Geschiedenis der Noordsche Compagnie

Part 29

Chapter 293,707 wordsPublic domain

De Noordsche Compagnie was met ’s konings beslissing maar weinig ingenomen. Het was te verwachten, dat de Engelschen de in 1618 ondergane beleediging niet ongewroken zouden laten en reeds in het voorjaar van 1619 had de Noordsche Compagnie den Staten-Generaal dan ook voorgehouden, dat de handel op Spitsbergen zou moeten worden opgegeven, zoo de compagnie niet krachtige hulp tegen de Engelschen verkreeg[803]. Dien zomer was de vijandige gezindheid hunner mededingers den Nederlanders op Spitsbergen maar al te zeer gebleken[804]; directe vijandelijkheden waren slechts door hunne overmacht voorkomen.[805] Nu de koning zijne vergunning aan de compagnie afhankelijk gesteld had van het vergoeden der schade, was het dus twijfelachtig, hoe de Nederlandsche schepen op Spitsbergen ontvangen zouden worden: aan restitutie der geroofde Engelsche goederen toch dacht de compagnie niet. Zij wendde zich daarom tot de Staten-Generaal met het verzoek haar op de eene of andere wijze de zekerheid te verschaffen, die zij zoozeer behoefde[806]. De regeering was met de zaak blijkbaar verlegen; zij durfde niet door te tasten. Den weg in te slaan, dien de Noordsche Compagnie zelve had aangewezen, namelijk van Jakob I of zijnen Raad eene »naerder verclaringe” of een »gebot van Vrede” te verzoeken, dit waagden de Staten niet: het was zaak de quaestie der restitutie niet op te rakelen. Maar ook de dan eenig mogelijke zekerheid werd niet aan de compagnie verleend: slechts éen konvooischip stonden de Staten haar toe[807]. Gelukkig was de vrees der Nederlanders voor aanvallen van Engeland ongegrond; de Moscovische Compagnie zelve had in de laatste jaren zulke groote sommen bij de walvischvangst verloren, dat zij er een oogenblik zelfs aan dacht het verkeer met Spitsbergen op te geven. De oude reeders ter walvischvangst verklaarden zich ongezind, hun geld verder aan zulke wisselvallige kansen te wagen; slechts de wakkere Edge had den moed met eenige andere leden der compagnie eene nieuwe uitrusting te beproeven[808]. Uit den aard der zaak waren echter hunne krachten gering, en hoewel men in Engeland de Nederlandsche ambassade van 1621 herhaaldelijk lastig viel over het betalen der schadevergoeding[809], hoewel de Engelsche walvischvaarders zelve luide klaagden over den last hun door de Nederlandsche concurrenten aangedaan[810], tot dadelijkheden kwam het voorloopig niet.

[803] R. S.-G. 23, 28 Mrt., 15 Mei 1619.

[804] Salmon Jr. schreef 5 Juli 1619 aan Heley (Purchas, Pilgrimes. III p. 735): „I doubt not but we shall call the Dutch to account of how many tunnes of Oyle they haue made, as they did call vs the last Voyage to account: my loue is such vnto them, that I protest I could wish with all my heart that we might goe and see them, and to spend my best bloud in the righting of our former wrongs.”

[805] Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 469.

[806] Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 27 Mrt. 1620, in: Noordsche togten 2. Admiraliteit. 1618-24. R.-A.--Miss. v. de Gecommitt. Raden v. Zeeland dd. 4 Febr. 1620, in: Lias loop. 1620, en als bijlage achter de N. Z.--R. S.-G. 15, 18 Febr. 1620.--N. Z. 4 Febr. 1620.

[807] R. S.-G. 15, 18 Febr., 23, 27 Mrt., 9, 10, 11, 13 April 1620.--Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 27 Mrt. 1620, in: Noordsche togten. 2. Admiraliteit. R.-A.

[808] Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 469.

[809] Muller, Mare Clausum. p. 178, 80, 82, 83, 84, 85.

[810] Brieven v. Catcher, Salmon, Fanne en Goodlard, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 735-37.--De Engelschen meenden, dat God, vertoornd over het storten van bloed in 1618, de zeeën om Spitsbergen door de walvisschen had doen verlaten. „I doe verily perswade my selfe,” schrijft Salmon 6 juli 1621, „that God is much displeased for the blood which was lost in this place, and I feare a perpetuall curse still to remaine yet.” „Our harbour,” dus verhaalde ook Catcher 29 Juni 1623, „manie say still, is vnpossible to make a Voyage by reason that the Flemmings shed bloud there, which I pray God to take that plague from vs.”

