Geschiedenis der Noordsche Compagnie
Part 3
[18] Zie over de Moscovische Compagnie: Hamel, Tradescant. p. 88-90, 162, 212.--Asher, Hudson the Navigator p. CII, CIII, CXXIII, CXXV.--Beke, Three voyages by the north-east. p. II-IV, VII.--Hakluyt, Divers voyages. p. LXXXV, LXXXVI.--Read, Hist. inq. conc. Henry Hudson. p. 21 vlg.
Dadelijk na hunne vereeniging maakten de kooplieden zich op Cabots aandrijven gereed het voorgestelde doel, de ontdekking van nieuwe landen, te bereiken. Reeds in 1553 zeilde eene expeditie naar het noordoosten. In plaats van Cabot, die te oud was om persoonlijk de ontberingen eener noordelijke ontdekkingsreis te verduren, werd Sir Hugh Willoughby, een ervaren krijgsman van aanzienlijke familie[19], aan het hoofd der onderneming gesteld. Als opperstuurman werd hem de bekwame Richard Chancellor toegevoegd. De drie schepen, waaruit de kleine vloot bestond, de Bona Esperanza, de Edward Bonaventure en de Bona Confidentia, verlieten de haven van Ratcliff den 10 Mei 1553. Geheel Engeland zag met belangstelling den uitslag der onderneming te gemoet. Het resultaat was dubbel belangrijk. Niettegenstaande een hevige storm reeds spoedig op de kust van Noorwegen den Edward Bonaventure, met Richard Chancellor aan boord, van de overige schepen scheidde, zeilden beide afdeelingen moedig voort. Willoughby ontdekte den 14 Augustus Novaya Zemlya. Hij bereikte dat gedeelte van het eiland, dat de Ganzenkust heet en dat op de nieuwste kaarten ter zijner eere Willoughby-land genoemd wordt[20]. Het ijs belette hem te landen en na vruchteloos getracht te hebben noordwaarts te zeilen besloot hij de Russische kust op te zoeken. Hij bereikte den mond van de rivier Warsina, waar het ijs hem insloot. In deze zeer ongunstig gelegen haven in eene verlatene streek moesten de daarop niet voorbereide schepen overwinteren. Het volgend voorjaar vonden de Laplanders ze beiden ingevroren: de geheele bemanning was van koude en gebrek omgekomen.
[19] Zie over den persoon en de familie van Willoughby met zeer overdrevene uitvoerigheid: Hamel, Tradescant der Aeltere. p. 91-104.
[20] Dat Willoughby-land en de Ganzenkust identiek zijn, wordt nu algemeen erkend. (Beke, Three voyages by the north-east. p. V.--Asher, Hudson the Navigator, p. CXXIV, CLVIII.--Hamel, Tradescant der Aeltere. p. 110.) De eer van dit overtuigend bewezen te hebben komt toe aan Rundall. (Voyages towards the north-west. p. III-VI.)--Tot zoover is men het eens; over de quaestie of Willoughby ~na~ de ontdekking van Novaya Zemlya ook Spitsbergen heeft gevonden ~kan~ nog eenig verschil bestaan. Bij de overtuigende gronden door Rundall (l. c. p. VI-XII) ~tegen~ dit gevoelen aangevoerd, zou men m. i. nog deze kunnen voegen, dat het onwaarschijnlijk, ja bijna onmogelijk is, dat Willoughby in een reis van negen dagen door eene altijd met ijs bezette zee (terwijl hij in het gunstigste geval slechts ~drie~ dagen noordelijk gezeild is en overigens meest zuidoost of zuidwest) den grooten afstand heeft afgelegd tusschen Novaya Zemlya’s zuidwestpunt en Spitsbergen.
Van meer dadelijk belang voor de compagnie was het resultaat door Chancellor bereikt. Met zijn schip, waarvan de bekende Stephen Burrough kapitein was, oostwaarts gezeild, kwam hij in de Witte Zee en landde 24 Augustus 1553 aan den mond van de Dwina. Welwillend ontvangen overwinterde de bemanning aldaar. Chancellor zelf vertrok over land naar Moscou, waar hij den czaar bereid vond tot het aanknoopen van handelsbetrekkingen. Dit heugelijk bericht, door hem het volgende jaar aan zijne lastgevers overgebracht, gaf aanleiding tot het aanknoopen van een geregeld verkeer tusschen Engeland en den mond der Dwina, waar spoedig op het Rozen-eiland bij Kholmogorui eene kolonie van Engelschen verrees[21].
