Geschiedenis der Noordsche Compagnie
Part 28
De Amsterdammers, die weder voor zich het best gezorgd hadden, vischten dit jaar ongestoord; maar slecht verging het de onbeschermde schepen van het Noorderkwartier. In Bell-sound aangekomen, beval hun Edge dadelijk de baai te verlaten; hij was niet van plan hen te berooven of te hinderen, maar hij toonde door daden, dat hij zijn bevel gehoorzaamd wenschte te zien. De in het nauw gebrachte schepen zochten hulp bij de Rotterdammers in Horn-sound, maar het oorlogschip was daar tot handhaving der rust hoognoodig, en die van het Noorderkwartier moesten dus naar hunne broeders in Sir Thomas Smiths-bay wijken. Na hun vertrek wreekten zich de Engelschen door het vernielen der pas weder opgebouwde Nederlandsche loge in Bell-sound.
De aankomst der beide door de Engelschen verjaagde schepen van Hoorn en Enkhuizen in Sir Thomas Smiths-bay was het sein tot eene losbarsting van woede. Den geheelen zomer was daar de verhouding zeer gespannen geweest. De Engelschen, die hier slechts met éen schip »the Pleasure” en een pinas »the Prudence” waren, hadden de vier schepen van Delfshaven, Veere en Vlissingen dadelijk na hunne aankomst in deze door hen vroeger nooit bezochte baai het visschen verboden, en sinds dezen geweigerd hadden aan dit bevel te voldoen werd hunne tegenwoordigheid door de Engelschen, die zich te zwak gevoelden om hen te verjagen, slechts noode geduld. Aanvankelijk hadden de Nederlanders, weldra door twee schepen van Middelburg versterkt[794], gepoogd met de Engelschen eene overeenkomst over de visscherij te sluiten, en toen dit aanbod gemelijk verworpen was, bleven zij zich even voorkomend als vroeger gedragen. Hunne vijanden zelven erkennen, dat hun gedrag niets te wenschen overliet, maar het stemde dezen niet beter: zij bleven steeds het plan koesteren om hunne mededingers zoo spoedig mogelijk te verdrijven en beleedigden ze bij elke voorkomende gelegenheid[795]. Zulk eene behandeling moest de Nederlanders op den duur verdrieten; De Cock en Cornelisz., die hier beiden tegenwoordig waren, herinnerden zich met steeds klimmende woede de behandeling, den hunnen het vorige jaar door denzelfden Heley aangedaan, die thans het bevel voerde. Reeds had een twist over een der door de Engelschen het vorige jaar geroofde traanketels tot onaangenaamheden aanleiding gegeven; van weerszijden had men grieven, die licht tot een breuk aanleiding geven konden. Daar brachten de uit Bell-sound verjaagde schepen de tijding van het gebeurde. Spoedig daarop liet Heley den Nederlanders weten, dat commandeur Edge hem bevolen had, de Zeeuwen uit de baai te verdrijven; weigerden zij, dan wilde hij zelf komen en hen erger behandelen dan hunne landgenooten in Bell-sound. In allerijl werd nu door de Nederlanders beraadslaagd, wat hun te doen stond. Zij hadden zich voor hun vertrek van eene commissie van Zijne Excellentie voorzien, die hen machtigde elken aanval met geweld te keeren; de vraag was, of hier aan zelfverdediging kon gedacht worden. Overwegende echter, dat die van het Noorderkwartier door de Engelschen verjaagd en dus niet in de gelegenheid geweest waren hunne reis te doen,--dat de ondervinding hen alle pogingen om schadevergoeding van de Engelschen te krijgen als nutteloos had leeren beschouwen,--en vooral, dat het zaak was de vereeniging van Edge en Heley te voorkomen, ten einde den aangekondigden aanval te ontgaan, besloten de Nederlanders, al werden zij niet direct aangevallen, van hunne commissie gebruik te maken. Stemde ook het Enkhuizer schip niet met dit besluit in, de twee schepen van Vlissingen, die van Veere, van Hoorn en van Delfshaven tastten door en sommeerden Robert Salmon, den kapitein van Heley’s schip »the Pleasure” tot de overgave. Deze weigerde op hoogen toon en poogde te ontsnappen. De Nederlanders lieten hem tijd om zich te bedenken, en namen eindelijk den 19 Juli 1618 het schip met geweld. Ook de pinas werd van alles beroofd. Het geschut en de in het schip gevonden traan en walvischbaarden werden naar Nederland gevoerd, om te dienen als gedeeltelijke schadevergoeding voor het