Geschiedenis der Noordsche Compagnie
Part 16
Uit al het over de walvischvangst gezegde zou men lichtelijk kunnen opmaken, dat dit de eenige bezigheid der Noordsche Compagnie was. Ook was het steeds het hoofddoel harer reizen, maar toch verzuimde zij nooit haar voordeel, wanneer de aan buit zoo rijke woestenijen van het noorden haar gelegenheid gaven dat te maken. De handel in walvischvellen en vinnen, dien de Noordsche Compagnie aanvankelijk dreef[399], schijnt spoedig opgegeven te zijn. Met de vangst van witvisschen schijnen de Nederlanders zich nooit bezig gehouden te hebben[400]; ook de vinvisch was een te moeielijk bereikbare en tevens te onvoordeelige prooi dan dat men zich beijverd zou hebben dien te vangen[401]. Maar in de eerste plaats komt na de walvischvangst de jacht op walrussen in aanmerking. Deze dieren, de buit dien de Engelschen en Nederlanders beiden aanvankelijk alleen zochten, gaven in hun spek, dat zij wel in veel mindere mate dan de walvisschen maar toch in vrij groote hoeveelheid opleverden[402], en vooral in hunne beide tanden, toenmaals hooger dan ivoor geschat, handelsartikelen, die ruime winst bezorgden. Aanvankelijk bij groote troepen tegelijk door middel van lansen op de stranden van Spitsbergens westelijke baaien gedood[403], vond men ze later zeldzamer. Slechts weinige walrussen werden nu en dan in zee ontmoet en meest met harpoenen gedood. In den natijd was echter aan Spitsbergens oostkust bij Disco,--vooral sinds de ontdekking der Rijk Ysz.-eilanden na den val der Noordsche Compagnie (1645),--de walrusjacht nog steeds een rijke bron van inkomsten[404]. Ook de robben, vroeger niet bizonder opgemerkt, werden later vooral op de randen der vaste ijsvelden in groote menigte met stokken doodgeslagen. Hun spek[405] en vooral hunne kostbare vellen verschaften aan de Noordsche Compagnie ruime winst[406]. De beeren, aanvankelijk gevreesde vijanden der walvischvaarders, werden allengs hunne prooi: het vel evenzeer als het vet waren begeerde artikelen. Talloos zijn dan ook de verhalen van gevechten met beeren, die ons zijn overgeleverd, en de beerenjacht werd eene geregelde bezigheid[407]. En dat zij geen onbelangrijk voordeel aanbracht, bewijst het feit, dat in 1628 alleen op Jan Mayen-eiland niet minder dan 70 beeren door die van de Noordsche Compagnie geschoten werden[408]. De jacht op vossen, rendieren, meeuwen en rotganzen, waarvan meermalen gesproken wordt[409], schijnt meer gedreven te zijn om versch vleesch te bekomen dan om eenig handelsvoordeel te verkrijgen; de vellen bleven echter natuurlijk welkome aanwinsten voor de lading. Een laatste bron van inkomsten was voor de walvischvaarders de handel met de Groenlanders. Deze nering, die later, toen de visscherij in straat Davis zich ontwikkelde, op vrij groote schaal gedreven werd[410], leverde aan de Noordsche Compagnie natuurlijk slechts dan een klein voordeel, wanneer hare reizigers met de bewoners van nieuw ontdekte plaatsen in aanraking kwamen of wanneer een walvischvaarder door storm of toeval op Groenlands onherbergzame kusten verzeilde[411].
[399] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 89.
[400] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 195.
[401] Wassenaer, Hist. verh. VII fol. 108.
[402] Een walrus leverde gewoonlijk 1/2 quarteel spek. (De walvischvangst. I p. 44.--Tegenw. Staat. I p. 610.)
[403] Hist. de Spitsberghe. p. 19, 20, 22.--Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 195, 96.
[404] De walvischvangst. I p. 44 vlg.--Tegenw. Staat. I p. 610.