[21] Zie over het handelsverkeer tusschen Engeland en Rusland voornamelijk in de eerste twintig jaren: Hamel, Tradescant der Aeltere 1618 in Russland. In dit zeer geleerde, zeer onsystematisch bewerkte en met vele onbelangrijke kleinigheden opgevulde boek vindt men over dezen handel nauwkeurige en uitvoerige berichten van het grootste belang, die grootendeels uit de voor ons zoo moeielijk toegankelijke Russische archieven geput zijn.
Niettegenstaande deze handel weldra bijna alle aandacht der jeugdige compagnie tot zich trok, werden toch de pogingen tot het ontdekken van den noordoostelijken doortocht naar Oost-Indië niet opgegeven. Reeds in 1556 werd Stephen Burrough, die kapitein was geweest van Chancellors schip, uitgezonden om nadere kennis omtrent de noordoostelijke zee te verkrijgen en bepaaldelijk om den mond van de rivier den Ob te verkennen. Met een klein schip de Searchthrift verliet hij 23 April Gravesend, bevond zich 9 Juni te Kola, stak verder oostwaarts gezeild den mond der Witte Zee over en volgde van daar nagenoeg de lijn der Russische kust. Langs het eiland Kolguev bereikte de moedige zeeman den 31 Juli Vaigatsch, waar hij landde; hij zag Novaya Zemlya en ontdekte den ingang naar de zee van Kara, de breede naar hem genoemde Burroughs-straat, ook wel Kara-straat geheeten[22]. Maar toen hij de nog door geen Europeaan bezeilde zee was ingevaren, vond hij het ijs daar in zulke hoeveelheden ronddrijven, dat hij het ongeraden achtte verder te gaan. Den 5 Augustus keerde hij terug en kwam 11 September behouden te Kholmogorui aan.
[22] Dat deze straat later voor de noordpoolreizen zelden of nooit meer gebruikt werd, is waarschijnlijk aan hare ondiepte toe te schrijven. Massa teekent toch daarbij op zijne kaart (in Hessel Gerritsz’ Beschr. v. Samoyeden-Landt) aan: „Hier machmen by hoogh water overvaeren, anders ist droogh.” Witsen (Noord en oost Tartarye. p. 921) is van een ander gevoelen en verhaalt, dat „de Moskoviten de vaert benoorden ’t Eiland Waigats na de Binnen-zee schouwen, maer meest altoos de doortogt naest aen de vaste Kust gebruiken, hoewel de Noorder-straet het diepste is. Zy zyn vreesachtig,” voegt hij er bij, „dat van die zyde meer gevaer is, om dat aldaer de meeste Ys-schollen zoude(n) zyn.”
Hoezeer deze reis de geographische wetenschap eene belangrijke schrede voor uitbracht, waren hare praktische resultaten eer ontmoedigend dan verblijdend. De zekerheid was wel is waar verkregen, dat de hinderpaal, die zich zoo onverwachts in de IJszee tot ver in het noorden uitstrekte, den toegang naar het oosten niet geheel sloot, maar men had zich tevens kunnen overtuigen, dat de verdere weg naar Oost-Indië met vele bezwaren bezet was,--dat niet alleen kaap Tabin, het doel waarnaar ieder zeeman streefde, maar zelfs de mond van den Ob niet gemakkelijk te bereiken was. Onder deze omstandigheden besloot de compagnie, meer en meer door den handel op de Dwina beziggehouden, eenen weg in te slaan, die waarschijnlijk spoediger tot resultaten van praktisch belang zou leiden dan de tot dusver beproefde. Verschillende pogingen werden door Anthony Jenkinson op haren last aangewend om overland het rijke Cathay te bereiken en onderweg handelsbetrekkingen met Perzië aan te knoopen. Maar dit plan mislukte volkomen: de onderlinge oorlogen der aldaar wonende stammen beletten, dat er een vreedzame handelsweg door Azië’s binnenlanden geopend werd[23].
[23] Hamel, Tradescant der Aeltere. p. 199-203.--Read, Henry Hudson. p. 55, 59.
