Geschiedenis der Noordsche Compagnie
Part 22
Maar zoodra de Noordsche Compagnie haar octrooi verkregen had, namen de ontdekkingsreizen een aanvang. Aangevuurd door de medewerking der Staten-Generaal besloot de vereeniging een tocht te doen ondernemen naar het noorden om den doortocht naar Oost-Indië te zoeken. Overeenkomstig met de toen heerschende denkbeelden omtrent den weg recht naar de noordpool werd daarheen de steven gewend. Twee schepen, »de goude Cath” van Amsterdam, kapitein Jan Jacobsz. May[626], en »den Orangienboom” van Enkhuizen, kapitein Jacob De Gouwenaer, vertrokken, met de Nederlandsche walvischvaarders naar Spitsbergen gezeild, in het begin van Juli uit Fairhaven[627]. Tusschen Groenland en Spitsbergen door zette men koers naar het noorden. Over den uitslag der reis bewaren de reeders het stilzwijgen, maar wij bezitten een bericht van een nog geloofwaardiger getuige: op een der schepen was stuurman Mr. Joris Carolus van Enkhuizen. Deze kundige zeeman, op wien de mantel van Barendsz. gevallen was, schijnt zich nauw aan de Noordsche Compagnie verbonden en haar krachtig gesteund te hebben bij hare eerste ontdekkingsreizen. Reeds toen was hij een ervaren zeeman. Na in het beleg van Ostende een been verloren te hebben schijnt hij zich op de stuurmanskunst toegelegd te hebben. Lange jaren had hij toen in dienst der Oost-Indische Compagnie in de gevaarlijke wateren van den Indischen archipel verkeerd, en nog lang zou hij op zijne talrijke reizen in de Europeesche wateren een schat van kennis verzamelen. Eindelijk toen hem »syne jaren ende impotentie eenighsins beletten,” zette hij zich als leermeester der stuurmanskunst te Amsterdam neder en bij de uitgave van zijn »Nieuw vermeerde Licht ende Vierighe Colom des grooten Zeevaerts” in 1634 kon hij toen getuigen, dat hij alle peilingen, opmetingen en teekeningen der Europeesche stranden, die dit uitgebreide kaartboek bevatte, mededeelde »niet uyt het verhael van andere, maer uyt syn eyghen observatien ende byweesen”[628]. Onder die »observatien” is er eene, die over het resultaat der reis, die wij bespreken, een merkwaardig licht verspreidt. »Het landt van Out-Groenlandt” (d. i. het zuidelijke gedeelte van Groenlands oostkust), zegt Carolus, »by Noorden Yslandt, streckende Zuijdtwaert tot de Caep ofte Staten Hoeck, ende dan om den Hoeck voorzeid langhs het Fretum Davids ende in de groote binnen Zee, rontsom is altemael vast lant, ende is al een selve landt aen America vast, zijnde tot by Noorden ende Noordoost van Yslandt af, soo ’t anders niet aen Spitsberghen vast en is, twelck ick niet gheloove, vermits de stroomen langhs Spitsbergen al uyt den Noorden comen, ~dit heb ick bevonden inden jare~ 1614 ~doen ick soo verre om de Noord was tot op~ 83 ~graden~[629], alwaer ick ghesien heb dat alle de ebben om de Noord liepen, daerom vermoede soo daer een deurgang om de Noord te vinden is, soo moet men die dat henen soecken, of hy noch bekent sal worden is Godt bekent, (Ick hope jae.)”[630] Reeds uit het medegedeelde blijkt, dat de expeditie wel hoop had den doortocht te vinden en het zelfs tot zeer ver in het noorden bracht, maar dat het doel der reis niet bereikt werd[631]. Reeds den 9 Augustus passeerden de twee schepen dan ook de noord westpunt van Spitsbergen op hunne terugreis[632]. Toch was deze tocht voor de Noordsche Compagnie voordeeliger dan eenige volgende: onderweg ontdekte men toevallig het afgelegen Jan Mayen-eiland, eene ontdekking voor de compagnie van onberekenbaar belang, maar door haar aanvankelijk niet gewaardeerd[633]. Ik hoop aan het einde van dit hoofdstuk op deze ontdekking terug te komen.
