Geschiedenis der Noordsche Compagnie
Part 27
Was het misschien in de overtuiging, dat zulk eene overspanning van krachten als in 1614 had plaats gehad, op den duur voor beide natiën onvoordeelig ja onhoudbaar moest zijn, zeker is het, dat de Noordsche Compagnie zelve de eerste was, die niettegenstaande de meer voorkomende houding, door de Engelschen dit jaar aangenomen, op pogingen tot een vergelijk met hen aandrong. Het was op haar verzoek, dat de Staten-Generaal 20 November 1614 Caron aanschreven om moeite te doen, dat de Engelsche ambassade, die eerstdaags in Den Haag verwacht werd tot regeling der Oost-Indische geschillen, last medekreeg om ook de quaestie der vaart en visscherij in de IJszee te schikken[762]. Koning Jakob toonde zich daartoe niet ongeneigd. Hij voorzag zijne gezanten Wotton, Edmonds, Middleton en Abbot van commissie om over de zaak te onderhandelen. Maar deze commissie beloofde weinig goeds: reeds de uitdrukking, dat men zou spreken over de »piscationes in mari Boreali prope Groenlandiae littora ~nobis solum et nostris jure acquisitas~, ab Incolis et Inhabitatoribus Vnitarum Provinciarum tamen interruptas,”[763] bewees, dat de vorst zijn vermeend recht bleef handhaven. Werkelijk bleek het dan ook weldra, dat de Engelschen aan geen toegeven dachten. De ambassadeurs hadden zich bereid verklaard de zaak te bespreken na afloop der Oost-Indische onderhandelingen[764] en zoodra nu Hugo De Groot door de Staten-Generaal op aandringen der Noordsche Compagnie[765] tot hen gezonden werd om hun gevoelen te vernemen (8 April 1615), leverden zij eene nota over, waarin zij met nadruk verklaarden, dat Jakob I van zijn recht op Spitsbergen en de aangrenzende wateren volstrekt niet dacht af te zien[766]. De Staten-Generaal benoemden nu dadelijk eene commissie, om met gebruikmaking van de bescheiden, die onder de Noordsche Compagnie berustten, de Engelschen te weerleggen[767]. Het antwoord, dat De Groot en zijne mede-commissarissen opstelden, werd reeds 16 April aan de gezanten overgegeven. Het ving aan met de opmerking, dat »dese Landen, zynde van seer cleyne extensie, iegens de macht van haere openbaere, ofte bedeckte vyanden nyet en souden connen bestaen nochte dienstich zyn aen haere vrunden, ten waere de zee suppleerde t’ gunt aen t’ landt is ontbreeckende, sulcx dat de hoochdringende noot de Ingesetenen van dese landen heeft bewogen, om verscheyden nauigatien te soecken, ende haer seluen alsoo ten deele door trafficque, ten deele oock door de Visscherie te onderhouden.” Uitvoerig werd daarna gewezen op de oudheid der Nederlandsche visscherijen, en werden de bekende tochten der Nederlanders naar de IJszee verhaald. Nogmaals werd aangedrongen op herstel van de schade der Amsterdamsche reeders; nadrukkelijk verdedigde men het verleenen van octrooi aan de Noordsche Compagnie door een beroep op de natuurlijke vrijheid der zee. Onder protest, dat de Staten hunnen onderdanen bepaald verboden hadden, aan de Engelschen of eenige andere natie direct of indirect de visscherij op Spitsbergen te beletten, werd eindelijk aangedrongen op het maken van »eenige goede ordre ende reglement, waerdoor de visscherie vande walvisschen, walrussen, ende andere zeemonsters ontrent de voorseide custen, met affweeringe van alle confusien ende misverstanden, ten meesten proffijte van de ondersaten van zyne Ma^{t}. ende vande ingesetenen van dese landen mocht werden gebeneficieert, ende het different vande voorgaende schaden tot redelyck contentement affgedaen.” Een bepaalden voorslag daartoe deden de commissarissen in strijd met de opdracht der Staten-Generaal nog niet[768].
[762] R. S.-G. 20 Nov. 1614.
[763] Zie de commissie in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[764] R. H. verg. v. 4-17 Mrt. 1615. p. 5.
[765] Zie haar request aan de Stn.-Gen. dd. 1 April 1615, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[766] Muller, Mare Clausum. p. 129.
[767] cf. R. S.-G. 8, 10, 15 Apr. 1615.
