Geschiedenis der Noordsche Compagnie
Part 26
De commandeur Van Muyden, met zijne beide schepen den 27 Mei op Spitsbergen aangekomen[734], had zich bij de zuidpunt van Prince Charles’ foreland gevestigd en was 13 Juni de walvischvangst in Behouden-haven (de »Pooppy-Bay or Nickes Cove” der Engelschen) begonnen. Bij hem bevonden zich drie Fransche schepen en aan de tegenoverliggende zijde van Ice-sound waren twee schepen (een van Duinkerken en een van St. Sebastiaan in Spanje) in Greenharbour bezig met visschen. Nauwelijks had de Engelsche commandeur Benjamin Joseph bericht van de aanwezigheid der vreemden gekregen of hij begaf zich derwaarts en hield zich van 16 tot 19 Juni bezig met het door list en geweld verjagen zijner vijanden. Van Muyden toonde den Engelschen zijne commissie van graaf Maurits, die hem machtigde vrijelijk aan Spitsbergen te visschen en zich tegen alle aanvallen te verdedigen, maar Joseph beriep zich op den last, hem door de Moscovische Compagnie gegeven, en gebood Van Muyden nadrukkelijk te vertrekken zonder verder aan het eiland te visschen. De kapitein moest toegeven; de opbrengst zijner vangst werd een prooi der Engelschen. De overige schepen, die in Ice-sound waren, werden gedeeltelijk verjaagd, gedeeltelijk tegen zeer hooge belasting tot de vischvangst toegelaten.
[734] Zie over de uitrusting van dit en de andere schepen hiervóor p. 73, 74.
Van Muyden liet zich niet afschrikken; hij stevende dadelijk naar Bell-sound (20 Juni), waar hij zich, vereenigd met een groot schip van St. Jean de Luz in het uitsluitend bezit der visscherij wist te handhaven tot 21 Juli[735]. Dien dag naderden hem echter drie Engelsche schepen op nieuw, ditmaal geheel tot een gevecht uitgerust. Toen het Biscaaische schip zich dadelijk overgaf bleef er voor de Nederlanders geen keus: zij volgden het voorbeeld van hunnen medgezel. Het schip van Boots, Van Muyden’s onderbevelhebber, werd dadelijk van de vangst beroofd en naar huis gezonden; Van Muyden hielden de Engelschen tot 28 Juli bij zich en lieten hem toen met een klein geschenk in ruil voor de achttien hem ontnomen walvisschen naar huis vertrekken. Tot 9 Augustus zwierf de verjaagde kapitein nog op de kust rond; maar zonder eenig aanmerkelijk voordeel moest hij toen de terugreis aannemen. De schade zijner reeders bedroeg minstens ƒ 130,000[736].
[735] Van Muyden trachtte eerst in Low-sound te visschen, waarom die baai nog op de kaart van Spitsbergen in: Begin ende Voortgangh van de O.-I. C. p. 13 den naam van „Willems van Muyden haven” draagt. Toen het hem daar mislukte vertrok hij naar Bell-point, de Recherche-baai van latere kaarten.
[736] De begrooting der schade werd tot over de ƒ 200,000 opgedreven.--Zie de verschillende opgaven bij: Muller, Mare Clausum. p. 120 Noot 4.--Vgl. ook het rapport van Joachimi aan de Stn. v. Zeeland in: N. Z. 19 Mrt. 1614, en: Resol. Adm. Amst. 23, 27 Aug. 1613. (De som van ƒ 100,000, daar door de reeders opgegeven, is echter geen zuivere maatstaf: Van Muyden was toen met het grootste schip nog niet binnen. Resol. Adm. Amst. 31 Aug. 1613.)
Den overigen Nederlanders was het niet beter gegaan. Van de twee schepen, door de Zaandamsche reederij uitgerust, was wel is waar het eene beladen met het spek van 200 in Bell-sound[737] gedoode walrussen, die men uit vrees voor de Engelschen niet tot traan had durven kooken, reeds 25 Juni naar huis gezonden; maar het andere was in Bell-sound gebleven en deelde daar in de algemeene plundering van 21 Juli. Het moest verder van zijne geheele vangst beroofd de Engelschen dienen. Eerst in het begin van Augustus zond commandeur Joseph het met een klein geschenk van spek naar huis.
