Geschiedenis der Noordsche Compagnie

Part 23

Chapter 233,692 wordsPublic domain

Toen dus ook deze tocht naar het verre westen den zoo gewenschten doortocht naar Oost-Indië niet had doen ontdekken, verflauwde bij de Noordsche Compagnie de lust naar het zoeken daarvan voor geruimen tijd[652]. De weg langs Novaya-Zemlya was reeds vroeger opgegeven; toen dus ook de nieuwe wegen, die in den laatsten tijd beproefd waren, niettegenstaande de groote hoogte, die de schepen bereikt hadden, geen resultaat opleverden, meende men geene verdere pogingen meer te moeten doen. Geen weg was meer ondoorzocht; de moedeloosheid was algemeen en Maurits zelf, eens zoo ijverig voor het zoeken van den doortocht, verklaarde nu ronduit, »qu’il tient que c’est peine perdue de s’y trauailler d’auantage.”[653] Men meende, dat het vasteland, dat zich veel verder naar het noorden uitstrekte dan Amerika’s zuidpunt naar de zuidpool, steeds te veel moeielijkheden zou blijven aanbieden voor eenen doortocht; immers reeds in de straat van Magellaan en in straat Le Maire op 52° en 56° ZB. hinderde het ijs de reizigers altijd zeer[654]. Hoewel er zeker op deze redeneering vrij wat viel af te dingen, had de ondervinding toch voldoende geleerd, dat de noordelijke doortocht, ook als hij gevonden werd, vele moeielijkheden zou blijven opleveren. En bij dit bezwaar voegde zich een andere reden, die de Nederlanders minder ijverig maken moest tot het zoeken van den weg. De eens zoozeer begeerde ontdekking was niet langer het doel, waarnaar bijna allen, die geene leden der Oost-Indische Compagnie waren, met goedkeuring der regeering zelve streefden. »Je ne voy pas,” schreef de Fransche gezant Du Maurier op het laatst van 1618 aan een zijner bekenden, »qu’en cette Republique, quand bien il se pourroit, ils desirent la decouuerture dudict passage, pour les raisons que je vous ay marcquées cy deuant, tellement que cette consideration faisant en quelque sorte cesser l’Espoir de la recompense, cessera quant et quant le courage et l’Enuie de se hasarder pour cela.”[655] Het is zeker jammer, dat de redenen, die Du Maurier daarvoor opgaf, niet bewaard zijn gebleven, maar het is niet moeielijk ze ten minste eenigermate te gissen. De Oost-Indische Compagnie was meer en meer het lichaam geworden, waarnaar de natie zich gewend had op te zien als het stevigste bolwerk in den op nieuw dreigenden oorlog met Spanje. En dat lichaam, dat dus voor ’s lands vrijheid een vereischte geworden was, verkeerde niet meer in den bloeienden toestand, waarover men zich in de eerste jaren van zijn bestaan zoozeer verheugd had. Meer en meer waren misbruiken in het beheer openbaar geworden, het gemompel over den slechten stand der zaken was toegenomen, in Indië zelf had men met de Engelschen reeds lang onaangenaamheden, die gedurig toenamen. Nu dus eenmaal het behoud der Oost-Indische Compagnie eene nationale zaak geworden was, zou het zonderling geweest zijn met haar te gaan concurreeren. De regeering kon de wedijver niet meer aanmoedigen, de natie zelve moest haar belang inzien en de vertoornde participanten konden toch ook niet anders dan concurrentie vreezen. Nog slechts éenmaal vernemen wij dan ook in de eerstvolgende jaren van eene poging om den doortocht naar Oost-Indië te vinden: een Nederlandsch schipper stevende in 1618 weder met dat doel naar het noorden. De reis had trouwens niets te beduiden; toen de kapitein in December terugkeerde kon hij zich niet beroemen op de bereikte hoogte (65° NB.), en hij vergenoegde zich dus hoog op te geven van de gevonden schatten, die in eenige roode en groene jaspissteenen bestonden. Hij meende, dat uit de groote rotsen, die hij van dien steen gezien had, groote kolommen te vervaardigen waren, die gemakkelijk gepolijst en tot versiering der huizen gebruikt konden worden, maar de gewaande schatten van het noordwesten hadden reeds te veel zeelieden bedrogen dan dat men naar den schipper geluisterd hebben zou[656].

