Geschiedenis der Noordsche Compagnie

Part 17

Chapter 173,877 wordsPublic domain

[435] Wassenaer, Hist. verh. V fol. 157.--Martens, Voyage to Spitzb., in: White, Spitzbergen. p. 133.--Sent. v. h. Hof v. Holl. in zake de N. C. c. Braem, dd. 29 Juni 1629.--Eene vangst van 657 quarteelen beloonde de kosten van uitrusting van een schip niet. (Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.) De Engelsche schepen waren gewoonlijk veel kleiner. (Purchas, Pilgrimes. III p. 467-69, 737.--Purchas, Pilgrimage. p. 816.)

[436] De Engelschen waren veel spoediger tevreden: zij oordeelden het een zeer goede vangst, toen in 1616 acht schepen 1300 vaten traan, in 1617 veertien schepen 1900 vaten en in 1622 zes schepen 1300 vaten inbrachten. (Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 467, 69.)

[437] Req. v. P. v. d. Graeff c. s. aan de Stn.-Gen. dd. 12 Febr. 1622, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

[438] Drie Voyagien na Groenlandt. p. 15. (Dat deze opgave uit de laatste dagen der N. C. dagteekent, blijkt uit het feit, dat de schrijver gedurig van zeevisschers spreekt, die niet aan Spitsbergen mochten komen om hunne traan te koken.)

[439] Dit is de gemiddelde opbrengst, maar er was daarop zoo weinig staat te maken, dat men van walvisschen leest, die niet meer dan 10 quarteelen opleverden, terwijl anderen wel 100 quarteelen gaven. Ter vergelijking zie men de opgaven van de opbrengst van een walvisch bij: Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 86.--Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 105, 129, 313, 356, 371.--De walvischvangst. I p. 42.--Martens, Voyage to Spitzb., in: White, Spitzbergen. p. 6, 8, 10, 106, 113, 120.--Dooregeest, Rijper zee-postil. p. 356.--Hist. du pays de Spitsberghe. p. 18.--Drie Voyagien na Groenlandt. p. 15.--Sent. v. h. Hof v. Holland in zake de N. C. c. Braem dd. 29 Juni 1629.--Purchas, Pilgrimes. III p. 470, 732, 34, 36, 37.--Schaderekening der Zeeuwen v. 1617, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Eng. schaderekening v. 1618, in: Lias loop. 1618. R.-A.

Uit al het voorgaande blijkt, dat de geschiedenis der walvischvangst onder de kust in groote trekken aldus is. Terwijl de eerste jaren door onervarenheid en ongeluk, misschien door te groote uitrustingen nadeelig waren, werd het resultaat gunstig, zoodra de Noordsche Compagnie besloot zich uitsluitend naar de door mededingers niet bezochte noordelijke baaien op Spitsbergen en naar Jan Mayen-eiland terug te trekken: de jaren 1619 tot 1624 zijn dus die van den grootsten bloei. Reeds van dit laatste jaar dagteekent de langzame vermindering der vangst, die echter nog in 1636 belangrijk genoeg was om de Friezen tot de vestiging op het Deensche eiland over te halen. Meer en meer afnemende was de vangst omstreeks 1640 toch nog vrij goed en eerst na het openstellen der visscherij voor alle Nederlanders werd de walvisch in weinige jaren voor goed uit de baaien verjaagd. De zeevisscherij, die omstreeks 1630 opkwam, moest reeds twintig jaren later door de ijsvisscherij vervangen worden.

Maar al weten wij nu ongeveer, in welke jaren de grootste scheepsladingen traan en balein in ons vaderland werden binnengevoerd, het antwoord op de vraag naar de winst der Noordsche Compagnie is daarmede nog niet gegeven. Terwijl toch van de eene zijde het haar dikwijls ten laste gelegde wanbeheer en gebrek aan zuinigheid ook bij eene rijke vangst kon doen verliezen, had de compagnie in de door haar zelve bepaalde vaste prijzen der traan een middel om ook bij een zeer geringe toevoer nog redelijke zaken te doen. Laat ons zien wat daarvan is. Wij kunnen niet beter doen dan de Noordsche Compagnie, die wij reeds met hare vangst in de Groenlandsche pakhuizen hebben zien aankomen, nog verder in haren handel te volgen.