[737] Waarschijnlijk heet daarnaar de later als Van Keulen-baai bekende inham op de kaart in: Begin ende Voortgangh van de O.-I. C. p. 13: „Sardammer-riuier.”--In het werkje „Detectio freti” (ed. 1613 F 3) verhaalt de schrijver, dat het schip eenige „Hippopotami” zou gevangen hebben. De vergissing is zeker nog al zonderling, maar niet onverklaarbaar: op sommige oude Nederlandsche platen heeft de walrus werkelijk eenige overeenkomst met het nijlpaard.
Nog slechter was het Enkhuizer schip behandeld. Het had zich met een Fransch schip vereenigd om gezamenlijk in Horn-sound te visschen; drie Spaansche schepen oefenden daar ook de walvischvangst, terwijl het Duinkerksche schip zich nadat het uit Greenharbour verdreven was bij hen gevoegd had. Den 23 Juni ondergingen ook deze schepen het algemeene lot. Op bevel van den naderenden Engelschen commandeur kwamen alle kapiteins bij hem aan boord en onderwierpen zich. Alleen Bonner, de kapitein van het Enkhuizer schip, zelf een Engelschman en met eene bemanning, waaronder zich twintig Engelschen bevonden, waagde het niet voor Joseph te verschijnen en beproefde zich te verdedigen. Eenige kanonschoten dwongen hem echter weldra zich over te geven, en zooals hij verwacht had werd hij zwaarder gestraft dan zijne metgezellen. Bonner en de Engelschen werden gevangen genomen, de verdere bemanning van het schip over de Engelsche schepen verdeeld, terwijl het Nederlandsche schip zelf met Engelschen onder kapitein Marmaduke bemand, voor de overwinnaars in Fairhaven visschen en ontdekkingsreizen ten zuiden van Spitsbergen doen moest. Commandeur Joseph nam het volgeladen mede naar Engeland, loste het daar en terwijl de lading in handen der Moscovische Compagnie bleef, kon het schip ledig naar huis keeren[738].
[738] Zie de berichten van Bonners reisgenoot Symon Van der Does, den zoon van den Amsterdamschen schout Willem Van der Does, in: Detectio freti, ed. 1613 F 3.
Ook de Nederlanders, die in vreemde dienst naar Spitsbergen gekomen waren, kwamen er niet beter af. Het Hoornsche schip, dat voor eene reederij te La Rochelle voer, moest reeds 19 Juni naar de Noordkaap vertrekken; kapitein Claes Martensz. van Hoorn, bevelhebber op de bij het Duinkerksche schip behoorende pinas, mocht het als eene groote gunst beschouwen, dat hij op het groote schip van Duinkerken vertrekken mocht en niet als zijne Engelsche tochtgenooten gevangen gehouden werd[739].
[739] Vgl. over deze reis: Baffin, Iournall of the Voyage to Greenland in 1618, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 716.--Hist. du pays de Spitsb. p. 11, 20.--Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas l. c. p. 466.--Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C., in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Mémoire der N. C., bij: Muller, Mare Clausum. p. 369.
