Geschiedenis der Noordsche Compagnie

Part 21

Chapter 213,718 wordsPublic domain

Hoe was het ondertusschen met hunne lotgenooten op Jan Mayen-eiland afgeloopen? Reeds dadelijk liet de zaak zich voor hen erger aanzien. Het voortdurende slechte weder, storm en sneeuw belette hen spoedig uit te gaan en de noodige beweging te nemen; de beeren, die aan de Spitsbergers gedurig zulk een welkomen voorraad versch vleesch verschaften, kon men hier slechts zelden bemachtigen. De zeven matrozen op Jan Mayen-eiland hadden het dan ook op 71° veel erger dan hunne lotgenooten op 80°: de koude was nijpend, het weder woest. Wel werden zij niet als de Spitsbergers in eene maandenlange nacht gehuld, maar de vale schemering, die zich gedurende eenige uren per dag vertoonde, terwijl de zon zelve achter de hooge bergen bleef schuilen, strekte slechts om hun het troostelooze van hun toestand duidelijker te doen zien. In hun tent opgesloten hadden zij niets om de lange, lange dagen zonder eenige afwisseling te korten; bij de verveling kwam zich weldra ziekte en angst voegen. Het journaal der ongelukkigen, dat aanvankelijk met stoicijnsche onverschilligheid slechts eentoonige opgaven van weer en wind bevat,--(in dit opzicht is het dan ook waarlijk verdienstelijk nauwkeurig!),--dat over ziekte en rampen zwijgt en een enkele klacht, die onwillekeurig aan de pen ontsnapt, dadelijk weder afbreekt door eene nieuwe meteorologische waarneming, begint dan ook allengs met weinige, maar treffende woorden den klimmenden angst der zeven kluizenaars te schilderen. Heette het aanvankelijk, toen de zon begon te verdwijnen: »in de Tent konnen wy niet langher sien te lesen of te schrijven, soo dat ons den dagh heel ontvalt ende sitten meest met toe deuren, ’t welck een weynigh onse couragie beneemt, snachts de wint N;” later schreef de »boeck-houder”, dat zij »seer begeerigh” waren om een beer te schieten, »alsoo sy lange den ouden kost gehadt hadden, ende daer deur seer met het Scheur-buyck gequelt waren;” en weinige dagen later: »wy en vernemen tegenwoordigh niet sonders, oock so is onse couragie wat kleyn, alsoo wy vry wat sieck van ’t Scheurbuyck zyn; wy hebben weynigh verversinghe, om ons een weynigh op de been te helpen.” Toen daarop de eerste der zeven op Paaschdag stierf, schreef een der overblijvenden: »de Heer wil zijn Ziel genadigh zijn, en geven ons wat ons salich is, want wy meest oock al sieck zijn; hoe het Godt met ons versien heeft is hem bekent!” Maar onder al die rampen en ongelukken trachtten zij toch moed te houden. Nauwelijks kwam een korte zonneschijn hen vervrolijken of het journaal betuigt dankbaar: »Den 9 September de windt ZO met moy Sonne-schijn, soo dat wy onse Hembden uyttrocken, sittende teghen het Geberghte aen, en koester(en)de en vermaekende ons soo wat.” Ook de verveling zochten zij te bezweren: »wy leyden somwylen een discoersjen in ’t hondert, ende elck vertrock vast zijn avontuer, dat hy soo te lande als te water, wel van zijn leven gehadt hadde, ofte hem bejegent was, so brochten wy somwijlen onsen tijt toe.” Toen de rampen toenamen en de ziekte, die zoovele reizigers in het noorden reeds gedood had, ook hen meer en meer begon te kwellen, sterkten zij zich door het gebed: »Anno 1634 den eersten Januarius, naer wy smorghens op gerezen zijn geweest, so hebben wy malkanderen een gelucksalig Nieuwe-jaer toe gewenscht, en wenschten malkanderen dattet ons tot een goede uytkomste gelucken mochte, ’t welck ons hartelijck begeeren was, ende hebben ghelijckelijck een Gebedt gedaen, om alsoo ons ghemoet wat te verlichten.” En werkelijk het gelukte hun, al werd de toekomst hoe langer hoe donkerder, goeden moed te houden; het gelukte hun in al hunne ellende nog »sonderlinge vermaeck te hebben in 3 jonge Beerkens te sien, welcke waren ontrent als kleyne Schaepkens.” Nauwelijks veertien dagen nadat de boekhouder dit schreef, viel hij als eerste offer van het scheurbuik; nog veertien dagen later eindigt het journaal plotseling op 30 April 1634 bij »klare Sonneschijn weer” midden in een volzin: de scheurbuik had den laatste hunner alle krachten benomen. Het overige laat zich gissen; de schepelingen, die 4 Juni op het eiland aankwamen, vonden hen allen »seer desolaet” en dood in hunne kooien liggen: »d’een voor d’ander nae was van de groote koude, die daer geen ghebreck was, versteven, ende waren soo allen van ongemack vergaen.”[618]