[405] Voor éen quarteel spek moest men 15 à 16 robben (Tegenw. Staat. I p. 610), volgens anderen 24-1/2 rob vangen. (De walvischvangst. I p. 47.)
[406] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 196.--De walvischvangst. I p. 46.--Tegenw. Staat. I p. 610.
[407] De walvischvangst. I p. 47 vlg.--Zie o. a. de vele verhalen van gevechten met beeren bij: Van der Brugge, Journael der Seven Matroosen.
[408] Wassenaer, Hist. verh. XVI fol. 26.
[409] Zie o. a. Wassenaer, Hist. verh. VII fol. 108, 9, XII fol. 89.--Van der Brugge, Journael der Seven Matroosen. p. 8.--Eene vlakte bij den Biscayer-hoeck werd voornamelijk door de Nederlanders voor de rendierenjacht gebruikt en heette daarnaar „Rheene-velt.” (Reeënveld.)
[410] Tegenw. Staat. I p. 610.
[411] Zie o. a. Wassenaer, Hist. verh. IX fol. 43.
Het laat zich denken, dat door deze uitgebreide werkzaamheid, maar vooral door de walvischvangst jaarlijks eene vrij aanzienlijke lading bij de Nederlandsche vestigingen op Spitsbergen en Jan Mayen-eiland voorhanden was. Naderde het einde van den tijd dan werd alles bijeengebracht en de Commandeur-generaal moest de geheele vangst op het strand onder de kamers naar evenredigheid harer uitrustingen verdeelen. Gewoonlijk werd echter de rooiing op last van den Commandeur-generaal verricht door den »Generael-royer” ten overstaan der kamers zelve. Zulk een »royer”--op de vloot een man van gewicht, die naast den Commandeur-generaal genoemd werd[412]--ging jaarlijks mede naar Spitsbergen en Jan Mayen-eiland om de »royinge of roeyinge” te doen en daarvan in het »generael royboeck” aanteekening te houden[413]. Hij wees aan iedere kamer haar deel toe, om het in hare eigene schepen te laden en huiswaarts te voeren[414]. Had eene kamer meer gevangen en gekookt dan haar bij de verdeeling werd toegelegd, dan werden de »coockgelden” op de algemeene vergadering vergoed[415].
[412] Vander Brugge, Journael der Seven Matroosen. p. 46.
[413] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.--In 1632 bekleedde Jan Matthysz. Steen op Spitsbergen, Cors Jansz. van Lier op Jan Mayen-eiland de betrekking van generaal-rooier. (Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.) Steen, ook wel eenvoudig Jan Tysz. genoemd, schijnt eene zekere reputatie bezeten te hebben: meermalen wordt hij door de walvischvaarders zonder nadere aanduiding genoemd. Cors Jansz. was vele jaren scheepskapitein in dienst der N. C. en o. a. in 1631 met Wybe Jansz. in die betrekking op Jan Mayen-eiland geweest. (Zie hun getuigenis voor de regeering v. Amst. dd. 7 Mrt. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.)
[414] Brief der Zeeuwsche gedeput. aan de Stn. v. Zeel. dd. 19 Oct. 1616, in: Arch. Zeel.--Contr. v. 3 Nov. 1630, aangehaald in de: Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.