[626] Jan Jacobsz May wordt nog in 1623 als kapitein op een Nederlandsch oorlogschip genoemd bij: Wassenaer, Hist. verh. V fol. 66, 67.--In 1622 bracht hij in dienst der admiraliteit van het Noorderkwartier een Fransch schip op. (Zie o. a. R. S.-G. 16 Dec. 1622, 10 Apr. 1623.)--Vgl. over hem en zijnen broeder Cornelis nog: Wassenaer, Hist. verh. XI fol. 112.--O’Callaghan, Hist. of New-Netherland. I p. 72, 73, 86, 99.
[627] Fotherbye, A Voyage of Discouerie to Greenland. Anno 1614, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 723.
[628] Carolus, Het nieuw vermeerde Licht des Zeevaerts. Opdr. p. 2.
[629] In de opdracht van bovengemeld kaartboek verhaalt Carolus, dat hij eenmaal „in de Weygats tot op de hooghde van 83 graden als Stuerman” was. Waarschijnlijk heeft ook dit bericht op deze reis betrekking, al kennen wij den naam »Weygats” voor deze zee van elders niet.
[630] Carolus, Het nieuw vermeerde Licht des Zeevaerts. p. 147.
[631] Zie over deze reis: R. S.-G. 16 Jan. 1615.
[632] Fotherbye, A Voyage of Discouerie to Greenland. Anno 1614, by: Purchas, Pilgrimes. III p. 725.
[633] Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 29 Aug. 1615, in: Noordsche togten. 3. Ontdekking van Jan Mayen-eiland. R.-A.--Dat het eiland op dezen tocht naar de pool ontdekt werd, blijkt voldoende uit den naam „Mr. Ioris Eylant,” dien Carolus met vergefelijke ijdelheid daaraan geeft op de kaart van Groenland in zijn: Nieuw vermeerde Licht des Zeevaerts.
Spoedig na zijne terugkomst in het vaderland wendde Carolus zich tot de Staten-Generaal en wekte hen tot eene nieuwe onderneming van landswege naar het noorden op. Hij bood zijne dienst aan »omme met yver tallen tyden opt comandement van hare Ho: Mo: noch voirder ondersoeck te doen.” Zijne moeite was echter vruchteloos. Wel legden de Staten-Generaal hem tot belooning van zijnen ijver en in aanmerking van zijne vroegere diensten de som van ƒ 72 eens toe »tot eene vereeringe”, maar tevens verklaarden zij, »dat hare Ho: Mo: voirder egheen costen meer en begeerden te doen tot last van het lant, om de voorszeide passage te doen ondersoecken, toelatende sulcx te doen die Coopluyden ende andere die de prys op het vinden vande voorszeide passage gestelt sullen begeerte hebben te winnen[634].” Gelukkiger slaagde Carolus bij de Noordsche Compagnie. De vereeniging toonde zich de hulp der Staten waardig, en was bereid om de vrijzinnige politiek der regeering in de hand te werken. Ook in 1615 maakte zij zich dus tot eene ontdekkingsreis gereed, ditmaal echter volgens een nieuw plan. In het begin van dit hoofdstuk heb ik er op gewezen, dat de ontdekkingsreizen der Engelschen zich in de laatste dertig jaren bijna altijd naar het noordwesten richtten. Nederland had lang de oude wegen door het noordoosten boven de andere verkozen; eerst toen alle pogingen vergeefs bleken gaf zij die richting voor langen tijd op. Wij zagen, dat reeds in 1613 eene Nederlandsche expeditie dadelijk naar het noordwesten uitgezonden werd, natuurlijk was het dat eene compagnie, aan wier hoofd een handelaar op Nieuw-Nederland, Lambert Van Tweenhuysen[635], stond, dien weg niet ondoorzocht zou laten. Ook was het daarheen, dat de Noordsche Compagnie verder hare meeste ontdekkingsreizen richtte.
[634] R. S.-G. 16 Jan. 1615.
