Geschiedenis der Noordsche Compagnie

Part 31

Chapter 313,702 wordsPublic domain

Den 11 April 1616 ontvingen de Staten-Generaal eenen brief van Christiaan IV van 18 Februari, waarin zijne pretensiën en plannen uitvoerig werden uiteengezet. Z. M. ving aan met de uitvoerig beredeneerde mededeeling, dat de walvischvangst aan de Noordkaap, bij IJsland en de Fär-öer eilanden voortaan aan vreemdelingen verboden zou zijn[861]. Deze maatregel was alleszins te billijken: als vorst van Noorwegen en de in den brief genoemde eilanden, als beheerscher der aan die landen grenzende territoriale zeeën had Christiaan IV volkomen recht, allen die hij wilde uit deze wateren te weren; het belang zijner onderzaten, wier visscherij aan de Noordkaap niet onbelangrijk schijnt geweest te zijn, ontnam aan den harden maatregel zelfs den schijn van onbillijkheid. Bedenkelijker was echter het verder in den brief gezegde. »Was weitter vnnser Grönlandt, oder nach etlicher nennung Grünlandt[862] anreichet,” dus vervolgde de koning, »Nachdem der missbrauch vber den Walfischfang derer örtter, so E. L. vnd euren vnderthanen, aus vnnser mit E. L. vnnd euren beijderseits wolhergebrachten freundtschafft, daheuer gestattet werden endlich dahin gerathen, das man vnnser vnleugbar Vhraltes Recht, daselbst mit Neuen Nahmen zuuerkehren, vnnd vnsere darüber habende proprietet zuuerwenden sich befliessen. So haben wir hingegen obener gestalt vnnsers Ambts erachtet, auch diesen excessen mass zusezen, vnd E.L. vnnd euren vnderthanen, welche sich ohn fürhergehende recognition vnnser hocheit, zu solchem ende ferner dahin finden würden, nicht weniger den Walfischfang zu prohibirn, Jedoch sein wir nicht vngeneigt, diese piscatur denn jenig zu indulgirn, so beij leistung vnd erlegung der gebühr, vnsere Passbrief darüber impetrirn vnnd solche vnnsere beampten fürzeigen werden, Worauff E.L. vnnd Ihr die Ihrige, vnd das Sie anderer massen auf Grünlandt nicht lauffen mögenn noch sollen, zu werschauen, crafft dero auctoritet geruhenn wollten[863].”

[861] Deze maatregel van den koning dagteekende reeds van 1596 (Wassenaer, Hist. verh. VIII p. 16 vlg.) en werd van tijd tot tijd (o. a. in 1601. cf. Lindeman, Arkt. Fisch. p. 6) hernieuwd, hoewel de Nederlanders steeds protesteerden en het verkeer evenmin als de Hullers, die reeds sinds 1598 aan de Noordkaap vischten (Scoresby, Account. II p. 20.--Lindeman l. c. p. 7), staakten. Bepaaldelijk in 1615 schijnen de Noordkaap en IJsland beiden door Nederlandsche walvischvangers bevaren te zijn. („Debath” v. Kien c. s. c. de N. C., in: Noordsche togten. 1. R.-A.--R. S.-G. 18 Mei 1615.) Ook de nu in 1616 genomen maatregel had niet veel gevolg: reeds in 1621 moest Denemarken zich met Engeland verbinden om vreemdelingen o. a. van IJsland en de Noordkaap te weren. IJsland bleef gesloten, aan de Noordkaap werd reeds in 1622 voor Bremen eene uitzondering gemaakt. (Lindeman, Arkt. Fischerei. p. 10.) In 1624 werd het verbod om aan de Noordkaap te visschen hernieuwd, maar niet gehandhaafd (Wassenaer, Hist. verh. VIII p. 16), hoewel wij in 1626 Nederlandsche walvischvangers met Deensche passen aan de Noordkaap vinden (Wassenaer l. c. XI fol. 131.) In 1631 bood men den Nederlanders op zekere voorwaarden verlof daartoe aan, dat echter geweigerd werd. (R. S.-G. 26, 28 Juli 1631.) De visscherij en het verkeer aan IJsland werd door Christiaan IV bij missive van 28 Dec. 1631 daarop nadrukkelijk verboden. (R. S.-G. 13 Mrt. 1632.--Miss. v. Chr. IV dd. 16 Febr. 1635, in: L. D. 1635.) Weldra klaagden de Denen, die daar alleen handelen mochten, over concurrentie van Nederlanders; de N. C. behoorde echter niet onder de schuldigen. (R. S.-G. 22 Apr., 23 Juli, 12, 24 Aug. 1632.) Nadere klachten van de Deensche IJslandsche compagnie over den Amsterdamschen koopman Elias Trip bleken onjuist; het schijnt echter, dat de Nederlanders het verkeer niet staakten. (R. S.-G. 3 Apr., 5 Mei, 2, 19 Juli, 1 Aug., 11 Dec. 1635.--R. H. 4 Apr., 8 Mei, 11 Juli, 6 Dec. 1635.--Miss. v. Chr. IV aan de Stn.-Gen. dd. 16 Febr., 11 Dec. 1635, in: L. D. 1635.--Scheltema, Aemstels oudheid. III p. 224-26.)