[768] R. S.-G. 16 Apr. 1615.--Zie de memorie afgedrukt bij: Muller, Mare Clausum. p. 363.
Overtuigend als deze geschiedkundige uiteenzetting zijn mocht, de Engelsche pretensie werd er niet door weerlegd. Bij de overhandiging van het stuk aan de ambassadeurs werd echter deze leemte voldoende aangevuld. Een vrij hevig dispuut, waarin De Groot een zeer hoogen toon voerde, schijnt toen tusschen de wederzijdsche gevolmachtigden ontstaan te zijn; het verdedigende standpunt, dat in de memorie zeer verstandig was ingenomen om den lichtgeraakten vorst van Groot-Britannië niet te kwetsen, werd in de hitte van het debat verlaten en men liet zich onvoorzichtig tot eenen aanval op de zoogenaamde Engelsche kroonrechten verleiden. De Nederlanders weerlegden nu de beweerde ontdekking van Spitsbergen door Willoughby breedvoerig en staafden de door hen in hunne memorie aangevoerde feiten over de ontdekking door Heemskerck nog nader. Maar vooral werd er in deze bijeenkomst op gewezen, dat het geschil over het bezit van het eiland eigenlijk nutteloos was: de zee toch, meenden de Nederlanders, was en bleef gemeen goed van allen, de walvisschen behoorden aan niemand en konden dus door ieder vrijelijk worden gevangen. Toen bleek het duidelijk, dat het de Engelschen met eene schikking geen ernst was: volmondig erkenden zij, dat zij de stukken ter weerlegging dezer redeneering niet bij zich hadden. Ook was dit volgens hen in het geheel niet noodig: elke schikking tusschen beide natiën toch, dus beweerden zij op hoogen toon, moest vóor alles beginnen met eene erkenning van Jakob I als heer van Spitsbergen; wilden de Nederlanders den vorst beleedigen door het in twijfel trekken van zijn recht, dan was ook alle onderhandeling nutteloos[769]. Men scheidde dus met de nietszeggende belofte, dat de ambassadeurs rapport van het gehoorde aan hunnen koning zouden doen, die later aan Caron zijn besluit zou mededeelen[770]. Weinige dagen later vertrokken de gezanten weder naar Engeland[771].
[769] Grotii Epistolae. p. 19, 20. Ep. 59.
[770] R. S.-G. 4 Mei 1615.
[771] R. S.-G. 6 Mei 1615.
Het was te verwachten, dat ook nu de argumenten der Nederlanders en de voorstellingen van Caron weinig indruk op Jakob I zouden maken. Weldra kwam dan ook in Den Haag het bericht, dat de koning overwoog, zijne onderdanen door den bijstand van twee oorlogschepen in staat te stellen, hunne beweerde rechten met kracht te handhaven, en dat ook de Moscovische Compagnie beraadslaagde over nog krachtiger uitrusting dan het vorige jaar[772]. In deze onzekerheid meenden de Staten-Generaal de Noordsche Compagnie nogmaals te moeten bijstaan. Zij schreven aan Caron om voor het laatst te beproeven eene botsing te voorkomen[773], maar tevens namen zij krachtiger maatregelen. De Noordsche Compagnie werd aangeschreven »haer in goede ordre tot de Nauigatie ende Neeringe te willen tydelyck praepareren ende het selve doende naer behooren, ten minsten als in den voorleden jare is gedaen, dat in dien gevalle haer gelycke assistentie ende faveur ghedaen soude worden als in den voorleden jare was gheschiet, maer anders en by gebreck van haer eygen devoir niet[774].” Meer dan de tusschenkomst van Caron baatte deze krachtige houding: terwijl de Noordsche Compagnie elf schepen onder Adriaen Block[775], begeleid door drie oorlogschepen naar Spitsbergen zond[776], verschenen de Engelschen tegen de verwachting dit jaar slechts met twee groote schepen en twee pinassen. Waarschijnlijk had de slechte vangst der beide laatste jaren eene crisis onder de reeders ter walvischvangst doen ontstaan, en was daardoor de uitrusting geringer dan zij vorige jaren geweest was[777]. Hoe dit ook zij, de Nederlanders »stayed vpon the coast of Greenland perforce” en bezochten ook de door de Engelschen het vorige jaar gereserveerde baaien. Zij gingen zelfs over tot het bouwen van eene loge in Bell-sound om hunne gereedschappen voor het volgende jaar te bewaren[778].