[652] Dit schijnt te blijken, behalve uit het geheele gemis van eenige berichten, uit de verklaring van Joris Carolus op zijne bovenvermelde geteekende kaart, dat hij Groenland en het noorden van Amerika „~driemael~ selfs beseylt” heeft. De reis van 1614 is de eerste, waarop wy Carolus ontmoeten.

[653] Brief van du Maurier aan Mr. de Pequzé. La Haye 15 Dec. 1618. (Catalogus der verzameling MSS. van den heer Mr. L. C. Luzac. N^{o}. 298.)

[654] Brief van du Maurier als boven.

[655] Brief van du Maurier als boven.--Met de in den tekst vermelde „récompense” wordt waarschijnlijk de in 1596 uitgeloofde premie bedoeld, die de Staten-Generaal bij hunne tegenwoordige gezindheid zeker niet gaarne zouden uitbetaald hebben.

[656] Het verhaal is ontleend aan den boven aangehaalden brief van du Maurier. Niet onwaarschijnlijk is het, dat het betrekking heeft op de reis van het schip de Bruyn-visch, kapitein Carel Nijs of Denijs, met wien Joris Carolus en andere stuurlieden omstreeks het begin van 1619 terugkwamen van eene reis, op last der Staten-Generaal ondernomen ter beproeving der nieuwe manier van bepaling der lengte op zee van Jan Hendricxz. Jaricx. Den kapitein was bij zijne Instructie door de Staten-Generaal opgedragen, zoo mogelijk tegelijk eenige ontdekkingen te doen en wij weten, dat hij o. a. IJsland bezocht. (Zie over deze reis: Instr. der Stn.-Gen. voor Nijs dd. 17 Mei 1618, in: Instructieboek der Stn.-Gen. R.-A.--Resol. Admiralit. Amst. 5, 17 Mei 1618, 12 Jan. 1619.--R. S.-G. 5 Jan. 1619.--Carolus, Nieuw vermeerde Licht des Zeevaerts. p. 148.)

Maar al was het zoeken van den verren weg naar Indië opgegeven, de Noordsche Compagnie hield zich voortdurend met nieuwe ontdekkingsreizen bezig. Boven gewaagde ik reeds van het belang van landbezit in de IJszee voor de oefening der walvischvangst en daarnaar streefde de Noordsche Compagnie met al hare krachten. »Jaerlijcx wiert by haer seer getracht tot vorder ontdeckinge van onbekende landen ende zeen,” dus verhaalde zij zelve nog in 1624[657]. Het doel was natuurlijk de nadere verkenning van de kusten der IJszee en de inbezitneming daarvan voor de walvischvangst: de vrees voor concurrentie door het »generael octroy” drong de compagnie ook binnen de grenzen van haar eigen gebied nieuwe landen te zoeken. Reeds in 1614 schijnt het met geen ander doel geweest te zijn, dat het schip »het cleyne Swaentgen” van Delfshaven, kapitein Jan Jansz. Kerckhoff, de IJszee invoer; hij was echter niet verder dan Jan Mayen-eiland gekomen en kapitein Jan Sybrantsz. Paelman van Opperdoes, die met het schip »Tswaentgen” ook wel genaamd »het duyffgen” op last der Noordsche Compagnie in 1615 van Spitsbergen uitgezeild was, om weder ontdekkingen te doen, had het, dezelfde richting als de reizigers van 1614 volgende, eveneens niet verder gebracht[658]. Maar nu het zoeken van den doortocht was opgegeven, nam de compagnie het doen van dergelijke ontdekkingsreizen op kleiner schaal met meer ijver ter hand. De resultaten waren echter schraal: slechts éen enkele maal vernemen wij van eene ontdekking. Joris Carolus ontdekte in 1617 op een schip, door drie kamers der Noordsche Compagnie--die te Delft, Hoorn en Enkhuizen--uitgerust, twee eilanden; het eene, door de schepelingen Nieuw-Holland genaamd, was gelegen van 60° tot 63° NB. (een gedeelte van Groenlands oostkust?), het andere, Opdams-eiland, op 66° NB. en 20 mijlen ten oosten van IJsland[659]. Dit laatste, ook wel Enkhuizer-eiland genoemd[660], is ook op latere Nederlandsche kaarten onder dien naam te vinden[661]; tegenwoordig is het echter daarvan verdwenen en het kan dus bezwaarlijk als eene ontdekking beschouwd worden. Het verlangde octrooi werd echter aan de compagnie dadelijk verleend.

[657] Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

[658] Zie meer voor deze beide reizen in Hoofdstuk IX.

[659] R. S.-G. 28 Oct. 1617.