den Nederlanders in 1613 en 1617 ontnomene. De goederen werden volgens het voorschrift, hun door Maurits bij zijne commissie gegeven, ter beschikking der admiraliteit gesteld, die ze tusschen de vier kamers, voor wie de aanvallende schepen uitgezeild waren, verdeelden[796]. Voor het geschut werd in het begin van 1621 op aansporing van Carleton aan de bevelhebbers der beide beroofde schepen, Robert Salmon en een Schot, de som van ƒ 3600 uitgekeerd. De Noordsche Compagnie zwichtte hierin voor den billijken aandrang der Staten-Generaal: ook het in 1617 door de Engelschen genomen geschut was haar, hoewel op zeer onaangename wijze, door de Moscovische Compagnie teruggegeven[797].
[794] Deze schepen, aan den Middelburgschen koopman Courten, bewindhebber der N. C. behoorende, vertrokken echter waarschijnlijk spoedig weder. Althans Courten overtuigde later Carleton, dat zíjne schepen onschuldig waren aan het berooven der Engelschen (Carleton, Lettres. II p. 355); uit andere, zoo Engelsche als Nederlandsche verhalen blijkt ook, dat ze daarbij niet tegenwoordig waren. Waarschijnlijk vertrokken de schepen van Spitsbergen naar Groenlands oostkust, waar ze dit jaar eene kust ontdekten, die zij Nieuw-Zeeland noemden. (R. S.-G. 8 Jan. 1619.--Vgl. hiervóor p. 179.)
[795] Van de kwade gezindheid der Engelschen tegen de Nederlandsche walvischvaarders in den zomer van 1618 getuigen de brieven, door sommige kapiteins op Spitsbergen aan andere Engelschen geschreven en door Purchas (Pilgrimes. III p. 732-38) bewaard. „We haue reasonable good quarter with the Flemmings,” schreef kapitein Salmon 24 Juni, kort voor het gevecht aan kapitein Sherwin, „for we are merry aboord of them, and they of vs; they haue good store of Sacks (jenever), and are very kinde to vs, proffering vs any thing that we want. I am very doubtfull of making a voyage this yeere („the Flemmings are too many for vs to make a voyage,” schreef hij ook) the Company must take another course the next yeere: if they meane to make any benefit of this Country, they must send better ships that must beat these knaues out of this Country; but as farre as I can vnderstand by them, they mean to make a trade of continuance of it: we will let them rest this yeere, and let who will take care the next yeere, for I hope not to trouble them.” Salmon vond bij zijnen vriend Sherwin volkomen instemming: den 29 Juni schreef deze uit Bell-sound (Purchas l. c. III p. 733): „As for the Flemmings let them all go hang themselves, and although you be not strong enough to meddle with them, yet the worst wordes are too good for them, the time may come you may be reuenged on them againe. The Captaine wishes they would come all into Bell-sound and beat vs out, and carry vs for Holland; here is a great fleet of them in this Country. Here came in two Flemmings, but wee handled them very honestly but for feare of after-claps, or had it beene the latter part of the yeere, we would haue handled them better; now they be gone for Horne-sound, I would that they had all of them as good a paire of horns growing on their heads, as is in this Country.” De gemoedelijke Purchas zag dit alles met leedwezen. „I had thought to haue added,” dus schrijft hij (Pilgrimes. III p. 734), „a large Discourse of occurrents betwixt the Dutch and English in Greenland this yeare 1618 and had prepared it to the Presse. But hauing alreadie giuen some Relation thereof from Captaine Edge, and seeing the insolencies of some of the Dutch were intolerable to English spirits, which then suffered, or hereafter should reade them, I chose rather to passe them by aduising my Countrimen not to impute to that Nation what some frothy spirit vomits from amidst his drinke, but to honer the Hollanders worth, and to acknowledge the glorie of the Confederate Prouinces, howsoeuer they also have their sinks and stinking sewers (too officious mouthes such as some in this businesse of Greenland, beyond all names of impudence against his Maiestie, and his Leege people, as others elsewhere haue demeaned themselves) whose lothsomnesse is not to be cast as an aspersion