De Engelschen waren over den uitslag hunner reis zeer voldaan. Wel had de jacht op de vreemdelingen hun eigen voordeel doen vergeten en was de reis voor ditmaal slecht geweest[740], maar toch prees men Joseph, »who without bloudshed disappointed those Strangers, ready to reape that which others had sowne, and either had not at all discouered, or wholly giuen over the businesse[741].” Anders dachten de Nederlanders over de zaak. De stemming der natie was zeer oorlogzuchtig[742]: de reeders zelven, hoewel voorzichtiger, toonden zich niet minder verontwaardigd. Reeds voordat Van Muyden met zijn schip thuis was gekomen, klaagden de Amsterdammers op de berichten, door Boots met het schip de Fortuyne aangebracht, aan de Staten-Generaal. Zij beweerden, dat Spitsbergen een onbeheerd en vrij land was, waarop de Nederlanders als ontdekkers in ieder geval meer aanspraak hadden dan de Engelschen; zij verdedigden de zeer juiste stelling, dat de zee en de vaart daarover voor ieder vrij moesten geacht worden en brachten die in praktijk door van alle »preferentie” uit kracht van hunne ontdekking af te zien. Zij verklaarden, dat zij zich niet als verschillende andere natiën hadden willen vernederen tot het betalen eener belasting uit vrees voor het misnoegen der regeering[743] en zij verzochten de Staten-Generaal op al deze gronden te zorgen: 1^{o}. dat zij onverwijld vergoeding kregen van de Engelschen, 2^{o}. dat hun voortaan de vaart op Spitsbergen onverhinderd bleef openstaan, en 3^{o}. dat op de schepen van den commandeur Joseph na zijne aankomst in Engeland beslag gelegd werd[744].
[740] Vlg. Edge (Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 467) bedroeg de schade der reeders wel £ 3 à 4000.
[741] Purchas, Pilgrimage. p. 815.--Vgl. Detectio freti, ed. 1613 F 3.
[742] Hessel Gerritsz. durfde in het najaar van 1613 openlijk schrijven: „Fortasse sequenti anno nostrates Mercatores periculum facient armis, an penes nostrates sit ibi ius piscandi, qui primum deteximus, an penes Anglos, qui primum piscati sunt: quod faxit Deus, in patriae nostrae commodum!” (Detectio freti. ed. 1613, F 3.) De reeders waren echter met dergelijke openbare uittartingen minder ingenomen: „satis acriter eum reprehenderunt,” en Gerritsz. was genoodzaakt hetgeen hij gezegd had openlijk als „temere et inconsiderate” te brandmerken. Hij verklaarde toen, dat de reeders met eerbied voor Jakob I niet anders verwachtten dan hunne handhaving door Z. M. tegen zijne eigene onderdanen; gebeurde dit niet, dan verklaarden zij toch nooit tot geweld hunne toevlucht te zullen nemen, hoewel hun recht duidelijk was, zooals uit de daarbijgevoegde „refutatio” van Plancius bleek. (Detectio freti. G.--Deze 4 bladzijden zijn in sommige exemplaren later bijgevoegd.)
[743] De Staten-Generaal besloten reeds dadelijk, dat de Nederlanders geen licent mochten betalen. Tweenhuysen c. s. hadden verklaard „te meenen, dat oock dese natie by voorgaende versochte licentie ofte by avonture eenighe gedane recognitie by den Koningh van Engelant ofte voorszeide Compagnie soude worden geadmitteert, maer dat sy Supplianten niet en wisten ofte haere Groot-Mo: Ed: aengenaem soude sijn te geschieden.” (Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 89.) De Staten-Generaal bevalen dan ook Caron, bij het overhandigen van het request aan Jakob I „vuyt te laten de presentatie die de Supplianten doen by denseluen Requeste van eenige submissie ende erkentenisse aen zyne Ma^{t}. te doen voor het toelaten vande voirszeide visscherye, ~ouermits de zeer~ (?) ~preiudiciabel consequentie voirden Staet van tlant daerjnne gelegen~.” (R. S.-G. 26 Aug. 1613.)
[744] Zie dit request afgedrukt bij: Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 88.
