Geschiedenis der Noordsche Compagnie
Part 30
Alle aandacht van de bewindhebbers der Noordsche Compagnie werd nu aan de beslissing dezer quaestie gewijd. Den Staten-Generaal was het ditmaal ernst met de zaak; de Engelschen zelven drongen weder herhaaldelijk op spoed aan[835]. Nu de twee regeeringen het op dit punt dus eens waren, scheen de compagnie te zullen moeten buigen en al hare krachten moesten dus worden ingespannen om eene oplossing der zaak, zooals de Staten-Generaal die bedoelden, te beletten. Want de Noordsche Compagnie had vele bezwaren tegen eene schikking met de Engelschen! De Zeeuwsche compagniën, die de Engelschen in 1617 benadeeld hadden, waren sinds lang ontbonden[836]. Andere kooplieden hadden nieuwe vereenigingen opgericht, maar de oude aandeelhouders waren nog steeds ongeneigd om van hunne schade te reppen, nu hun eigen aanval op de Engelschen in 1618 hen met eene waarschijnlijk hoogst nadeelige compensatie dreigde. Evenzoo was het met die van het Noorderkwartier gesteld. De Amsterdamsche kamer stond buiten deze beide quaestiën en wilde er zich dan ook geheel buiten houden; juist daarom was ook zij onwillig om de rekeningen harer schade van 1613 nu over te leggen. Het nog steeds hangende proces met de kamers van het Noorderkwartier gaf toch dezen eene gereede aanleiding om de Amsterdammers in de quaestie van 1618 te betrekken of om ten minste de door dezen van de Engelschen te ontvangen gelden te compenseeren met de in het proces geëischte wegens het wegzenden van het konvooischip. Ook de Zeeuwen dreigden Amsterdam bij vermenging der rekeningen met compensatie der van de Engelschen te ontvangen schadevergoeding voor het gebeurde in 1613 met de pretensie, die zij sinds 1617 nog op hunne Amsterdamsche broeders hadden.
[835] R. S.-G. 16 Aug., 3 Oct., 23 Nov., 7, 9 Dec. 1624, 13 Mrt. 1625.--Secr. R. S.-G. 17 Dec. 1624.
[836] Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
Alle betrokkene kamers, Amsterdam, Vlissingen, het Noorderkwartier, ook Delft en Veere, die veel te betalen en niets te ontvangen hadden, waren dus weigerachtig om het geschil met de Engelschen in redelijkheid te helpen eindigen. Men kwam dan ook niet veel verder. De bewindhebbers van de verschillende kamers der Noordsche Compagnie werden door de Staten-Generaal eindelijk tegen 5 Augustus 1624 naar Den Haag beschreven. Amsterdam verscheen niet, maar aan de overigen deed eene commissie uit naam der Staten-Generaal den voorslag om iemand te zenden aan Caron, die sinds 1623 commissie had tot afhandeling der quaestie, ten einde hem over den stand der zaken uitvoerig in te lichten. De Zeeuwen, zich beroepende op hunne armoede, die hen belette door de overname der Amsterdamsche pretensiën eene voordeelige compensatie met de Engelschen te treffen, stonden op hun recht om zich alleen voor Nederlandsche rechters te rechtvaardigen; wilde men iemand naar Engeland zenden, dan moest dat zijn ten koste van het land[837]. Nieuwe conferentiën brachten de zaak niet verder: de Amsterdammers wilden de bewijzen hunner schade niet overdoen dan op onmogelijke voorwaarden en de Zeeuwen bleven bij hunne eischen. De Staten-Generaal van hunne zijde stonden er op, dat het land »buyten costen soude werden gehouden,” en gaven dit punt niet dan na langdurige aarzeling toe[838].
[837] R. S.-G. 6, 16, 25, 31 Juli, 22 Aug. 1624.--Req. der Zeeuwsche N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 22 Aug. 1624, in: Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A.