Wat het afzetten van de waar betreft, beleefde de compagnie in het begin werkelijk gouden dagen. Voor de traan, die voornamelijk in lampen tot verlichting werd gebruikt, en het spek, dat ook tot spijs schijnt gediend te hebben[440], vond men bijna overal een willige markt; de balein, waarvan men aanvankelijk het nut niet goed schijnt ingezien te hebben, werd sinds de uitvinding van den Engelschman John Osborne, die ze in 1618 door samenpersing begon te bewerken[441], gezocht voor schilderijlijsten, versierselen aan buffetten en schoorsteenmantels, ook voor wandelstokken, meshechten enz. Het binnenland bleef natuurlijk de hoofdmarkt voor deze artikelen[442], maar van Nederlandsche kooplieden der zeventiende eeuw was het niet te verwachten, dat zij zich binnen zulke enge grenzen zouden beperken. Weldra werd Frankrijk,[443] waarschijnlijk ook Duitschland, Spanje en de kusten der Middellandsche zee[444] voor den nieuwen handel ontsloten. De prijzen waren aanvankelijk natuurlijk zeer hoog: éen walvischbaard werd met ƒ 12 (30 stuivers het pond) betaald[445], en de Noordsche Compagnie durfde in 1617 een quarteel traan op ƒ 150, de 100 pond balein nog op ƒ 30 begrooten[446]. Maar weldra daalden de prijzen: de baarden waren in 1618 bijna niets meer waard[447] en ook de traan werd als nieuw en kostbaar artikel door het geringe verbruik gedrukt. Toen de walvischvangst zich in 1623 na eenige jaren van goede vangst hersteld had van de verliezen der eerste jaren, vinden wij het quarteel traan in Frankrijk begroot op ƒ 45, de 100 pond balein op ƒ 10[448]. In Nederland--waar de prijzen niet veel van de Fransche verschild zullen hebben, daar de compagnie bij de bepaling der vaste prijzen natuurlijk met het buitenland moest rekenen,--werden dit jaar de prijzen zeer hoog geoordeeld[449]. De vraag vermeerderde langzamerhand: in 1624 werden 100 pond balein voor ƒ 20 verkocht[450]; in 1632 werd de prijs van het quarteel traan op ƒ 60 bepaald[451] (de hier te lande gekookte slechtere traan gold dat jaar ruim ƒ 51-1/2 het quarteel[452]), terwijl de baarden echter weder niet meer dan ongeveer ƒ 8 de 100 pond deden[453]. Sedert begon de invloed der concurrentie zich meer en meer te doen gevoelen: de walvischvangst van Denen en Franschen begon zich nevens die der Engelschen op de markt te doen gelden, de Hansesteden vertoonden zich later ook in de IJszee, en vooral de meer en meer zich ontwikkelende zeevisscherij der Nederlanders zelve wierp een groot gewicht in de schaal. De Noordsche Compagnie, gewoon aan eene vrije en machtige positie, wist zich niet spoedig naar de veranderde omstandigheden te schikken. Zij bleef hare goederen voor veel geld aanbieden; de inrichting der compagnie maakte het onmogelijk de vaste vooruitbepaalde prijzen spoedig te veranderen, en het resultaat schijnt geweest te zijn, dat hare goederen, na geruimen tijd in de pakhuizen gelegen te hebben, eindelijk op onvoordeelige wijze van de hand gedaan moesten worden[454]. Langzamerhand was de vereeniging toch wel genoodzaakt, met haren tijd mee te gaan; omstreeks 1640 was de prijs van een quarteel traan naar gelang van de vangst tot ƒ 45, 30, ja 25 gedaald[455].

[440] Wassenaer, Hist. verh. VII fol. 109.

[441] Op verzoek van de N. C. had Osborne, geboortig van Worcester maar sinds zijn zeventiende jaar ivoordraaier te Amsterdam, daarover lang gepeinsd en eindelijk „door een sonderlinge wetenschap de dunne stucken soo in malkanderen weten te parssen, dat sy een massa zyn en blyven.” Had het balein eenmaal deze kunstbewerking ondergaan, dan werd het „so gedwee of mol, datmen met een gesneden plaet daerop druckt ’t gene men wil, de alderdunste graveringhen, als stralen van de son of anders, presenteren haer so helder, als men die inde plaet, of het pampieren afdrucksel siet: Men maeckt daer tronien heel uytstaende af, van mans en vrouwen, leeuwen, satyrs, en alle beeltenissen van Historien, of sy vande beste beeldt-snyders gedaen waeren: tot ornamenten der huysen en camers dienende, blyvende altoos soo swart als gitte, so men seyt.” (Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 87.) Deze uitvinding ontlokte den goeden Dr. Wassenaer een kreet van bewondering: „Nu bevinde ick”, schreef hij, „dat die luyden in haer opinie bedroghen zyn, die ghevoelen dat alle konsten op het hooghste zyn, en datter niet en is, of ’t sy al ghevonden. (NB. in 1624!) Voorwaer dese inventie braveert alle subtyle verstanden!”