De Staten-Generaal besloten dadelijk aan het verzoek der Amsterdammers te voldoen. Aan den Engelschen ambassadeur Winwood en aan Caron, den gezant der Staten te Londen, beiden werd opgedragen, om Jakob I »te verthoonen het ongelyck, dat niet alleene de voirszeide Supplianten, maer oyck by consequentie dese landen daerby is geschiet”, en om te bewerken, dat den klagers »volgende het Jus gentium” hun goed werd teruggegeven[745]. Maar te vergeefs! Winwood gaf wel goede hoop, dat niet alleen restitutie gegeven, maar ook maatregelen genomen zouden worden om de herhaling van zulke ergerlijke tooneelen te voorkomen; doch niettegenstaande den aandrang van Caron kwam het daartoe niet[746]. De Moscovische Compagnie had nadrukkelijk geprotesteerd tegen het openstellen van Spitsbergen voor Nederlanders. Zij voelde zich door hare beweerde ontdekking van 1553 tot zulk eene houding gerechtigd, en al verklaarden de Staten-Generaal dan ook herhaaldelijk, dat het hunne meening niet was de Engelschen door het op den voorgrond stellen der reis van Heemskerck en Rijp van de walvischvangst uit te sluiten, het laat zich begrijpen, dat de compagnie op haar meer bekrompen standpunt niet met zulk een aanbod tevreden was[747].
[745] R. S.-G. 26, 31 Aug. 1613.
[746] R. S.-G. 25, 26 Oct., 2 Nov. 1613.
[747] Muller. Mare Clausum. p. 123 Noot 4, 5.
De Staten-Generaal besloten dan ook met de illiberale inzichten der Moscovische Compagnie te rekenen; zij wenschten aan te toonen, dat ook volgens deze beschouwing het recht der Engelschen allen redelijken grondslag miste. De Amsterdamsche reeders werden uitgenoodigd al hunne bewijsstukken naar Den Haag te zenden, ten einde de redeneeringen der Moscovische Compagnie op meer afdoende wijze te beantwoorden dan een diplomaat als Caron dat doen kon[748]. Nauwelijks werd dit verlangen der Staten bekend, of het regende stukken, die allen ten doel hadden de ongegrondheid der Engelsche pretensiën te bewijzen. Ook de geleerde Plancius, zeker de daartoe meest bevoegde persoon, zond eene wederlegging van de geographische ketterijen der Engelschen naar Den Haag[749]. Hij bewees daarin kort maar overtuigend: 1^{o}. dat het door de Engelschen dusgenoemde Willoughby-land op de door de kaarten aangewezene plaats niet bestond en dus elders gezocht moest worden[750],--dat, ook al kon men de juiste ligging van dit land aanduiden, het volkomen zeker was, dat het volstrekt niet hetzelfde was als het later ontdekte Spitsbergen,--dat, ook al ware dit zoo, het door Willoughby geziene land niet door hem was in bezit genomen,--en eindelijk dat Sir Hugh ook op zijne verdere reis na de ontdekking van Willoughby-land Spitsbergen niet bereikt had. Met een enkel woord werd daarop vermeld, dat de beweerde identiteit van Groenland en Spitsbergen reeds voldoende wederlegd was[751] en daarop uit al het voorgaande de conclusie getrokken, dat Heemskerck en de zijnen de ware ontdekkers van het eiland waren. 2^{o}. trachtte Plancius te bewijzen, dat de Engelschen ook als domini maris geen recht hadden om de vaart naar Spitsbergen te verbieden. Dit dominium maris toch, dat zich volgens de Engelschen ook over de IJszee uitstrekte, gaf geen recht op Spitsbergen zelf, hetgeen reeds daaruit bleek, dat dichter bij de Britsche eilanden gelegene landen, als Groenland, IJsland enz. aan Denemarken behoorden[752]. Maar ook al kwam Spitsbergen zelf aan Engeland toe, de regel van het volkenrecht luidde, »dat ofschoon eenigh vast lant ofte Eylandt yemanden toebehoorde dat nochtans de Zee-vaert ende visscheryen na het algemeyne Recht van allen volcken eenen yegelijcken even na is ende vry open staet[753].”
[748] R. S.-G. 2 Nov. 1613.--Grotii Epistolae. p. 20. Ep. 59.
[749] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 94.
[750] De ware ligging van Willoughby-land kende Plancius echter niet. Hij meende, dat het identiek was met „de Willebordts eylanden” (eene verbastering van Willoughby-eilanden?), waarmede hij schijnt te hebben willen aanduiden het op oude Nederlandsche kaarten voorkomende „Matsyn id est plurimae insulae,” een „Doppelgänger” van Mathys-land, zooals Willoughby-land was van de Ganzenkust op Novaya-Zemlya.