[838] R. S.-G. 3, 12, 18, 21, 23 Sept., 3, 11 Oct., 9 Dec. 1624.--Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
Ondertusschen kwam Caron te sterven en men besloot zijnen opvolger Joachimi last te geven om de zaak nu definitief af te doen[839]. Eene nieuwe commissie, nu door de Staten-Generaal benoemd, bracht de weerspannige kamers na verscheidene conferentiën eindelijk tot een vergelijk. De Amsterdammers beloofden hunne schaderekeningen van 1613 te zullen overleveren, mits de Staten-Generaal zelven hun de som gelds uitbetaalden, waarmede de Zeeuwsche kamers daardoor bij de compensatie met de Engelschen bevoordeeld waren; de Staten-Generaal stonden er voor in, dat de Amsterdammers niet zouden betrokken worden in de quaestie met Engeland over de schade van 1618, en het proces van Hoorn en Enkhuizen tegen Amsterdam werd daartoe tot na de afdoening der Engelsche geschillen geschorst[840]. De Zeeuwen verklaarden nog uitdrukkelijk, dat zij, hoe de zaak ook loopen mocht, na de compensatie der schaderekeningen van 1617 en 1618 in geen geval wilden toebetalen[841], maar zij zonden toch de bewijsstukken hunner pretensie over[842]. De Amsterdammers volgden dit voorbeeld weldra[843] en de Staten-Generaal gaven nu aan Joachimi speciale commissie om de zaak in Engeland af te handelen[844].
[839] Secr. R. S.-G. 1 Jan. 1625.--R. S.-G. 16 Jan. 1625.
[840] R. S.-G. 20 Jan., 17, 25 Febr., 21 Mrt. 1625.--Daar het niet tot die afdoening kwam, wachtten de kamers van het Noorderkwartier geruimen tijd eer zij hunne actie tot schadevergoeding tegen de Amsterdammers weder instelden. Eindelijk werden zij op hun verzoek 16 Maart 1630 door de Stn.-Gen. bevrijd van de gevolgen, uit de schorsing van het proces voortvloeiende, en niettegenstaande de tegenspraak der Amsterdammers werden zij 31 Maart 1635 door den H. R. bevoegd verklaard tot het vervolgen der actie. (Sent. v. d. H. R. v. Holl. dd. 31 Mrt. 1635.) Die van Amsterdam schijnen toen hunne veroordeeling niet afgewacht en de zaak geschikt te hebben, ten minste het blijkt niet, dat zij vervolgd is.
[841] R. S.-G. 26 Mrt., 10 Mei 1625.
[842] R. S.-G. 9 Apr. 1625.
[843] R. S.-G. 9 Mei 1625.
[844] R. S.-G. 10 Apr., 10 Mei 1625.
Kort daarop vertrok de ambassadeur in gezelschap van het Nederlandsche gezantschap, dat juist toen naar Engeland afreisde, naar Londen. De Staten hadden hem last gegeven, in aansluiting aan den voorslag door de Moscovische Compagnie aan de ambassade van 1624 gedaan, een reglement met haar te beramen op den voet als de gezanten van 1619 hadden voorgeslagen. Des noods moest Joachimi met den koning zelven over de zaak spreken, de redenen door de Noordsche Compagnie tot hare verdediging aangevoerd voorstellen, en wijzen op het feit, dat de oneenigheden op Spitsbergen steeds waren uitgegaan van de Engelschen, terwijl de Staten-Generaal alles hadden gedaan om twist te voorkomen. Ook aan de quaestie der restitutie wilden de Staten gaarne een einde zien. Zij machtigden Joachimi de zaak des noods door arbiters te laten afdoen, maar daarbij bleven zij er op staan dat hun recht niet werd prijsgegeven. Over het bedrag der restitutie wilden zij veel toegeven: de Staten zouden er in berusten, zoo de arbiters beslisten, dat de Nederlanders den Engelschen nog moesten toebetalen, maar zij drongen er ernstig op aan, dat in ieder geval de aan de Noordsche Compagnie in 1613 en 1617 toegebrachte schade, die volgens hen veel meer bedroeg dan de Engelsche schade van 1618, tegen deze in rekening gebracht zou worden. Op het principe kwam het hun aan; was de taxatie der schade wat partijdig, welnu, de Staten waren bereid eenige duizenden te betalen om hun recht erkend te zien[845].
[845] Muller, Mare Clausum. p. 215, 16.