[618] Zie een uitvoerig verslag van hun wedervaren in: „Twee Journalen gehouden by Seven Matroosen op het Eylandt Mauritius gestorven enz.”

Het is licht te begrijpen, dat na deze ondervinding geen van de bemanning der vloot het waagde op de onherbergzame kust achter te blijven; maar op Spitsbergen, waar men van dit alles onbewust was, stonden de zaken anders. De ondervinding had geleerd, dat het niet alleen mogelijk was daar in goede gezondheid de strengheid van den winter te trotseeren, maar het verblijf der zeven matrozen had een overrijken buit van beerenvellen in handen der Noordsche Compagnie gebracht. Wel had de walvischvangst niets opgeleverd, maar een grooter aantal mannen zou misschien beter slagen. Vol hoop op de toekomst besloot men dan ook het oordeel der bewindhebbers over eene voortdurende vestiging in te winnen; voorloopig bepaalde men, dat weder eenige matrozen op Smeerenburg zouden achtergelaten worden. De goede uitslag van het vorige jaar gaf den matrozen moed: »verscheyde Persoonen presenteerden haer gewilligh” om te blijven. Uit die allen werd Andries Jansz. van Middelburg met zes man uitgekozen en in het najaar van 1634 op het eiland achtergelaten.

Het korte uittreksel uit hun journaal, dat ons overgebleven is, geeft een aangrijpend verhaal van hunne ellende; met vreesselijke eentoonigheid bevat het dag aan dag het bericht, dat de een voor de ander na door het scheurbuik aangetast wordt, een drank inneemt en toch voortdurend verergert. Want hetzij dat de beeren door het onafgebroken jagen bevreesd geworden waren, hetzij de matrozen minder moed en behendigheid toonden dan hunne voorgangers, zeker is het dat zij geen versch vleesch konden krijgen en ook het als »salaet” bekende kruid, dat het beste geneesmiddel tegen de scheurbuik is[619], konden zij »tot haerder groote droefheydt niet op doen.” Wel »troosten sy haer onder malkander, dat God haer groente en verversinge wesen sou(!), en dat hy ’t versien sou;” maar de ziekte, die zich reeds den 24 November geopenbaard had, nam toe en een maand later was »niemandt van haer allen sonder pijn.” »Wilt niet beter worden,” dus schreven zij mismoedig, »soo zijn wy altemael doodt eer de Schepen hier komen; dan Godt weet wat ons van nooden is.” Reeds 14 Januari 1635 viel een van hen als slachtoffer der ziekte, twee zijner medgezellen volgden binnen drie dagen. De beeren, die nu als om hen te bespotten in groote troepen kwamen opzetten, waren veilig: »sy hadden de macht niet om een Roer af te schieten, en of sy al getreft hadden, om haer nae te loopen, want konden de eene voet voor den ander niet setten, noch gheen Broodt bijten, hadden vreesselijcke pijn inde lenden en ’t lijf, en hoe quader weer hoe slimmer; de eene spoogh bloedt, de andere loosde bloedt door de stoelgangh. Ieroen Carcoen was de sterckste noch, die haelde altemet noch wat kolen om vyer aen te leggen.” De vier overblijvenden zagen eindelijk de zon terugkomen; maar het was slechts om hun sterfbed te verlichten. Reeds twee dagen later (26 Februari 1635) schreven zij: »Wij leggen met ons vieren, die noch in ’t leven zijn, plat te Koy, wy souden wel eten, wasser een soo kloeck dat hy uyt syn Koy komen kon om vyer aen te leggen. Wy konnen ons niet roeren van pijn. Wy bidden Godt met ghevouwen handen, dat hy ons uyt dese benaude Wereldt verlossen wil; alst hem belieft, soo zijn wy gereet, want wy mogen ’t dus niet langer harden sonder eten of vyer, en wy konnen malkander niet helpen; elck moet sijn eygen last dragen.” Zoo eindigde het journaal! Maanden later vonden de schepelingen der walvischvloot hen dood in hunne tent, de drie eerst gestorvenen in kisten, de overigen in hunne kooien of op den grond, de kin tegen de knieën getrokken door koude en ziekte. De mannen »maeckten kisten tot de vier, en begroeven haer nevens de andere drie in ’t snee, alsoo daer noch door de groote koud’ geen andere gelegentheydt was; maer naderhandt doe het snee begon te smelten, en het Landt begost bloodt te komen, begroeven sy se met Aerde het best dat sy konden, alle seven aen malkanders zijde, leyden steenen op haer kisten, om dat sy van ’t Wildt niet verscheurt souden worden.”[620]

