Geschiedenis der Noordsche Compagnie

Part 25

Chapter 253,729 wordsPublic domain

»~Jan Mayen Island,~” zegt Scoresby[710], »~was also discovered by the whalers of Hull about the same time~ (i. e. 1611 of 12)~, and named Trinity Island; in consequence of which, when the Russia Company attempted to monopolize the fishery of the whole of the Polar countries, this island was granted by the King to the Corporation of Hull, on their petition in the year 1618, as a fishing station.~” Hetzelfde zegt ook Macpherson[711], die het waarschijnlijk met alle andere berichten van dien aard aan Purchas ontleend heeft. Waarom Scoresby echter Trinity-island identificeert met Jan Mayen-eiland (terwijl Macpherson dit niet doet) meldt hij ons niet; geen autoriteit wordt door hem hiervoor opgegeven. Macpherson beschrijft het door de Hullers ontdekte eiland als »the isle of Trinity, lying in the north sea towards Spitzbergen.” Is dit juist, dan kan het bezwaarlijk Jan Mayen-eiland zijn; wat ook daarom onwaarschijnlijk is, omdat de Moscovische Compagnie in hetzelfde jaar 1618, toen koning Jakob I Trinity-island aan de Hullers afstond op grond, dat zij het ontdekt en het eerst daar gevischt hadden, zeer goed blijkt geweten te hebben, dat Jan Mayen-eiland als Hudsons Touches door Hudson ontdekt was[712]. Maar toch kan Trinity-island bijna niets anders dan Jan Mayen-eiland zijn. Waarschijnlijk lag het toch niet dicht bij Spitsbergen, want het was juist om twist tusschen de Moscovische Compagnie en de Hullers te vermijden, dat Jakob I Trinity-island aan de laatsten afstond. Ook was het waarschijnlijk eene plaats, waar de walvischvangst zeer voordeelig was, daar de gift eene schadevergoeding moest zijn voor het ontzeggen aan de Hullers van het recht om bij Spitsbergen te visschen. Eene bevestiging dezer meening vind ik op eene oude Nederlandsche kaart[713], waarop aangeteekend staat: »Lounges Forland ~ofte Trinitie Eylandt~, nu Ian Mayen Eylandt.” Zoo Trinity-island dus Jan Mayen-eiland is, dan kan het o. a. ontdekt zijn door Thomas Marmaduke van Hull, die volgens Poole in 1612 met het schip »the Hope-well” eene ontdekkingsreis deed in het noorden en zelfs tot 82° NB. kwam[714].

[710] Scoresby, Account of the arctic regions. I p. 154.

[711] Macpherson, Annals of commerce. II p. 292.

[712] Zie het bovenvermelde verhaal der Moscovische Compagnie bij: Muller, Mare clausum. p. 376.

[713] Op de kaart van Groenland in den atlas van Goos. (1666.)--De naam „Lounges Forland” is misschien eene verbastering van „Youngs Foreland,” evenals „Rudsons point” volgens Asher van „Hudsons point;” beide namen worden door Asher (Hudson the Navigator, p. CXCII) tot de ontdekking van 1608 teruggebracht.--Vgl. ook: Wassenaer, Hist. verh. X fol. 106. („D’Engelschen noemden het Trinite.”)

[714] Poole, Relation of a Voyage to Greenland in 1612, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 714.--Zie eenige bizonderheden over deze reis by: Fotherby, A Voyage of Discouerie to Greenland, in: Purchas l. c. III p. 724-26.

Jean Vrolicq, een Baskisch walvischvaarder, beweerde in 1629, dat hij den 3 Juni 1612 op 71-1/2° NB. ontdekt had een eiland, Pico genaamd. Hij zou dit »l’Isle de Richelieu” genoemd hebben en verzocht nu op grond zijner ontdekking octrooi daarvoor van den kardinaal de Richelieu. Deze ontdekking van Jan Mayen-eiland, waarover ik in het achtste hoofdstuk uitvoeriger hoop te spreken, is blijkbaar later verzonnen. Jean Vrolicq had langen tijd in dienst der Noordsche Compagnie gevaren en was daarna waarschijnlijk kort voor 1629 op Jan Mayen-eiland geweest, dat hij op zijne reizen met de Nederlandsche walvischvaarders zal hebben leeren kennen[715].