[862] Vgl. het hiervóor p. 204 Noot 1{[751]} gezegde over het gebruik van Groneland of Groynland en Greenland door de Engelschen. Ook in Denemarken schijnt men reeds een flauw bewustzijn gehad te hebben, dat Groenland en Spitsbergen niet identiek waren.

[863] Miss. v. Christ. IV aan de Stn.-Gen. dd. 18 Febr. 1616, in: L. D. 1616.--R. S.-G. 11 Apr. 1616.

Reeds boven zette ik uiteen, hoe belachelijk de in deze regels vervatte aanmatiging heeten mocht. En toch waren de Staten-Generaal, die wel begrepen, dat het hier meer eene quaestie van macht dan van recht gold, een oogenblik met de zaak verlegen: de resolutie op den brief werd niet dadelijk genomen. Maar er was haast bij de zaak: de schepen der Noordsche Compagnie waren nagenoeg gereed om uit te zeilen. Holland nam dan ook weldra een kloek besluit en adviseerde zeer lakoniek: »op de Brieven beleefdelyck te antwoorden en te continueren het gebruyck ende vryheyt van visschen, sulcx als tot noch toe is gedaen[864].” In dien zin arresteerden dan ook de Staten-Generaal 13 April een antwoord aan Christiaan IV, dat wel is waar niet minder uitvoerig was dan de brief van den koning geweest was, maar dat toch eigenlijk niets anders dan eene beleefde weigering inhield. De Staten-Generaal meenden, dat de Nederlanders door hunne schepen naar verschillende streken ter vischvangst uit te zenden, niets anders gedaan hadden »als tgeene volgende die gemeene gebruyckte rechten van allen ouden tyden byden ondersaten deser Landen soo ter See, als anderssints was gedaen, ende gepleecht.” Zij beweerden dan ook, dat door hunne onderdanen, toen zij de gevraagde betaling weigerden, »nyet tot obbreuck ofte verminderinge van Sijne Ma^{ts}. rechten, ofte tot syner ondersaten schade int voorszeide visschen gedaen was.” Op deze gronden verklaarden zij »vastelyck te vertrouwen ende oock seer vriendelyck dienstelyck ende naebuerlyck te versoucken, Dat syne Ma^{t}. deur syne beampte Officieren ende Dienaren te water nochte te landen den onsen nyet alleen geen verhinderinge ofte belet, maer veel eer nae gelegentheyt alle assistentie ende bevorderinge soude willen doen[865].”

[864] R. H. verg. v. 1 Mrt.-26 Apr. 1616. p. 7.