Het liet zich aanzien, dat door de uitvoering dezer verstandige en liberale volmacht de geschillen nu tot eene bevredigende oplossing zouden komen. Verschillende redenen werkten echter samen, om de zaak een voor Nederland nog voordeeliger einde te doen nemen. Jakob I, die jarenlang met deze quaestie geplaagd was geweest, was onlangs gestorven; zijn opvolger Karel I zal wel niet dezelfde belangstelling getoond hebben in eene zaak, waarin het beweerde recht der Engelschen niet gehandhaafd scheen te kunnen worden, terwijl het belang daarvan voor de steeds achteruitgaande Engelsche walvischvangst gering was; eene quaestie, waarbij het dus alleen op de betaling van eenige weinige duizenden aan sommigen zijner onderdanen aankwam. Ook kon het den jongen koning, die zijne regeering begon met krachtig optreden tegen Spanje en een nauw verbond met de Staten-Generaal, niet verstandig schijnen, nu om zulk een nietig geschil de goede verstandhouding met zijne bondgenooten te verbreken.
Onder deze omstandigheden was het misschien ook in Engeland een welkom bericht, dat de twistende partijen zich zelve geholpen hadden. De jaarlijksche twisten moede, gedurig gehinderd door de Nederlandsche walvischvaarders, die met groote overmacht naast de Engelschen vischten en hun daardoor groot nadeel toebrachten, was het aan de Moscovische Compagnie, die er aan wanhoopte hare schade vergoed te krijgen, verstandig voorgekomen, aan de Nederlanders eenige baaien op Spitsbergen voor hunne vrije visscherij over te laten, nu zij daardoor van hare zijde de vrije beschikking over de overige kon verkrijgen. Reeds in 1625 was dan ook de sterke uitrusting, die de Noordsche Compagnie uit vrees dat de Engelschen »haer onrechtvaerdighe Actie begheerden te sustineeren” gedaan had[846], nutteloos gebleken; de reis liep vreedzaam af en weldra berustten de Engelschen, ook zonder dat hunne schade vergoed werd, voor goed in de reeds door het gebruik gemaakte verdeeling der baaien[847]. De Nederlanders vergenoegden zich met den noordwestelijken hoek van Spitsbergen, waar zij nieuwe vischrijke baaien ontdekt hadden; de Engelschen behielden daarentegen het geheele zuidelijke gedeelte der westkust, waar van ouds de walvischvangst gedreven werd, voor zich. Deze schikking werd in 1627 door de Engelsche regeering stilzwijgend erkend[848], en daarmede was de hoofdzaak nu voor goed geregeld.
[846] Wassenaer, Hist. verh. IX fol. 124.
[847] In den zomer van 1625 of in 1626 zou het door Zorgdrager (Groenl. vissch. p. 194, 211) vermelde contract van verdeeling moeten gesloten zijn; ik zeide echter reeds (hiervóor p. 139-41), dat ik aan het bestaan daarvan niet geloof.
[848] Muller, Mare Clausum. p. 223.
Een enkele maal schenen de Engelschen zich nog voor de restitutie der schade van hunne landgenooten te willen interesseeren; een paar maal werd er eene poging gedaan om daarover op nieuw door gezanten te onderhandelen[849], maar de Nederlanders bleven steeds bij hunne weigering en de tegenpartij moest zich telkens met eene verwijzing naar den last van Joachimi tevreden stellen. Ook in latere jaren, toen de Engelsche souvereiniteit ter zee een onderwerp van ernstige geschillen met de republiek der Zeven Provinciën werd, gaf Karel I eenmaal te kennen, dat hij deze zaak niet vergeten had[850]. Bij het begin van den Engelschen burgeroorlog sprak men zelfs in het parlement nog over de lang-begraven quaestie, maar de Staten volhardden bij hun systeem: zij bleven er bij, de zaak alleen als eene particuliere quaestie te willen beschouwen en wezen diplomatieke onderhandelingen daarover van de hand[851]. Een eenigszins ernstig karakter nam de zaak echter nooit meer aan; het gelukte den Nederlanders steeds het verder »ophalen van dese oude saecken” te beletten, en naarmate de walvischvangst der Engelschen aan Spitsbergen langzamerhand geheel onbeduidend werd, nam de Nederlandsche daar in macht toe. Het was den Staten gelukt te bewerken, dat werkelijk van uitstel afstel kwam; hunne onderdanen hadden daartoe krachtig medegewerkt en weldra waren de Engelschen, de voorgangers der Nederlanders, evenals in Oost-Indië uit de door hen met zooveel moeite ontdekte zeeën verdreven.