Toen het zoodoende gebleken was, dat de weg overland aan meer bezwaren en meer wisselvalligheden onderworpen was dan die over zee, sloeg de compagnie den ouden weg op nieuw in. Herhaaldelijk beproefde zij van de noordelijke kusten ten minste eene eenigszins nauwkeurige kennis te verkrijgen. Het doel was bij die tochten niet zoozeer het omzeilen van kaap Tabin,--de onverwachte ontdekking van Novaya Zemlya schijnt de toenmalige geographen aan de juistheid van Plinius’ mededeelingen te hebben doen twijfelen,--maar voornamelijk om te onderzoeken of ergens voorbij den Ob de kust zich al dan niet noordwestwaarts omwendde en door aansluiting aan Novaya Zemlya’s noordoostpunt een baai vormde, die aan alle verdere pogingen om den doortocht naar Oost-Indië langs dien weg te vinden eens en voor goed een onoverkomelijken hinderpaal in den weg moest leggen. Tevens werd den reizigers op het hart gedrukt om te onderzoeken, of het door Willoughby ontdekte land al dan niet verbonden was met het door Burrough geziene Novaya Zemlya, en om te ontdekken hoedanig de gesteldheid was van de kusten van den Ob en van de bewoners dier streken.[24]
[24] De instructiën aan Bassendine c. s. in 1568 en aan Pet en Jackman in 1580 door de Moscovische Compagnie gegeven, zijn nagenoeg volkomen eensluidend wat het doel der reis betreft. Men moet echter uit dit feit geene conclusiën trekken over de algemeene verspreiding der daarin vervatte beschouwingen, immers ~beide~ stukken zijn van de hand van den bekenden William Burrough. (Hamel, Tradescant der Aeltere. p. 223 en vooral p. 185 Noot 1.--Beke, Three voyages. p. XXV.) De lijst van geschriften van W. Burrough in de inleiding van Hakluyts Divers voyages (p. LXI) moet dus met deze beide vermeerderd worden.
Van de tochten met dit oogmerk ondernomen zijn ons slechts zeer onvolledige berichten bewaard gebleven. Slechts van éene reis, die van Arthur Pet en Charles Jackman in 1580, kunnen wij een eenigszins volledig overzicht geven. Evenals in 1553 was de belangstelling in dezen tocht, waaraan men een meer dan gewoon gewicht schijnt gehecht te hebben, in Engeland zeer levendig. Met twee schepen, de George en de William, verlieten Pet en Jackman, twee ervaren zeelieden, 31 Mei 1580 de reede van Harwich. Reeds den 24 Juni, niet ver voorbij Wardöhuus, moest echter Jackman tot herstel van zijn ontredderd scheepje--de William--de kust opzoeken. Pet zette zijne reis moedig voort: hij bereikte, Willoughby’s spoor volgende, Novaya Zemlya nagenoeg op dezelfde plaats als zijn voorganger en maakte zoodoende de identiteit van Novaya Zemlya en Willoughby-land voor goed uit, een feit, waarop door de toenmalige geographen echter geen acht geslagen is. Op eenigen afstand van de kust--ijs en mist beletten hem haar geheel te volgen--zeilde Pet langs Novaya Zemlya, miste den ingang van Burroughs-straat, die vol ijs zat, en kwam 17 Juli in de baai van Pechora aan. Bij de eerste goede gelegenheid vertrok hij weder van daar; volgde de Russische kust en ontdekte de tweede opening, die toegang verleent tot de zee van Kara, Yugorsky-sjar, door de Hollanders later straat van Nassau, door de nieuwere geographen echter naar haren ontdekker Pets-straat genoemd. Na vruchtelooze pogingen om door het ijs te breken, ontmoette onze reiziger volgens afspraak zijnen tochtgenoot Jackman bij Vaigatsch. Beide bevelhebbers besloten nu noordwaarts te zeilen om eene ijsvrije zee te zoeken, maar vruchteloos! Na eene nieuwe beraadslaging besloot men de reis op te geven en den terugtocht aan te nemen. Pet kwam 26 December behouden te Ratcliff aan, Jackman overwinterde in eene Noorweegsche haven en men heeft sedert dien tijd niets meer van hem vernomen.