Des te meer drong Jakob I er echter op aan, dat de zaak der restitutie in der minne werd afgehandeld. Was hij slechts met moeite overgehaald aan de Nederlandsche ambassadeurs van 1621 uitstel te verleenen tot de maand Juni van dat jaar[811], aan Carleton zond hij weldra den last om de Staten-Generaal met nadruk te vermanen, aan de gezanten, die op het einde van 1621 gereed stonden om naar Engeland te vertrekken, volmacht te geven om deze aanstootelijke zaak voor goed ten einde te brengen. De gezant volbracht dit bevel met onvermoeiden ijver[812]. De Staten konden niet weigeren en machtigden hunne ambassadeurs, om de zaak der restitutie af te doen des noods door middel van arbiters; mocht men hun van eene regeling voor het vervolg spreken, dan moesten de gezanten dezelfde voorslagen doen, die in 1619 de Engelschen zoo weinig behaagd hadden. Zonder uitdrukkelijken nieuwen last der Staten mochten zij daarvan niet afwijken.

[811] Muller, Mare Clausum. p. 184.

[812] R. S.-G. 10 Apr., 18 Mei, 29 Juli, 24 Nov. 1621.--R. H. verg. v. 25 Mei-26 Juni (p. 105, 115, 116, 124, 133), 20 Sept. 1621.

Spoedig bemerkten de gezanten (de heeren Van Aerssen, Bas en Tuyll Van Serooskercke), dat de Groenlandsche zaak den koning na aan het hart lag. Weinige weken na hunne aankomst werd er reeds van gesproken, en onder de vele scherpe verwijten, die de oude koning hun bij verschillende gelegenheden deed, nam deze zaak steeds eene eerste plaats in. Toch duurde het tot December 1622 eer het tot bepaalde onderhandelingen hierover kwam; de ambassadeurs hadden gedurig middelen weten te vinden om de behandeling der quaestie uit te stellen. Ook toen echter werd de zaak door de Engelschen zeer onhandig aangevat. De rechtsquaestie, die immers volgens ’s konings uitspraak in het najaar van 1622 weder in behandeling zou komen, werd geheel ter zijde gelaten en men drong alleen aan op de teruggave der geroofde goederen. Zoowel de koning als de Raad hielden vol, dat de ambassadeurs van 1619 de beslissing dier zaak aan Z. M. hadden overgelaten en dat dus diens uitspraak de Nederlanders verbonden had om op den bepaalden tijd (drie maanden en drie jaar na dato), die reeds lang verstreken was, de geëischte som te betalen. De gezanten ontkenden dit natuurlijk, en den Engelschen was het niet mogelijk eene akte van submissie te toonen. De strijd over deze quaestie, waarin Z. M. zelf zich nu en dan mengde, was even heftig als onvruchtbaar. Het kwam tot ergerlijke tooneelen en de Nederlanders eindigden met hun afscheid te verzoeken voordat er iets besloten was, onder belofte hunne volmacht aan Caron te zullen overdragen. De koning nam daarmede genoegen en de gezanten vertrokken[813].

[813] Zie over deze ambassade zeer uitvoerig: Muller, Mare clausum. p. 188-203.

Ondertusschen had reeds het gedrag der Engelschen getoond, dat zij zich niet spoedig meer zouden laten tevreden stellen. Geprikkeld door hunne jaarlijksche verliezen, was hun geduld ten einde. Reeds in 1621 was Jakob I met zijnen zwager van Denemarken overeengekomen voortaan gezamenlijk alle vreemden uit de IJszee te verdrijven[814]; men besloot nu dit tractaat ten uitvoer te leggen. De gezanten waarschuwden dan ook de Staten-Generaal dadelijk na hunne terugkomst herhaaldelijk, dat de zaak aan koning en volk zeer ter harte ging, en dat er reden was »vol bedenckens” te zijn[815]. Werkelijk bleek het weldra, dat de koning zijn recht, al had hij er de Nederlandsche gezanten niet van gesproken, niet dacht op te geven. Hadden de Nederlanders in het doen der restitutie toegestemd, misschien had hij hen met rust gelaten; nu was hij op eenen afdoenden maatregel bedacht om zijn recht te handhaven.