[619] Zie over deze „salaet” („scurvy-grass”) en de ook wel eens vermelde zuring: Vander Brugge, Journael. p. 6, 7, 8.--Scoresby, Account. I p. 145.--Martens, Voyage to Spitzbergen, by: White, Spitzbergen. p. 49, 50.

[620] Het uittreksel uit het journaal der zeven matrozen is afgedrukt achter: Raven, Journael van de reyse nae Spitsberghen inden Jare 1639 p. 12-14,--en in: Twee journalen vande Seven Matroosen. p. 21-23.

»Naderhandt en isser geen meer Volck op Spitsbergen ghebleven om te overwinteren,” zegt de uitgever van het journaal. Onder hen, die dit vreesselijke tooneel gezien en gevoeld hadden, was de lust en de moed om het voorbeeld der slachtoffers te volgen gering.

HOOFDSTUK V.

ONTDEKKINGSREIZEN DER NOORDSCHE COMPAGNIE.

Terwijl alzoo eene nieuwe nering de IJszee tot het tooneel van een levendig verkeer maakte, was de westelijke helft der poolstreken nog steeds hoogst onvolkomen bekend en bijna geheel verlaten gebleven. Eerst veel later zou men er toe komen die streken voor de oefening der walvischvangst te gebruiken; voorloopig waagden zich slechts enkelen in de onherbergzame oorden, en die enkelen was het meest allen te doen om den zoo gewenschten doortocht naar Oost-Indië te vinden. Reeds voordat de ongelukkige tocht van Pet en Jackman in 1580 de Engelschen van verdere onderzoekingen in het noordoosten had afgeschrikt, was hun oog op het westen gevallen, waar de nog nagenoeg onbezochte noordsche wateren misschien een gemakkelijker en zeker een korter weg beloofden dan door het noordoosten ooit te vinden zou zijn.

De eerste, die pogingen deed om dezen weg te vinden, was Sir Martin Frobisher, die op drie reizen (1576-78) de naar hem genoemde baai en de nabijgelegen landen op 62° NB. nauwkeurig onderzocht. Maar de doortocht was daar niet te vinden, en het later gezochte goud beloonde zijne moeite evenmin. Hem volgde weinige jaren later (1585-87) de wereldberoemde John Davis, die eveneens drie reizen ondernam. Het was hem meer dan zijnen voorganger ernst met het zoeken van den doortocht. Telkens was de naar Davis genoemde zee het doel zijner reizen en het gelukte hem de beide kusten der zoogenaamde straat, vooral de oostelijke nauwkeurig te verkennen tot op 73° NB. Hoeveel hoop deze ontdekkingen ook op het vinden van den doortocht mochten geven, het spoor van Davis werd voorloopig niet weder betreden. Eerst George Weymouth stevende in 1602 weder naar het noordwesten. Het feit, dat hij de eerste was, die de reeds door Davis geziene Hudsons-straat een eind weegs bezeilde, heeft deze reis meer bekend gemaakt dan het resultaat verdient. Reeds spoedig toch dwong het scheepsvolk den wakkeren kapitein den steven te wenden en naar het vaderland terug te keeren. De vier reizen, door James Hall voor Deensche en Engelsche rekening naar straat Davis ondernomen (1605-7, 12), leverden geene nieuwe resultaten. Veel belangrijker was in dit opzicht de bekende vierde reis van Henry Hudson (1610/11), die de geheele naar hem genoemde straat door en de groote baai binnenzeilde, waar hij overwinterde en als het slachtoffer eener samenzwering den dood vond. De expeditie, in 1612 onder Sir Thomas Button uitgezonden om hem te zoeken, bereikte niet alleen de westkust van Hudsons-baai, waar zij overwinterde, maar verkende ook in 1613 het noordelijker gelegen Southampton-island tot 65° NB. Verder dan een hunner voorgangers kwamen in 1615 en 1616 Robert Bylot en William Baffin, die het tweede tijdvak der Engelsche noordpoolreizen sluiten. Op hunne eerste reis drongen zij door Hudsons-straat tot op ruim 65° aan de oostkust van Southampton-island door; hun tweede tocht bracht hen tot op bijna 79° in de naar Baffin genoemde baai, waar zij de drie straten ontdekten, die nog voor de eenige gehouden worden, waardoor de doortocht in het hooge noorden mogelijk is: Smith’s sound, Jones’ sound en Lancaster-sound[621].