[772] Miss. v. Caron aan den koning dd. 6/16 Mei 1615, in: L. E. 1615.--R. S.-G. 16 Mei 1615.--Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 1 Apr. 1615, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[773] Muller, Mare Clausum. p. 130 Noot 5.
[774] R. H. verg. v. 4-17 Mrt. 1615. p. 5.
[775] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 95.--Block is bekend door zijne reis naar Nieuw-Nederland in 1614. (Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 85, IX fol. 44.--Zie meer bij: De Jonge, Opkomst. I p. 33.)
[776] Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 467.
[777] Edge (Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 469) verhaalt, dat de leden der Moscovische Compagnie, die zich op de walvischvangst toelegden, in 1619 „dissolued ~againe~.”
[778] Mémoire de la Comp. Septentrionale, bij: Muller, Mare Clausum. p. 371.--Instr. v. de Stn.-Gen. voor Schrobop dd. 23 Mei 1616, art. 8, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
In den zomer van 1616 keerden echter de kansen; de Engelschen kwamen met acht groote schepen en twee pinassen op Spitsbergen, terwijl de Nederlanders reden hadden om ook eenige Deensche oorlogschepen met vijandige bedoelingen daar te verwachten. Tegen deze overmacht kon de Noordsche Compagnie, door de groote uitrusting van het vorige jaar uitgeput, niet meer dan zes schepen overstellen, waarvan zij om goede redenen[779] nog eenige naar het pas ontdekte Jan Mayen-eiland moest zenden. De Staten-Generaal hadden daarentegen het hunne gedaan om de vereeniging met kracht bij te staan: een konvooi van vijf oorlogschepen werd ter harer beschikking gesteld, terwijl aan den commandeur daarvan Jan Jacobsz. Schrobop bevolen werd om geene vreemde natiën in de walvischvangst te hinderen, maar dan ook eventueele aanvallen krachtig te keer te gaan[780]. Maar toch voelde de Noordsche Compagnie zich niet krachtig genoeg: zij schijnt ernstig beraadslaagd te hebben, de walvischvangst aan Spitsbergen voor goed op te geven en zich met de voordeelige visscherij aan Jan Mayen-eiland tevreden te stellen. Althans daarheen was het dat dit jaar de geheele uitrusting der vereeniging gezonden werd. De Engelschen maakten van deze gelegenheid gebruik: in de afwezigheid der Nederlanders wreekten zij zich over de concurrentie van vroegere jaren door het vernielen der nieuwgebouwde loge. Vier schepen der Noordsche Compagnie, die later in het jaar aan Spitsbergen kwamen, moesten zich in verschillende baaien verspreid schuil houden. Zij hadden eene slechte vangst, terwijl de Engelschen ongeveer 100 walvisschen vingen en zooveel traan kookten, dat zij nog een gedeelte daarvan op het eiland moesten achterlaten tot het volgende jaar[781].
[779] Zie over die redenen: Hoofdst. IX.
[780] Zie de Instructie in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[781] Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 466, 67.--Mémoire der N. C., bij: Muller, Mare clausum. p. 371.--Purchas, Pilgrimage. p. 816.
Het blijkt niet, of de Staten-Generaal met de verplaatsing der Nederlandsche walvischvangst naar Jan Mayen-eiland genoegen genomen hebben, maar men zou bijna geneigd zijn dit aan te nemen, wanneer men ziet, dat juist in 1617 de regeering bezwaar maakte het gewone konvooi aan de compagnie te verleenen, eene spaarzaamheid, die de vereeniging misschien zou kunnen noodzaken in haar voornemen te volharden. Het is waar, er kunnen andere redenen voor deze handelwijze der regeering bestaan hebben: de Engelschen hadden, niettegenstaande de verdeeling der Nederlandsche krachten hun het laatste jaar eene uitnemende gelegenheid tot wraak aanbood, sinds 1613 hunne aanvallen op de walvischvaarders niet herhaald; de Noordsche Compagnie, die toch in ieder geval een paar goede reizen gemaakt had, kon in staat geacht worden om zich zelve te beschermen: maar toch, de weinige onderstand, dien de vereeniging in deze crisis verkreeg, schijnt er op te wijzen, dat de regeering huiverig was den strijd met de Engelschen openlijk te aanvaarden. Hoe dit zij, de Staten-Generaal vermaanden de walvischvaarders in het voorjaar van 1617, zelven »sterck te reeden ende vuyt te varen opte Neringe ende Visscherie.”[782] De Noordsche Compagnie sloeg dien wenk niet in den wind en deed het uiterste om zich te versterken, al moet het haar veel gekost hebben. Den 19 Maart 1617 trof zij eene overeenkomst met eene Zeeuwsche compagnie, die zich onlangs ook op de walvischvangst had beginnen toe te leggen. Men kwam overeen over het aandeel, dat ieder in de winst zou hebben, men beloofde elkander wederkeerig hulp en bescherming[783]. Dus versterkt hoopte men den Engelschen het hoofd te kunnen bieden.