[849] Bij gelegenheid der ambassaden van Buckingham in Den Haag en van Cats te Londen. (Muller, Mare Clausum. p. 222, 23.)
[850] Muller, Mare Clausum. p. 266 Noot 1.
[851] R. S.-G. 7, 10, 20 Dec. 1641.
HOOFDSTUK VII.
DEENSCHE PRETENSIËN.
Het waren niet alleen de Engelschen, met wie de Noordsche Compagnie te strijden had om hare plaats in de IJszee te behouden. Reeds het jaar na hare oprichting trad eene andere natie met nieuwe aanspraken op het door Nederlanders ontdekte Spitsbergen te voorschijn.
De lezer zal zich herinneren, dat Barendsz. zelf, en op zijn voetspoor de meerderheid der geographen, gedurende vele jaren Spitsbergen voor een deel van Groenland hield, eene dwaling, die eerst langen tijd nadat de walvischvangst meer en meer bezoekers naar de IJszee had gelokt overtuigend weerlegd schijnt te zijn[852]. Uit deze vrij algemeen aangenomen meening leidde eerlang de koning van Denemarken zijn recht af om zich zelven als heer van Spitsbergen te beschouwen en andere natiën van daar te weren. Groenland, dus redeneerde hij waarschijnlijk, behoorde van ouds aan de kroon van Noorwegen; elk deel van Groenland was dus het eigendom van Denemarken, dat sinds lang met Noorwegen vereenigd was[853]. Het is geheel onnoodig de ongegrondheid van deze aanmatiging te bewijzen. Ieder springt het in het oog, dat ook al ware het toen alleen ontdekte westelijke gedeelte van Spitsbergen een deel van Groenlands oostkust geweest, het enkele feit, dat twee landstreken, waarvan de eene aan Denemarken behoorde, niet door de zee van elkander gescheiden waren, den koning geen recht hoegenaamd kon geven op eene kust, die nooit bekend was geweest, voordat de Nederlanders ze in 1596 ontdekten,--eene kust, die na dien tijd door Denen niet bezocht veel min in bezit genomen was[854].
[852] Zie hiervóor p. 204 Noot 1{[751]}.--Vgl. o. a. V. d. Brugge, Journaal van Seven Matroosen. p. 4. („Spitsbergen is... ten aensien des Ontdeckers van ’t Landt met den naem van Groenlandt; maer van wegen de spitsheyt des geberghten... Spitsberghen, en (bij) eenighe soo ’t schijnt het Nieuwelandt genoemt.”) Zie ook: Van Meteren, Comment. fol. CLIII.
[853] Zie o. a Lindeman, Arkt. Fischerei. p. 8.
[854] Vander Brugge verhaalt (Journael der Seven Matroosen. p. 4), dat de Denen ook op Jan Mayen-eiland „door pretensie van aenpalingh” (aan Groenland) aanspraak maakten en daar met de Nederlanders vischten. Van elders is mij niets hiervan, evenmin als van de daar vermelde Engelsche, Fransche en Biscaaische walvischvangst aan het eiland, gebleken. Het vermoeden van eene walvischvangst door Engelschen wordt echter bevestigd door den naam „Engelsche Baay.” (Krt. v. Jan Mayen-eiland bij: Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 100.)
Het was dus op gelijksoortige gronden, dat Engeland en Denemarken aan vreemde natiën het bevaren van Spitsbergen verboden. Een ander punt van overeenkomst is de houding van de vorsten der beide landen tegenover de Europeesche politiek. Beide koningen waren door de banden des bloeds en der godsdienst evenzeer als door neiging nauw verbonden. Beiden namen in den godsdienststrijd, die de eerste helft der zeventiende eeuw verontrustte, eene geheel gelijke plaats in. Weifelend als hunne houding van het begin tot het einde was, kon zelfs het krachtig optreden van beiden als kampvechters voor de protestantsche belangen,--eene inspanning, waartoe beiden slechts eenmaal gedurende hunne geheele regeering in staat waren,--hen niet bevrijden van de voortdurende verdenking, dat zij Spaansche sympathiën koesterden en dat zij slechts in de katholieke mogendheden hunne ware vrienden zagen. Deze veranderlijke houding aan de eene zijde, dat wantrouwen aan de andere, oefenden natuurlijk op de betrekkingen van beiden met eene zuiver protestantsche mogendheid als Nederland een machtigen invloed. Met de gedurige wisseling der politieke gezindheid veranderden ook de onderhandelingen over andere zaken dikwijls van karakter.