[865] Miss. v. de Stn.-Gen. aan Chr. IV dd. 13 Apr. 1616, in: L. D. 1616.--R. S.-G. 13 April, 27 Mei 1616.--Carleton, Lettres. I p. 39.

Terecht meende echter de Noordsche Compagnie in het »vaste vertrouwen” der Staten-Generaal op de welwillendheid van Christiaan IV niet te moeten deelen. Reeds den 28 April hielden zij den Staten voor, dat een subsidie van de regeering tot handhaving van de Nederlandsche walvischvangst onmisbaar was. Zij hadden vernomen, dus verhaalden de bewindhebbers, dat in Denemarken reeds zeven »cloucke” schepen, allen van 36 »lepelstucken”, uitgerust waren om hun de visscherij te beletten; de vrees dat de Engelschen, die gezegd werden »genoechsaem mette Ma^{teyts}. van Denemarckens Onderdanen een te zyn,” zich daarbij zouden voegen, maakte de zaak zeer bedenkelijk. Een konvooi van niet minder dan zes oorlogschepen scheen dus noodig om de Noordsche Compagnie dit jaar tegen de aanvallen harer vijanden te beschermen[866]. Ook de Staten-Generaal begrepen, dat het aannemen van eene krachtige houding noodig was om aanvallen te voorkomen. Na lange deliberatiën en aanmaningen van vele zijden besloten zij der compagnie eenig geschut ter wapening harer schepen toe te staan en vijf oorlogschepen om de walvischvaarders »naer haeren vuytersten vermogen” te verdedigen; ja, zij schreven zelfs de admiraliteit te Amsterdam aan nog meer schepen te zenden, zoo dit eenigszins mogelijk was[867]. De Instructie, voor Jan Jacobsz. Schrobop als hoofd van het konvooi den 23 Mei 1616 door de Staten-Generaal gearresteerd, lastte hem 1^{o}. om aan ieder die het vroeg te verklaren, dat de Nederlanders van plan waren vreedzaam aan Spitsbergen te visschen zonder iemand te hinderen, 2^{o}. om met alle macht te beletten, dat iemand de schepen der Noordsche Compagnie in hare nering lastig viel, 3^{o}. om geweld aan die schepen aangedaan zooveel mogelijk te keeren en de plegers daarvan volgens de commissie der Staten-Generaal aan te tasten, 4^{o}. om de schepen der compagnie, die in handen van vijanden gevallen waren, met geweld te bevrijden, en de veroveraars te dwingen de schade te vergoeden of bij weigering hen gevangen in een Nederlandsche haven op te brengen, om de quaestie door Nederlandsche rechters te doen beslissen[868]. Gelukkig was Schrobop niet in de gelegenheid deze Instructie uit te voeren[869], iets wat de krachten zijner schepen zeker te boven gegaan zou zijn: de berichten over de groote uitrustingen der Denen bleken onjuist en het schijnt zelfs, dat dit jaar geen Deensch schip zich op Spitsbergen vertoond heeft[870].

[866] Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 29 (28) Apr. 1616, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

[867] R. S.-G. 28 Apr., 11, 12 Mei, 2 Juni 1616.

[868] Instructie voor Schrobop, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--R. S.-G. 28 Mei 1616.

[869] Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 467.--Instr. van Schrobop, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

[870] Dit maak ik op uit het zwijgen van Edge in zijn meergemelde „Dutch disturbance” (Purchas, Pilgrimes. III p. 466), terwijl wij overigens daar bijna jaarlijks van de aanwezigheid der Deensche schepen op Spitsbergen lezen. Ook de N. C. noemde in 1637 het jaar 1617 als het tijdstip van het verschijnen van den eersten Deenschen walvischvaarder aan Spitsbergen. (Aitzema, Saken v. Staet. II p. 442.)