[814] Zie meer over deze zaak: hierna Hfdst. VII.

[815] Verbaal der ambassade v. 1621-23 ad 14 Febr. 1623.--R. S.-G. 14 Febr., 28 Mrt. 1623.--R. H. 22 Mrt. 1623.

Maar de tijd daartoe was reeds lang voorbij. Wel kregen de schepen, die de Moscovische Compagnie in 1623 naar het noorden zond, in last den Nederlanders aan te zeggen, dat de hun in 1619 verleende tijd van drie jaren voorbij was en dat zij dus Spitsbergen moesten ruimen, zoo zij het plegen van geweld wilden voorkomen. Maar al toonden de bevelhebbers der Engelsche walvischvaarders zich bereid aan dien last te voldoen, hun macht was veel te gering om de daarbij gevoegde bedreiging uit te voeren. De Engelschen maakten dan ook werkelijk een droevig figuur! In Fairhaven, waar de Nederlandsche commandeur Cornelis Ys zijn hoofdkwartier had opgeslagen, bevond zich een Engelsch kapitein, Nathanael Fanne. Ook hem was de koninklijke opdracht bekend en zonder aarzelen zeilde hij den 23 Juni 1623 de Nederlanders te gemoet, die pas aangekomen juist begonnen waren met het bouwen van »Houses and Tabernacles to inhabit.” Hij verklaarde aan Ys, dat de koning, daar de tijd van het aan de Nederlanders verleende verlof verstreken was, de Moscovische Compagnie onder het groote zegel van Engeland gemachtigd had om alle Nederlandsche schepen te verdrijven, en dat hij, zoo de Nederlanders niet aan zijn vriendelijk verzoek gehoor gaven, geweld zou moeten gebruiken. Ys bleef onder deze bedreiging van éen schip tegen vijf zeer kalm: hij antwoordde bedaard, dat hij niets van dit alles gehoord had en verzocht de commissie van Fanne te zien. Toen de Engelschman die niet toonen kon, verklaarde hij kortaf dat hij commissie had van den prins van Oranje om op deze kusten te visschen en zich verder niet met de Engelschen wilde inlaten. En daarbij bleef het![816] Op andere plaatsen waren de Engelschen niet gelukkiger. De commandeur Goodlard schreef zelfs den 8 Juli uit Bell-sound aan zijnen onderbevelhebber, den bekenden Heley, dat hij voor zich het niet raadzaam achtte, de Nederlanders te verdrijven, al hinderden zij de Engelschen nog zoozeer. Hij voorzag, dat de Engelschen de macht niet zouden hebben om geweld te gebruiken, en hij zag duidelijk in, dat de Nederlanders, vertrouwende op hunne commissie, ook al gelukte het hen uit de noordelijke baaien te verdrijven, dadelijk in de zuidelijke hun geluk zouden beproeven, zonder dat de Engelschen daardoor iets wonnen[817]. Het eenige gevolg van de mislukte pogingen der Engelschen schijnt geweest te zijn, dat de Nederlanders hen uitlachten en misschien meer dan gewoonlijk in den weg traden; althans de Moscovische Compagnie klaagde in het najaar, dat de Nederlandsche »Coopluyden dit Jaer haerluyden groote oultragie hadden gedaen, ende dat zy aldaer al wilden regeren, en haerluyden buyten sluyten, waert mogelyck.”[818]

[816] Brief van Fanne aan Heley dd. 24 Juni 1623, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 736.

[817] Brief van Goodlard aan Heley dd. 8 Juli 1623, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 737.

[818] R. S.-G. 17 Oct. 1628.