[751] Het is mij niet gebleken, dat de Engelschen deze bewering in éen officiëel stuk ter bekrachtiging van hun recht gebruikt hebben. Wel noemden zij Spitsbergen Greenland, maar dat zij zeer goed wisten, dat het niet hetzelfde was als het van ouds bekende Groenland, blijkt uit het feit, dat zij dit met den naam Groneland of iets dergelijks aanduidden. (De bewering van den schrijver der „Histoire de Spitsberghe” (p. 26), dat de Engelschen het recht om bij Spitsbergen te visschen van Denemarken zouden gekocht hebben, schijnt mij geheel onjuist.)--Terwijl men dus reeds lang vóor 1613 aannam, dat Spitsbergen geen gedeelte van Groenlands oostkust was (de Nederlandsche ontdekkers zijn misschien door hunne onbekendheid met middelen om de lengte op zee te bepalen in deze dwaling vervallen) schijnt men echter eerst verscheidene jaren later volledige zekerheid hierover erlangd te hebben. Die zekerheid was natuurlijk eerst te verkrijgen door het bewijs, dat Spitsbergen een eiland was. De omzeiling door Rijp was vergeten en Fotherby zegt dan ook in 1615, dat Spitsbergen „is ~most like~ to be an Iland.” (Purchas, Pilgrimes. III p. 730.) Purchas verhaalde in 1625, dat „Greenland is now ~almost~ altogether discouered to bee an Iland, or rather many Ilands and broken grounds.” (Purchas, Pilgrimes. p. 816.) Evenwel „~gheloofde~” Joris Carolus nog in 1634 „niet, dat het landt van Out-Groenlandt aen Spitsberghen vast en is, vermits de stroomen langhs Spitsbergen al uyt den Noorden comen” (Carolus, Nieuw vermeerde Licht des Zeevaerts. p. 147), en Vander Brugge schreef in datzelfde jaar (Journael der Seven Matroosen. p. 4): „Of Spitsbergen een Eylandt, of vast aan-een-palent landt sy, is tot noch toe onbekent.” Christiaan IV van Denemarken sprak echter reeds in 1631 van „die Grönländische ~Insull~ Spitzbergen.” (Miss. v. Chr. IV aan de Stn.-Gen. dd. 28 Dec. 1631, in: L. D. 1632).
[752] Dat dit argument onjuist is, blijkt uit: Muller, Mare Clausum. p. 121 Noot 6.--De rechtsgrond, door de Engelschen voor hun dominium maris in de IJszee aangevoerd, was hunne occupatie als eerste reizigers in de IJszee. Ook deze bewering trachtten de Nederlanders echter te weerleggen. Zie de daartoe strekkende betoogen bij: Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 89 vlg.
[753] Zie dit stuk van Plancius in: Hist. de Spitsb. p. 27, en bij: Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 93.
De Staten-Generaal toonden zich met het werk van Plancius ingenomen en zonden het aan Jakob I om hem van het goed recht der Nederlanders te overtuigen. Maar de eigenzinnige vorst was de man niet, om zich spoedig van eene eens opgevatte meening te laten terugbrengen: hij gaf gaarne gehoor aan de »andere informatien” der Moscovische Compagnie, en »al wast dat het teghendeel duydelyck genoegh aenghewesen was,” hij kon of wilde het niet aannemen. »Of nu sulcke groote verstanden tot consideratien van so kleyne dingen niet konnen descenderen, of dat sy yets ons onbekent daer mede voor hebben, is swaerlijck te oordeelen,” merkt Wassenaer ironisch op[754]. Zeker is het echter, dat de compagnie voor de walvischvangst op maatregelen zon om den koning op nadrukkelijke wijze te beduiden, dat de Nederlandsche natie niet geneigd was van de pas begonnen vaart op Spitsbergen af te zien. Hoofdzakelijk steunende op het feit, dat de Engelschen hen niet goedschiks op Spitsbergen wilden toelaten, verzochten zij van de Staten-Generaal octrooi om met uitsluiting van alle andere Nederlanders op Spitsbergen te mogen varen. Eerst door vereeniging van alle krachten hoopte men in staat te zijn, de aanvallen der Engelschen te weerstaan en tevens de groote kosten der uitrusting vergoed te krijgen. Wij hebben gezien, dat de Staten-Generaal het octrooi verleenden[755]. Zij betoonden aan de nieuwgevormde compagnie nog verder hunne gunst door haar op haar verzoek tegen betaling eener belasting met eenige oorlogschepen bij te staan. Ook de vereeniging zelve rustte hare schepen tot den strijd toe en het liet zich aanzien, dat het jaar 1614 niet zonder bloedige botsingen in het noorden zou voorbijgaan[756].
