Geschiedenis der Noordsche Compagnie
Part 20
Nu ik de Spitsbergsche vestiging zoo uitvoerig beschreven heb, kan ik over die op Jan Mayen-eiland korter zijn: beide nederzettingen droegen geheel hetzelfde karakter. De vestigingen op Jan Mayen-eiland waren ongetwijfeld belangrijker dan die op Spitsbergen, in dezelfde mate als de walvischvangst daar meer opleverde; zij zijn echter minder bekend, omdat zij vroeger dan Smeerenburg verlaten schijnen te zijn en omdat zij minder het aanzien van een visschersdorp zullen gehad hebben dan van eenige kleine en onaanzienlijke buurten. De eerste belangrijke uitrusting ter walvischvangst naar Jan Mayen-eiland werd gedaan in 1616[577], en reeds dadelijk waren er dit jaar 15 schepen bijeen: de Noordsche Compagnie zond er 6, de kleine Noordsche Compagnie 5, de Zeeuwen waren nu voor het eerst door 2 schepen vertegenwoordigd en ook eene Duinkerksche reederij waagde zich met 2 schepen in de bijna onbekende wateren[578]. Hoewel Zeeuwen en Duinkerkers de vaart niet lang voortzetten en ook de Hollanders aanvankelijk niet zoovele walvisschen vonden als zij zochten, werd Jan Mayen-eiland toch gedurende vele jaren druk door de walvischvaarders bezocht. Evenals in 1616 werd de uitrusting van de Noordsche Compagnie in 1617 uitsluitend naar het eiland bestemd[579], waar de Engelschen de Nederlanders niet in hun bedrijf stoorden; en al werd langzamerhand Spitsbergen op nieuw door de schepen der compagnie bezocht, Jan Mayen-eiland was en bleef haar hoofdkwartier[580]. Natuurlijk werd de traankokerij daar dadelijk begonnen; mag men de overlevering gelooven, dan kookte de bemanning van een Rotterdamsch schip, de »Mary Muss” (Maria Musch?)[581], de eerste traan op het eiland in de naar dit feit benoemde baai (een gedeelte der Kruisbaai.)[582] Hoe dit zij, zeker is het, dat er weldra vele Nederlandsche traankokerijen op Jan Mayen-eiland verrezen, niet als op Spitsbergen bij elkaar op de wijze van een dorp maar verspreid in verschillende baaien. Scoresby noemt sporen van traankokerijen in de Zuidbaai, aan den Rooberg, in de Noord- of Engelsche baai en in de beide Kruisbaaien[583]. De drie eerste vestigingen, op het zuidelijk gedeelte der westkust van het eiland gelegen, waren echter de eenigen, die hoop op rijke vangst gaven en die dus belangrijk genoemd mogen worden[584]. In de Noordbaai was het hoofdkwartier der Noordsche Compagnie[585]. Daar vond men op het strand niet minder dan tien »tenten”, waarvan er eens drie, alle toebehoorende aan de Amsterdamsche kamer met tien sloepen en de daarbij liggende vaten en traanbakken door eene aardstorting wegspoelden[586]; dáar overwinterden in 1633 zeven matrozen, dáar waren ook twee Amsterdamsche kokerijen gevestigd[587]. Natuurlijk had de Noordsche Compagnie op Jan Mayen-eiland hetzelfde systeem gevolgd als op Spitsbergen; iedere kamer had hare afzonderlijke baai of plaats, waar ze hare eigene traankokerij, hare eigene huizen had[588]. Het geheele getal huizen en schuren schijnt vrij aanzienlijk geweest te zijn; overal toch vond men later fondamenten en ruïnen[589]. Reeds in 1628 was de vestiging van zooveel belang, dat de Noordsche Compagnie het de moeite waard oordeelde, daar evenals op Smeerenburg twee forten en eene batterij op te richten tegen de aanvallen der zeeroovers[590]. Nog in 1699 vond Zorgdrager, toen hij de ruïnen bezocht, niet minder dan twintig sloepen, twee groote booten, koelbakken en traanvaten, zelfs groote stapels kabeltouw op het strand aan weer en wind blootgesteld[591]. De vangst schijnt dikwijls zoo rijk geweest te zijn, dat de berging onvoldoende was: het overschietende gedeelte, op Smeerenburg meestal in de pakhuizen geborgen, schijnt op Jan Mayen-eiland dikwijls begraven te zijn geworden[592]. Maar toch hield de visscherij ook hier eerlang op onder het land voordeel te geven: nog eerder dan bij Spitsbergen verlieten de walvisschen hier de kustzee[593]. Omstreeks het einde der Noordsche Compagnie schijnt Jan Mayen-eiland verlaten geworden te zijn; het ijs, dat o. a. in 1632 de schepen den geheelen zomer belette aan land te komen[594], heeft zeker later het eiland eenmaal geruimen tijd ingesloten gehouden: zóo zijn waarschijnlijk de boven aangeduide goederen der compagnie op het eiland achtergebleven[595].
