N. C. c. Vrolicq dd. 3 Mei 1633, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.) Het kan niet ontkend worden, dat deze beschouwing juist was, maar of de Nederlanders recht tot klagen hadden, terwijl op hunne verhouding met Engeland het gezegde van den Deen nog veel beter paste, schijnt minst genomen twijfelachtig.
[888] Zie over het sustenu der Nederlanders, berustende op de ontdekking van Spitsbergen: hiervóor p. 221,--over de Deensche beweringen betreffende Groenland: hiervóor p. 236.
Deze aanmatigende houding, die de Deensche koning gedurende den geheelen loop der zaak bleef aannemen, had meer dan een reden. Hij had de handelwijze van Braem goedgekeurd en moest dus nu zijnen onderdaan beschermen. Maar bovendien, wilde hij door de Basken zijne souvereiniteit erkend zien, dan was het zaak, die ook tegenover de Nederlanders te handhaven, en te toonen, dat dezen, die niet schroomden zich op hunne ontdekking van Spitsbergen te beroepen, niet straffeloos de maatregelen door den koning van Denemarken genomen konden verijdelen. Juist naar het tegenovergestelde doel streefden de Staten-Generaal. Zij wilden alles vermijden, wat aan de zaak het karakter van eene politieke quaestie kon geven; dreigde een enkele maal dit gevaar van nabij, dan drongen zij bij de Noordsche Compagnie steeds ernstig op eene minnelijke schikking aan. Deze eindelijk volgde als derde betrokkene partij nagenoeg dezelfde gedragslijn als de Nederlandsche regeering, maar zij trad minder omzichtig op. In het bewustzijn van hare macht en van haar recht was zij steeds onverzettelijk in haren wensch om de zaak door den gewonen rechter afgedaan te zien. Ook al dreigden politieke verwikkelingen haar, zij bleef volhouden en weigerde hardnekkig iedere schikking. Gaan wij nu zoo kort mogelijk den loop der zaak na.
De Baskische reeders wendden zich natuurlijk tot Johann Braem, die hun zijn recht had overgedaan, en deze klaagde dadelijk aan den koning van Denemarken, dat de Nederlanders zijne paspoorten niet hadden geëerbiedigd en zijnen onderdanen het visschen op Spitsbergen hadden willen verhinderen. Braem begrootte zijne schade op ƒ 135.000 en verzocht daarvan vergoeding.
Niet lang duurde het, of de Staten-Generaal kregen kennis van het gebeurde. Reeds den 2 November 1623 ontvingen zij uit Elseneur bericht van ’s konings woede[889], een bericht weldra (15 December) door eenen brief van Z. M. zelven gevolgd[890]. Van alle kanten kwamen de klachten in; de eene mededeeling over het misnoegen van den koning volgde de andere[891], men dreigde zelfs met represaille-maatregelen in den Sond[892]. Van Deensche zijde werd erkend, dat Braem met goedvinden van den koning de Baskische reeders in zijne compagnie had opgenomen, maar tevens bepaald ontkend, dat de schepen op Spitsbergen geen pas van Denemarken hadden medegebracht. Men stelde het tevens zoo voor, alsof de Nederlandsche commandeur in voor den koning van Denemarken beleedigende bewoordingen de ~Denen~ niet tot de walvischvangst had willen toelaten; terwijl hij verklaard zou hebben, dat slechts zij, die van de Noordsche Compagnie verlof hadden bekomen, recht hadden op Spitsbergen hun bedrijf te oefenen. De voorslag, door de Staten-Generaal dadelijk gedaan, om te zorgen voor eene billijke behandeling van Braem, wanneer hij zich aan de Nederlandsche rechters wilde onderwerpen, werd dan ook dadelijk door Christiaan IV van de hand gewezen. Z. M. meende, dat dit eene quaestie was, »darahn seine Königl. hoheit (over Spitsbergen) mit Interessirt,” die hij volstrekt niet wilde opgeven. Van een gewoon proces kon dus zoowel om deze reden, als omdat hij »wegen allerhande weitleuffigkeiten” een ongunstigen afloop vreesde, geen sprake zijn. De koning stelde integendeel den eisch, dat de zaak door commissarissen uit de Staten-Generaal »summarie absque strepitu judicii” zou worden afgedaan. Voor het vervolg wenschte Z. M., dat de Noordsche Compagnie niet meer dan twee of drie schepen naar Spitsbergen zou zenden; hij van zijne zijde beloofde, dat de Denen er ook slechts drie of vier zouden uitrusten, »damit nicht etwa durch menge der Schiffe der fang gehindert vnnd beide theile darüber verkürzet werden[893].”