[635] Wassenaer, Hist. verh. IX fol. 44.--O’Callaghan, Hist. of New-Netherland. I p. 74.--Ook de bewindhebbers der N. C. Samuel Godin bezat land in Nieuw-Nederland. (O’Callaghan l. c. I p. 121, 125, 479.) Adriaan Van der Donck noemt de N. C. in verband met de eerste reizen naar Nieuw-Nederland. (O’Callaghan l. c. I p. 29.)
Den 2 April 1615 kwam in de vergadering der Staten-Generaal het plan der compagnie ter tafel; hare schepen waren reeds gereed om ter ontdekking uit te zeilen. De Noordsche Compagnie beoogde met deze reis niets minder dan bij noorden om naar China te varen en om de Kaap de Goede Hoop terug te keeren[636]. Weinige weken voordat Jaques Le Maire langs het zuidwesten eene reis om de wereld begon, vertrok dus eene andere expeditie met hetzelfde doel en »omme te soecken ende ontdecken zeekre nyeuwe landen liggende int noortwesten” uit de Nederlandsche zeegaten. Maar de geest, die de bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie bezielde,--een geest, waarvan Le Maire in het volgende jaar de treurige uitwerkselen zou ondervinden,--was aan de Noordsche Compagnie te goed bekend dan dat zij zich niet vooraf van de medewerking der Staten-Generaal zou verzekerd hebben. Voorzichtiger dan de bekende mededinger der Oost-Indische Compagnie verzochten de bewindhebbers vooraf van de regeering eene akte, dat het den schepelingen geoorloofd zou zijn op hunnen terugtocht de havens, die onder het octrooi der Oost-Indische Compagnie begrepen waren, aan te doen. Maar hooren wij hen zelven. »De Bewinthebberen vande geoctroijeerde compagnie vande Noordersche quartieren gheeuen reuerentelyck te kennen”, dus heet het, »dat zij geresolveert sijn eenighe scheepen weederom te seijnden tot het ondersoucken vande passagien bij noorden naer China ende Cathaij, Welcke Schepen nu eerstdaechs sullen gereet sijn om in Zee te loopen, ende dewijle dat onseeker is, offschoon de zelue passage werde ontdeckt, dat het doenlijck soude weesen met de Scheepen de selue wech wederom te keeren, maer dat zij souden genootsaeckt zijn te passeeren de Cabo de Bona Esperantie ofte d’engte van Magalanes, ende ouersulcx gedwongen ’t zij om ververssinge van water, victualie ende anderssints aen te doen eenige landen In Oost-Indien, de welcke hun bij de Scheepen vande Oost-Indische Compagnie aldaer weesende soude mogen werden belet, soo keeren sij supplianten hun tot uwe H. M. deselue ootmoedelijck biddende te verleenen acte op dat de voornoemde Scheepen onverhindert de voorsseide passage souden mogen doen ende de versseide Landen frequenteeren, op dat sulcken goeden aengeuangen werck in geener Manieren werde verachtert.”[637] De Staten-Generaal oordeelden het verzoek »in reden, billickheyt ende equiteyt ghefundeert,” en als altijd gunstig voor het zoeken van den noordelijken doortocht gestemd, verleenden zij dadelijk de verlangde akte[638], ja toen de compagnie den 11 Mei nog een jacht ter leen vroeg om de reis te maken, besloten de Staten-Generaal onmiddellijk »alsoo de saecke haeste vereyschte ende faveur meriteerde,” dat de Amsterdamsche admiraliteit met de supplianten zou onderhandelen om hun het verlangde te leenen zoo ’s lands belang dit toeliet[639].
[636] R. S.-G. 2 April 1615.
[637] Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Apr. 1615, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. 1616-34. R.-A.--Akte voor de Noortsche Compagnie, dd. 2 April 1615. (Gr. Placaetb. I p. 671, 72.)
[638] R. S.-G. 2 April 1615.
[639] R. S.-G. 11 Mei 1615.--De N. C. had hierbij het oog op het oorlogsjacht „de Craen,” bekend door zijne reis in 1611 met May. De admiraliteit toonde zich wel genegen dit schip, dat niet goed voer, aan de compagnie te verkoopen, maar zij weigerde het te leenen. (Resol. Adm. Amst. 13, 14 Mei 1615.) De compagnie wilde echter den koop natuurlijk niet sluiten, en den 18 Juni werd „de Craen” verkocht aan Pieter Evertsz. Hulft voor ƒ 2900. (Resol. Adm. Amst. 26 Aug. 1614, 5, 12, 18 Juni 1615.)