[577] Instr. der Stn.-Gen. voor Schrobop dd. 23 Mei 1616.--Zie verder Hfdst. IX.
[578] Zie hierna Hfdst. VIII, IX.
[579] „Corte Deductie” der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[580] Zorgdrager beweert (Groenl. vissch. p. 285), dat de Nederlandsche walvischvangst aan Jan Mayen-eiland steeds veel onbeduidender was dan die aan Spitsbergen. De statistieke opgave op p. 109 en 110, hoe onvolledig ook, leert dunkt mij het tegendeel en het is trouwens niet meer dan natuurlijk, dat het Amsterdamsche eiland met twee baaien minder voordeel gaf dan Jan Mayen-eiland met vijf.
[581] Dat het schip door eene vrouw met name Maria Musch uitgerust zou zijn, zooals het verhaal eigenlijk luidt, komt mij met het oog op de inrichting der N. C. onwaarschijnlijk voor.--In de R. S.-G. 24 Dec. 1626, 24 Febr. 1627 vinden wij Mr. Cornelis Musch, „Secretaris tot Rotterdam”, genoemd als reeder van een schip naar het noorden. Mogelijk was hij lid van de N. C.
[582] Scoresby, Account. I p. 157.--Vgl. Van Keulen, Zee-atlas I p. 75.
[583] Scoresby, Account. I p. 157.
[584] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 102.--De walvischvangst. II p. 62.
[585] Van Keulen, Zee-atlas. I p. 75.
[586] Van Keulen, Zee-atlas. I p. 75.--Scoresby, Account. I p. 157.--De Amsterdammers lieten dadelijk twee nieuwe tenten bouwen.
[587] Twee Journalen der Matroosen. p. 6, 7.
[588] Gr. Placaetb. I p. 674.--Twee Journalen der Matroosen. p. 6.--R. S.-G. 28 Mei 1622.
[589] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 238, 260, 285.--Gr. Placaetb. I p. 673, 74, 78.--Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A., en ald. Bijl. K: Getuigenis v. Wybe Jansz. voor de regeering van Amsterdam.
[590] Wassenaer, Hist. verh. XVI fol. 26.--Twee Journalen der Matroosen. p. 4, 5.
[591] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 285.
[592] Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 8 Apr. 1638, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.--Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Wassenaer, Hist. verh. XVI fol. 26.--Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.
[593] Zie o. a. Van Keulen, Zee-atlas (I p. 76), die zeer veel woordelijk heeft overgenomen van kaartboeken uit den tijd, dat de walvischvangst aan Smeerenburg nog in vollen gang was.
[594] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.
[595] Vgl. Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 101, 260, 266.--De walvischvangst. I p. 31.