to that industrious and illustrious Nation. Euerybody hath its excrements, euery great House its Vault or Iakes, euery Citie some Port exquiline and dunghils, euery Campe the baggage; the World it selfe a Hell: and so hath euery Nation the retriments, scumme, dregs, rascalitie, intempered, distempered spirits, which not fearing God nor reuerencing Man, spare not to spue out that to the dishonor of both, which sauing the honor of both can scarsly be related after them. A difference is to be made of relation (Nationall?) and personall faults, of which we haue said enough in the East India quarrels, twixt ours and the Dutch.” Zoo weinig ons dit breedsprakige staaltje doet verlangen den bekwamen man van den kansel te hooren, zoo merkwaardig schijnt mij dit kleine preekje voor de Nederlanders als een bewijs, hoe diep de animositeit tusschen beide volken reeds toen wortel geschoten had.
[796] Zie over de reis van 1618 en het daarbij voorgevallene: Mémoire de la Comp. Septentrionale, bij: Muller, Mare Clausum. p. 371.--Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C., in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Arrest v. de H. Raad van 31 Maart 1635.--Req. der Zeeuwsche N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 22 Aug. 1624, in: Noordsche togten. 2. Admiraliteit. R.-A.--Engelsche schaderekening met het getuigenis van Leversteyn, in: Lias loopende 1618. R.-A.--Mémoire et Relation veritable, bij: Muller, Mare clausum. p. 373 vlg.--Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 468, 69.--Brieven van Salmon, Sherwin en Beversham, bij: Purchas l. c. III p. 733.
[797] R. S.-G. 24 Dec. 1620, 4, 5, 13, 14, 20, 22, 26, 27 Jan., 12 Febr., 4, 27 Mrt. 1621.--N. Z. 9 Mrt. 1621.--Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C., in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Zie over de restitutie van het geschut aan de Nederlanders en het daarbij voorgevallene: Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C., l. c., en: Muller, Mare Clausum. p. 160 Noot 1.
De verontwaardiging aan het Engelsche hof over deze onverwachte stoutmoedigheid der Nederlanders was niet gering. Carleton kreeg van zijnen vorst dadelijk last om daarover te klagen, en toen hij den 3 October 1618 in de vergadering der Staten-Generaal verscheen om op het zenden eener ambassade naar Engeland aan te dringen, liet hij zijne rede voorafgaan door de voorlezing van de »informations sur les violences, robberies et assasinats commis hostilement par les Hollandais sur les navires, biens, et personnes des Anglais aux quartiers du Nort,” een stuk, dat de blijken droeg, dat het »exploict” der Nederlanders »jn Engelant ten quaetsten gerapporteert ende met veele onwaerachtige lasteringen ende logenen geexaggereert” was[798]. De verontwaardiging van den gezant was door het gedrag van het Haagsche gepeupel niet verminderd: »nous auons eu ces iours passez”, dus voerde hij den Staten op hevigen toon te gemoet, »la nouuelle chantée icy à la Haye, a bouche ouverte et visage asseuré, dans la Court, et par les rues, avec les particularitez tant des pieces d’artillerie, et des tonneaux d’huyle prises et divisées en mer, comme des hommes tuez et blessez, et le tout receu avec grand applaudissement et triumphe, comme d’une victoire gaignée sur les ennemis. Eo audaciae perventum est.” Carleton stelde het gebeurde op Spitsbergen zóó voor, alsof de Nederlanders den Engelschen het visschen aan het eiland hadden willen beletten, en verweet den Staten-Generaal het ongerijmde van zulk een gedrag na de lange vertoogen, die zij bij verschillende gelegenheden voor de vrijheid der zee hadden gehouden. Hij eindigde zijne lange rede, waarin hij ook over andere grieven der Engelschen klaagde, met het nadrukkelijk verzoek, dat de Staten-Generaal de ambassade, die reeds zoolang aan koning Jakob beloofd was, zonder uitstel zouden zenden, voorzien van volkomen last om ook over deze zaak te onderhandelen.[799]
[798] Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C., in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[799] R. S.-G. 3 October 1618.