[782] Muller, Mare Clausum. p. 131 Noot 5.
[783] Zie het contract in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
Maar toen het contract eenmaal gesloten was, schijnt de Noordsche Compagnie berouw gehad te hebben. Jan Mayen-eiland, van de gemeenschap uitgesloten, omdat de Hollanders als ontdekkers daarop uitsluitende rechten deden gelden,--bleef een door de afwezigheid der Engelschen aanlokkelijk verblijf. Al had de walvischvangst daar in 1616 niet aan de verwachting beantwoord, de verleiding was groot en de hulp, die de Zeeuwen konden leveren, schijnt niet aan de verwachting der Noordsche Compagnie beantwoord te hebben. Toen de tijd van uitvaren gekomen was, schoot dan ook de moed der vereeniging te kort en tegen de bepaling van het pasgesloten contract in zond zij in 1617 hare geheele uitrusting naar Jan Mayen-eiland. Toen dus op het laatst van Mei drie Vlissingsche schepen, »de Arke Noë” kapitein Jan Verelle, »de Peerle” kapitein Huybrecht Cornelisz., en »de Vos” kapitein Cornelis De Cock, op Spitsbergen aankwamen, waren zij volkomen onbeschermd. De Moscovische Compagnie daarentegen, die dit jaar veertien groote schepen en twee pinassen naar het noorden had gezonden, waarvan slechts éen Spitsbergen op eene ontdekkingsreis verliet, was gereed tot krachtige maatregelen. Reeds voordat de Zeeuwen Spitsbergen bereikten, ontmoette De Cock den Engelschen commandeur Edge, die hem, toen hij vernam dat de Moscovische Compagnie dit jaar op Spitsbergen de sterkste was, onder beroep op de commissie van Jakob I het visschen verbood, terwijl hij alle Nederlanders gelastte zich dadelijk van de kust te verwijderen met de bedreiging hun anders hunne vangst te zullen ontnemen. Niet ontmoedigd beproefde De Cock met zijne beide medgezellen daarop de walvischvangst in Horn-sound, maar toen een daar aanwezig Engelsch kapitein, Harry Smith geheeten, dadelijk den commandeur van hunne aankomst bericht gaf, en de Hollanders, die te hulp geroepen waren, bleken niet in Bell-sound te zijn, voelden de drie Vlissingers zich te zwak om het herhaalde verbod der Engelschen te weerstaan en besloten aan Beeren-eiland hun geluk te beproeven. Maar de vangst was daar uiterst onvoordeelig en op aanstoken van den bekenden kapitein Marmaduke, die sinds 1611 jaarlijks met zijne Hullers ter walvischvangst op Spitsbergen kwam en de Moscovische Compagnie trotseerde[784], keerden zij naar Spitsbergen terug. Het geluk diende hun ook toen niet. In Horn-sound vonden zij behalve Smith nu nog een ander schip der Engelsche compagnie. De kapitein James Beversham liet hun wel toe te visschen, maar zond in het geheim naar Edge in Bell-sound om bijstand tot het verdrijven der indringers. Gelukkig kregen de Zeeuwen hiervan nog tijdig kennis en zij besloten nu Cornelisz. en De Cock dadelijk met een paar onderweg gevangen walvisschen naar huis te zenden, maar Verelle kon niet zoo spoedig gereed komen en moest dus nog eenigen tijd in Horn-sound achterblijven. Terwijl hij nog bezig was zijne gereedschappen van de kust te halen, kwam William Heley, de Engelsche onderbevelhebber, daar aan om hem te verjagen. Heley, een jong man die aan groote bekwaamheid een vurigen inborst paarde[785], viel Verelle dadelijk aan, nam hem niet alleen de weinige door hem gevangen walvisschen af, maar beroofde hem ook van al zijne gereedschappen voor de walvischvangst. Uit vrees voor represailles werd den Zeeuwen ook hun geschut en kruit ontnomen. Wel was de directe schade der Zeeuwen niet groot, maar daar zij dit jaar nagenoeg niets mede naar huis brachten, waren de kosten der uitrusting geheel verloren[786]. De Nederlandsche verhalen zijn dan ook eenstemmig in klachten over de behandeling van Heley, dien zij »een Jonck ende outrequidant persoon sich zeer violentelyck comporterende” noemen. De Moscovische Compagnie maakte daarentegen dit jaar weder zulk eene goede reis, dat zij een gedeelte van hare vangst van 150 walvisschen voor het volgende jaar op Spitsbergen moest achterlaten[787].