Geheel op zich zelve stonden de vestigingen der Nederlanders op Spitsbergens oostkust. De walvischvangst, die daar door de Noordsche Compagnie gedreven werd,--de zoogenaamde zuidijsvisscherij in tegenoverstelling der westijsvisscherij, die men bij Smeerenburg op noordelijker graden dreef[596],--was van betrekkelijk groot belang. Bizonderheden daarover zijn echter weinig bekend. Zorgdrager verhaalt ons, dat ten tijde der Noordsche Compagnie de zuidijsvisscherij--later alleen in geval van nood, wanneer de westijsvisscherij niets opleverde, in den natijd ter hand genomen[597]--geregeld werd gedreven[598]. En werkelijk zijn de bewijzen voorhanden, dat die tak der walvischvangst niet onbelangrijk was in de dagen, toen men zich nog met de kustvisscherij bezighield. Sporen van traankokerijen en hutten zijn gevonden aan het verafgelegen Disco (Stones foreland), op het Hoop- en Halvemaans-eiland[599] en op de kusten van Wybe Jansz.’-water bij Whaleshead[600]. Wij weten, dat in 1636 behalve deze plaatsen ook de »Swarte hoeck” en »Staten-landt” (Edge-island?)[601] als voordeelig voor de walvischvangst gelegen werden beschouwd[602]. Men zegt zelfs, dat door de Noordsche Compagnie de walvischvangst bij Novaya-Zemlya soms »met redelyck goet gevolg” gedreven werd[603]. Wel is het niet waarschijnlijk, dat al de gevondene ruïnen van Nederlanders afkomstig zijn, daar ook de Engelschen zich reeds vroeg op de visscherij aan Spitsbergens oostkust toelegden[604], maar er blijkt toch voldoende uit, dat de zuidijsvisscherij niet zonder belang was, te meer daar men bij de betrekkelijke onzekerheid der vangst, dáar niet zoo licht als bij de voordeeliger westijsvisscherij zal overgegaan zijn tot het bouwen van schuren en traankokerijen[605].
[596] De walvischvangst. I p. 52.
[597] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 81.--cf. Scoresby, Account. II p. 180.--Lindeman, Arkt. Fisch. p. 20.--De walvischvangst. I p. 45.--Zorgdrager l. c. p. 204.
[598] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 179, 80.
[599] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 213.
[600] Petermann, Spitzbergen. p. 42.
[601] Edge-island draagt op oude kaarten dikwijls den naam „Staadsforeland”, waarschijnlijk eene verbastering van Staten- (of Staats-) voorland.
[602] Aitzema, Saken v. Staet. II p. 412.
[603] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 179.
[604] Pellham, Gods power, in: White, Spitzbergen. p. 258.
[605] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 367, 68.
* * * * *
Wij hebben nu den geheelen omvang der Nederlandsche vestigingen op Spitsbergen en Jan Mayen-eiland leeren kennen. Voorwaar! er was reden genoeg, waarom de Noordsche Compagnie op den eigendom der door haar bezette plaatsen zou kunnen aanspraak maken. Maar toch had de compagnie vijanden, die niet aarzelden haar recht op de met zooveel moeite bebouwde en verdedigde plaatsen te bestrijden. Engelschen, Denen, Franschen en Zuid-Nederlanders betwistten haar alle uitsluitende rechten. Wat meer was, er waren vijanden, die niet eens de moeite namen met een juridieken eisch op te treden,--die slechts het oogenblik afwachtten, wanneer de schepen der compagnie naar het vaderland teruggekeerd waren, om de verlaten plaats in te nemen, te rooven en te plunderen. Het was wel gebeurd, dat de Nederlandsche walvischvaarders in het voorjaar bij hunne vestigingen komende hunne schuren door Baskische of Duinkerksche zeeroovers opengebroken gevonden en uit gebrek aan het noodige gereedschap hun bedrijf niet naar wensch geoefend hadden. Eén middel slechts was er om zich op den duur voor deze gevaren te beschermen, de walvischvaarders moesten voor goed hun verblijf in de barre noordelijke gewesten opslaan. Smeerenburg en Jan Mayen-eiland moesten werkelijk worden wat ze reeds niet zonder overdrijving heetten[606]: Nederlandsche koloniën.
[606] De N. C. beweerde, dat de door haar bezette plaatsen haar toebehoorden „Jure Inuentionis, Occupationis et Diuturnae possessionis, datt sijluijden hare colonien aldaer hadden geplant, voor soo vele als de nature ende hett climaett van die plaetsen toelaett, dat sij luijden den geheelen soomer aldaer woonen, ende des winters alleen mett de menschen voor eenen tijtt demigreren, om te euiteren de felheijtt vande locht, ende de onlijdelijcke koude, latende inde selue quartieren continuelijcken staen hare steenen ende houtten huijsen, gemeubleert ende versien mett allerleij ghereetschappen tott de visscherije noodich, oock de plaetse geapproprieertt tott den Godesdienst mitsgaders de forten ende baterijen versien mett Canon.” (Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 3 Mei 1633, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.)