[715] Request der N. C. aan de Stn.-Gen. van 1633 of 34 en het daarbij gevoegde octrooi van Richelieu, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

Den 18 Juni 1614 ontdekte een schip van eene Duinkerksche reederij, als wier vertegenwoordiger een Engelsch koopman John Clarke optrad, Jan Mayen-eiland op nieuw[716]. Een proces, door hem met de Noordsche Compagnie daarover gevoerd, eindigde met de erkenning van zijn recht. Ik zal hierover later (hoofdstuk VIII) uitvoeriger spreken.

[716] Zie o. a. R. S.-G. 8 Jan. 1619.--Het is niet onmogelijk, dat deze ontdekking identiek is met de tweede hierboven vermelde: John Clarke kan zeer goed uit Hull afkomstig geweest zijn. Dit wordt te waarschijnlijker daar de Engelsche gezant in Den Haag in 1621, dus na het afstaan van Jan Mayen-eiland aan die van Hull door Jakob I, voor Clarke bij de Staten-Generaal in de bres sprong. (R. S.-G. 4 Jan. 1621.)

»~’t Eylant is in ’t jaer 1614 door de Hollanders, onder welcke was Schipper Jan Jacobsz. May, wiens naem het in ’t gemeen heeft, ontdeckt.~” Dus verhaalt ons Blaeu in zijn groote atlas als bijschrift van de kaart van Jan Mayen-eiland. Reeds Tiele[717] vestigde de aandacht op deze mededeeling. Ik ben in staat te zeggen, dat zij volkomen juist is[718] en hoop dit in het negende hoofdstuk nader te bewijzen. Eenige bizonderheden omtrent de hier vermelde reis van Jan Jacobsz. May deelde ik mede op p. 167-169.

[717] Tiele, Mém. s. l. journ. des navigat. Neerl. p. 70 Noot 2.

[718] Request der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 29 Aug. 1615, in: Noordsche togten. 3. Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.

In hetzelfde jaar bereikte een ander schip der Noordsche Compagnie, »het cleyne Swaentgen” van Delfshaven, kapitein Jan Jansz. Kerckhoff, het eiland eveneens. Ditmaal werd het onderzocht en het volgende jaar deed Kerckhoff een tweede reis daarheen voor de zoogenaamde kleine Noordsche Compagnie. In 1615 beweerde deze dan ook op 71-1/2° NB. gevonden te hebben een onbekend eiland, dat zij als voor de walvischvangst geschikt in bezit genomen en Mauritius genoemd had[719]. Dat dit Jan Mayen-eiland was, zal uit het negende hoofdstuk blijken. De beweerde ontdekking was niets anders dan eene reis, door kapitein Kerckhoff ter walvischvangst naar het hem sinds het vorige jaar reeds bekende Jan Mayen-eiland gedaan.

[719] Req. der kleine Noordsche Comp. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 2. Admiraliteit. R.-A.