[415] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.--Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
De kamers zelven zorgden natuurlijk voor het vervoer van ieders aandeel in de traan en balein naar het vaderland. Maar niet zelden kwam het voor, dat de vangst zoo rijk was geweest, dat eenige kamers geene ruimte genoeg in hare schepen hadden om haar aandeel te bergen. Meestal riep men dan de hulp in van eene andere kamer, die grootere schepen had, en verrekende de voorschotten voor vracht en verpakking later op de algemeene vergadering[416]. Waren echter alle schepen volgeladen, dan nam men zijn toevlucht tot de schuren, door de compagnie op het land gebouwd, en borg daar de goederen tot het volgende jaar. Een enkele maal werden ze ook wel begraven[417]. In het voorjaar liet men ze dan door afzonderlijke vrachtschepen afhalen, die men »naschepen” noemde. Deze schepen kwamen in den bloeitijd der walvischvangst niet somtijds, maar geregeld naar Spitsbergen en Jan Mayen-eiland om de visschers van de te groote lading te ontlasten. Korten tijd na de walvischvaarders uit het vaderland vertrokken, waren zij, die zich natuurlijk met geene visscherij ophielden, gewoonlijk het eerst aan de markt. Het is zelfs voorgekomen, dat éen naschip in éen jaar twee reizen naar Jan Mayen-eiland deed en met volle ladingen huiswaarts keerde. Toen de walvischvangst in bloei afnam, werd natuurlijk het zenden dezer naschepen overbodig en dus afgeschaft[418].
[416] Wassenaer, Hist. verh. XII fol. 8.--In 1632 bracht de kamer der N. C. te Hoorn aan die te Enkhuizen in rekening voor de vracht van Spitsbergen naar Hoorn per quarteel spek ƒ5, en voor elk quarteel (vat), dat daarvoor noodig was, ƒ 3. (Dictum v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 3 Apr. 1637.)
[417] Dat dit soms niet weinig was, blijkt uit het feit, dat de N. C. in 1623 met 5 schepen 6000 quarteelen traan maakte, waarvan zij er 1000 moest begraven. (Wassenaer, Hist. verh. V fol. 157) Ook verneemt men, dat twee Baskische schepen in het najaar van 1632 van Jan Mayen-eiland roofden 600 quarteelen traan en 200.000 pond baarden (Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 8 Apr. 1633, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.) en dat Willem Ys eens in éen jaar 2000 quarteelen traan met een naschip van hetzelfde eiland haalde. (Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 215.)
[418] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 135, 215.--Lindeman, Arkt. Fisch. p. 9.--Tegenw. Staat. I p. 591.
Zoodra de tijd voor het eindigen der visscherij gekomen was,--voor Spitsbergen op 10 of 12 September, voor Jan Mayen-eiland op 28 Augustus bepaald[419],--moesten alle schepen geladen zijn. De Commandeur-generaal gaf het teeken tot het vertrek[420] en de vloot zeilde weg. Bijna altijd kwam zij behouden in het vaderland aan. De vangst werd dan voornamelijk te Amsterdam ontladen, waar de kamer op de Keizersgracht bij de Brouwersgracht de drie Groenlandsche pakhuizen had laten bouwen[421].
[419] Bij de Instructie der Commandeurs van 1632. (Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.) Men vertrok echter dikwijls vroeger, hoewel het verboden was. (In 1632, cf. Sent. v. de H. R. dd. 4 Apr. 1637.--In 1633 van Sp. 30 Aug., van J. M.-eil. 26 Aug. cf. Vander Brugge, Journael. p. 5, en: Twee Journalen. p. 3.--In 1634 van Sp. 1 Sept. cf. Twee Journalen. p. 22.--In het algemeen van Sp. omstreeks half Augustus. cf. Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 29.)
[420] Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Niemand mocht afzonderlijk vroeger vertrekken, daar men vreesde voor vijanden. Zoo werd in 1624 een walvischvaarder, die alleen vooruitgezeild was, voor de Nederlandsche zeegaten door een Duinkerker genomen. (Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 86.)