Kort daarop vertrok werkelijk een jacht, door de Noordsche Compagnie uitgezonden, naar het noordwesten. Het zeilde straat Davis in en kwam tot de vóor dien tijd daar nog niet bereikte hoogte van 80° NB.[640] Ook over deze merkwaardige reis van Nederlanders, die een jaar vóor Bylot en Baffin nog verder dan dezen in het noordwesten doordrongen, heeft ons Joris Carolus naar ik meen eenig bericht nagelaten. In zijn boven vermeld kaartboek, dat voor de kennis der noordelijke streken zoo groot gezag had, dat daaruit alle latere Nederlandsche kaartenmakers naar het schijnt bijna zonder uitzondering geput hebben, verhaalt hij ons nauwkeurig de strekking van de oostkust van straat Davis tot op 71°. »Dan cryght men,” dus gaat hij voort, »een groote ruyme Zee Noord-west op gaende ende also weder Noordwaert rontsom nae ’t Oosten toe loopende, ende dan weder Zuydwaert tot de voorszeide enghte (nam. straat Davis.) Deze zee loopt sooverre Noordwaerts tot 79 graden, maer is achter dicht ende vast landt met Inwycken ende Rivieren, daer een groote menichte van ys gegenereert wordt, dat allenskens met de groote afwatering deur het nauwe van de Straet inde Noord-zee comt dryven langhs beyde custen henen tot in Terra Nova, alwaer ick een menichte hebbe sien dryven tot in de groote Baye van S. Laureyns achter ende bewesten Terra Novam.”[641] Het komt mij weinig twijfelachtig voor, dat Carolus deze ervaring op de hierbesproken reis van 1615 heeft opgedaan: de gevolgde koers, de bereikte hoogte stemmen nagenoeg overeen met het van elders bekende; Carolus was volgens zijne eigene getuigenis slechts driemaal hoog in het noorden en wij weten dat een dier reizen reeds in 1614 had plaatsgehad; eindelijk het staat vast, dat hij met de Noordsche Compagnie nauw verbonden was en in 1614 en 1617 in haar dienst reizen deed. Wij kunnen dus nagaan, dat de expeditie langs beide zijden van straat Davis en van de toen nog onbezeilde Baffins-bay een doortocht trachtte te vinden[642] en, toen zij dien niet vond, ouder gewoonte haar geluk in den handel met de inlanders beproefde. Immers Carolus toont zich met de bewoners der kust goed bekend: zijn oordeel over hen luidt zeer ongunstig. »De Inwoonders van dit Landt aen beyde zyden van de Straet,” dus verhaalt hij verder[643], »zyn alte-samen Heydenen ende wilde Menscheneters. Men moet haer schoon semblant niet ghelooven, al wat sy vermanghelen willen, dat langhen sy op haer riem, daer sy haer cano met voort roeyen, sy en vertrouwen niemant, daerom zyn sy oock niet te betrouwen, men moet hem wel wachten van aen landt te loopen, ten sy dat ghy wel op u hoede syt met een goet musquet: want sy vraghen niet veel nae een sabel, want men comtse soo nae niet: maer sy connen u treffen met hare boghen ende slingers, maer als sy sien datter een ter neder ghevelt wordt met een musquet, soo loopen d’ander te landewaert in int gheberghte daer sy haer onthouden.” Dus teleurgesteld keerden de reizigers terug: straat Davis uitgezeild bereikten zij een groot land, zich uitstrekkende van 57° tot 53° NB. »twelck men beraemde te wesen ten zuyelycxsten van Fretum Davits.” Dit land, dat niets anders zijn kan dan de reeds lang bekende kust van Labrador, werd door hen dus waarschijnlijk voor een nieuw ontdekte streek gehouden. De schepelingen gingen aan land en namen in naam der Staten-Generaal plechtig bezit daarvan door het planten der wapens van H. H. M. Aan een kaap op de kust gaven zij den naam van een der bewindhebbers van de Noordsche Compagnie en noemden ze »Tweenhuysens-hoeck.”[644]. De compagnie haastte zich na de terugkomst van het jacht in November volgens het »generael octroy” eene akte aan te vragen, dat zij de ontdekkers waren van het betreden land. De Staten-Generaal vervielen in dezelfde dwaling als de bewindhebbers en de akte werd verleend[645].