[754] Wassenaer, Hist. verhael. VIII fol. 94.
[755] Zie hiervóor p. 74-77.
[756] R. S.-G. 4 April 1614.--Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 94.--Resol. Adm. Amst. 18, 19, 24 Apr., 2, 5 Mei 1614.
Toch bleef het dit jaar op Spitsbergen rustig. Weldra bleek het, dat de Nederlanders den verstandigsten maatregel genomen hadden, die in de gegeven omstandigheden te nemen was. Nooit werd de spreuk »si vis pacem para bellum” schitterender bevestigd. Hoewel Jakob I den Staten-Generaal na de oprichting der Noordsche Compagnie zijn ernstig ongenoegen over de volharding der Nederlanders had te kennen gegeven[757], kwam het niet tot een gevecht. De Engelschen hadden na ongewone krachtsinspanning behalve een schip, dat onder kapitein Fotherby ter ontdekking uitzeilde[758] dertien schepen en twee pinassen naar Spitsbergen gezonden, maar de Nederlanders waren toch sterker: zij kwamen met veertien groote schepen vergezeld van drie wel-toegeruste oorlogschepen, die de Staten-Generaal hun hadden medegegeven. Al waren dus de Engelschen niet minder dan het vorige jaar geneigd tot gewelddadige handelingen[759], »het een mes hielt het ander in de schede” en het bleef vrede. »The Dutch stayed and fished for the Whale perforce, they were farre stronger then the English,” verhaalt Edge wrevelig. De commandeur Joseph, ook nu weder de aanvoerder van de schepen der Moscovische Compagnie, was zelfs zoo ontmoedigd, dat hij den 19 juni/2 juli met den Nederlandschen commissaris-generaal Antonie Monier eene overeenkomst sloot voor een jaar, waarbij hij hem alle hulp in zijne visscherij aanbood, mits hij aan de Engelschen de reeds toen door hen bezeten baaien Bell-sound, Ice-sound, Fair foreland (of Sir Thomas Smiths-bay) en Fairhaven alleen overliet[760]. Op dien voet verkeerden partijen in vrede naast elkander, maar de groote menigte der schepen was oorzaak, dat de vangst aan beide zijden slecht was.[761]
[757] R. S.-G. 19 Mei 1614.
[758] Zie zijn journaal bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 720.
[759] Tegenwind alleen weerhield o. a. Fotherby, twee vreemde schepen uit Maudlen-sound te verjagen. (Fotherbye, Voyage of Discouerie to Greenland, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 724.)
[760] De Engelsche verhalen maken van dit contract natuurlijk geene melding. Zie echter de „Memoire” der N. C. bij: Muller, Mare Clausum. p. 371.--De overeenkomst is afgedrukt bij: Wassenaer, Hist. verh. fol. 94.--Ook met den zoo gehaten Marmaduke van Hull was de Moscovische Compagnie dit jaar „in termes of consortment;” „but nothing was concluded”, voegt Fotherby (Voyage of Discouerie, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 727), zinspelende op de overeenkomst met de Nederlanders, dadelijk daarbij.
[761] Zie over deze reis: Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 466.