[442] De Aanwysing v. heils. polit. gronden zegt zelfs (p. 75), dat de N. C. zich tot den binnenlandschen verkoop geheel bepaalde. Dat dit onjuist is, blijkt uit de beide volgende noten.

[443] Uit het beslag, in 1634 volgens verlof der Rouaansche admiraliteit gelegd op de goederen der N. C. te Rouaan, Bordeaux en Bayonne (Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634 en ald. Bijl. II, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.), blijkt dat de compagnie daar agenten had.

[444] De Nederlandsche resident Van Cracauw stelde in 1638 aan Christiaan IV voor, de markt voor traan en baarden tusschen beide natiën te deelen: de Denen zouden Denemarken en de oostelijk van daar gelegene landen alleen hebben, de Nederlanders Duitschland ten westen der Elbe, Nederland, Frankrijk en alle andere zuidelijk en westelijk gelegene landen. (Miss. v. Van Cracauw aan de Stn.-Gen. dd. 27 Nov. 1638, in: L. D. 1638.) De resident, die in correspondentie stond met de N. C., zou dezen voorslag, waartoe hij trouwens geen specialen last had, zeker niet gedaan hebben, zoo de compagnie van den alleenhandel in die landen geen voordeel had kunnen trekken.

[445] Wassenaer, Hist verh. VIII fol. 86.

[446] Schaderekening der Zeeuwen v. 1617. (Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.) De Engelschen begrootten een quarteel traan in 1618 op £ 15. (Eng. schaderekening, in: Lias loop. 1618. R.-A.)

[447] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 88.

[448] Sent. v. h. Hof v. Holl. in zake de N. C. c. Braem dd. 29 Juni 1629.

[449] Wassenaer, Hist. verh. V fol. 157.

[450] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 88.

[451] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.--Dictum v. de H. R. in zake als boven dd. 3 Apr. 1637.

[452] Dictum v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.

[453] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.--Uit deze sententie blijkt, dat voor de baarden niet als voor de traan vooraf een vaste prijs door de N. C. bepaald werd: in 1632 werden ze eenvoudig allen aan de Amsterdamsche kamer ter verkoop gezonden.

[454] Aanwysing v. heils. polit. gronden. p. 75.

[455] Drie Voyagien na Groenlandt. p. 15.--Om de prijzen te berekenen moet men weten, dat de traan geborgen werd in quarteelen, die ~ongeveer~ 12 steekannen (van 16 mengelen) hielden. (Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 339, 370, 371.--Lindeman, Arkt. Fisch. p. 9.--Dictum en Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 3, 4 Apr. 1637.) De spekquarteelen waren grooter, zij hielden 16 à 18 steekannen. (Zorgdrager l. c. p. 335, 370.--Rijper zeepostil. p. 356.--Tegenw. Staat. I p. 608.)