[784] Hoewel aan de Hullers in 1618 verboden werd Spitsbergen te bezoeken en hun als schadeloosstelling de visscherij bij Jan Mayen-eiland werd opengesteld (Macpherson, Annals. II p. 292), vinden wij nog in 1631 twee Hullsche walvischvaarders afgescheiden van de schepen der Moscovische Compagnie op Spitsbergen. (Pellham, Gods power, in: White, Spitzbergen and Greenland. p. 281, 82.) Van hunne aanwezigheid op Jan Mayen-eiland blijkt daarentegen nooit iets.
[785] Heley vervaardigde verscheidene gedichten op de walvischvangst der Engelschen. (Purchas, Pilgrimes. II p. 738.)
[786] Zie de schaderekeningen der Zeeuwsche reeders, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--De Engelschen achtten de geroofde goederen zeer gering. (Edge, Dutch disturbance, en: Brief van Heley aan Deicrowe, in: Purchas, Pilgrimes. III p. 468, 732.)
[787] Zie de Nederlandsche voorstelling dezer zaak uitvoerig in de getuigenissen van De Cock c. s., D’Hallegorey c. s., Gasteloser c. s. en Verelle c. s., en in: Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C. in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Vgl. ook: Mémoire der N. C., bij: Muller, Mare Clausum. p. 371.--R. S.-G. 9 Nov. 1617.--Miss. v. Gecommitt. Raden v. Zeel. aan Caron dd. 21 Dec. 1617, als bijlage achter de N. Z.--De Engelsche verhalen van Edge (Dutch disturbance) en Heley (brief aan Deicrowe) staan afgedrukt bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 467, 68, 732. (Edge geeft het verhaal tweemaal; slechts bij aandachtige lezing ontdekt men, dat de uitvoerigste beschrijving volgt onder 1618.)
Dadelijk bij hunne thuiskomst klaagden de Zeeuwen aan de Staten-Generaal. Tegelijk zonden zij een persoon met aanbevelingsbrieven der Staten aan Caron naar Engeland om daar hunne belangen voor te staan. De zending beloofde aanvankelijk veel goeds. Wel werden de geroofde goederen der Zeeuwen onder de oogen van hunnen gevolmachtigde in het openbaar verkocht[788], maar het ontnomene geschut werd dadelijk teruggegeven en de Zeeuwsche zendeling maakte van zijne tegenwoordigheid te Londen gebruik om te trachten op andere wijze het doel der Nederlanders, de onverhinderde visscherij op Spitsbergen, te bereiken. Sir John Cunningham[789] en eenige Schotten hadden juist in dien tijd van koning Jakob een patent verzocht om nevens de Moscovische Compagnie op de IJszee te mogen varen; Engelschen, waarschijnlijk inwoners van Hull, voegden zich bij hen, en ook de te Londen aanwezige Zeeuwen, die van hunne compagnieschap met de Hollanders niet veel voordeel gehad hadden, werden nu in de vereeniging opgenomen[790]. De koninklijke toestemming werd verleend en de nieuwe compagnie beijverde zich de bekwaamste stuurlieden van hare mededingster te onderhuren en provisiën op groote schaal in te slaan. Reeds maakte zij zich gereed in de ruime winsten, die de Moscovische Compagnie in de laatste jaren gemaakt had, te deelen, toen een maatregel van hare mededingster al deze plannen verijdelde. De Moscovische Compagnie, van den nood eene deugd makende, kwam met hare Oost-Indische zuster overeen, dat beiden voortaan gezamenlijk de kosten der uitrustingen voor de walvischvangst zouden dragen. Door buitengewone krachtsinspanning hoopte men de concurrentie, die nu ook van nabij dreigde, te overvleugelen. De nieuwe compagnie zag dadelijk in, dat zij tegen zulk eene kolossale vereeniging van kapitalen niet zou kunnen opwerken en ging uiteen. Verheugd dat de zaak zich zoo schikte, was de Moscovische Compagnie gaarne bereid voor grof geld de door hare mededingers opgedane voorraad over te nemen, al was die voor haar ook nutteloos[791]. Zoo eindigde dit incident, dat echter medewerkte om de fondsen der Moscovische Compagnie uit te putten en aan de Engelsche uitrustingen ter walvischvangst op den duur een gevoeligen slag toebracht. Voorloopig was daarvan echter nog geen quaestie: de Moscovische Compagnie, sterk door haar bondgenootschap met de Oost-Indische, reedde dertien schepen en twee pinassen naar Spitsbergen uit onder bevel van den ervaren Thomas Edge.