Van de overige expedities, door de Moscovische Compagnie omstreeks dezen tijd uitgezonden, weten wij uiterst weinig.[25] Uit verspreide berichten vernemen wij, dat er in 1568 een plan heeft bestaan tot eene expeditie met geheel hetzelfde doel als die van Pet en Jackman, onder Bassendine, Woodcocke en Browne, en dat deze expeditie waarschijnlijk vertrokken is. Vóor 1584 zijn er nog verschillende andere reizen door Engelschen gemaakt met het doel om den mond van den Ob te vinden, en wel niet zonder belangrijke resultaten, die echter ongelukkig alle voor de wetenschap verloren zijn gegaan. De eerste dier reizen had ten gevolge het vinden van den weg ter zee naar den mond van den Ob, eene wetenschap, die aan Europa niet bekend werd, daar alle deelnemers aan de expeditie door de Samojeden vermoord werden.[26] Zekere Anthony Marsh, onbekend met het resultaat door zijne landgenooten verkregen, deed in dienst der compagnie nogmaals den landweg beproeven. Een Rus met name Bodan, bereikte op zijnen last zoodoende den Ob weder, maar de czaar keurde dergelijke proefnemingen ten sterkste af: hij zette Bodan gevangen, ontnam hem zijn rijke voorraad koopmansgoederen en belette daardoor op nadrukkelijke wijze alle verdere proefnemingen met gebruikmaking van de verkregen kennis. Marsh beraamde eindelijk in 1584 een nieuw plan om den Ob te bereiken. Eenige Russen zouden voor hem in twee vaartuigen de rivier de Pechora opzeilen, van daar door eene andere rivier, door hen Ouson genoemd (de Ussa?), in den Ob komen en dien met den stroom afzakken. De Russen gaven aan Marsh de keus tusschen dezen weg en dien door Mathijs-straat over de zee van Kara naar den mond van den Ob. Of er ooit iets van deze onderneming gekomen is, is niet bekend. Eene ontdekking van niet minder belang was de kennis, die Marsh door deze Russen verkreeg van het bestaan en de ligging van Mathijs-straat zelve (Matyushin-sjar tusschen Novaya Zemlya en Mathijs-land), de derde en voor zoover bekend is de laatste weg naar de zee van Kara[27].
[25] Zie intusschen daarover: Hamel, Tradescant. p. 313, 22.
[26] Zie over deze reis breedvoerig: Hamel, Tradescant der Aeltere. p. 322 Noot 2. Hamel plaatst haar op goede gronden in 1581 en maakt het waarschijnlijk, dat Jackman en de zijnen de moedige reizigers geweest zijn, die hier den dood vonden.
[27] Van een vierden weg door Novaya Zemlya naar de zee van Kara, tusschen Mathijs-land en Lütke’s-land wordt het bestaan wel vermoed; het is echter nog niet gelukt hem te ontdekken. Hamel (Tradescant. p. 321) gelooft er niet aan.
Hoe belangrijk de tot 1584 verkregen uitkomsten zijn mochten, men kon zich niet verhelen, dat men na dertig jaren zoekens nog slechts éene schrede op den moeielijken weg naar Oost-Indië gevorderd was. Ook nu men den mond van den Ob bereikt had, bleven de grootste hinderpalen op dien weg zelfs ondoorzocht. Volgde men Plinius’ uitspraken, dan bleef de verre noordelijkste punt van Azië kaap Tabin nog steeds in het duister; het bleef twijfelachtig of op zulk eene noordelijke hoogte de zee bevaarbaar was. En de vrees, dat de zee van Kara niets dan eene groote baai zou zijn, die den weg naar Oost-Indië afsloot, was niet weggenomen. Onder deze omstandigheden schijnt de compagnie, die nu reeds naar haren uitgebreiden handel op de Witte Zee terecht den naam van Moscovische droeg, besloten te hebben aan dien handel al hare aandacht te wijden. Noch Hakluyt, die zooveel belang gesteld had in de noordpoolreis van 1580 en wiens beroemd werk ~Principal Navigations~ eerst in 1589 verscheen, (de tweede editie is van 1598),--noch Purchas, die de wetenschappelijke nalatenschap van dezen uitnemenden geleerde in materiëelen en immateriëelen zin aanvaardde, melden iets van Engelsche ontdekkingsreizen naar het noordoosten na 1584. De reis van Pet en Jackman schijnt de laatste expeditie van eenig belang geweest te zijn, door Engelschen uitsluitend tot het doen van ontdekkingen naar het noordoosten uitgezonden, totdat de opmerking, dat de IJszee in den walvisch een onmetelijken rijkdom in hare wateren verborg, op nieuw tot het opsporen van onbekende landen aanzette[28].