Niet beter verging het den Engelschen het volgende jaar. Men had met grootere uitrusting gedreigd[819] en werkelijk koesterde de Moscovische Compagnie weder het voornemen den Nederlanders het visschen te beletten. Het geluk scheen hen te begunstigen. Vijf Engelsche schepen vonden, op Spitsbergen aankomende, daar nog slechts twee Zeeuwsche, die met een konvooischip, kapitein Willem Tas van Haarlem, de Nederlandsche vloot vooruitgezeild waren. Dadelijk voeren de Engelschen op de schepen toe en wilden ze kort en goed vermeesteren. Zij hadden gerekend eene gemakkelijke prooi te zullen hebben, maar Tas daarbij komende en van het plan der Engelschen hoorende »vergramdede hem seer.” Hij noemde het »een actie tegens recht en reden,” dat men eene vrije natie in haren handel met geweld wilde verhinderen. De Engelschen bleven hem niets schuldig en weldra kreeg men hooge woorden, want »al is ’t dat een Hollander van naturen sachtsinnigh is, nochtans te veel geterght zijnde, toont hy vrymoedigen en resoluten natuur geen jock te konnen verdraghen.” Eindelijk daagde Tas de twee Engelsche schepen, die zich het meest op den voorgrond gesteld hadden, tot het gevecht uit. Maar de Engelschen »dese couragie en bravade siende” voelden zich niet tegen Tas opgewassen; zij »lieten haer trots gemoet sincken, en verexcuseerden met vleyende woorden haren voorslagh, met eenige andere redenen van andere schijn bekleedende.” Tas nam daarmede genoegen, maar dreigde, zoo men weder plan maakte de Nederlanders te verjagen, dat men zien zou met wie men te doen had. De kloeke houding van den kapitein redde de twee schepen van den ondergang, want spoedig daarop kwamen er meer Nederlandsche walvischvaarders en weldra waren er niet minder dan twintig bijeen. De Engelschen waagden nu natuurlijk geenen aanval, en de visscherij werd »in goede Ordre voleyndight.” De Nederlanders hadden eene overvloedige vangst en kwamen allen behouden in het vaderland terug[820].

[819] Wassenaer, Hist. verh. V fol. 157.

[820] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 86.

Ondertusschen had men in Engeland hevig over de houding der Nederlanders op Spitsbergen geklaagd. Herhaaldelijk waren er klachten bij Caron ingekomen, en dikwijls schreef deze te vergeefs om volmacht en naderen last. De handelwijze der Engelschen op Spitsbergen in 1623 bewees, dat men over dit uitstel ontevreden was. Toch was men op herhaald aandringen van Caron eerst op het einde van 1623 na lange overwegingen tot het besluit gekomen, hem te machtigen tot de verklaring, dat het den Staten na grondig onderzoek gebleken was, dat de ambassadeurs van 1619 wel is waar gedurig op ~wederzijdsche~ restitutie der geroofde goederen hadden aangedrongen, maar dat ’s konings uitspraak hierover evenmin ooit door hen was aangenomen als zij de zaak aan Z. M.’s beslissing hadden onderworpen[821].

[821] R. S.-G. 7 Apr., 6 Mei, 17 Oct., 16 Nov., 14 Dec. 1623.--Miss. der Stn.-Gen. aan Caron, in: Loketk. der Stn.-Gen. Engeland. N^{o}. 43.

Gelukkig behoefde Caron deze besliste afwijzing der Engelsche beweringen niet aan den koning mede te deelen. De Moscovische Compagnie, de gedurig uitstellende antwoorden van den gezant, die steeds op instructie wachtte, moede, en den ongelukkigen uitslag harer eigene pogingen op Spitsbergen ziende, wendde zich liever tot de Nederlandsche ambassade, die in 1624 te Londen aankwam, om herstel harer schade. Eene belangrijke schrede deed de behandeling der zaak bij deze gelegenheid voorwaarts. De Engelschen zagen in, dat hunne pretensiën van uitsluitend recht bij de geheel veranderde verhouding van de krachten der beide natiën in het noorden onhoudbaar waren[822]. Zij boden dus nu zelven aan, wanneer de schade vergoed was, met de Nederlanders in overleg te treden over het maken van een reglement, waarbij zij zich bereid toonden den Nederlanders verschillende baaien af te staan, om ongehinderd in te visschen. Ongelukkig hadden de Staten-Generaal den ambassadeurs geen last over deze zaak gegeven; het was hun belang de zaak als eene particuliere quaestie door hun gewonen gezant te zien afhandelen. De ambassadeurs moesten dus, niettegenstaande het herhaalde aandringen der Moscovische Compagnie en de hevige woorden van den koning, er bij blijven, dat Caron de quaestie zou bespreken[823].

[822] Zelfs de combinatie met Denemarken sinds 1621 tot het gemeenschappelijk verdrijven van alle vreemdelingen van Spitsbergen (Lindeman, Arktische Fischerei. p. 10) had niets gebaat.