In hetzelfde jaar 1615 ondernam Robert Fotherby met het schip Richard op kosten der Moscovische Compagnie eene reis naar het noorden. Omstreeks 20 Juli stuitte hij ten westen van Spitsbergen op 73°50´ NB. op eenen ijsdam. »We stood out againe”, dus verhaalt hij verder, »and coasted the Ice still to the Westwards Southerly, but could see no Land, as I expected to haue done, vntill wee came vnder the latitude of 71 degrees thirtie minutes, and then we espyed a snowie Hill very high in the cloudes, for this day was very cleere at Sea, but the fogge was not yet cleered from the Land, so that we could see no part of it, but only the top of a snowie Mountayne, which appeared very high although wee were fourteene or fifteene leagues distant from it, bearing off vs South-east and by South.--Then I stood in for the shoare, supposing it had beene part of the Mayne of Groynland: for the fogge lay on each side of this Mount, as if there had beene a great Continent vnder it, but it proued otherwise, for as we came neerer to it, the fogge dispersed more and more, and when wee were fiue leagues distant, the Land appeared in forme like an Iland.--When I came neerer the shore, I could find no Harbor to anchor in. Notwithstanding, the weather being faire and calme, I hoist out my Boat and went ashore with three men more, and set vp the Kings Armes: then we searched a sandie Beach, which was abundantly stored with drift wood, but yeelded no other fruits, that we could find worth the taking vp, so I returned aboord againe, and sent ashoare my Boat to fetch some wood. But before the men had laid into her the little quantitie that she was able to carrie, they came aboard againe, for the wind began to blow hard, and the Sea to goe loftie, so that here was no place for vs to abide any longer, otherwise I was purposed to haue searched further alongst the shoare, but this gale of winds comming Northerly I stood from hence to the Westwards, being desirous to see more Land or finde a more open Sea.” Zuidwestelijk zeilde Fotherby toen langs het ijs, maar werd door tegenwind genoodzaakt naar Spitsbergen terug te keeren. Hij was van plan onderweg langs de zuidoostelijke zijde van het nieuw ontdekte land te zeilen, om te zoeken naar goede havens en naar eene gelegenheid om eenig voordeel te maken. »I stood away,” dus verhaalt hij verder, »East and by South, and being neere the foresaid Iland, the winde came to the West and blew a very hard gale, where with I passed alongst the South-east side of the Iland vnder a paire of courses, but without that satisfaction which I expected: for the winde blowing so stormie, and the Sea growne very great, I was forced to stand further from the shoare then willingly I would haue done, and besides there was a thicke fogge vpon the Land, whereby I could not be satisfied what Harbours or Roads were about it, yet might we see three or foure Capes, or Head-lands, as if there went in Bayes betwixt them. I sayled about it, and then stood to the Northward againe, and being now assured that it was an Iland, I named it Sir Thomas Smiths Iland.--This Iland is about ten leagues in length, and stretcheth North-east and South-west; it is high Land, and at the North end of it there is a Mountayne of a wonderfull height and bignesse, all couered with Snow, which I called Mount Hackluyt; the base or foot of it on the East side is almost foure leagues long, it hath three such sides the base lying out to the Sea, and from the fourth side doth the rest of the Iland extend it selfe towards the South-west which is also, as it were, a place fortified with Castles and Bulwarkes, for on each side there bee three or foure high Rockes which stand out from the Land, appearing like Towres and Forts, It lyes in the parallel of 71 degrees, where the Needle varieth from the true Meridian Westwards eight degrees.[720] The land is generally so farre as I haue seene, Rockie and very barren, and worse than the Land that I haue seene in King James his New Land[721], vnder eightie degrees, for there is no grasse but mosse, and where I first landed vpon low ground, all the stones were like vnto a Smiths sinders both in colour and forme[722], the sand is generally mixed with a corne like Amber; the Beaches are abundantly stored with drift wood and many stones, light like Pumis, which will swimme on the water. I saw many traces of Foxes and the footing of Beares, but not any signe of Deere or other liuing creatures, and very small store of Fowle.”[723] Dat het ontdekte eiland geen ander dan Jan Mayen-eiland was, is na de beschrijving, die Fotherby van de ligging en het voorkomen van het land en vooral van den Beerenberg (Mount Hackluyt) geeft, niet in het minst twijfelachtig. Het kwam mij belangrijk voor, deze uitvoerige beschrijving van een nog geheel onbekend bezoek aan dit zelden betreden eiland in zijn geheel op te nemen.

[720] Zie over deze wijze van lengtebepaling zeer uitvoerig: De Jonge, Opkomst. I p. 86-88.

[721] Engelsche naam van Spitsbergen.

[722] Deze en de volgende verschijnselen laten zich zeer goed verklaren door de ontdekking, dat de grond van Jan Mayen-eiland vulkanisch is. (Zie: Scoresby, Account of the arctic regions. I p. 161, 66.--Vgl. ook: Wassenaer, Hist. verh. X fol. 106, XII fol. 8.)

[723] Fotherby, A voyage anno 1615 for Discouerie, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 729, 30.

Het eiland, zoo dikwijls ontdekt en zoo dikwijls door de ontdekkers aan anderen betwist, heeft door al die lotwisselingen verschillende namen gekregen. Behalve onder de bovenvermelde namen Hudsons Touches, Trinity-island, Lounges Foreland, Pico, Isle de Richelieu, Jan Mayen-eiland, Mauritius en Thomas Smiths island is het in de geschiedenis bekend als »Mr. Ioris Eylant”[724]--naar Mr. Joris Carolus, stuurman op een der schepen, die in 1614 het eiland ontdekten,--als »het Eylant in questie”[725]--naar de geschillen daarover tusschen de Noordsche Compagnie en hare mededingers, de Nederlandsche ontdekkers van 1615, ontstaan;--en eindelijk als »den Hoogen berg.”[726] In Nederland heette het eiland in de eerste jaren na de ontdekking meestal »het Eylant in questie”, somtijds ook Mauritius, een enkele maal in tegenoverstelling van Spitsbergen ook Groenland[727]; in latere tijden werd de naam Jan Mayen-eiland meer algemeen, een naam waaronder het eiland later ook door geheel Europa bekend gebleven is.