Bij de verliezen, die de Noordsche Compagnie dus door hare inrichting zelve noodzakelijk nu en dan lijden moest, voegden zich echter andere, die zij tot het laatst toe niet poogde te voorkomen. De omslachtige wijze van traankoken, die zij had aangenomen en die haar noodzaakte kostbare inrichtingen in het barre noorden in stand te houden, was misschien[456] wenschelijk toen de overvloedige vangst niet in de schepen geborgen kon worden en toen men dus verplicht was naschepen te zenden om ze af te halen, maar zij gaf zeker geen voordeel meer, toen in latere jaren de vloot zelfs in het gunstigste geval bijna geene volle lading traan meer medebracht. De geheele toestel dagteekende uit de tijden, toen men meende, dat het niet alleen onvoordeelig maar ook bijna onmogelijk was, het in stukken gesneden walvischspek naar het vaderland mede te nemen en eerst daar tot traan te bereiden. De concurrentie had ook hier den goeden weg gewezen; de zeevisschers, die het land niet mochten naderen en dus wel genoodzaakt waren hun spek ongekookt mede te nemen, hadden bewezen, dat er ook op die wijze uitnemende zaken te maken waren. Maar toch volhardde de geoctrooieerde vereeniging bij haar oud gebruik: niettegenstaande deze gewoonte de kosten der jaarlijksche uitrustingen bijna verdubbelde, droeg zij liever de daaraan verbonden schade dan ze op te geven. Had ook zij het spek mede naar huis genomen, dan had zij zelve het grootste voordeel prijsgegeven, dat zij boven hare mededingers meende te hebben, en zij volhardde dus in de hoop, dat de betere qualiteit der door haar gekookte traan de verbruikers zou doen genoegen nemen met de groote duurte, die deze kostbare bereiding van het artikel natuurlijk medebracht. Het was te denken, dat de vereeniging, die dus de bakens niet wist te verzetten toen het getij verliep, niet kon concurreeren met mededingers, die zelfs uit de uitgekookte vinken, uit de bezonken prut en lil een winst wisten te maken, die de compagnie door het gedurig achterlaten van dien afval in het noorden steeds moedwillig verzuimde[457].

[456] Ik zeg „misschien”, omdat men door het spek tot traan te koken slechts 20% aan ruimte won. (Martens, Voyage to Spitzb., in: White, Spitzbergen. p. 131.) Op elk volgeladen schip--een schip, dat 1000 quarteelen hield, behoorde onder de groote--zou men dus, wanneer men het spek niet tot traan kookte, slechts 200 quarteelen spek behoeven achter te laten. Wanneer wij de jaarlijksche vloot der N. C. op 15 schepen schatten, geeft dit dus een jaarlijksch overschot van 3000 quarteelen spek. Nemen wij dus al aan, dat de schepen alle jaren geheel volgeladen werden en dus het overschot der vorige jaren nooit konden medevoeren, (wat wij weten dat bepaald niet het geval was,) dan kon men door jaarlijks drie naschepen te zenden, den geheelen omslachtigen toestel van traankokerijen en woonhuizen in het noorden, van dubbele bemanning en dubbele victualie bespaard hebben.

[457] Tegenw. Staat I p. 599.--Dat de achtergelaten afval niet onbeduidend was, blijkt wel uit het feit, dat de acht Engelsche matrozen, die in 1630 op Spitsbergen overwinterden, zich gedurende den geheelen winter grootendeels daarmede voedden. (Pellham, Gods power, in: White, Spitzbergen. p. 267.)

De gevolgen lieten zich niet wachten: de eene reeder vóor de andere na, wiens kapitaal niet groot genoeg was om de zware verliezen te dragen, die hem nu en dan troffen, verkocht zijne aandeelen en beloofde zich zelven, voortaan geen duit meer in de gevaarlijke nering te zullen steken. Zoo werden de Zeeuwsche compagniën, die het trouwens al bizonder slecht getroffen en geen van de drie eerste jaren, dat zij zich met de walvischvangst bezighielden, ongestoord gevischt hadden, reeds met het einde van 1618 ontbonden[458]. De kamers van het Noorderkwartier volgden dit voorbeeld op het laatst van 1621[459]; die van Delft, wier aandeel in de Noordsche Compagnie zoo belangrijk was, nog vóor 1624[460]; de kleine Noordsche Compagnie, door de energieke Kyen en Leversteyn opgericht, zag den laatste reeds weinige jaren later zich uit dit bedrijf terugtrekken, en kort na de vereeniging met hare oudere zuster loste zij zich geheel op[461]. Wel waren in die tijden vol moed en energie steeds nieuwe handelaars gereed om hun kapitaal aan de wisselvallige kansen te wagen, maar dat de gedurige ontbindingen der kamers niet door gril of toeval veroorzaakt werden, blijkt toch voldoende. Al gelooven wij de jammerzieke bewindhebbers der Noordsche Compagnie niet, die zelfs in 1624 en 1633, in tijden van bijna ongestoorde rust, over de ontzettende ellende der laatste jaren klaagden[462]; al schenken wij geen gehoor aan de ontboezemingen der Zeeuwen, die zeker sterk overdreven, toen zij het in 1624 deden voorkomen alsof zij ook na de oprichting van nieuwe compagniën (1618) geen voordeelig jaar gehad hadden[463], wij kunnen ons niet voorstellen, dat de bewindhebbers onwaarheid spraken toen zij feiten noemden. En die feiten zijn welsprekend! Wij vernemen, dat het kapitaal der Noordsche Compagnie na de reis van 1615 geheel verbruikt was[464],--een feit, dat de geringe uitrusting van 1616 verklaart; de kleine Noordsche Compagnie verzekerde, dat zij in 1621 na zesjarig bestaan nog maar twee goede jaren had gehad[465]; wij hooren, dat die van het Noorderkwartier in 1624 niet minder dan 1-1/2 kapitaal ten achteren waren[466] en dat in de eerste jaren der walvischvangst de ongelukkige Zeeuwen meer dan eens hun kapitaal op éene reis geheel verloren[467].