[823] Muller, Mare Clausum. p. 211, 12.

Toen het gezantschap echter bij zijn rapport aan de Staten-Generaal op beslissing der zaak aandrong, toonden dezen zich geneigd van de gelegenheid gebruik te maken om de rechten, die hun nu voor eenige duizenden guldens als te koop werden geboden, te verkrijgen[824]. Wel was het niet twijfelachtig, dat de Nederlanders door hunne toenemende machtsontwikkeling op Spitsbergen de overhand zouden behouden; maar door de afdoening der rechtsquaestie in der minne, waarop nu alle hoop scheen, zou den prikkelbaren Jakob I een gedurige reden tot klagen ontnomen worden. Juist was men met dien vorst in een nieuw verbond tegen Spanje getreden; het was dus zaak hem in kleinigheden als deze te wille te zijn en den vijanden der republiek alle gelegenheid om kwaad te stoken te ontnemen. Nog meer: het onbesliste der quaestie stelde de Nederlandsche walvischvaarders voortdurend aan onverwachte aanvallen bloot en noodzaakte hen dus, zich jaarlijks met groote kosten tot den strijd toe te rusten. Wat alles afdeed, de koning vaardigde weldra represaille-brieven uit, wier intrekking men alleen door het betalen der geëischte schadevergoeding meende te kunnen verkrijgen[825]. Ernstige beraadslagingen hadden dan ook in Den Haag plaats. De Noordsche Compagnie was echter volstrekt niet gesteld op het oprakelen der oude geschillen; de spoedige afdoening der zaak werd ook door twisten tusschen de kamers onderling verhinderd. Om deze goed te begrijpen moeten wij eenige schreden teruggaan.

[824] R. S.-G. 6 Juli 1624.--Ook werd van Engelsche zijde op spoed nader aangedrongen. Zie o. a. R. S.-G. 13 Mrt. 1625.

[825] R. S.-G. 21 Mrt. 1625.

Wij hebben gezien, dat de Staten-Generaal aan de Noordsche Compagnie jaarlijks een of meer konvooischepen medegaven ter harer bescherming tegen de aanvallen der Engelschen op Spitsbergen. Sinds 1616 had de exploitatie van Jan Mayen-eiland eene verdeeling der uitrusting noodig gemaakt, maar daar men aan dat weinig bekende eiland geene belangrijke mededinging te vreezen had, had de regeering gemeend het konvooi voornamelijk voor die schepen te moeten bestemmen, die door de noodzakelijkheid gedwongen werden zich naar Spitsbergen te begeven. Desniettegenstaande had de Amsterdamsche kamer in 1616[826] en 1617 het geheele konvooi bij hare schepen aan Jan Mayen-eiland gehouden, in 1618 had zij met een der beide oorlogschepen evenzoo gehandeld. Had deze hoogst willekeurige handelwijze in 1616 ook geene kwade gevolgen, wij zagen reeds dat in 1617 het berooven van een Zeeuwsch schip en het ledig huiswaarts keeren der beide andere daardoor veroorzaakt werd, en dat in 1618 niet alleen de beide schepen van de kamers van het Noorderkwartier in Bellsound geen weerstand konden bieden aan de aanvallen der Engelschen, maar ook het gevecht in Sir Thomas Smiths-bay een indirect gevolg was van het misdadige egoïsme der Amsterdammers[827].

[826] Instr. der Stn.-Gen. voor Schrobop dd. 23 Mei 1616, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Edge, Dutch disturbance, in: Purchas, Pilgrimes. III p. 467.

[827] Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Sent. v. d. H. R. v. Holl. tusschen de kamers N. C. Noorderkw. en Amst. dd. 31 Mrt. 1635.--Brief v. Beversham aan Heley dd. 12 Juli 1618, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 734.--R. S.-G. 4 Nov. 1622.--N. Z. 13 Apr. 1617.--Zie meer hierover: hiervóor p. 209-18.