Het denkbeeld eenmaal opgevat had veel wat het aanbeval. Niet alleen zouden de goederen der Nederlanders in de IJszee voortaan veilig zijn, maar ook onmiddellijk voordeel was met de duurzame vestiging in het noorden te behalen. Gedurende den langen winter konden de bewoners, niet door de drukte der walvischvangst beziggehouden, ongestoord jacht maken op de tallooze beeren en vossen, die door honger gedreven zich in groote scharen ver over het ijs in zee waagden en dus zeker een kostbaren buit den jagers toevoeren zouden. Nog meer, de overwinterenden, behoorlijk tot de visscherij uitgerust, konden in het najaar en in het vroege voorjaar, wanneer geen schip zich zoo hoog in het noorden bij het land durfde wagen uit vrees van in het ijs beklemd te raken, zonder vrees op de walvischvangst uitgaan; zoodra een scheur in het ijs zichtbaar werd, konden zij onderzoeken of soms de walvisch zich daar reeds vertoonde; de prooi, door storm of toeval op het strand geworpen, konden zij vermeesteren en bereiden. Zoodoende kon men zich van het uiterst kostbare plan een winst beloven, die verre van onbeduidend zijn zou[607].
[607] Wassenaer, Hist. verh. XI fol. 57, 58.--Twee journalen der Matroosen. p. 2, 4, 7, 17.--Vander Brugge, Journael p. 3, 6.--Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Scoresby, Account, I p. 168--Gr. Placaetb. I p. 678, 79.
Maar van den anderen kant waren de bezwaren niet gering. Men behoefde zich slechts de door Heemskerck en Barendsz. uitgestane ellende te herinneren om zelfs moedige en ondernemende personen van eene proefneming af te schrikken. Toch moest voor alles onderzocht worden, in hoeverre de uitvoering mogelijk was; het gold dus nu mannen te vinden, moedig genoeg om met een klein getal de gevaren van eenen winter onder de pool te trotseeren. En die gevaren waren niet gering, het was zelfs onzeker of men het waagstuk niet met den dood zou moeten bekoopen. Maar Nederlandsche kooplieden der zeventiende eeuw gaven niet spoedig een plan op wanneer het winst beloofde, ook al was de uitkomst onzeker; en arme varensgezellen, die niets te verliezen hadden, met den avontuurlijken geest bezield, die de Nederlandsche natie toenmaals kenmerkte, mannen met een hart in het lijf en weinig geld op zak, konden op den duur de verleiding niet weerstaan. Al duurde het dan ook lang eer men het plan uitvoerde; zoodra men het ernstig doorzetten wilde, werden er wel mannen gevonden, die bereid waren het waagstuk te ondernemen en eene nieuwe bladzijde te voegen in het roemrijke boek, dat de avonturen der Nederlandsche zeelieden zou verhalen.
Het denkbeeld eener overwintering op Spitsbergen schijnt het eerst bij de Moscovische Compagnie gerezen te zijn. Haar komt de eer toe, met scherpen blik de voordeelen te hebben ingezien, die eene voortdurende vestiging in het noorden kon opleveren. Zij loofde eene premie uit voor degenen, die het waagstuk wilden ondernemen. Maar niemand bood zich aan. Zelfs ter dood veroordeelde misdadigers, aan wie gratie beloofd was op voorwaarde dat zij eenen winter op Spitsbergen zouden doorbrengen, namen het aanbod wel gretig aan, maar deinsden terug, toen zij met eigene oogen de barre woestijnen aanschouwden, waar zij alleen in koude en duisternis vele maanden zouden moeten doorbrengen. Zij verkozen eenen wissen en smadelijken dood nog boven eene langzame marteling, al gaf zij hoop op behoud[608]. De graagte om te overwinteren vermeerderde er niet op, toen negen matrozen, bij ongeluk door de Engelsche walvischvaarders in Bellsound achtergelaten, het volgende voorjaar allen dood en half verslonden teruggevonden werden[609]. En misschien zou er van het geheele plan nooit iets gekomen zijn, zoo niet in den winter van 1630/31 acht Engelschen, bij toeval weder in Bellsound achtergebleven toen de walvischvloot vertrok, niettegenstaande hun gebrek aan goed voedsel, kleeding en woning, door buitengewone vindingrijkheid en energie alle bezwaren te boven gekomen en in het voorjaar van 1631 gezond en wel door de walvischvaarders teruggevonden waren[610].
[608] Pellham, Gods power, bij: White, Spitzbergen. p. 263, 64.