[621] Zie over deze reizen uitvoeriger: Barrow, Voyages into the arctic regions. p. 77-217.

Het zou zeker verbazend geweest zijn, zoo de Nederlanders, de eerste zeevarende natie der zeventiende eeuw, het tooneel, waarop hunne mededingers voortdurend door hun moed en volharding lauweren behaalden, onbezocht gelaten hadden. Het feit op zich zelf, dat een Engelschman eene nieuwe onderneming had begonnen, was destijds voldoende om Nederlanders tot navolging uit te lokken; hoe zou dat hier het geval niet geweest zijn, nu het welslagen der Engelschen dezen in het bezit zou gesteld hebben van den kortsten weg naar Oost-Indië juist op het oogenblik, dat de wedijver van beide natiën daar meer en meer een ernstig karakter begon aan te nemen? Ook is het slechts de geheele onbekendheid der latere Nederlandsche noordpoolreizen, die ooit het gevoelen heeft kunnen doen wortelschieten, dat de Nederlanders in de zeventiende eeuw het noordwesten nooit bezocht hebben; wij zagen reeds, dat nog voor het einde van het eerste tijdperk een Amsterdamsch schip den steven daarheen wendde. Juist echter nu dus aan de vaart der Nederlanders naar het noorden nieuwe banen schenen geopend te zullen worden, bedreigde haar een ernstig gevaar. Het octrooi der Noordsche Compagnie sloot een groot gedeelte der noordpoollanden voor allen, die geen aandeel in de vereeniging hadden; de vischrijke stranden van Spitsbergen, de langen tijd gezochte goudmijnen aan straat Davis waren aan het verkeer onttrokken, de handel met de Groenlanders was verboden. Nam reeds dit op zich zelf een prikkel tot nieuwe ontdekkingsreizen weg, weldra zouden er nieuwe moeielijkheden daartegen oprijzen. De ondervinding had geleerd, dat het bezit van land in de IJszee voor de walvischvangst nuttig, ja onontbeerlijk was, en terwijl dus de inbezitneming der reeds bekende landen door de Noordsche Compagnie spoedig te verwachten was, verklaarde deze reeds dadelijk, dat zij voornemens was verdere ontdekkingstochten te doen om de tot nu toe onbekende streken voor hare nering in bezit te nemen. Het was gemakkelijk te voorspellen, dat de compagnie, dus meester in de geheele IJszee en tot in straat Davis toe, weldra feitelijk het monopolie zou verwerven ook voor reizen ter ontdekking van den noordelijken doortocht, waartoe zij beter dan iemand in staat was, omdat zij gemakkelijker en minder kostbaar dan alle andere Nederlanders de vaart kon volbrengen. Wat erger was, het kon den schijn hebben, alsof de Staten-Generaal hunne goedkeuring aan dit monopolie geschonken hadden. Daarvoor moest gezorgd worden: de regeering, die zelfs aan de zoozeer bevoorrechte Oost-Indische Compagnie het monopolie om de IJszee te bevaren uitdrukkelijk geweigerd had om zoodoende den prikkel tot ontdekkingen levendig te houden, wilde er voor waken, dat ook nu de omstandigheden haar op nieuw tot het verleenen van voorrechten gedwongen hadden, de ondernemingszucht der Nederlanders niet uitgedoofd werd en eene andere bevoorrechte vereeniging niet de voordeelen verkreeg, die aan hare oudere zuster geweigerd waren. De zaak scheen spoed te vereischen en reeds dadelijk werd dan ook het »depescheren” van het octrooi der compagnie opgehouden[622].

[622] R. S.-G. 27 Jan. 1614.