[640] R. S.-G. 26 Nov. 1615.
[641] Carolus, Het nieuw vermeerde Licht des Zee-vaerts. p. 148.
[642] Van de aanwezigheid van Joris Carolus op deze reis dragen de oude kaarten nog de sporen. In navolging van Carolus zelven noemen vele oude Nederlandsche kaarten aan Groenlands westkust op 61° de namen: »Mr. Ioris hoeck” en „Mr. Ioris Bay.” In den omtrek vindt men daar nog de Nederlandsche namen: Statenhoeck, Mauritii Bay, Wapenbergen, Caep Maelson en Wilde bay (MS. kaart v. Carolus. R.-A.--Kaarten van Groenland in den atlas van Goos en bij: Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 71); ook dezen zou ik geneigd zijn tot deze reis terug te brengen, de naam van Maurits van Nassau wijst toch op eene reis, die vóor 1625 moet plaatsgehad hebben en ook de bekende François Maelson, een der ijverigste bevorderaars der reis van 1594, zal het jaar 1615 wel niet zeer lang overleefd hebben.
[643] Carolus, Het nieuw vermeerde Licht des Zee-vaerts. p. 147.
[644] Deze naam komt voor op de geteekende kaart van Joris Carolus van 1626 (R.-A. Vgl. De Jonge, Opkomst, p. 31 Noot 2. De kaart is vlg. de R. S.-G. 10 Apr. 1626 uitgegeven.) Het komt mij niet twijfelachtig voor, dat men dien tot dezen tocht moet terugbrengen. In den omtrek van Tweenhuysens-hoeck bevinden zich nog op de kust van Labrador de volgende Hollandsche namen: Cardinaels-hoed, Hoybergen, Swarte hoeck, Twee rode eylanden, Steylhoeck, Ganse-bay, Vastlant, Slapershaven, Noothaven, Claptmuts-bay, Orangebay, Hollandtsche bay, Schildpadds-eyland, Sadel-eyland, Vossen-eyland, Syboldshoeck, Zuydtoosthoeck, Warderhoeck, Anthonis ofte Cameelshoeck, Lage hoeck, Schoon eylant en Jacob Wendelshaven. Waarschijnlijk zijn ook deze namen op de reis van 1615 gegeven. (Zie ook de atlassen van J. Danckers, P. Goos en N. Visscher uit de tweede helft der zeventiende eeuw.)
[645] R. S.-G. 26 Nov. 1615.
Hoe weinig praktische resultaten de groote reis, door Carolus en de zijnen volbracht, ook had opgeleverd, zij had den Nederlanders de overtuiging geschonken, dat daar althans de gewenschte doortocht naar het verre Indië niet te vinden was. Carolus verzekerde later zonder aarzelen, dat de »deurgangh daer veel treffelijcke Zeevaerders naer ghesocht hebben maer te vergeefs” niet bestond[646]. Nieuwe pogingen schenen vruchteloos, nu eene zoo volhardende bemanning geleid door een stuurman als Carolus niet geslaagd was. Nog slechts éen enkele weg bood dus aan de Noordsche Compagnie kans op het bereiken van haar doel: lager in het noordwesten, waar Frobisher en Hudson gehoopt hadden eene zeeëngte te vinden, was nog veel ondoorzocht; niemand had van daar nog zulke zekere en teleurstellende berichten medegebracht als Carolus omtrent straat Davis. Daarheen moest dus de steven gewend. Onvermoeid toog de Noordsche Compagnie weder aan het werk: in het voorjaar van 1616 had zij eene nieuwe expeditie gereed, die den laatsten weg zou onderzoeken. Het jacht »den Orangienboom,” van Amsterdam, kapitein Willem Jansz[647], vertrok van Jan Mayen-eiland, waar dit jaar de walvischvangst voornamelijk gedreven werd, stevende benoorden IJsland langs, omzeilde Groenlands zuidpunt en kwam, straat Davis overstekende, aan »het westlant van fretum davits,” d. i. het tegenwoordige Cumberland-island. Daar werd waarschijnlijk in Frobisher-straat naar den doorgang gezocht, die daar niet te vinden was, misschien Hudsons-straat en baai bezeild[648], maar het eenige resultaat der reis, toen het jacht in November in het vaderland terugkwam, was, dat men een land op de westkust van straat Davis tusschen 60° en 66° NB. had verkend en betreden. Men had daar met de inwoners gesproken en van het land, Statenland genoemd, in naam der Staten-Generaal met het planten hunner wapens bezit genomen[649]. Evenals de ontdekking van het jaar 1615 werd ook Statenland volgens het »generael octroy” voor vier jaren onder het octrooi der Noordsche Compagnie begrepen[650], zonder dat het blijkt, dat daarom de vereeniging zich ooit op het verkeer met die verre gewesten heeft toegelegd[651].