[788] Mémoire de la Compagnie Septentrionale, bij: Muller, Mare clausum. p. 371.--Corte Deductie ende Remonstrantie vande Noortse Compagnie, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Miss. v. Zeeland dd. 21 Dec. 1617, achter de N. Z. 1621.
[789] Sir John Cunningham had lang in Deensche dienst op de IJszee gevaren. Hij was in 1605 en 1606 kapitein geweest op het admiraalschip van de expeditiën van Lindenau naar Groenland, waarop de bekende James Hall stuurman was. (Barrow, Voyages into the arctic regions. p. 169, 73.) In 1615 kwam hij als kapitein van een der drie Deensche oorlogschepen op Spitsbergen. (Brief v. Fotherby aan Edge dd. 15 juli 1615, by: Purchas, Pilgrimes. III p. 731.--Vgl. hierna Hfdst. VII.)
[790] In Londen was destijds ook gevestigd Willem Courten, compagnon van zijnen broeder Pieter, die een der voornaamste Zeeuwsche handelaars op de IJszee was. (Mémoire et Relation veritable der Mosc. Comp., bij: Muller, Mare Clausum. p. 374, 75.--N. Z. 11 Mrt. 1619.) Waarschijnlijk werd ook hij in de nieuwe compagnie opgenomen.
[791] Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 468.
De Nederlanders waren echter niet gezind zich straffeloos te laten mishandelen. Vertoornd over de behandeling van het vorige jaar, waarvoor zij geene vergoeding hadden kunnen krijgen,--teleurgesteld door het uiteengaan der Schotsche compagnie, sloten de verschillende kamers der Noordsche Compagnie den 2 Maart 1618 weder eene overeenkomst om elkander tegen de Engelschen te verdedigen. De Staten-Generaal stonden de compagnie twee oorlogschepen als konvooi toe, en eene ongewoon groote walvischvloot vertrok dit jaar naar Spitsbergen. Daar aangekomen verdeelden de drie en twintig walvischvaarders zich volgens afspraak in vier afdeelingen: de Rotterdammers bezetten Horn-sound onder konvooi van een oorlogschip; die van het Noorderkwartier namen in Bell-sound hun verblijf, terwijl het voor hen bestemde tweede oorlogschip achterbleef, daar het door de Amsterdammers weder naar Jan Mayen-eiland gezonden was; de Zeeuwen en die van Delfshaven verzamelden zich onder bevel van Abraham Dircksz. Leversteyn in Sir Thomas Smiths-bay[792]; aan de Amsterdammers eindelijk viel de Mauritius-baai ten deel[793]. Ook de Engelschen waren over het geheele eiland verspreid; de meeste schepen waren echter te zwak voor een gevecht. De commandeur Edge bevond zich met eenige schepen in Bell-sound en de onderbevelhebber Heley met een paar andere in Sir Thomas Smiths-bay.
[792] Volgens de getuigenis van den commandeur Leversteyn (op de Engelsche schaderekening in: Lias loopende 1618. R.-A.) gebeurde het hieronder verhaalde in Fairhaven. Zoowel uit Engelsche als Nederlandsche bronnen blijkt echter, dat Leversteyn ongelijk had, toen hij stoutweg verklaarde: „Is gelogen, want hebben daer geen van allen geweest.” Nog de groote kaart van Van Keulen noemt eene kleine baai in den Foreland-fjord, waarschijnlijk naar het in 1618 voorgevallene, „Zeelands baay.”
[793] R. S.-G. 4 Nov. 1622.