Ook de eerstvolgende jaren bleef de zaak hangende[871]. De besliste afwijzing van Engelschen en Nederlanders had den Denen den moed voorloopig ontnomen. Toch waren de geruchten over eene Engelsch-Deensche combinatie in zooverre juist geweest, dat van Deensche zijde zulk eene combinatie bepaald gewenscht werd. Maar lang duurde het eer men het eens was: eerst in 1621 kwamen Jakob I en Christiaan IV, naar het schijnt met terzijdestelling der wederzijdsche aanspraken, overeen, gezamenlijk alle vreemde natiën uit de IJszee te weren[872]. De Staten-Generaal, in groote ontsteltenis toen hun dit tractaat bekend was geworden, gaven dadelijk hunne gezanten, die naar Kopenhagen vertrokken (Pauw, Liclama, Haersholte en Schaffer), den geheimen last mede: »dat sy met alle goede circumspectie ende voorsorge letten souden, dat d’Ingesetenen deser Landen int stuck vande vrije Schip ende Zeevaerdt niet verhindert off gesloten werden uyt eenige plaetsen, landen, eylanden, revieren, hauenen ende stroomen, daer sij voor desen gevaren, gehandelt, off gevischt hadden, ende ouersulcx niet gedoogen, dat eenige plaetsen by d’Ingesetenen deser Landen hierbeuoorens beuaeren off gefrequentreert in dispute ofte controuersie soude(n) worden getrocken, als off het plaetsen waeren, daermen niet gewoon soude syn te handelen[873].” Gelukkig was deze voorzorgsmaatregel der Nederlandsche regeering overbodig: men schijnt het gezantschap van 1621 niet van de zaak gesproken te hebben[874]. Het geheele heerschzuchtige plan der beide zwagers was trouwens bestemd om niet uitgevoerd te worden. Terwijl van Engelsche zijde eene enkele zwakke poging beproefd werd om de bepalingen van het tractaat na te leven[875], schijnt het belang der Deensche walvischvangst Christiaan IV zelfs verhinderd te hebben, aan de gemaakte plannen een begin van uitvoering te geven.

[871] De Staten-Generaal waren echter nog niet dadelijk gerust gesteld; zie over verdere maatregelen tot bescherming der walvischvaarders tegen Denemarken genomen: Arend, Alg. gesch. des vaderl. III, 3. p. 2. De berichten over Deensche oorlogschepen, die tegen de Nederlandsche walvischvaarders uitgerust werden (R. S.-G. 13 Mei 1617), bleken echter onjuist en het volgende jaar 1618 waren de Staten reeds zoo zeker van hunne zaak, dat zij in de Instructie der ambassade naar Denemarken (Culemborg c. s) zich ter verdediging hunner beweringen over de O.-I. aangelegenheden durfden beroepen op de „missiuen, by syne Ma^{t}. (van Denemarken) selffs, belangende den Groenlandtschen handel, met exclusie ende verboth van andere natien, Inde voorledene Jaren (d. i. in 1616) geschreven.” (Instr. der ambass. naar Denem. dd. 21 Mei 1618, art. 36.)