[28] In het verhaal dezer noordoostelijke tochten volgde ik voornamelijk de uitnemende inleiding voor: Beke, Three voyages by the north-east.
Maar de taak, die de Engelschen na moedig en ijverig pogen dus onafgewerkt gelaten hadden, werd dadelijk door eene andere natie opgevat. De rivaliteit, die Engeland en Nederland gedurende de geheele zeventiende eeuw verdeelde, nam reeds op het einde der zestiende een aanvang. In de onherbergzame wateren der IJszee begon een strijd, die zich van daar over alle oorden der wereld zou uitbreiden,--een strijd, die op de geschiedenis van geheel Europa den beslissendsten invloed zou oefenen.
HOOFDSTUK I.
DE NEDERLANDERS IN DE IJSZEE. (1565-1613.)
»Men miskent het doel der wetenschap, als men hare waarheden minder hoog schat, omdat men de nuttige toepassingen niet ontdekt, die men daarvan zal kunnen maken[29]”. Zoo is het waarlijk! De wetenschap is het slechts te doen om waarheid op elk gebied: met de eischen der praktijk kan zij zich niet dan accidenteel bezighouden. Gelukkig echter is het nut der wetenschap daarom nog niet uitsluitend in het ontdekken van waarheden gelegen, die, hoe gewichtig ook, toch soms zeer koel door het algemeen ontvangen worden. De onbaatzuchtige geleerde, wien het alleen om die waarheden te doen is, doet soms op zijnen weg ongezochte en onverwachte ontdekkingen, die aanleiding geven tot het verbeteren van bestaande of het scheppen van nieuwe toestanden,--ontdekkingen, die door personen alleen op praktische resultaten bedacht bezwaarlijk zouden zijn gedaan. Op deze wijze zijn verreweg de meeste der uitvindingen verkregen, die de negentiende eeuw zoo oneindig ver boven de vorige verheffen; op deze wijze verwierven ook de Nederlandsche noordpoolreizigers der zeventiende eeuw een ongedachten prijs voor hunne inspanning.
[29] Spruyt, De achterhoede van het idealisme. (Gids, Juni 1872. p. 391.)
De herhaalde reizen door de Nederlanders op het einde der zestiende en in het begin der zeventiende eeuw in de IJszee gedaan, versierden de namen der eenvoudige zeelieden die ze ondernamen met onverwelkbare lauweren, en zelfs nog zeer onlangs verleenden onverwachte ontdekkingen aan den roem van hun moed en volharding nieuwen glans. Zij brachten over tot dien tijd nagenoeg onbekende streken verrassende berichten en bewezen aan de wetenschap dier dagen belangrijke diensten. Maar te gelijk verwierven zij ook voor hunne volharding eene belooning van practischen aard, al werd het doel, dat zij zich voorgesteld hadden, in weerwil van al hunne inspanning niet bereikt. De gezochte handelsweg naar Oost-Indië bleek meer en meer een hersenschim, maar onverwachts werd den moedigen ontdekkers een ruim veld geopend, waarop de energie hunner landgenooten door het vestigen der walvischvangst eerlang schatten zou verwerven.
Men make uit het voorgaande de gevolgtrekking niet, dat het den helden op wie ik het oog heb om een zuiver wetenschappelijk belang te doen was. Overdreven zucht tot verheerlijking van het voorgeslacht moge soms de Staten voorgesteld hebben als edele menschen, die van liefde tot de wetenschap blakende kostbare expeditiën uitrustten om de menschheid met de wonderen der IJszee bekend te maken; teleurgestelde nationale trots moge het zelfs den moedigen ontdekkers tot schande aangerekend hebben, dat zij niet uit zuivere zucht om de kennis van den aardbol te vermeerderen maar uit baatzucht hunne reizen ondernamen: deze traditioneele voorstellingen, deze overdreven eischen zijn even onjuist als onbillijk. Reeds in theorie schijnt het voor eene regeering onwenschelijk, de plannen van zuiver wetenschappelijke mannen, die zich met de eischen der practijk niet inlaten, uit hare middelen te steunen. Partikulieren als Hakluyt en Mercator mogen tijd en geld overhebben voor het doen van nasporingen, die slechts theoretisch nut opleveren; de staat, die het algemeen belang moet behartigen, kan zich met die nasporingen niet inlaten, wanneer er niet gegronde hoop bestaat, dat ze tot een praktisch nuttig resultaat zullen leiden. Het is reeds veel, zoo de regeering door premiën en belooningen voor verkregen uitkomsten de beoefening der wetenschap aanmoedigt; eerst wanneer de geleerde onderzoekingen haar bevorderlijk schijnen voor het algemeen belang mag zij zelve daaraan deelnemen. Hoeveel te minder mag men hoogere eischen stellen aan de leiders van den gewapenden opstand tegen Spanje, in eenen tijd toen geld en nogmaals geld het doel der verarmde onderzaten bij al hunne ondernemingen was en zijn moest, toen de behoefte van den geest aan iets hoogers dan de belangen der geldkist zich bijna uitsluitend uitte in een streng vasthouden aan den onlangs aangenomen kerkvorm! Hoe getuigt het veeleer voor den ruimen blik der Staten-Generaal, voor hun gezonden practischen zin, voor hunne verlichte denkbeelden, dat zij niet meer maar ook niet minder deden dan men zelfs in gewone omstandigheden van eene regeering eischen mag!