[724] Carolus, Nieuw vermeerde Licht des Zeevaerts. p. 148. (Pascaerte van de Custen van Oudt-Groenlandt enz.)

[725] R. S.-G. 24 Aug. 1618, ook o. a. 3 Oct. 1616.

[726] Bijschrift bij de kaart van Jan Mayen-eiland in Blaeu’s grooten atlas. Blaeu schijnt blijkens het bijgevoegde „&c” nog meer namen van het eiland dan de door hem opgenoemde gekend te hebben.

[727] Vander Brugge, Journael van Seven Matroosen. p. 3.--Sent. v. de H. R. in zake Lampsius c. Clarcque dd. 31 Juli 1620.--N. Z. 15 Oct. 1616.

Dit is hetgene ik over de geschiedenis der ontdekking van Jan Mayen-eiland heb kunnen opsporen; wij zullen later zien, dat het eiland de twistappel bleef, waarover Nederlanders en vreemdelingen voortdurend oneenig waren. Nog meer dan die van Spitsbergen is de geschiedenis van Jan Mayen-eiland eene aaneenschakeling van strijd. Spitsbergen werd alleen door Engelschen en Denen aan de Nederlanders betwist; over Jan Mayen-eiland procedeerden niet alleen Franschen en Zuid-Nederlanders met de inwoners der Zeven Provinciën, ook dezen onderling streden hardnekkig om het bezit.

HOOFDSTUK VI.

ENGELSCHE MEDEDINGERS.

Wij hebben in het tweede hoofdstuk uitvoerig verhaald, hoe men er toe kwam de IJszee in het begin der zeventiende eeuw op nieuw tot ver in het noorden te bevaren,--hoe de walrusjacht aan Beeren-eiland gedurende eenige jaren voor de Moscovische Compagnie een bron van groote voordeelen was,--hoe daarna de groote uitbreiding, die aan deze jacht gegeven werd, leidde tot de uitroeiing dezer dieren op Beeren-eiland en het zoeken van nieuwe plaatsen tot de vangst geschikt,--hoe de Engelschen daarop Spitsbergen onderzochten en daar de walvischvangst vestigden, en hoe eindelijk de groote voordeelen der Engelschen de Nederlanders aanlokten om hun spoor te volgen. Ons blijft nu over, meer in bizonderheden uiteen te zetten, hoe de Engelschen zich tegenover hunne mededingers gedroegen.

Toen Poole en Russell den 3 Mei 1612 bij hunne aankomst op Beeren-eiland het Nederlandsche schip ontmoet hadden, waarop de Engelschman Allan Sallowes stuurman was[728], werd er dadelijk ernstig beraadslaagd om dit verraad, door een vroegeren dienaar der Moscovische Compagnie aan zijn land gepleegd, te straffen door hem gevangen naar Engeland over te brengen. Gelukkiger dan zijn landsman Nicholas Woodcocke, die een Biscaaisch schip naar Spitsbergen had geleid, ontkwam Sallowes dit lot. De redenen van deze toegevendheid der Engelschen zijn ons onbekend. Toen Sallowes echter daardoor moed vattende het waagde zijne landslieden op hunnen tocht van Beeren-eiland naar Spitsbergen te volgen en niettegenstaande alle wendingen van Poole daarin volhardde, verdroot dit den Engelschen en zij verboden het nadrukkelijk. De Nederlanders hielden af en vonden hunnen weg te zamen met een Engelschen »interloper” zelven naar Spitsbergen. Tweemaal ontmoetten zij daar de schepen der Moscovische Compagnie en weder was de handelwijze der Engelschen weifelend. Terwijl Poole de Nederlanders rustig liet visschen en zelfs Sallowes aan zijn boord ontving, verbood Edge, de commies van het andere schip, hem bepaaldelijk Spitsbergen te bezoeken[729]. Waarschijnlijk hadden de Engelsche bevelhebbers geene machtiging aanvallenderwijze te werk te gaan: ook het vorige jaar had de Moscovische Compagnie met verlof van den Geheimen Raad haren schippers bevolen, aan alle ~Engelsche~ »interlopers” het visschen te verbieden, de vreemdelingen echter slechts te keer te gaan wanneer zij aanvallers werden[730].