[872] Reeds boven (p. 239 Noot 3{[857]}, 4{[858]}) haalde ik de woorden der Engelsche walvischvaarders over de Deensche indringers aan. Ook verder schijnt de verhouding voorloopig niet zeer vriendschappelijk geweest te zijn, althans in 1618 kwam een Deensch gezant, Dr. Jonas (Charisius?) te Londen om te onderhandelen over de onaangenaamheden, tusschen de beide natiën door de uitsluitende pretensiën van Denemarken ontstaan. (Carleton, Lettres. II p. 217.) Men hoopte de zaak nog te schikken, maar het mislukte: in 1619 waren Engelschen en Denen nog niet „geaccordeert.” (Muller, Mare Clausum. p. 162 Noot 3.) Eerst in 1621 kwam de in den tekst vermelde overeenkomst tot stand. (Miss. v. Chr. IV aan de Bremensche ambass. dd. 10 Jan. 1622 en het medegedeelde hierover uit het Hamburgsche archief bij: Lindeman, Arkt. Fischerei der Deutschen Seestädte. p. 10.--Mauricius, Naleesingen over de Noordelijke Landen. R.-A.--Vgl. de verklaring van Jakob I bij: Muller, Mare Clausum. p. 194.--Het tractaat zelf heb ik nergens gevonden: in het Engelsch-Deensche tractaat van 19 April 1621, bij: Dumont, Corps diplomat. V, 2. p. 391 vind ik de bepaling niet.) De geschiedenis der Engelsch-Deensche betrekkingen vertoont dus in het kort denzelfden gang als de Nederlandsch-Deensche.--Uit het medegedeelde blijkt voldoende, hoe ongegrond de geruchten waren, die verhaalden, dat de Engelschen eene recognitie aan Denemarken betaalden om aan Spitsbergen te mogen visschen. (Zie o. a. Hist. du pays de Spitsb. p. 26.--R. S.-G. 4 Jan. 1636.--Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt., 28 Mei 1639, in: L. D. 1639.) Christiaan IV zelf beweerde het eenmaal (Aitzema, Saken v. Staet. II p. 442); ik geloof echter, dat er hier eene verwarring bestaat met de vaart op de Noordkaap, IJsland enz., waarover Engeland werkelijk en terecht met Denemarken in den aangeduiden zin onderhandelde (Selden, Mare Clausum. p. 241, 42), ten minste in 1633 verklaarde Christiaan IV, dat hij aan de Engelschen en Nederlanders de visscherij aan Spitsbergen toeliet „uijt goede Nabuijrlicke vruntschap ende om dat sij langen tijt hadden geweest in possessie.” (Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 5 Febr. 1633, in: L. D. 1633.)

[873] Secr. Instr. der ambassade naar Denemarken dd. 2 Aug. 1621, art. 2.

[874] Het bij deze gelegenheid verhandelde over verbodene havens heeft sommigen tot eene tegenovergestelde conclusie geleid. Ten onrechte, want toen de Nederlandsche ambassadeurs bezwaar maakten om in het tractaat van die verbodene havens te spreken, toonden de Denen zich dadelijk bereid deze zaak op te geven onder verklaring, dat zij daarmede „geene andere haeuens meenden dan eenige weijnige plaetskens tot den Conincklycken dis ouer eenige hondert Iaren gepriviligeert zoo dat de eygene onderdaenen vanden Coninck daer op niet en vermochten te comen, noemende Ysland ende twee ofte drye andere cleijne soo sy seyden ende ons onbekende Eylandekens, alwaer d’onderdaenen van hare Ho: Mo: niet gewoon waeren te comen.” (Verbaal der Deensche ambass. v. 1621 ad 25 Aug.--Vgl. Arend, Alg. gesch. des vaderl. III, 3. p. 608, 9, 652-59.) Ook in het Deensche tractaat van 19 April 1621 met Engeland, dat in de Spitsbergsche quaestie tegenover Denemarken hetzelfde belang had als Nederland, vindt men in art. XIV van die verboden havens („Portus prohibiti”) gesproken. (Dumont, Corps diplomat. V, 2. p. 391.)

[875] Zie daarover hiervóor p. 225-27.