[609] Scoresby, Account. II p. 48.--Pellham, Gods power, bij: White, Spitzbergen. p. 264.
[610] Zie het uitvoerig verhaal van hun wedervaren bij: Pellham, Gods power, in: White, Spitzbergen. p. 266 vlg.
Dit voorval moet wel krachtig medegewerkt hebben tot de verwezenlijking van de plannen der reeders op de walvischvangst. De Engelsche visscherij was toen reeds te onbeduidend dan dat zij aan eene vestiging zou hebben gedacht, maar de Noordsche Compagnie, op het toppunt van haren bloei gekomen, schepte nieuwen moed. Reeds lange jaren had het plan onder de geliefkoosde denkbeelden der bewindhebbers behoord. In 1623 boden eenige »onbedachte luyden” hun aan op Spitsbergen eenen winter door te brengen[611] en hoewel zij toen op dit voorstel als eene »onnoodige saeck” geen acht sloegen, lag het toch in den aard der zaak, dat zij er met meer ernst over zouden beginnen te denken, zoodra het bleek, dat eene voortdurende vestiging een krachtig middel ter verdediging tegen allerlei soort van vijanden zou zijn. Reeds in 1626 was dan ook een uitgewerkt plan gereed, dat alles goeds beloofde. Vijf en twintig mannen, van levensmiddelen en medicijnen rijkelijk voorzien, zouden op Spitsbergen eene ruime woning bouwen met eene keuken en vele gemakken en goed tegen de koude beschut. Een kachel zou hen voor het bevriezen bewaren. Bij hen zou zijn een scheepje van 25 last, dat den geheelen winter in eenen inham voor het ijs beveiligd zou worden. Gedurende den langen nacht zou beerenjacht en vossenvangst hun bezigheid en beweging verschaffen; zoodra de zon doorkwam en het ijs losraakte, moesten zij het schip in zee brengen en beproeven of in die tijden, wanneer een groot schip uit Nederland er nog niet aan kon denken Spitsbergen te naderen, de walvischvangst of de walrusjacht reeds eenig voordeel opleverde. Meteorologische waarnemingen--wel verre van voorwendsel te zijn[612]--waren integendeel hoofddoel der onderneming; men kwam er toch reeds nu voor uit, dat deze eerste overwintering slechts eene proefneming zou zijn voor latere ondernemingen op grooter schaal. Men mocht het onmiddellijk voordeel dus verzuimen, zoo men slechts nauwkeurige berichten over de bewoonbaarheid der poolstreken en de gevaren, waaraan de bewoners zich blootstelden, medebracht. Met deze voornemens was men vervuld toen de vloot uitzeilde; het schijnt echter, dat men, toen het op de uitvoering aankwam en men de bezwaren nogmaals overwoog, tot de overtuiging gekomen is, dat meer onderzoek en meer voorbereiding noodig was, eer men zoovele personen aan de gevaren van eenen winter onder de pool blootstelde. Misschien schoot ook de moed der vijf en twintig uitgelezenen te kort, toen zij de zaak meer van nabij overlegden: hoe het zij, de overwintering werd uitgesteld[613]. Maar niet voor goed; meer en meer vestigde zich de aandacht op de voordeelen, die eene gelukkig geslaagde proefneming beloofde. Reeds in 1628 werd er op nieuw van gesproken[614] en toen de gelukkige uitslag der Engelsche overwintering bekend werd, nam men de zaak met kracht weder ter hand. In 1633, toen de vijandige houding van eenige Basken en de moeielijkheden, daardoor met Frankrijk en Denemarken ontstaan[615], de noodzakelijkheid eener voortdurende vestiging op nieuw aangetoond hadden, besloot men eindelijk tot eene dubbele proefneming, op Spitsbergen en op Jan Mayen-eiland[616]. Waarschijnlijk door het uitzicht op belooning aangespoord, boden veertien personen zich dadelijk vrijwillig voor het waagstuk aan. Jacob Segersz. van Brugge werd met zes man (waaronder twee Duitschers) op Smeerenburg achtergelaten, Outgert Jacobsz. van Grootebroek bleef met zes anderen in de Noordbaai op Jan Mayen-eiland.
[611] Wassenaer, Hist. verh. VII fol. 110.
[612] Scoresby, Account. I p. 168.