[728] Zie hiervóor p. 72.

[729] Zie over deze reis: Poole, Relation of a Voyage to Greenland in 1612, en: Edge, Dutch, Spanish, Danish disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 713, 466.

[730] Comm. der Mosc. Comp. voor Edge 1611, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 710.

Toen nu echter in 1613 van alle zijden berichten van nieuwe groote uitrustingen door Nederlanders, Franschen, Spanjaarden en inwoners der Spaansch-Nederlandsche provinciën in Engeland aankwamen, voelde de Moscovische Compagnie haren handel bij eene mededinging op zoo groote schaal niet meer veilig. Zij reedde ditmaal zeven schepen tot de walvischvangst uit en hiermede niet tevreden verzocht zij van Jakob I een bewijs van haar uitsluitend recht om op Spitsbergen te varen. Om te meer klem aan dit verzoek bij te zetten verkondigde de compagnie nu voor het eerst de onjuiste, in ieder geval onbewijsbare theorie, dat zij als ontdekster van Spitsbergen recht had op den uitsluitenden eigendom daarvan. De ontdekking van het eiland door Heemskerck en Rijp werd wel niet bepaald ontkend, maar men beweerde, dat, lang voordat dezen er aan gedacht hadden den steven noordwaarts te wenden, de Engelschman Willoughby Spitsbergen gezien en aan de beschaafde wereld bekend gemaakt had[731]. Volgens de toen in Engeland heerschende begrippen was niet alleen met den eigendom van het land het recht verbonden om de nabijgelegen zeeën voor ieder te sluiten, maar gaf ook het bevaren der zee aanspraak op den eigendom van den ruimen oceaan zelven. Koning Jakob, de ijverige verdediger van deze rechten, aarzelde dan ook geen oogenblik en verleende aan de compagnie een patent onder het groote zegel van Engeland, waarbij zij gemachtigd werd alle schepen, vreemde of Engelsche, die niet voor de Moscovische Compagnie voeren, van Spitsbergen te verdrijven, en om tevens voor den koning in bezit te houden en zelf te bevaren alle landen, ontdekt of onontdekt, die zich in de IJszee omtrent Spitsbergen bevonden[732]. De compagnie haastte zich van dit patent gebruik te maken; zij gaf aan Spitsbergen den nieuwen naam van King James’ Newland en hield zich in de eerstvolgende jaren gedurig bezig met het plaatsen van palen voorzien van ’s konings wapen op de kusten van Spitsbergen en andere eilanden, die zij langzamerhand ontdekte[733].