[646] Carolus, Het nieuw vermeerde Licht des Zee-vaerts. p. 147.
[647] Instr. v. de Stn.-Gen. voor Schrobop dd. 23 Mei 1616, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[648] Ik zou dit opmaken uit de op het R.-A. aanwezige kaart der noordelijke streken tusschen Hudsons-baai en IJsland, door Joris Carolus in 1626 vervaardigd, waarop hij aanteekent, dat hij deze landen »driemael selfs beseylt” heeft. Het komt mij waarschijnlijk voor, dat Hudsons-baai op deze reis bezocht werd; Carolus was ongetwijfeld ook nu de piloot der N. C. en op geen andere reis kwamen de Nederlanders zoozeer in de nabijheid der baai. Zoo ik twijfel, dan is het alleen, omdat Carolus blijkbaar voor het samenstellen zijner kaart ijverig gebruik gemaakt heeft van die van Jens Munck van 1619, 20. (Zoo noemt hij b. v. de „nieuwe zee” van Hudson „Mare Christiane”, terwijl Munck Hudsons-straat Fretum Christiani, Hudsons-baai Mare novum en James’-bay Mare Christianum noemde naar Christiaan IV van Denemarken. Op twee plaatsen in Hudsons-straat vind ik aangeteekend: „hier hebbense overwintert” en „Munckenes.”) Wel is waar vindt men op deze kaart in en bij Hudsons-straat Nederlandsche namen genoeg, als: Beerenhoeck, Kolden hoeck, Gebroken landt, Susters, Ys-eylandt, Snee eylandt, Zuydhoeck, maar misschien zijn ze op dezelfde wijze van Munck overgenomen en vertaald; van de „Susters” en het „Snee eylandt” is dit ten minste zeker.--Zie over Muncks reis: Barrow, Voyages into the arctic regions. p. 230-34.--Relation du Groenland, in: White, Spitzbergen and Greenland. p. 237-47.
[649] Misschien werd op deze reis de niet onbelangrijke opmerking gemaakt, dat er in die streken overvloed van walvisschen was. Carolus teekent toch op zijne bovenvermelde geteekende kaart ten noorden van „Comberlants Bay” aan: „walvis veel”, „hier coocten traen,” enz. Het is echter niet onmogelijk, dat ook deze aanteekeningen op eene reis van Jens Munck of een ander betrekking hebben. (Zie vorige noot.)
[650] R. S.-G. 23 Nov. 1616.
[651] Met het in 1634 als station der walvischvaarders genoemde „Statenlandt” (Octr. der Stn. v. Fr. voor de comp. voor de walvischv. dd. 22 Nov. 1634, bij: Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 221) schijnt Edge-island bij Spitsbergen bedoeld te zijn. (Zie hiervóor p. 152 Noot 9{[601]}.) Het komt mij voor, dat het streven der N. C. om anderen uit te sluiten zonder zelf van de in bezit genomene streken eenig nut te trekken, moet toegeschreven worden aan de slechte ondervinding door haar opgedaan, toen zij in 1614 verzuimd had van de schijnbaar onbelangrijke ontdekking van Jan Mayen-eiland kennis te geven aan de Staten-Generaal.