[889] R. S.-G. 2 Nov. 1623.
[890] R. S.-G. 15 Dec. 1623.
[891] R. S.-G. 20 Jan., 10 Apr., 30 Mei 1624.
[892] Miss. v. Christ. IV aan de Stn.-Gen. dd. 28 Juli 1624, in: L. D. 1624.--R. S.-G. 20 Jan. 1624.
[893] Miss. van Christ. IV aan de Stn.-Gen. dd. 28 Juli 1624.--R. S.-G. 24 Oct. 1624.
De Staten-Generaal namen de zaak dadelijk ijverig ter hand. Zij zonden een nauwkeurig verhaal van het gebeurde naar Denemarken en boden hunne hulp aan om het geschil ten einde te brengen[894]. Maar tevens beraadslaagde men, om de Noordsche Compagnie »ten regarde van de Denen off andere Natien” door een konvooi van drie oorlogschepen te beschermen[895]. In afwachting van eene beslissing van den koning werd er verder eene commissie uit de Staten-Generaal benoemd, die echter natuurlijk na maandenlange conferentiën met de bewindhebbers der Noordsche Compagnie de zaak niet verder bracht, en zoo bleven de zaken slepen. Eindelijk verscheen 1 Juni 1624 Dr. Cornelis Vinck, agent van Denemarken, in de vergadering der Staten-Generaal en verklaarde last te hebben om over de zaak te onderhandelen. Na eindelooze conferentiën met de Staten-Generaal, die meer woorden dan daden gaven, en met de bewindhebbers, die hardnekkig op hun stuk bleven staan[896], gelukte het dezen eindelijk eene schikking te treffen. De Denen hadden iets toegegeven en de zaak werd ter beslissing in handen van het Hof van Holland gesteld. (1 Maart 1625.)[897]
[894] R. S.-G. 11, 25 Nov. 1623, 20, 25 Jan. 1624.
[895] Daartoe kwam het echter, niettegenstaande den aandrang van Z.Exc., niet. (R. S.-G. 14, 16 Mrt., 23 Apr. 1624.)
[896] R. S.-G. 10 Apr., 1, 28, 29 Juni, 24, 25 Oct. 1624.--Aitzema, Saken v. Staet. I p. 355.
[897] R. S.-G. 25 Oct., 29 Nov., 7, 21, 28 Dec. 1624, 18 Jan., 3, 17 Febr., 1 Mrt. 1625.--Reeds bij deze resolutie werd bepaald, hoe ingeval van appèl te handelen.
Men meende een middel gevonden te hebben, om de rechtszaak met verwijdering der politieke quaestie door de gewone rechters te doen behandelen. Van weerszijden kwam men overeen, het geschil over de souvereiniteit van Spitsbergen te laten rusten en de zaak te behandelen als hadden beide partijen door hunne jarenlange visscherij in de Mauritius-baai gelijke rechten op het bezit dier zeeboezem verkregen. Op dien grond klaagden nu de Denen over het niet toelaten hunner schepen. Van Nederlandsche zijde werd toen echter dadelijk geantwoord, dat de vreemde schepen, die in den zomer van 1623 op Spitsbergen verschenen waren, van geen enkel geldig bewijs voorzien waren, dat zij uit naam van Denemarken kwamen, en dat dus de Nederlandsche commandeur het recht van Denemarken in geen geval moedwillig aangetast had. De Denen ontkenden dit en beweerden, dat de koning aan Johann Braem een octrooi en paspoort gegeven had om aan Spitsbergen te visschen. Terwijl de Noordsche Compagnie dit feit niet tegensprak, beschuldigde zij echter Braem, dat hij dien pas aan eenige Baskische reeders verkocht had. De uitspraak over beide quaestiën was beslissend voor Braems eisch tot schadevergoeding. Was de eerste bewering der Noordsche Compagnie waar, dan had de eischer door zijne nalatigheid zijn recht verbeurd en hadden de Nederlanders gehandeld zonder het gewicht hunner daad te kunnen beseffen; werd de tweede beschuldiging juist bevonden, dan had Braem eene met het sustenu van gelijke uitsluitende rechten voor Nederland en Denemarken strijdige handeling gepleegd en was dus tegenover beide natiën schuldig.