[731] De onwaarschijnlijkheid dezer theorie blijkt reeds uit het feit, dat de Engelschen zelven het niet eens schijnen geweest te zijn, wanneer Willoughby Spitsbergen ontdekt zou hebben: Purchas zelf, de „insolent defender of this erroneous idea,” is niet zeker. (cf. de beide hieronder aangehaalde kantteekeningen.) Terwijl men vrij algemeen aannam, dat het dusgenaamde Willoughby-land Spitsbergen zou zijn, iets wat bepaald onjuist is, teekent Purchas aan, dat het door den reiziger eerst 23 Augustus 1553 ontdekte land (hoogstwaarschijnlijk een gedeelte der Russische kust) het bewuste eiland is. (Vgl. Rundall, Voyages towards the North-west. Introd. p. VII, VIII.) Het is dan ook nagenoeg zeker, dat de theorie eerst omstreeks 1613 als wapen tegen de Nederlanders is uitgevonden. (Ten minste in 1608 wist Hudson evenmin als de Moscovische Compagnie er nog iets van. Zie: Asher, Hudson the Navigator. p. 40.--Vgl. echter: Van Meteren, Comment. ofte memor. fol. CXXV, waar de schrijver verhaalt (in 1608), dat Willoughby „verseylde ~in Groenlant~, daer hy vervroos.”) Asher (l. c. p. CLIX) wil zelfs bepaaldelijk het jaar 1612 aannemen en houdt zekeren Samuel Daniel voor den uitvinder der theorie. Zijne gronden zijn echter m. i. niet overtuigend; in ieder geval was niet de dichter Samuel Daniel, maar een cartograaph John Daniel de bedoelde persoon. (Hist. du pays de Spitsberghe. p. 12.) Dat Plancius in zijne „Repliques” ook niet op een Engelsch boek, maar in het algemeen op de beweringen van sommige Engelschen antwoordde, blijkt m. i. overtuigend uit de inleidende woorden van Hessel Gerritsz. voor dat stuk: „Les propositions de leur Iustice ou preeminence,” zegt hij (Hist. de Spitsb. p. 26), „sont celles cy. Qu’ils sont les premiers qui l’ont trouvée avec le Chevallier Willoughby, l’An 1553 et que c’est Groenland, lequel vouloit estre soubs la puissance de Noruegues, parquoy ils font annuellement recognoissance d’une bonne somme de livres a la Majesté de Denemarcque. A l’encontre desquelles le tresdocte Cosmographe D. P. Plancius a faict les repliques suivantes.” Het springt dunkt mij in het oog dat de beide geheel ~tegenstrijdige~ beweringen, dat Spitsbergen Groenland is, en dat het door Willoughby ontdekt zou zijn, niet in éen boek vereenigd kunnen geweest zijn. Beide meeningen waren wel in Engeland gangbaar; de Groenlandsche hypothese schijnt echter in Nederland ontstaan te zijn.

[732] Edge, Dutch, Spanish, Danish disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 466.--Detectio freti. ed. 1613 F. 3.--Vlg. de Histoire de Spitsberghe (p. 22) strekte het patent zich uit over „tous Pays et terres desja trouvées, et celles qui se pourroyent encore trouver, comprinses dans un rin de vent de Nordoest, et une de Nordest, sortans d’un Compas mis en leur Carte au milieu d’entre Dronten et Islande.”

[733] De Moscovische Compagnie zond bijna jaarlijks een of meer schepen ter ontdekking uit. De resultaten waren aanmerkelijk. Zoo ontdekte men in 1613 Hope-island en eenige omringende eilanden (Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. p 466; de ontdekking wordt door velen ten onrechte aan de Nederlanders toegeschreven); in 1614 werd de noordkust van Spitsbergen verkend tot Sir Thomas Smiths-inlet (de Wijde Baai) (Fotherbye, Voyage of Discouerie, bij: Purchas l. c. III p. 720-28); in 1615 ontdekking van Sir Thomas Smiths-island (Jan Mayen-eiland) (Fotherby, Voyage anno 1615 for Discouerie, bij: Purchas l. c. p. 729), 1616 van Edges-island en 1617 van Witches-island, het onlangs weergevonden König Karlsland. (Purchas l. c. III p. 732.--Vgl. hiermede de kaart van Spitsbergen in: White, Spitzbergen and Greenland, p. 253.)

De mededingers der Moscovische Compagnie ondervonden dadelijk de gevolgen van de vergunning van Jakob I. De vereeniging gevoelde zich krachtig genoeg om van haar recht gebruik te maken. Nadat de commandeur Joseph de visscherij geregeld had aan de noordpunt van Prince Charles’ foreland, waar zich eene soort van vestiging der Engelschen van het vorige jaar bevond, begaf hij zich met eenige schepen langs de kust en overviel de in verschillende havens verspreide schepen der vreemden. Terwijl Franschen en Duinkerkers over het geheel met zekere toegevendheid behandeld werden, verjoegen de Engelschen de Spanjaarden met onverbiddelijke gestrengheid en vervolgden de Nederlanders, na hun het visschen verboden te hebben, zelfs langs de kust. De Nederlanders mochten zich met de Fransche schepen vereenigen en ook met de Duinkerksche op goeden voet staan, de overmacht der Engelschen was te groot, dan dat hunne verspreide en verdeelde mededingers met goed gevolg hadden kunnen weerstand bieden en de aanvallers behaalden dus overal eene gemakkelijke overwinning. Wij zullen de lotgevallen der Nederlanders meer in bizonderheden nagaan.