Want terwijl de Deensche vorst de belangen zijner schatkist meende te behartigen, hadden zijne onderdanen een beteren weg ingeslagen om zich voordeel te verwerven. Reeds spoedig hadden zij besloten van de gewaande Deensche bezitting op eene andere wijze zooveel mogelijk partij te trekken en terwijl vroeger alleen van oorlogschepen, die eene belasting kwamen opeischen, sprake was, vinden wij dan ook reeds in 1617 twee Deensche walvischvaarders op Spitsbergen. Zonder dat de koning zijne pretensie opgaf, werden zijne onderdanen het eerlang met de Nederlanders eens. De Deensche walvischvaarders werden door de Noordsche Compagnie bereidwillig toegelaten om met twee schepen hun bedrijf te oefenen aan den noordhoek van Spitsbergen, waar de Nederlanders zich gevestigd hadden en juist de grondslagen van het latere Smeerenburg begonnen te leggen. Tegen de gemeenschappelijke vijanden, de Engelschen, genoten de Denen de bescherming der Nederlanders. Ieder der beide natiën had voortaan op het Amsterdamsche eiland zijne afzonderlijke vestiging voor de traankokerij, met palen afgescheiden en met de wapens der beide mogendheden voorzien. Den Nederlanders, nog zelven slechts noode door de Engelschen op Spitsbergen geduld, kon het niet dan aangenaam zijn, zoo zij versterking van andere natiën tegen hunne vijanden kregen; Christiaan IV, die zijne pretensie nergens erkend zag, handelde verstandig, toen hij oogluikend toeliet, dat zijne onderdanen zich den steun van een der beide twistende partijen op Spitsbergen verzekerden[876]. Was er reeds in 1617 zulk een nauw verbond tusschen Denemarken en Nederland, dat slechts een der beide voor Deensche rekening met traan en baarden bevrachte schepen naar Kopenhagen vertrok, terwijl het andere naar Amsterdam gezonden werd[877], een geregeld verkeer bestond er toen nog zoo weinig, dat Jakob I in het voorjaar van 1619 aan de Nederlandsche gezanten verklaren kon, dat de Denen evenals alle andere natiën behalve de Nederlanders van de walvischvangst op Spitsbergen hadden »gedesisteert[878]”. Eerst met 1619 begonnen de Deensche walvischvaarders het eiland jaarlijks te bezoeken, in 1620 werd er te Kopenhagen eene compagnie voor de walvischvangst opgericht[879] en tot 1622 toe verschenen hare schepen geregeld met de Nederlandsche aan den noordelijken hoek van Spitsbergen[880]. In deze omstandigheden ware het voor Christiaan IV eene dwaasheid geweest het tractaat van 1621 uit te voeren en vereenigd met de Engelschen, die nog zoo kort geleden zijne onderdanen vijandig behandeld hadden, de ieder jaar in kracht toenemende Nederlandsche walvischvangers, de vrienden en beschermers der Denen, aan te vallen. Toen echter het recht der Denen om naast de Nederlanders in de Mauritius-baai te visschen eenmaal goed bevestigd scheen, veranderden de betrekkingen der beide volken weldra geheel. Christiaan IV meende nu veilig zijne vroegere houding weder te kunnen aannemen. Eerlang maakten de Denen van de goedwilligheid der Nederlanders misbruik en bleek het aan de Staten-Generaal, dat de Deensche pretensie wel is waar gesluimerd had, maar dat zij nog volstrekt niet dood was.

[876] De overeenkomst schijnt het karakter eener stilzwijgende minnelijke schikking gehad te hebben. De Nederlanders lieten de Denen in hun vischwater toe en dezen zullen zeker verheugd geweest zijn voor het verleende verlof en de genoten bescherming in alle voorwaarden toe te stemmen, die de Nederlanders maken wilden. In werkelijkheid waren de Denen verreweg de minderen en aan de aanspraken van Christiaan IV, waardoor hij zich de meerdere wilde toonen, hebben beide partijen waarschijnlijk in 1617, toen de praktijk zijne eischen deed gelden, niet gedacht.--Zie hierover: Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1150, II p. 442, 632.--Req. der N. C. c. Vrolicq, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Sent. van het Hof van Holland dd. 29 Juni 1629. („Zijluijden stonden malcanderen de possessie toe, sijnde tusschen zijne Ma^{t}. ende de Ho: Mo: Heeren de Staten Generael te demeleren off ijemant, off wie van beijden alleen ende priuatiue ter dier plaetse het gesach soude mogen hebben,” zeiden de Denen.)