Ook buiten de vergadering der Staten-Generaal waren deze bedenkingen gerezen. Isaac Le Maire, de hardnekkige tegenstander van alle monopolie, de gevreesde vijand der Oost-Indische Compagnie, zag dadelijk het gevaar in, dat de ondernemingen zijner landgenooten bedreigde. Juist was hij met een nieuw omvangrijk plan bezig, dat beloofde de Oost-Indische Compagnie door de ontdekking van eenen nieuwen weg in het zuidwesten eindelijk haar monopolie te ontwringen, maar de zaak was toch niet zeker genoeg dan dat hij niet alles in het werk zou stellen om zich bij mislukking van dit plan den ouden reeds eenmaal beproefden weg door het noorden open te houden. Met het oog op zijne Austraalsche Compagnie en op het pas verleende octrooi der Noordsche diende hij daarom weldra bij de Staten een verzoekschrift in, waarbij hij, wars van alle duurzaam monopolie, als belooning zijner moeite zich de voordeelen zijner eventueele ontdekkingen ten minste voor eenige jaren bij uitsluiting trachtte te bedingen[623]. Het gevolg was, dat de Staten den 27 Maart 1614 wel het octrooi der Noordsche Compagnie nu definitief uitvaardigden, maar tevens een »generael octroy” verleenden »voor die geene die eenige nieuwe Passagien, Havenen, Landen oft Plaetsen souden ontdecken.” »Wy verstaen,” dus spraken de Staten, »eerlijck, dienstlijck ende profijtelijck voor dese Landen, ende tot vorderinge van den welstant van dien, oock tot onderhoudt van het Zeevarende Volck te wesen, dat die goede Inghesetenen verweckt ende gheencourageert worden, omme hen te employeren ende verkloecken in ’t ondersoecken ende ontdecken vande Passagien, Havenen, Landen ende Plaetsen, die voor desen niet ontdeckt ofte bevaren zijn gheweest, ende is by eenige Koopluyden ons openinge ghedaen, dat syluyden door Godes ghenadige hulpe, met diligentie, moeyten, periculen ende kosten, hen daer toe sulcks verhoopen te employeren, dat daer van goede vruchten souden staen te verwachten, indien onse beliefte ware, hen te octroyeren, priviligieren ende begenadigen, dat sy die Passagien, Havenen, Landen ende Plaetsen, by henluyden van nieuws te vinden ende ontdecken, alleen souden mogen bevaren, beseylen ende frequenteren voor ses reysen in recompense van hare kosten, moeyten ende periculen: Met interdictie dat niemant directelijck ofte indirectelijck de selve Passagien, Havenen, Landen ofte Plaetsen soude mogen bevaren, beseylen ofte frequenteren, voor ende al eer die eerste ontdeckers ofte bevinders der selver, de voorschreve ses reysen souden hebben volbracht.” De Staten-Generaal dit alles »rijpelijck overgewogen hebbende, ende bevindende het voorschreve voornemen voor den welstant der Vereenichde Landen loffelijck, eerlijck ende dienstelick, Ende willende het besoecken voor alle ende een yeghelijck vande Ingesetenen deser Landen vry ende gemeen maecken, wilden allen ende een yeghelijck vanden Inghesetenen der Vereenichde Nederlanden tot het voorschreve ondersoeck noodigen”, en »octroyeerden ende consenteerden daeromme, dat die geene die eenige nieuwe Passagien, Havenen, Landen ofte Plaetsen voortaen sou ontdecken, hy de selve alleenlijck sou bevaren ofte doen bevaren voor vier reysen, sonder dat yemant anders directelijck ofte indirectelijck de selve nieuwe ontdeckte ende gevonden Passagien, Havenen, Landen ofte Plaetsen sou mogen uytte Vereenichde Landen beseylen, bevaren ofte frequenteren, voor dat den eersten bevinder ofte ontdecker de selve vier reysen selfs sal hebben ghedaen, ofte doen doen, op peyne van confiscatie vande Schepen ende goederen daer mede daer jegens sou worden gheattenteert, ende een mulcte van vijftich duysent Nederlandtsche Ducaten ten profyte vande voorschreve Bevinder ofte ontdecker.”

[623] Dat Le Maire en zijne compagnons van de Austraalsche Compagnie de verzoekers van het „generael octroy” waren, staat vermeld bij: Bakhuizen v. d. Brink, Isaac le Maire, in: Gids. 1865. IV p. 44. Ik heb daarvoor geen bewijs gevonden, maar het is zeer waarschijnlijk, te meer omdat zich in de verzameling „Noordsche togten” (1. R.-A.) een afdruk van het „generael octroy” bevindt, waarop met eene hand van dien tijd geschreven is: „Austraelsse Compaignie.”--O’Callaghan (Hist. of New-Netherland. I p. 69) schrijft het vragen van het octrooi toe aan de handelaars op Nieuw-Nederland, waaronder trouwens waren Jan Clemensz. Kies e. a. Hoornsche kooplieden, die leden waren van Le Maire’s compagnie. (O’Callaghan l. c. I p. 74.)--De R. S.-G. 27 Maart 1614 spreken slechts van »verscheijden Coopluijden, Ingesetenen vande Vereenichde Provinciën.”