Men zou lichtelijk meenen, dat dan ook de betrekkingen van Nederland tot Engeland en Denemarken gedurende de eerste helft der zeventiende eeuw van volkomen denzelfden aard waren. Toch was dit volstrekt niet het geval. Terwijl tusschen Engelschen en Nederlanders de rivaliteit op commerciëel gebied gedurig tot hoogloopende onaangenaamheden aanleiding gaf,--onaangenaamheden, die gelijkheid van belangen toch steeds weder tot diplomatieke geschillen beperkte,--droegen de betrekkingen van Nederland en Denemarken eene minder bepaalde kleur. Ook Denemarken had zijnen mededinger, maar Zweden, niet Nederland was de mogendheid, die de afgunst der Denen gold. Bij veel overeenkomst in de zuiver politieke betrekkingen is er dan ook in de onderhandelingen, die den handel betreffen, een groot verschil tusschen Jakob I en Christiaan IV in de houding door hen tegenover Nederland aangenomen. Bij beiden bestond een machtige drijfveer, die de commerciëele betrekkingen steeds tot hetzelfde doel leidde; maar terwijl Jakob I bij al zijne vertoogen op den bloei van den Engelschen handel het oog moest hebben, bezielde slechts de zucht om zooveel mogelijk voordeel van de vreemde natiën te trekken den koning van Denemarken, wanneer hij met hen in aanraking kwam. De twisten over de tollen in den Sond en te Glückstadt zijn daar om van het streven van den inhaligen Noordschen vorst te getuigen. Het is natuurlijk, dat ook de geschillen over de vaart op Spitsbergen datzelfde karakter vertoonen. Aan dit doel werden gedurende twintig jaren de krachten der Deensche diplomatie dienstbaar gemaakt; hevige vertoogen, gewelddadige handelingen, commerciëele knoeierijen, list noch geweld werd gespaard om te bewerken, dat de Europeesche natiën zich cijnsbaar aan Denemarken erkenden. Toen eindelijk de eischen der schatkist door ruimere inzichten werden tot zwijgen gebracht, en ook de belangen der Deensche onderdanen gewicht in de schaal begonnen te leggen, was de Nederlandsche handel in het noorden aan de voogdij van Denemarken geheel ontwassen en de aangematigde souvereiniteitsrechten moesten wel ter zijde gesteld worden. Zoo behielden ook hier de Nederlanders het veld: ook tegenover Denemarken bleven de Staten-Generaal standvastig in hunne ontkenning der uitsluitende rechten van anderen. In het bewustzijn hunner macht handhaafden zij hun standpunt, en terwijl zij niet schroomden handelend op te treden, waar zij hunne rechten geschonden oordeelden, versmaadden zij ook de hulp der diplomatie niet, waar zij meenden, dat die hun goede diensten kon bewijzen. Slechts éen vlek ontsiert hunne overigens even waardige als verstandige houding: de vrijzinnige politiek, over het geheel tegenover Engeland gevolgd, kenmerkte hier hunne daden niet. Hadden zij de vrijheid der zee bijna altijd tegen Jakob I verdedigd; tegenover Denemarken, de minder machtige staat, was hun gedragslijn in theorie niet minder onvrijzinnig dan die van Christiaan IV zelven. Slechts de eischen der praktijk en van eene verstandige politiek verzachtten hunne onrechtmatige beweringen. Het resultaat, door de wrijving van beide machten verkregen, was echter zeer bevredigend: de beide volken verkeerden eindelijk volkomen vrij naast elkander aan Spitsbergen.--Laat ons nu de handelingen van beide regeeringen en volken wat meer van nabij beschouwen.