[458] Corte Deductie der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Herhaaldelijk wordt ook van de „~oude~ Noortsche Compaignien” te Vlissingen en elders gesproken. (Req. v. de N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 22 Aug. 1624, in: Noordsche togten. 2. Admiraliteit. R.-A.--R. S.-G. 22 Aug., 23 Sept. 1624, 9 Apr. 1625.)

[459] Corte Deductie der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

[460] Corte Deductie der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

[461] Zie meer hiervóor p. 79, 80 en hierna Hfdst. IX.

[462] „Cort advertissement” v. Kyen en Leversteyn (dd. 29 Febr. 1616), in: Noordsche togten. 1. R.-A.--Corte Deductie der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Gr. Placaetb. I p. 678.

[463] N. Z. 22 Febr. 1622.--Req. der N. C. Zeeland aan de Stn.-Gen. dd. 22 Aug. 1624, in: Noordsche togten. 2. Admiraliteit. R.-A.

[464] R. S.-G. 23 Apr. 1615.

[465] Req. der kl. N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 2. Admiraliteit. R.-A.

[466] Corte Deductie der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

[467] Corte Deductie der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

Zóo weinig geloof verdient de rooskleurige beschrijving, ons door Zorgdrager van de eerste jaren der walvischvangst opgedischt! Maar dat aan den anderen kant op het boven geschetste tafereel,--uit den aard der zaak grootendeels aan de berichten der bewindhebbers zelve ontleend,--de sombere tinten het meest in het oog vallen, is niet minder waar. De voortdurende aandrang, eerst van de kleine Noordsche Compagnie en van de Zeeuwen, later van Hollandsche steden en Friesche reeders, om deel aan de steeds gesloten walvischvangst te krijgen bewijst voldoende, dat er winst bij te behalen viel. Mogen ook buitenlandsche mededingers, die zich voortdurend naast de Noordsche Compagnie in de IJszee nestelden, met weinig kennis van zaken een bedrijf ter hand genomen hebben, dat weldra bleek lang geene zekere geldbelegging te zijn: aan de binnenlandsche concurrenten kon het toch zeker niet onbekend blijven, dat de Noordsche Compagnie nu en dan zéer ongelukkig was en hare slechte jaren telde. Om dus den voortdurenden aandrang te verklaren, die door de compagnie slechts met moeite afgeweerd werd, moet men wel aannemen, dat tegenover de groote verliezen jaren stonden, die door overrijke vangst vele slechte tijden vergoedden,--jaren als die, waarvan Zorgdrager ons bericht, dat Willem Ys met éen naschip tot tweemalen toe 1000 quarteelen traan van Jan Mayen-eiland in het vaderland invoerde[468].

[468] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 215.--De kleine N. C. antwoordde dan ook op de bedreiging der N. C., dat zij de nering zou opgeven als de kleine N. C. niet geweerd werd, dat velen dan den handel, die zoo verwaarloosd werd, zouden willen bij de hand nemen. („Cort advertissement” van Kyen c. s. dd. 29 Febr. 1616, in: Noordsche togten. 1. R.-A.)

En zoo komen wij van zelf tot de gevolgtrekking, waartoe reeds de schrijver van den Tegenwoordigen Staat voor de latere jaren der visscherij gekomen is[469],--de gevolgtrekking, dat de walvischvangst eene »loterij” was. Wij kunnen ons volkomen vereenigen met het resultaat, dat de walvischvangst over het geheel den reeders voordeelig was[470],--hoe toch laat zich anders de voortduring van dit bedrijf verklaren?--maar wij moeten er bijvoegen, dat er een ruime beurs noodig was om dat voordeel te verkrijgen, dat men den moed en de macht moest hebben om de jaren af te wachten, die ruimschoots schadeloos stelden voor tijden van tegenspoed en verlies[471].