Want de laatste twintig jaren der zestiende eeuw waren waarlijk geene gewone: het was een donkere tijd van algemeene ellende. De godsdiensttwisten, die Europa beroerd hadden, lieten bijna alle staten uitgeput achter en nog was er overal overvloedige brandstof opgehoopt, die eerlang de vlammen feller dan te voren zou doen uitbarsten. Spanje was door den reeds langen oorlog met zijne oproerige onderdanen verzwakt en verspilde zijne krachten met pogingen om in Frankrijk de leiding der zaken in handen te krijgen. En wel stuitten die pogingen af op den nationalen zin van het Fransche volk, maar Hendrik IV won slechts een land, sinds lange jaren door bijna onafgebroken bloedige twisten geteisterd en nog steeds door den bittersten partijhaat verdeeld. In Duitschland heerschte na de overwinning der protestantsche partij een betrekkelijke rust, maar de aanhoudende verdeeldheden deden reeds voorzien, dat de godsdienst ook hier in de politiek haar laatste woord nog niet gesproken had. Ook Engeland, dat onder het bestuur der protestantsche koningin tijden van ongekende welvaart doorleefde, moest alle aandacht wijden aan den toestand van het buitenland, wilde het zijne zelfstandige plaats tusschen de nog steeds vijandig tegen elkaar overstaande partijen behouden. Slechts éen volk ontwikkelde onder de algemeene verslapping plotseling groote energie. Het godsdienstige antagonisme, dat overal elders zoo nadeelig werkte, had in Nederland integendeel alle sluimerende krachten gewekt. Met taaie volharding werd de strijd gestreden; het enthousiasme van een jeugdig volk, dat zich nu voor het eerst één voelde tegen den algemeenen vijand, wekte tot groote daden op. Had ook Holland zelf in de middeleeuwen zijne vlag reeds op eene niet onaanzienlijke handelsvloot doen wapperen, de overkomst van talrijke Zuid-Nederlandsche vluchtelingen had nieuwen moed en nieuwe talenten in de bevolking ontwikkeld. De voorname Vlamingen, die in die jaren dikwijls den toon aangaven en in bijna alle ondernemingen van eenig belang gemoeid waren, deelden aan de Noord-Nederlanders hun heftigen ijver mede voor kerkelijke rechtzinnigheid, maar ook hunne ondernemingszucht en hunne ervaring in handel en nijverheid, en bepaalden zoodoende zelfs voor een goed deel het karakter der Nederlandsche natie gedurende den tachtigjarigen oorlog. Gesterkt door deze even talentvolle als vermogende schare, doorleefden de Hollanders bange tijden zonder te bezwijken: het gevaar en het ongeluk scheen hun slechts een nieuwe prikkel tot krachtsinspanning te zijn. Geleid door eene regeering, die, hoewel in geenen deele als eens haar vorstelijke leider den tijd waarin men leefde vèr vooruit, toch steeds in hare betrekkingen met handel en nijverheid eene even vrijzinnige als vrijgevige politiek volgde, geraakte het jonge gemeenebest eerlang tot verbazenden bloei. Niet tevreden met de oude banen, zocht de ontluikende energie naar nieuwe wegen om de welvaart te vermeerderen en onder het krijgsrumoer, dat haar soms van nabij dreigde, vond de wetenschap op het kleine plekje gronds reeds toen eene eervolle plaats.