[660] Dezen naam draagt het eiland, zoover ik weet, het eerst op de kaart van „Oudt-Groenlandt enz.” in Carolus’ Nieuw vermeerde Licht des Zeevaerts. p. 148. Waarschijnlijk is de naam door Carolus veranderd en het eiland naar zijne vaderstad benoemd. Wij zagen reeds boven (p. 169 Noot 2{[633]}), dat Carolus zulk eene verandering niet schuwde, wanneer daardoor zijn eigen aandeel aan de ontdekking meer op den voorgrond gesteld werd.

[661] O. a. op de kaart van Groenland enz. in den atlas van Goos (1666) en zelfs nog op de zeekaart van Van Keulen.

Het resultaat was zeker niet schitterend en de »jaerlycxe ontdeckingen” zelve der Noordsche Compagnie toonden, dat zij meer en meer de hoop opgaf om langs dien weg voordeel te behalen. Wij zagen, dat reeds bij de laatste ontdekkingsreizen de kosten gedragen werden door eenige kamers der compagnie, terwijl de andere zonder twijfel den moed hadden laten zakken. Na 1617 zien wij nog wel ontdekkingsreizen ondernemen, maar niet de kamers, slechts enkelen harer leden droegen daarvan de kosten. Hoewel vreemden door hun kapitaal dat der ondernemers moesten versterken, waren het toch steeds leden der geoctrooieerde vereeniging, die de reizen schijnen ontworpen te hebben; steeds worden zij in de eerste plaats genoemd. En daar het aandeel, dat dien leden aan de eventueele ontdekkingen zou ingeruimd worden, volgens de bepalingen door de kamers gemaakt steeds dadelijk aan de generale compagnie ten goede moest komen zonder dat den ontdekker zelfs voor de vier jaren van het »generael octroy” afzonderlijke exploitatie werd gegund[662], kunnen ook deze reizen, hoewel slechts gedeeltelijk op kosten van enkele leden der Noordsche Compagnie ondernomen, zeer wel onder de reizen der vereeniging gerangschikt worden: het feit, dat geen enkele maal zonder medewerking van hare leden gehandeld werd, bewijst voldoende, dat zij het was, die aanleiding tot de tochten gaf. Reeds dadelijk in 1618 vinden wij drie reizen vermeld.

[662] Contr. v. de N. C. met de Zeeuwen, art. 19, in: Noordsche togten. 4. Loop N. C. R.-A.

Twee Hoornsche kooplieden, Jan Jansz. Molenwerff, bewindhebber der aldaar gevestigde kamer der Noordsche Compagnie, en Otto Reyners, hadden reeds in 1616, zoo men hun verhaal gelooven mag, het schip »de vier Heemskinderen”, kapitein Pieter Jansz. stuurman Laurens Broers, ter ontdekking van nieuwe plaatsen voor de walvischvangst uitgezonden. Het resultaat der reis was de ontdekking geweest van een eiland op 70-1/2° NB., 28 à 30 mijlen westzuidwest van Jan Mayen-eiland. Het volgende jaar hadden zij weder een schip daarheen uitgezonden om hunne ontdekking te exploiteeren; men had de walvischvangst daar beproefd en met uitnemend gevolg gevestigd. In 1618 werden nu weder twee schepen met hetzelfde doel uitgezonden, maar het ijs belette de schepelingen ditmaal het eiland te naderen en den 12 Augustus vielen zij zonder eenige vangst te Hoorn binnen. Nu eindelijk werd er aan gedacht, bij de Staten-Generaal octrooi voor de ontdekking aan te vragen; de reeders lieten een proces-verbaal van hunne vruchtelooze laatste reis opmaken en verzochten de Staten dit te willen aannemen als rapport van hunne ontdekking. Maar het verzoek was zeer bedenkelijk. Nog daargelaten, dat een eiland op de aangeduide plaats niet bestaat en dus het geheele verhaal onwaarschijnlijk is, konden de reizigers »geen perfect rapport doen vande gelegentheyt vant voorszeide eylant by bewys van Caerte, Streecken, opdoeninge ende aencomste by tselve, om daermede te thoonen dat zy de vinders daervan alleene waren.” De Staten-Generaal oordeelden dan ook het verzoek der reeders om eene akte volgens het »generael octroy” ongegrond en wezen het van de hand. (24 Augustus 1618.)[663]

[663] R. S.-G. 24 Aug. 1618.