[469] Tegenw. Staat. I p. 600.

[470] Tegenw. Staat. I p. 606.

[471] Zie voor de statistiek der walvischvangst over de jaren na den val der N. C.: Aanwysing p. 29, 75, 84.--Versl. over de zeevisscherijen. Bijl. XVI.--Tegenw. Staat. I p. 597-611.--Achenwall, Staatsverf. p. 414, 15.--Le Long, Kooph. v. Amst. II p. 161-190.--Lindeman, Arkt. Fisch. p. 20.--Scoresby, Account. II p. 141, 43, 49-61.--Dooregeest, Rijper zee-postil. p. 357.--De walvischvangst. II p. 89-116.--Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 197, 241, 251, 302 vlg.--Martens, Voyage to Spitzb., in: White, Spitzbergen. p. 113, 120.

HOOFDSTUK IV.

DE VESTIGINGEN DER NOORDSCHE COMPAGNIE.

Reeds een paar malen heb ik in de voorgaande bladzijden gesproken van de inrichtingen, door de Noordsche Compagnie op de kusten der IJszee gebouwd. Het zal mijnen lezers niet ontgaan zijn, dat die inrichtingen van blijvenden aard waren en dat men hier dus bepaaldelijk aan eene Nederlandsche vestiging, eene soort van kolonie te denken heeft. De gelegenheid ontbrak mij tot nog toe, daarover anders dan in het voorbijgaan te spreken en ik wil de geschiedenis dier vestigingen dan ook hier in het bizonder behandelen,--te liever daar er over de uitgebreidheid en het belang daarvan »een ongelooflijk groot misverstand” heerscht. Terwijl de een spreekt van het gewoel, ja het gedrang, dat er alle zomers op Smeerenburg was, weet een tweede te verhalen, dat daar, bijna onder de Noordpool, de »weelderige” koopman der zeventiende eeuw bijna alle gemakken vond, die hem zijn welgebouwd huis binnen Amstels wallen bood; een derde verheft den roem der kolonie tot in de wolken en verzekert, dat Smeerenburg, door vruchtbaargemaakte velden omringd, als handelsstad van even groot belang werd geacht als het jeugdige Batavia; een vierde eindelijk drijft de zaak tot het uiterste door te verhalen van prachtige winkels en »voortreffelijk ingerigte logementen”(!), die men onder de woningen der kooplieden op Smeerenburg vond[472]! Het is geoorloofd te vragen, wat de bij uitstek practische Nederlanders der zeventiende eeuw bedoelden met het bouwen van dergelijke inrichtingen op de barre en jaarlijks slechts gedurende een paar maanden bezochte kusten, tenzij archaeologische nasporingen de geleerden misschien eenmaal tot de ontdekking brengen, dat men hier met een asyl voor schipbreukelingen te doen heeft of met de prototypen dier hospitalen voor teringlijders, wier aanbouw op Spitsbergens stranden nog onlangs door aardrijkskundigen van naam voorspeld werd!

[472] Zie een sterksprekend voorbeeld bij: Berghaus, Wat men van de aarde weet. II p. 337.--Vgl. ook: De Reste, Hist. des Pêches. I p. 42.

Het is zeker onaangenaam, dergelijke fantastische en uitlokkende voorstellingen te verstoren, maar aangezien ik volkomen overtuigd ben, dat al deze verhalen niets meer zijn dan sprookjes, die de een den ander navertelt zonder dat het sommigen vertellers zelfs mogelijk zal zijn hun laatsten berichtgever te noemen, schroom ik niet deze onaangename taak op mij te nemen. Steunende op de berichten der Noordsche Compagnie, en vooral op de journalen der matrozen, die op de plaatsen zelve de barren winter hebben doorgebracht,--niet in weelderige hotels, maar in hutten van planken, waarin zij zich in hunne houten kribben ter nauwernood voor den wind konden beschermen,--stel ik mij voor eene beschrijving der Nederlandsche vestigingen in de IJszee te geven. Het ware verhaal zal misschien sterker getuigen voor de energie en de ondernemingszucht der Amsterdamsche kooplieden, dan de thans in omloop zijnde sprookjes voor hun practischen zin en hun gezond verstand!