Na lange aarzeling kwam het eindelijk daartoe. Den 7 December 1618 kwamen de heeren Van Goch, Van der Dussen en Liens als ambassadeurs der Staten-Generaal te Londen aan. Hunne Instructie verdedigde het bezoeken der IJszee door de Nederlanders met een beroep op de vrijheid der zee, maar tevens door te wijzen op de ontdekking van Spitsbergen door Nederlanders, en op het feit, dat de Engelschen, zelfs al hadden zij het eiland in 1553 ontdekt, in ieder geval hunne ontdekking weder kennelijk verlaten hadden. Het gebeurde van den vorigen zomer werd gerechtvaardigd door de deductie, dat de Nederlanders niet om de Engelschen te verdrijven, maar alleen uit zelfverdediging tot geweld waren overgegaan. Om dergelijke voorvallen voor het vervolg te voorkomen, werd het maken van een reglement aanbevolen, waartoe de gezanten gemachtigd werden eenige voorslagen te doen.
Lang duurde het, eer de onderhandelingen over dit punt aanvingen. Eerst den 16 Maart 1619 kwamen wederzijdsche gedeputeerden bijeen, om over de zoogenaamde Groenlandsche zaken te beraadslagen. Van beide zijden begon men met klachten over de schade, door de tegenpartij toegebracht; van beide zijden werd vergoeding verzocht. Twee memoriën werden gewisseld, waarbij men voornamelijk de wederzijdsche grieven besprak en de daden van den vijand in het hatelijkste daglicht stelde. Zooveel bleek echter reeds dadelijk, dat de Engelschen evenmin als in 1615 geneigd waren, over de aanspraken van hunnen koning op Spitsbergen te twisten. Zij beriepen zich op hun recht als eerste walvischvaarders, die zich zee en visscherij hadden toegeëigend, en eischten daarop de buitensporig hooge vergoeding van £ 22.636-1/2 voor directe schade en £ 43.800 voor winstderving. De Nederlanders namen van hunne zijde een niet minder ongerijmd standpunt in; zij beriepen zich voornamelijk op hunne ontdekking van Spitsbergen in 1596, waaruit zij hun recht op de walvischvangst afleidden. De handelwijze hunner landgenooten was volgens hen uiterst liberaal; niettegenstaande hun recht waren zij volkomen bereid de Engelschen op Spitsbergen toe te laten en slechts tot zelfverdediging en als schadevergoeding waren zij tot het aanvallen en berooven van het Engelsche schip overgegaan; toch waren zij volkomen bereid de genomen goederen terug te geven, mits de Engelschen, die de eerste aanvallers waren geweest, met de restitutie begonnen[800].
[800] Eene schaderekening leverden de Nederlanders niet in: de Zeeuwsche kamers weigerden hunne schade op te geven. (Miss. der Stn.-Gen. aan de Gecommitt. Raden v. Zeeland dd. 29 Apr. 1619, in: Lias loopende 1619. R.-A.) Toch was eene Zeeuwsche schaderekening van het jaar 1617 in het archief der Stn.-Gen. aanwezig. (Zie deze in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.) Het bestaan daarvan schijnt echter vergeten te zijn en hoewel de ambassadeurs gedurig om de begrooting der schade schreven (zie de bovenvermelde missive der Stn.-Gen.), ontvingen zij die eerst te laat. (Muller, Mare Clausum. p. 159 Noot 4.)