* * * * *
In het begin van Juli 1615 werden de op Spitsbergen aanwezige walvischvaarders verrast door de aankomst van drie Deensche oorlogschepen. Ook ditmaal waren het onderdanen van koning Jakob I, die den vreemdelingen den weg naar het nooit bezochte eiland hadden gewezen. Kapitein op een der schepen was de Schot Sir John Cunningham[855], stuurman was James Vadun[856], beiden beproefde reizigers in de IJszee. De Deensche admiraal liet het anker vallen in Crossroad en, zeer voorzichtig in eene zaak van zooveel belang, poogde hij den Engelschen kapitein Fotherby, die daar weldra aankwam, over te halen om met hem mede te varen als getuige van wat er tusschen hem en de Engelsche bevelhebbers zou voorvallen. Fotherby had daartoe echter geen tijd, en geweld schijnen de Denen toch niet te hebben durven gebruiken[857]. Zij besloten alleen Sir Thomas Smiths-bay in te zeilen en vonden daar Thomas Edge met zijn schip. Men eischte van hem betaling van eene recognitie onder beroep op het recht, dat de koning van Denemarken op Spitsbergen had. Edge weigerde bepaald en beweerde van zijne zijde, dat Spitsbergen aan zijnen vorst behoorde[858]. De Denen schijnen zich daarop tot de Nederlanders gewend te hebben, ten minste ook dezen werden met dergelijke eischen lastig gevallen. Bij de groote macht, die de Noordsche Compagnie echter juist dit jaar op Spitsbergen had (elf schepen en drie groote oorlogschepen tot konvooi), is het niet te verwonderen, dat de Denen hier geen beter onthaal vonden dan bij de Engelschen: commandeur Schrobop antwoordde, dat men niets wist van een recht van Denemarken, waarop de Nederlandsche walvischvaarders inbreuk maakten door volgens het gemeene recht in de IJszee te visschen[859]. Dit was de eerste stap, door Denemarken tot handhaving van zijn recht gedaan[860]; langs diplomatieken weg zette men weldra het begonnen werk voort.
[855] Br. v. Fotherby aan Edge dd. 15 Juli 1615, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 731.--Fotherby noemt hem eigenlijk „Captaine Killingham”, maar ik geloof, dat de gissing niet gewaagd is, dat hier Sir John Cunningham bedoeld wordt, die reeds in 1605 en 6 in Deenschen dienst naar de Noordpool gezeild was. (Barrow, Voyages into the arctic regions, p. 169, 73.--Vgl. over hem: hiervóor p. 213 Noot 2.{[789]})
[856] Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 467.--Vadun (ook Vaden genoemd) was reeds in 1611 als kapitein van het schip ~The Amitie~ ter ontdekking naar Pechora en den Ob gezeild. Zie over die reis: Purchas, Pilgrimes. III p. 530-34.
[857] Brief v. Fotherby aan Edge dd. 15 juli 1615, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 731, 32.
[858] Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 467.--Macpherson, Annals of commerce. II p. 282.
[859] Miss. v. de Stn.-Gen. aan Christiaan IV dd. 13 April 1616, in: L. D. 1616.--De Nederlanders waren op de aanmatiging der Denen eenigszins voorbereid, zooals blijkt uit de mededeeling in de N. Z. 28 Mei 1615 over de uitrusting van acht Deensche oorlogschepen tegen de walvischvaarders.
[860] Aanleiding tot het plotseling handelend optreden van Denemarken gaf, zoo men hunne tegenstanders gelooven mag, de onvoorzichtige handelwijze van de Amsterdamsche bewindhebbers der N. C., die in 1615 eene afzonderlijke compagnie voor de walvischvangst aan de Noordkaap oprichtten en daartoe verlof van Denemarken vroegen tegen betaling van den tienden visch. Christiaan IV zou daardoor op het denkbeeld gekomen zijn om „van allen ende een ijgelicken noort op visschende gelijcke proffijt te trecken”, onder voorwendsel dat alle noordelijke landen aan de Deensche kroon behoorden. Zoo zou de N. C. de Denen „opt lijff gecregen” hebben. („Cort advertissement” en „Debath” v. Kien en Leversteyn tegen de N. C. van 1616, in: Noordsche togten. 1. R.-A.)