[877] Brief v. Heley aan Deicrowe dd. 12 Aug. 1617, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 732.--De Nederlandsche berichten weten echter slechts van éen schip. (Aitzema, Saken v. Staet. II p. 442, 632.)

[878] Muller, Mare Clausum. p. 162.

[879] Lindeman, Arktische Fischerei der Deutschen Seestädte. p. 9.

[880] Ook volgens de Engelsche berichten vischten de Denen bij de Nederlanders. (Brieven der Eng. walvischvaarders, o. a. van Catcher aan Heley dd. 17 Juni 1620, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 735.)

Den 27 Maart 1622 had Christiaan IV aan de Deensche compagnie voor de walvischvangst, waarvan Johann Braem, een voornaam Duitsch koopman te Kopenhagen[881], het hoofd was, een uitsluitend[882] octrooi verleend »omme op de Noortcaep ofte in de havenen ofte eijlanden van Travisont ende Souroij[883] mitsgaders opt Lant van Groenlant te mogen de walvischerije doen.” Dat jaar had Braem in de Mauritius-baai, waar Denen en Nederlanders gewoon waren naast elkander te visschen, de walvischvangst in vrede geoefend en er zijne schuren en gereedschappen voor het volgende jaar achtergelaten. Maar de visscherij der Denen schijnt op den duur onvoordeelig geweest te zijn; ten minste Braem trof in het voorjaar van 1623 eene overeenkomst met Jean De Heraneder en Michel De Laralde, kooplieden van St. Jean de Luz en Siboure[884] in Biscaaie, waarbij hij hen tegen een aandeel in hunne vangst in zijne compagnie voor de walvischvangst opnam. Volgens dit contract kwamen in het begin van Juni 1623, terwijl de Denen zich dit jaar niet op Spitsbergen vertoonden, twee Biscaaische schepen op naam van Braem en zijne compagnie bij de Nederlanders aan, openden de Deensche schuren en wilden de walvischvangst beginnen. De Nederlandsche commandeur Cornelis Ys vroeg hen echter dadelijk om hunne papieren te zien. Toen zij niets anders konden toonen dan »een slecht cartabelleken,” door hunne Baskische reeders in het Nederlandsch geschreven, dat alleen het verzoek aan den commandeur inhield den brenger goed te behandelen, verbood Ys hem het visschen. Hij beweerde, dat de door de Biscaaiers bezochte baai aan de Nederlanders en de Denen gezamenlijk behoorde, dat geen ander recht had daar te visschen en dat hij zich dus verplicht gevoelde zijne vrienden de Denen in hunne afwezigheid tegen roof en overweldiging te verdedigen. De Basken mochten zich daartegen op hunne overeenkomst met Braem beroepen, Ys hield zich als geloofde hij van het geheele verhaal niets en bleef er bij, dat hij niet verantwoord was, zoo hij de Biscaaiers »op soodanigen Imperfecten bescheijt” tot de visscherij toeliet. Dezen moesten erkennen, dat zij »niet wel en waren versorcht;” zij stelden aan Ys voor, dat hij hen zou laten visschen op voorwaarde, dat de geheele vangst ten bate der Noordsche Compagnie zou komen, zoo het in Nederland bleek, dat hunne reeders geen recht op de visscherij hadden. Ys antwoordde, dat hij hun wel voor dit jaar alleen en met behoud van het recht der Noordsche Compagnie aan eene andere plaats op Spitsbergen in vrede wilde laten visschen, maar de visscherij in de Mauritius-baai bleef hij hun weigeren. De twee schepen waagden het niet elders te gaan: de Engelschen, die nog dit jaar hunne uitsluitende pretensie tegen de Nederlanders hadden trachten te handhaven, toonden genoegzaam, dat zij ook anderen vreemden niet genegen waren. Na eenig vertoef waren de Basken dus genoodzaakt zich naar de Noordkaap te begeven[885].

[881] Zie over latere knoeierijen van Braem ten nadeele der Nederlanders: Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 24 Mei 1639, in: L. D. 1639.