Het komt mij voor, dat beide partijen in deze onvruchtbare discussie ongelijk hadden: geen van beide had m. i. op Spitsbergen eenig recht. De Engelschen schijnen nu reeds zelve ingezien te hebben, dat de beweerde ontdekking van Spitsbergen door Willoughby niet te bewijzen was; maar ook al nam men deze ontdekking aan, het stond vast, zooals de Staten-Generaal zeer juist opmerkten, dat het ontdekte land weder verlaten en dus alle aanspraak daarop vervallen was. Beter recht schijnen de Engelschen aan hunne reizen naar Spitsbergen sinds 1610 te hebben kunnen ontleenen. Zij hadden in dat jaar het woestliggende eiland als het ware op nieuw ontdekt: de aandacht van de beschaafde wereld had zich eerst toen daarop gevestigd. Jaarlijks hadden zij het sedert dien tijd bezocht en zich in alle voor de walvischvangst geschikte baaien gevestigd; slechts wanneer het barre jaargetijde de noordsche streken onbewoonbaar maakte, vertrokken zij vandaar. Men kon dus aannemen, dat zij volgens het ieder toekomende recht als eerst aankomenden van eene niemand toebehoorende zaak hadden bezit genomen. Maar hun recht had toch eene zeer zwakke zijde. Bij de groote wisselvalligheid der walvischvangst was het niet meer dan natuurlijk, dat de Engelschen vooral in de eerste jaren niet altijd al de zeven groote baaien, die Spitsbergens westkust aanbiedt, bezochten. Wel hadden zij zich in allen beurtelings met de visscherij beziggehouden, maar die visscherij was lang niet overal geregeld gedreven. En de verlatenheid, waarin dus sommige vischplaatsen jarenlang bleven, was te bedenkelijker in eenen tijd, toen de bezitters van Spitsbergen nog bijna geheel niet als in latere jaren door het bouwen van woonhuizen en andere inrichtingen op de door hen bezette stranden blijk gegeven hadden van hun voornemen om over korter of langer tijd op de ingenomen plaats terug te komen. De vestiging der Engelschen in eene baai droeg daardoor het karakter van een voorbijgaand bezoek, een gebruiken en weder verlaten eener plaats, dat volstrekt geen recht kon verleenen. Van hunne bedoeling, om de zeven baaien als eene bezitting der Moscovische Compagnie te beschouwen, was bovendien nooit iets gebleken. De Engelschen zelven gevoelden deze leemte in hun rechtstitel zeer goed; zoodra de Nederlanders zich aan Spitsbergen vertoonden en verklaarden met hen te willen concurreeren, begonnen zij ijverig met het inbezitnemen van alle reeds bekende en nieuw ontdekte baaien. Zeer onverstandig echter! Hunne handelwijze toch kon niet anders dan de aandacht vestigen op hunne vroegere nalatigheid, terwijl zij, nu hun feitelijk bezit door de Nederlanders gestoord was, alle recht misten, de ook door dezen bezochte plaatsen aan het verkeer te onttrekken. Veiligheidshalve beriepen zij zich nu dan ook niet op hun bezit van Spitsbergen zelf krachtens de vestiging der Moscovische Compagnie, maar gaven de voorkeur aan het beweren van hersenschimmige eigendomsrechten op zee en visscherij krachtens de toeëigening der walvischvaarders,--rechten, die reeds toen door vele leeraars van het volkenrecht op goede gronden bestreden werden. Hadden zij als heeren van Spitsbergen de Nederlanders met volle recht uit de baaien en de territoriale zee kunnen weren, de nu op den voorgrond gestelde bewering gaf den Nederlanders gelegenheid, om zich zeer terecht op de vrijheid der zee en hare onvatbaarheid voor toeëigening te beroepen. Ongelukkig voor dezen belette echter de houding, door hen zelven in de Oost-Indische zaken tegenover Engeland aangenomen, dat zij van die gelegenheid gebruik maakten; zij moesten zich nu beperken tot het aanvoeren van aanspraken op Spitsbergen als ontdekkers van 1596, eene bewering, waarop volkomen de aanmerking paste door henzelven op het recht van den zoogenaamden Engelschen ontdekker gemaakt. Het was niet te loochenen, Nederlanders hadden Spitsbergen ontdekt, maar zij hadden het dadelijk weder voor jaren verlaten; eerst toen de Engelschen op het belang van het eiland waren opmerkzaam geworden en er zich hadden gevestigd, kwamen de Nederlanders zelve weder terug in de langvergeten gewesten[801].