Gelukkiger waren weinige dagen later (30 Augustus) Cornelis Jansz. Muis en Adriaen Dircxz. Leversteyn, de hardnekkige concurrent der Noordsche Compagnie, op wier kosten kapitein Aert Adriaensz. Havelaer[664] met het schip »de Hasenwint” op 67-1/2° tusschen Groenland en IJsland, een eiland ontdekte (waarschijnlijk een gedeelte van Groenlands oostkust), waar hij vele vogelen, vossen, kabeljauwen en andere dieren ving. De schipper deed dadelijk na zijne terugkomst op 17 Augustus rapport van zijn wedervaren en de Staten-Generaal verleenden na overlegging der kaart de door de reeders van de ontdekking verzochte akte volgens het »generael octroy”[665].

[664] Havelaer wordt in 1617 als ijverig contra-remonstrant genoemd bij: Brandt, Hist. der Reform. II p. 461.

[665] R. S.-G. 30 Aug. 1618.

Allerbelangrijkst is het bericht, dat wij in de resolutiën der Staten-Generaal van 8 Januari 1619 vinden omtrent de ontdekking van een voor de walvischvangst geschikt land tusschen 76°3´ en 80°6´ NB. door Logier Jaspersz. met een schip van Pieter Courten te Middelburg, een der voornaamste leden van de Zeeuwsche compagnie voor de walvischvangst. Dit land, door den ontdekker Nieuw-Zeeland genaamd, moet gelegen hebben op de oost- of westkust van Groenland[666]. Maar hoe dit ook zij, in ieder geval is de reis, waarvan ons dit schrale bericht is overgebleven, een nieuw bewijs van de verbazende volharding onzer zeelieden, die reeds in de zeventiende eeuw in eene altijd bijna onbevaarbare zee doordrongen tot eene hoogte, die zelfs de zooveel beter toegeruste reizigers van onzen tijd daar niet of eerst in de allerlaatste jaren bereikt hebben. En dat de ontdekking wèl gestaafd was, blijkt uit de resolutiën der Staten-Generaal zelve: het verzochte octrooi voor vier jaren werd dadelijk verleend[667].

[666] Waarschijnlijk lag het land op de oostkust, want de ontdekkers kwamen van Spitsbergen, waar zij nog in het begin van Juli 1618 trachtten walvisschen te vangen in Sir Thomas Smiths bay. (Mémoire et Relation veritable, bij: Muller, Mare Clausum. p. 374.--Vgl. hierna Hfdst. VI.)

[667] R. S.-G. 8 Jan. 1619.

Van eene andere reis, in 1619 op kosten eener Delftsche compagnie van kooplieden ondernomen, zijn geene berichten over. Bruin Willemsz. d’Edel en Bruin Dircxz. Van der Dusse kochten in het voorjaar van dit jaar van de Noordsche Compagnie het schip de »Waterhondt” van 180 last en zonden het 1 Mei naar Groenland. De Staten-Generaal leenden den reeders op hun verzoek veertien stukken geschut met de daarbij behoorende kogels, maar van den uitslag der reis is niets bekend[668].

[668] R. S.-G. 13 Apr. 1619.--Het is trouwens niet onwaarschijnlijk, dat deze reis alleen gedaan werd om walvisschen te vangen. „Bruyn van der Dussen” toch vertegenwoordigde in 1640 met Jacob Van der Graeff de N. C. Het is dus zeer wel mogelijk, dat het schip eenvoudig voor rekening der kleine N. C., waartoe ook Van der Graeff behoorde, op de visscherij zeilde naar Jan Mayen-eiland, dat dikwijls „Groenlandt” genoemd wordt.

De verdere tochten, door de Nederlanders in de eerste jaren na 1619 ondernomen, schijnen niet tot de ontdekking van nieuwe landen in het noorden geleid te hebben, ten minste de resolutiën der Staten-Generaal zwijgen daarover. Trouwens wanneer men niet tot het zoeken van den doortocht den steven verre naar het noordwesten wendde, was er niet veel nieuw land meer in de IJszee te vinden. De oostkust van Groenland was op enkele plaatsen bereikt, de eilanden in de IJszee waren voor zoover ze nu bekend zijn reeds allen ontdekt, ook Groenlands westkust was door Nederlanders bevaren. Het is dan ook alleen van tochten tot het zoeken van den doortocht ondernomen, dat wij nog enkele berichten vinden.