Het laat zich denken, dat de benadeelde vereenigingen dit alles niet rustig aangezien hadden. Reeds 9 November 1617 hadden de Zeeuwen aan de Staten-Generaal overgelegd eenige verklaringen van de in de quaestie van dien zomer betrokkene personen, die allen met blijkbaren wrevel getuigden, dat alleen de afwezigheid der Hollanders schuld aan hun ongeluk was. De bepalingen der Staten-Generaal over de bestemming van het konvooi schijnen echter ditmaal niet zoo bepaald geweest te zijn, dat daarop een eisch gegrond kon worden, maar de Zeeuwen beriepen zich op eene bepaling in hun contract met de Hollanders, waarbij de verschillende kamers zich verplicht hadden om alle schade aan een van haar door vreemden veroorzaakt naar evenredigheid harer uitrusting voor dat jaar te helpen vergoeden. Volgens deze onderlinge assurantie moest de schade der Zeeuwen dus over de vijf Hollandsche kamers mede omgeslagen worden en Amsterdam bleef natuurlijk voor het grootste gedeelte aansprakelijk[828]. Hoewel echter de Staten-Generaal op verzoek der Gecommitteerde Raden van Zeeland aan de Hollanders hunne verplichting voorhielden, toonden dezen zich onwillig de schadevergoeding uit te keeren. Eene commissie werd benoemd om de twistenden te vereenigen, maar ook dit baatte niet[829]. Wij zagen reeds, dat de Zeeuwen bij hunne pogingen om in Engeland vergoeding hunner schade te krijgen niet gelukkiger waren[830]. En weldra verhinderde het aandeel, door de beroofden zelven aan den aanval op de Engelschen in 1618 genomen, de verdere behandeling dezer zaak. De reeders trokken zich uit dit bedrijf terug[831] en staakten hunne klachten, tevreden zoo de Engelschen van hunne zijde hen niet om vergoeding aanspraken[832].

[828] Req. der Vlissingsche reeders aan de Gecommitt. Raden v. Zeel. (rec. 26 Sept. 1617) met bijlagen, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--R. S.-G. 9 Nov. 1617.

[829] R. S.-G. 1, 7 Dec. 1617.--Op het ten gevolge dezer onderhandelingen eindelijk den 2 Maart 1618 gesloten contract maakten de Amsterdammers reeds den eersten zomer inbreuk. (Zie hieronder.)

[830] Zie hiervóor p. 213, 14.

[831] Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

[832] R. S.-G. 5, 9 Nov. 1618, 6, 22, 29 Apr., 1 Mei 1619.--Miss. der Stn.-Gen. aan de Gecommitt. Rdn. v. Zeel. dd. 29 Apr. 1619, in: Lias loop. 1619.--Miss. der Zeeuwsche Gedeput. aan de Stn. v. Zeel. dd. 27 April 1622, in: Archief Zeeland.

De benadeelde kamers van het Noorderkwartier handelden verstandiger. In Engeland, dat begrepen zij, was voor hen geene vergoeding te krijgen. Maar er stond hun een andere weg open: de kamer van Amsterdam was door het terughouden van het konvooischip oorzaak geweest, dat zij al de verwachte winst der reis verloren hadden, de Amsterdammers behoorden hun dit dus natuurlijk te vergoeden. Die van het Noorderkwartier beriepen zich op de bepalingen van een contract, dat na de herhaalde klachten der beroofde Vlissingsche reeders door de verschillende kamers den 2 Maart 1618[833] over de toen aanstaande reis gesloten was, en waarbij men niet alleen uitdrukkelijk overeengekomen was, dat het grootste oorlogschip in Bell-sound zou zijn, maar waarbij de kamers ook een bepaald verbond gesloten hadden om elkander tegen de Engelschen te verdedigen. Toen de Amsterdammers weigerden de geëischte som te betalen, wilden de kamers van Hoorn en Enkhuizen zich tot de Staten-Generaal wenden, maar de Amsterdammers voorkwamen de klachten hunner wederpartij en verkregen na lang uitstel van het Hof van Holland een vonnis, waarbij aan de twee klagende kamers bevolen werd, hunne actie binnen zes weken voor het Hof in te stellen »op peijne van een eeuwich swijgen ende silentium.” (29 Maart 1624.) Een beroep op den Hoogen Raad was door die van het Noorderkwartier juist aanhangig gemaakt, toen de bemoeiingen der Staten-Generaal om den Engelschen schadevergoeding te bezorgen den loop der zaak kwamen storen[834].

[833] R. S.-G. 1, 7 Dec. 1617.--Sent. v. d. H. R. v. Holl. dd. 31 Mrt. 1635.

[834] Sent. v. d. H. R. v. Holl. dd. 31 Mrt. 1635.--R. S.-G. 21 Mrt. 1625.