Ik ben na eene aandachtige studie der nog voorhanden gegevens tot de overtuiging gekomen, voor zoover het mogelijk is eene overtuiging over deze zaak uit te spreken, dat de Noordsche Compagnie in beide beweringen gelijk had. De Basken schijnen werkelijk, hoe zonderling het schijne, het octrooi, dat aan Braem volmacht verleende om bij Spitsbergen te visschen, en een bewijs, dat deze hun zijn recht overgedragen had, niet bij zich gehad te hebben[898]. Wat den verkoop van het octrooi door Braem betreft, het is moeielijk zonder het contract zelf gezien te hebben een oordeel te vellen. Het komt mij echter voor, dat de compagnie in het wezen der zaak het recht aan hare zijde had. Bij herhaling verklaarden de Denen wel, dat de bewering der Nederlanders onwaar was en dat Braem den Basken slechts een aandeel in zijne compagnie had gegeven, maar deze verklaring schijnt meer naar de letter dan naar den geest juist geweest te zijn. Braem had met de Basken een contract van compagnieschap gesloten, waarbij hij voor zich een aandeel in de vangst bedong en zich daarentegen verbond de Basken vrij te laten visschen. Reeds de eerste uitrusting bewees echter, wat dit contract bedoelde. Terwijl het Deensche octrooi aan Braem verlof gaf om drie schepen naar Spitsbergen te zenden, kwamen daar de Basken toen met twee schepen; terwijl het derde, te Kopenhagen (of volgens de Nederlanders te Hoorn) bevracht met »coolen tot het branden van den traen noodich”, de beide andere op hunne terugreis aan de Noordkaap zou opwachten. Feitelijk trokken de Basken dus het voordeel van het octrooi, terwijl Braem hun zijnen naam en zijne hulp voor geld leende. Het contract tusschen beide gesloten was dan ook van dien aard, dat Christiaan IV, die zijnen onderdaan steeds tegen de beschuldiging van verkoop verdedigd had, na de toezending van een afschrift van het stuk uit Den Haag niet meer van de zaak repte[899].--Wanneer men dus eenmaal aannam, dat de Mauritius-baai aan Denemarken en Nederland gezamenlijk behoorde,--en dat dit algemeen het geval was, blijkt uit de geheele geheime knoeierij van Braem met de Basken,--dan komt het mij niet twijfelachtig voor, dat de veroordeeling van Braem door de Nederlandsche rechters onmiddellijk volgen moest.
[898] Zie over deze zaak o. a.: Sent. v. h. Hof v. Holland dd. 29 Juni 1629.--Miss. v. Christ. IV dd. 28 Juli 1624, 27 Mrt. 1630, in: L. D. 1624, 1630.--Memorie der N. C. v. 1631, bij: Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1149.
[899] Zie de beweringen van beide partijen hierover in het vonnis van het Hof v. Holland dd. 29 Juni 1629.--Vgl. ook den brief v. Christ. IV dd. 27 Mrt. 1630, en de brieven v. Vosberghen en v. de Stn.-Gen. dd. 4/14 Juni 1625, 2 Jan. 1626, in: L. D. 1625-30.
Zoo spoedig gebeurde dit echter niet; de politieke zijde der quaestie, die toch altijd bedenkelijk was, belemmerde waarschijnlijk de vrije handeling der rechters, en de Noordsche Compagnie zelve deed haar best om de zaak op de lange baan te schuiven. Reeds anderhalf jaar had het proces geduurd en nog steeds was er geen einde aan te zien: het Hof talmde voortdurend met zijne beslissing. Toen oordeelden de Staten-Generaal, door den Deenschen gezant Thomasius aangemaand en ziende, dat de quaestie over de souvereiniteit van Spitsbergen tegen de afspraak herhaaldelijk in het debat gemengd werd, dat het wenschelijk was nogmaals eene poging aan te wenden, om deze zaak, die zoo licht tot politieke verwikkelingen aanleiding kon geven, in der minne te schikken. Zij maanden de Noordsche Compagnie nogmaals met nadruk tot toegeven aan, onder mededeeling »dat sij de Deensche geinclineert vonden tot affdoeninge vande saecke bij accoort”[900]. Maar te vergeefs! »Het is notoir,” dus schreven de bewindhebbers hoog terug, »dat soo wie in eenich accoort condescendeert dat by de selue schult bekentenis beuonden wert, ende alsoo wy int minste niet en connen beuinden in eeniger deel yets schuldich te sijn, ende ter wyle dese saecke de Justitie beuolen is ende dat wy weduwen ende weesen goederen administreren soo connen wy in het voorgestelde accoort niet en treden[901].” Toen werden de Denen ongeduldig: zeer dikwijls werd er bij de Staten-Generaal op spoed aangedrongen[902], totdat eindelijk het Hof na rijpe overweging van het van weerszijden aangevoerde den 29 Juni 1629 een einde maakte aan de zaak, die meer dan vier jaren aanhangig geweest was, en Johann Braem zijnen eisch tot schadevergoeding ontzegde, terwijl de kosten gecompenseerd werden[903].