Het jaar 1624 kwam en plotseling zien wij de Nederlanders het zoeken van den noordelijken weg naar Oost-Indië weder met kracht opnemen. Naar beide zijden werd dit jaar de nog steeds onbekende doorgang gezocht. De Noordsche Compagnie zond een schip oostwaarts; de koopman Leversteyn, dien wij reeds in 1618 als haar mededinger leerden kennen, deed ditmaal eene uitrusting naar het westen. Door de jaarlijksche tochten ter walvischvangst waren de schippers der compagnie meer en meer bekend geworden met de noordkust van Spitsbergen; zij hadden opgemerkt, dat die kust zich meer en meer naar het oosten wendde. Tot 82° NB. waren zij in het noorden doorgedrongen en een schipper van Enkhuizen had op die hoogte zelfs »eenighe ghebroocken landekens” of eilanden meenen te zien. De verkregen zekerheid, dat Spitsbergen niet zooals men vroeger meende een gedeelte van Groenland was, maar dat zich ten noorden van het eiland eene ijsvrije zee bevond, die zich ten minste een eind ver naar het noorden uitstrekte, gaf nieuwe hoop op het vinden van den doortocht en het omzeilen der ver in het noorden uitstekende kaap Tabin. De Noordsche Compagnie besloot een spiegelschip van 40 last, wel uitgerust en voor langen tijd van proviand voorzien, uit te zenden om dien weg in te slaan. Den 3 Juni 1624 verliet dit schip onder bevel van Simon Willemsz.[669], met Jacob Jacobsz. van Edam als stuurman en acht personen als bemanning, de reede van Texel. Het plan was noordelijk langs Spitsbergens westkust naar de pool te zeilen,--de oude theorie van de warmte onder de pool gaf daartoe den moed;--eerst echter zou onderzocht worden of de noordkust van het eiland voortging zich oostwaarts te wenden, om zekerheid te verkrijgen of langs den voorgenomen weg kaap Tabin te bereiken was en of niet hoog in het noorden misschien een onbekend land den reizigers den pas zou afsnijden. In Nederland stelde men zich van den uitslag dezer reis veel voor, maar de uitkomst beantwoordde geheel niet aan de gekoesterde verwachting. Reeds op 83° NB. belette de ijsvlakte het schip verder noordelijk te zeilen; men was genoodzaakt oostwaarts den rand van het ijs te volgen. Nergens werd echter een doorgang naar het noorden gevonden: het schip was genoodzaakt terug te keeren. Zoo spoedig was de reis geëindigd, dat de schepelingen nog vroeg genoeg in de Mauritius-baai aankwamen om aan de walvischvangst van dit jaar deel te nemen[670].

[669] Misschien de kapitein van het schip de Craen, dat in 1611 de reis met Jan Cornelisz. May deed.

[670] Zie over deze reis: Wassenaer, Hist. verh. VII fol. 95, IX fol. 123.

Uitvoeriger berichten wist Leversteyn van zijn wedervaren te geven. Reeds vroeger meende men de zekerheid verkregen te hebben, dat Groenland ten noorden aan de westkust van straat Davis verbonden was en dat dus deze zoogenaamde straat geene zeeëngte maar een baai was. Toen Leversteyn dus in 1624 met Jan Jansz. Molenwerff, bewindhebber van de kamer der Noordsche Compagnie te Hoorn, en een ander koopman, Borch genaamd, een schip uitrustte om in het noordwesten eenen doortocht naar Oost-Indië te zoeken, hoopte men dien weg niet zoozeer hoog in het noorden als wel iets lager in het verre westen te vinden. Het schip, waarop waarschijnlijk Marten Arendsz. van Den Briel opperstuurman was[671], zeilde dan ook daarheen en vond werkelijk ten noorden van Hudsons-straat »een passagie, daer ghemeent werdt een pas naer Oost-Indien te zijn: daer was een open Zee, wel vierdehalf Mijl wijt, en al gebroocken Lant, vol van volck, al met Pelterijen en Robbe-Vellen ghecleedt, seer begerich naer Yser-werck, willende de Bouten uyt het Schip haelen: seer diefachtig, alles nemende dat los is, rauw Vleesch en Visch eetende, seer net op een parck schietende, met haer Flitsen daer sy het Wildt mede treffen: daer was goede handelingh van Pelterijen, dies men in ’t Schip alles vermangelt heeft dat het in hadde.”[672] Niettegenstaande den ophef van deze ontdekking gemaakt blijkt het overtuigend, dat de reizigers eenvoudig straat Davis een eind weg opgezeild zijn en wel niet verder dan tot 65° NB.[673]. De ontdekte »passagie” is waarschijnlijk de Cumberlands-bay. Dat de doortocht niet gevonden werd, spreekt van zelf; straat Davis overstekende keerden de reizigers langs de oostkust terug. Leversteyn verhaalde toch aan de Staten-Generaal, dat een door hem ontdekt land zich van »de Oostcaep van Fretum Davis” (d. i. kaap Farewell)[674] uitstrekte tot 5° meer noordelijk, waar zich een zekere rivier bevond, die zijn schip bezocht had[675].