[801] Reeds Purchas merkte op bij de beschrijving der Nederlandsche reis van 1596/7: „They are said to haue touched in this Nauigation on Greene-land. How-euer that be, they continued no trade nor Discouerie thither, till the English diuers yeeres after had made a new Discouerie, and found there a profitable Whale-fishing.” (Purchas, Pilgrimes. III p. 815.)
De twistende partijen zelve zagen echter in, dat de rechtsquaestie hier eigenlijk bijzaak was. Handelsnaijver was de oorzaak van den twist: Engelschen noch Nederlanders wilden hunne visscherij opgeven en het scheen zeker, dat beide natiën te zamen niet vreedzaam op Spitsbergen konden verkeeren. De Nederlanders grepen daarom het eenige middel aan om aan de zaak een einde te maken en deden volgens hunne Instructie drie voorslagen voor een reglement, dat de verhouding der beide twistende partijen op Spitsbergen zou regelen. 1^{o} Engelschen en Nederlanders zouden met een gelijk aantal schepen aan het eiland visschen; de baaien zouden bij loting verdeeld worden. 2^{o} Beide natiën zouden overal bij Spitsbergen met even veel en even groote schepen visschen. Een reglement zou de tusschen hen ontstane oneenigheden moeten beslissen. 3^{o} Men zou Spitsbergen in twee gelijke deelen verdeelen door eene lijn van Cape Cold op Prince Charles’ foreland naar het oosten getrokken; over het bezit van elk dier gedeelten zou voor 8, 10 of 12 jaren tusschen beide volken geloot worden. Zij, die de grenslijn overschreden, zouden gestraft worden.
Het liet zich voorzien, dat de Engelschen met deze voorslagen, die de gelijke rechten van beide natiën stilzwijgend aannamen, geen genoegen zouden nemen. Zoo men er toe overging, de Nederlanders op Spitsbergen toe te laten, zoo spraken zij, zou dat immer slechts bij oogluiking en als gunst kunnen geschieden; men meende zelfs, dat het nieuw ontdekte en voor de walvischvangst zoo gunstig gelegen Jan Mayen-eiland den Nederlanders gelegenheid genoeg gaf, om hun bedrijf ongestoord te oefenen. Tot het verleenen van rechten op de visscherij bij Spitsbergen aan de Nederlanders wilden de Engelschen niet overgaan; zij meenden, dat dit een gevaarlijk praecedent zou zijn tegenover andere volken, die het eiland ook bezochten. Toen de Nederlanders er echter bij bleven, dat zij er niet aan dachten hun recht op te geven en slechts gekomen waren om middelen te beramen tot vreedzame oefening van hun bedrijf, werden de conferentiën afgebroken en men besloot, dat beide partijen zich tot den koning zouden wenden.
Het resultaat der onderhandelingen met Jakob I zelven was twijfelachtig. Eene overeenkomst over de rechten op Spitsbergen weigerde Z. M. bepaald nu te sluiten, maar hij vond goed de onderhandelingen over deze zaak tot het najaar van 1622 uit te stellen en de Nederlanders onderwijl rustig op Spitsbergen te laten visschen. Na eenige samensprekingen over den zin van ’s konings uitspraak werd aan dat uitstel echter de voorwaarde verbonden, dat binnen drie maanden na dato den Engelschen herstel van alle direct nadeel gegeven en de overige beweerde schade binnen drie jaar vergoed zou worden. De quaestie der restitutie van de door de Engelschen den Nederlanders op last van den koning ontnomen goederen zou natuurlijk eerst ter sprake kunnen komen, wanneer er over het recht beslist was. Met dit bescheid keerden de gezanten 9 Augustus 1619 naar het vaderland terug[802].
[802] Zie over deze ambassade zeer uitvoerig: Muller, Mare Clausum. p. 136-165.