[900] R. S.-G. 29 Juli, 1, 7 Aug. 1626.
[901] Miss. v. de N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 3 Sept. 1626.--R. S.-G. 18 Sept. 1626.
[902] R. S.-G. 7 Jan., 30 Sept. 1626, 27 Sept. 1627, 20 Sept., 14 Oct. 1628, 12 Juni 1629.--Aitzema, Saken v. Staet. I p. 548.--Miss. v. de Nederl. ambass. te Kopenhagen en v. Van den Honaert, beide dd. 26 Mei 1627, in: L. D. 1627.
[903] Sententie van het Hof van Holland dd. 29 Juni 1629.
Het liet zich voorzien, dat de koning van Denemarken met deze beslissing niet tevreden zou zijn. Werkelijk ontvingen de Staten-Generaal den 26 April 1630 eenen brief van Z. M. met een »wijtlopich verhael” van de zaak van Braem en den loop van het proces. Christiaan IV klaagde hevig over den langen duur der rechtszaak en verwaardigde zich verschillende punten aan te wijzen, waarop het Hof z. i. bij zijn vonnis niet genoeg gelet had; het hoofdpunt was ook nu weder de quaestie, of de Basken een Deenschen pas dan wel een eenvoudig briefje bij zich gehad hadden. De koning noemde het vonnis kortweg »ein vnbillig Vrtheill,” en weigerde in appèl bij den Hoogen Raad te komen, daar de Denen nu genoeg ondervinding hadden »das Ihr gegentheil dortt im lande ihnen viell zu mechtig, undt dergestallt ~supportirt~ würde, das Sie daselbst weiter zu Rechte zu gehen nicht vermüchten.” Hij verzocht dus de Staten-Generaal dringend, aan Braem op andere wijze vergoeding te doen geworden; gebeurde dit niet, dan dreigde hij de kamer der Noordsche Compagnie te Amsterdam met represailles[904]. Maar er was meer: de koning had nog een andere ernstige grief tegen het vonnis. Wij hebben gezien, dat Christiaan IV, aanvankelijk weigerachtig om het geschil aan de gewone rechters te onderwerpen, daarin eindelijk alleen toestemde, op voorwaarde dat de quaestie over zijne souvereiniteitsrechten op Spitsbergen buiten het proces zou blijven. Tegen dit voorschrift hadden beide partijen herhaaldelijk gezondigd. De twist over het verkoopen van het octrooi, of volgens de Deensche lezing over het opnemen van eenige Basken in de compagnie voor de walvischvangst door Braem met goedkeuring van den koning, had allicht de eischers tot het wrevelig antwoord gebracht, dat Z. M. ten slotte vrij was, aan wie hij wilde paspoorten te verleenen om op ~zijn~ land te varen, al waren onder de bevoorrechten ook vreemdelingen met de Denen vermengd geweest. Van Nederlandsche zijde was men het antwoord op zulk eene opmerking geen oogenblik schuldig gebleven: men had zich beroepen op de ontdekking van Spitsbergen door Heemskerck en Rijp en dat beroep door eene eenigszins onjuiste voorstelling van de geschiedenis der Nederlandsche walvischvangst gestaafd. Daaruit waren wederom langdurige onaangenaamheden voortgekomen. Christiaan IV had reeds in 1626 geklaagd, dat men hem zijne kroonrechten wilde betwisten, en verklaard, dat hij »geenssints goet vont in dispute te laeten trecken zyne Superioriteyt ouer Spitsberghen, veel weyniger dat daer ouer alhier gedecideert soude werden[905].” Slechts met moeite was de zaak toen geschikt door het aanbod om alle deze zaak betreffende stukken uit het proces te lichten[906], en nu bleek het plotseling uit het vonnis van het Hof, dat aan deze belofte niet voldaan was. Aan het hoofd van de beweringen van ieder der beide partijen vond men in het vonnis een uitvoerig betoog, dat Spitsbergen haar toebehoorde,--eene bijvoeging, waardoor ter loops opgemerkt de redeneering van beiden niet aan logische helderheid gewonnen had. Het laat zich denken, dat Christiaan IV hevig vertoornd was.
[904] Miss. v. Christ. IV dd. 27 Mrt. 1630, in: L. D. 1630.
[905] R. S.-G. 7 Jan., 6 Febr., 29 Juli 1626.
[906] R. S.-G. 24 Febr., 7 Aug. 1626.--Miss. v. de N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 3 Sept. 1626, in: L. D. 1626.