Tegenover de voorrechten aan de Noordsche Compagnie verleend werden dus andere voordeelen uitgeloofd, die het aan ieder vrijstond te verkrijgen. Ieder oogenblik kon er nu een mededinger voor de bevoorrechte vereeniging opstaan, en om misverstand tusschen de wedijverende lichamen te voorkomen, bepaalden de Staten-Generaal nu reeds dadelijk, »dat sy by desen niet en verstonden eenige prejuditie ofte verminderinge te doen aen hunne voorgaende Octroyen ende Concessien. Ende soo verre in ofte ontrent een tijdt, ofte in een Jaer, een ofte meer Compagnien sulcke nieuwe Passagien, Landen, Havenen ofte Plaetsen vonden ende ontdeckten, dat de selve te samen dit Octroy ende Privilegie souden genieten. Ende in gevalle eenige gheschillen ofte differenten desen aengaende ofte andersints uyt dese hunne Concessie quamen te rijsen ofte ontstaen, souden de selve by haer Ho: Mo: worden gedecideert, waer naer hem een yegelijck sou hebben te reguleren.”[624]

[624] Gr Placaet-boeck. I p. 563-66--R. S.-G. 27 Maart 1614.

De maatregel bleek de Noordsche Compagnie tot krachtsinspanning te prikkelen; bevreesd voor de steeds dreigende mededingers deed zij alle moeite om hen te voorkomen, en in de eerste jaren van haar bestaan deed zij zelfs ernstige pogingen om van hare gunstige positie gebruik te maken, ten einde den langgezochten doortocht naar Oost-Indië te vinden. Reeds in 1613 kan men het er voor houden, dat de Amsterdamsche reeders op de walvischvangst hetzij door de schepen van Van Muyden, hetzij door eene afzonderlijke onderneming getracht hebben de noordpool te bereiken. In hun request aan de Staten-Generaal, waarbij zij octrooi verzochten, beroemden dezen zich toch, »dat sy de alder eerste waeren die uyt dese Landen soo verre om de Noort aangevangen hadden te varen ofte te seylen, met toerustinge van eene quantiteyt Schepen, ~alwaer noyt Christen Menschen ontrent hadden gheweest, Jae dat sy hadden ghepasseert drie-en-tachentich graden~, blijckende by seeckere Caerte ende bewijs onder de Supplianten berustende, alwaer hare Schepen ghevonden hadden eene ruyme Zee, sonder Ys, vlack Weylandt, met Gras-etende Gedierten, ende aldaer aenden Zee-kant ende daer omtrent ghevangen eene quantiteyt Walvisschen, Walrussen ende andere Visschen.”[625] Het komt mij echter waarschijnlijk voor, dat deze opgave van de bereikte hoogte overdreven is. Nergens elders blijkt, dat er in 1613 door Van Tweenhuysen c. s. schepen ter ontdekking zijn uitgezonden en het verhaal van de »ruyme Zee sonder Ys” en het »vlack Weylandt met Gras-etende Gedierten”, waar men aan den zeekant walvisschen en walrussen ving, wijst te duidelijk op de bekende reis van Van Muyden, die Spitsbergens westkust bezocht, dan dat men eene afzonderlijke ontdekkingsreis ten noorden van dat eiland, waar zooals bekend is het zoogenaamde westijs weldra allen verderen doortocht belet, zou behoeven aan te nemen.

[625] Zie het octrooi der Noordsche Compagnie. (Gr. Placaetb. I p. 669.)--De „Corte Deductie ende Remonstrantie” der N. C. van 1624 (Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.) verhaalt, dat „in den Jare 1611 (lees 1612) eenige Schepen geequipeert ende na de voorszeide costen (van Spitsbergen) wtgesonden sijn, de welcke na veele zeijlens ende menichfuldige periculen van ijs storm ende anders de selve costen aengedaen hebben ende nijet alleene nader besocht maer soowel ~in datselve jaer~ als eenige navolgende het Landt eene goede streeck langs om de noort verder als oijt te vooren hebben opgedaen ende beseijlt.”