[671] Ik vermoed dit, omdat op eene kaart van de zuidwestkust van Groenland, door La Pereyre in de bibliotheek van kardinaal Mazarin gevonden, aangeteekend stond: „Haec delineatio facta est per Martinum filium Arnoldi natum in Hollandia, Civitate dicta den Briel ~qui bis navigationem ad insulam dictam antiquam Groenlandiam, instituit; tanquam supremus Gubernator, ano~ 1624 & 1625.” (White, Spitzbergen and Greenland. p. 180.) Van Leversteyn alleen weten wij, dat hij in ~beide~ jaren een schip naar straat Davis uitzond. (Is misschien het vinden van deze kaart, die in het archief der Staten-Generaal behoorde, op die plaats reeds vóor 1646 eene aanwijzing, dat Leversteyn, wiens daden zulk eene verrassende overeenkomst met die van Le Maire vertoonen, evenals deze den koning van Frankrijk voor zijne noordelijke ontdekkingen heeft willen interesseeren, nadat de Staten-Generaal hem teleurgesteld hadden?)--Op deze tocht was ook tegenwoordig de bekende Willem Ys, de zegsman van Witsen en Zorgdrager. Dit blijkt uit zijn verhaal over de twee naar Nederland overgebrachte Groenlanders bij: Witsen, Noord- en oost-Tartarye. p. 928. Wassenaer verhaalt (Hist. verh. IX p. 43, 124), dat op dezen tocht de twee Groenlanders herwaarts kwamen.

[672] Wassenaer, Hist. verhael. IX fol. 43.

[673] Ook de nauwkeurigheid der ontdekking liet te wenschen overig. Niet alleen wist Leversteyn niet juist aan te duiden, waar de ontdekte landen gelegen waren (R. S.-G. 27 Febr. 1625), maar de bevelhebber Marten Arendsz. verkeerde nog in de oude dwaling, dat Groenlands zuidpunt uit twee eilanden bestond. (Zie de kaart van Groenland, in: White, Spitzbergen and Greenland. p. 175, naar Arendsz.’ kaart vervaardigd. Zie ald. p. 180.)

[674] Fretum Davids is namelijk in de zeventiende eeuw de naam niet alleen van de zeestraat, maar bepaaldelijk ook van Groenlands westkust, terwijl de westkust van straat Davis als het Westland bekend is. Groenlands oostkust heette daarentegen West-Groenland, verdeeld in Oud-Groenland, het zuidelijke, en Nieuw-Groenland, het noordelijke gedeelte der kust. Spitsbergen werd somtijds Oost-Groenland genoemd.

[675] R. S.-G. 11 Nov. 1624.--De bereikte rivier is waarschijnlijk de op de kaarten van Groenland van Carolus (1626. R.-A.) en Zorgdrager (Groenl. vissch. p. 71), ook in de atlassen van Goos en Visscher, evenals op Danckers’ kaart van Amerika, duidelijk aangewezen Baals-rivier op 64° NB. In den omtrek vindt men daar „Delfs haven” en „Delfs punt.” (NB. Leversteyn woonde te Delft.)

Maar niet ongestoord zou Leversteyn de vruchten van zijne gewaande ontdekking genieten. Ook een Brielsch koopman Engelbert Pietersz. Van der Zee had dit jaar straat Davis doen bezeilen en daar ontdekt een nieuw eiland, waar hij had »opgedaen seeckere silvere ende goutmynen voor desen noyt bekent[676].” Zoodra Leversteyn zich nu tot de Staten-Generaal wendde met verzoek om octrooi voor niet minder dan twintig jaar, opdat hij zijne ontdekking met uitsluiting van alle andere Nederlanders zou kunnen exploiteeren en ze tot 84° NB. voortzetten, verzette zich Van der Zee tegen de inwilliging van dit verzoek. Van zijne zijde verzocht hij octrooi om straat Davis gedurende twaalf jaren alleen te mogen bevaren; hij bood aan zijne ontdekking te bewijzen en tegelijk aan te toonen »de sub- ende obreptie” van Leversteyns verzoek.