[613] Wassenaer, Hist. verh. XI fol. 56-58, XII fol. 9
[614] Wassenaer, Hist. verh. XVI fol. 26.
[615] Zie hierna Hfdst. VII, VIII.
[616] Gr. Placaetb. I p. 678, 79.
Ik zal mij niet ophouden met een uitvoerig verhaal van hun wedervaren. Het laat zich denken, dat zij weinige avonturen beleefden, die der vermelding waardig zijn. Toch is het naïeve verhaal van het lijden der zeven mannen in hun kleine hut op Spitsbergen, die niettegenstaande hunne waarschuwing tegen de koude slecht voorzien was, aantrekkelijk en aangrijpend. Onvermoeid gingen zij op de jacht en verzuimden geene gelegenheid om zich daardoor beweging en hunnen meesters winst te verschaffen. Niet ontmoedigd door de gevaren hunner positie schroomden zij niet andere gevaren tegemoet te gaan: verre tochten werden ter rendierenjacht ondernomen; met hunne ontoereikende hulpmiddelen zetten zij den walvisch na, en de gevreesde koning der ijsvlakten, de reusachtige beer, zag zich in gevecht bij gevecht door de zeven matrozen overmand: de aankomst van een der Nederlanders was eindelijk reeds voldoende om de ijsbeeren, uitgehongerd als zij waren, van hunne prooi te verjagen. En in al die gevaren, terwijl hunne watervaten naast het vuur stijf bevroren, terwijl de koude hen dikwijls dwong den nacht op- en neergaande door te brengen, terwijl de sneeuw soms het uitgaan belette en alle gebouwen bedekte, terwijl bijna alle levensmiddelen door de vorst hun smaak verloren, terwijl de harde wind, die hun houten huis reeds eenmaal bijna een prooi der vlammen had doen worden, hen soms belette te stoken, ja terwijl een van hen zich nog bovendien verbeeldde »van de Satan aengevochten te worden,”--onder al die ellende ontsnapte geen klacht aan hunne pen! Slechts éenmaal--het was in het begin van hunne eenzaamheid, toen de harde vorst voor geen vuur wilde wijken,--schreef Segersz. in het journaal, dat zij »by nae gediscouragieert werden, en oversulcks Godt Almachtigh daghelijcks baden, hen niet na verdiensten te straffen.” Maar de moedeloosheid was van korten duur: dadelijk werden weder de gewone bezigheden ter hand genomen en in duisternis en koude gingen zij op de hun aanbevolen jacht. Ja, toen het Kersfeest aanbrak was de opgeruimdheid teruggekeerd: zij »koockten den Ham en een Rheenen hutspot, nuttigden daer benevens een back heete Wijn en gaven yder man 7 duym Toback met een schoone Pijp.” Zoo vierden zij hun feest; het eten van goede, verwarmende spijs was den ongelukkigen waarlijk reeds een zelden voorkomend genot! Nieuwjaarsdag volgde »met bittere koude, jacht-sneeu ende harde Vorst,” maar de moed noch zelfs de opgeruimdheid ontviel hun. »Op dato”, dus schrijft Segersz., »hebben wy ons Gebedt tot Godt gedaen, dat hy ons door sijne Goddelijcke genade in dit Nieu aengevangen Iaer voor allen quade wilde bewaren; nae welck Gebedt ick een kanne heete Wijn met een Salaet liet gereet maecken, aen yder Persoon tot een Nieuw-Iaer (weder!) een schoone Pijp met ses duijm Taback uytreyckende.” En toen was ook hunne grootste ellende voorbij: op het einde van Januari kwam de zon terug; weldra begon het ijs te breken, de bevroren voorwerpen wat te ontdooien. De tochten buiten de hut strekten zich toen allengs verder uit en daarmede was ook het gevaar voor scheurbuik grootendeels geweken. Den 26 Mei 1634 kregen zij eindelijk de eerste sloep van de terugkeerende walvischvaarders in het gezicht, »daer over sy al t’ samen seer verblijd waren, God danckende dat hy hen so langhe bewaert hadde ende voor alle prijckel beschermt”.[617]
[617] Zie het wedervaren der overwinterenden zeer uitvoerig verhaald in: „Vander Brugge, Journael gehouden by Seven Matroosen in haer Overwinteren op Spitsbergen.”