[421] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 229.--Tegenw. Staat. I. p. 590.--Lindeman, Arkt. Fisch. p. 8.--Le Long, Kooph. v Amst. II p. 160.--Bij de uitlegging van Amsterdam in 1616 werd volgens het register der uitgiften van gronden (Amst. Arch.) een erf op de Keizersgracht tusschen de Prinsenstraat en de Brouwersgracht voor ƒ 600 verkocht aan een steenkooper Wouter Jacobsz., die het 1 October 1620 overdeed aan „Ysbrandt Dobbe cum socijs.” (Ysbr. Dobbesz. was in 1614, 1617 en ook in 1621 bewindhebber der N. C. cf. Octr. der N. C. in: Gr. Placaetb. I p. 669.--Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4. Loop N. C. R.-A.--Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 1 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 3. Ontd. van Jan Mayen-eiland. R.-A.) De Groenlandsche pakhuizen zijn dus waarschijnlijk gebouwd in 1621 ten tijde van den grootsten bloei der N. C.
* * * * *
Wij hebben nu gezien, hoe de Noordsche Compagnie haar bedrijf inrichtte; de vraag rijst echter natuurlijk of dat bedrijf wel de vele kosten loonde, die daarvoor gemaakt moesten worden. Ter beantwoording dier vraag moeten wij twee zaken nagaan: hoeveel de jaarlijksche vangst der walvischvaarders bedroeg en hoeveel geld de compagnie door verkoop van die vangst in kas kreeg. Ik zal trachten op die vragen een antwoord te geven.
Wij bezitten voor de begrooting van de jaarlijksche vangst der Noordsche Compagnie twee algemeene opgaven als leiddraad voor onze onderzoekingen. Eene alleszins betrouwbare autoriteit verzekert ons weinige jaren na den val der compagnie, dat hare vangst steeds gering was[422], en de Noordsche Compagnie zelve verklaart nog in 1636, dat de walvischvangst slechts een »cleyn werck” was[423]. Van alle zijden wordt ons tegelijkertijd medegedeeld, dat in de eerste tijden der walvischvangst de visch zoo overvloedig voorkwam, dat men de prooi, later met moeite opgespoord, slechts te dooden had[424]. De twee opgaven, hoe tegenstrijdig ze schijnen, zijn zeer goed overeen te brengen. Werkelijk kwam de walvisch in de eerste tijden der Noordsche Compagnie in grooten overvloed aan de kusten van Spitsbergen en Jan Mayen-eiland voor, en toch is het zeker, dat de compagnie in den regel, al ontbrak het noodige kapitaal haar niet, eene vangst naar huis bracht, uiterst onbeduidend in vergelijking met den grooten voorraad, dien de vrije visscherij later jaarlijks in Nederland invoerde. Het was toch, zooals wij zagen, haar systeem evenzeer als van de Oost- en West-Indische Compagniën, dat het beter was weinige goederen tegen hooge prijzen af te leveren dan veel te verkoopen, wanneer de waarde der goederen door die veelheid zelve aanmerkelijk verminderd was. Dit systeem, hoe hoogst verderfelijk ook voor den handel en voor het algemeen belang, had werkelijk veel wat het in het oog van bekrompene bezitters van monopoliën en van kortzichtige economisten aanbeval, en de Noordsche Compagnie volhardde daarbij tot haar einde toe[425]. Of zij er wel bij voer? Ik vrees, dat dit hier evenmin als elders het geval was.
[422] Aanwysing van heils. polit. gronden. p. 75.
[423] Repart. der bewindh. v. de N. C. Amst. dd. 19 Mrt. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.
[424] Zie o. a. Scoresby, Account. II p. 141.
[425] Dit blijkt o. a. uit de mededeeling der N. C. in 1636, dat haar vangst met 1/3 vermeerderen zou, wanneer o. a. de invoer van traan en balein van buitenslands verboden werd. (Versl. der confer. v. 14 Febr. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.) Het op prijs houden der waren was dus haar motief om weinig te vangen. (Vgl. ook: Repart. der N. C. Amst. dd. 19 Mrt. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.) Zie echter hierna p. 124.
Het ligt zeer voor de hand te meenen, dat eene vereeniging, die er zich op toelegde steeds bij grooten overvloed van visch slechts weinige schepen op de walvischvangst uit te zenden, ieder jaar die schepen ten boorde toe geladen naar huis moest zien keeren. De traditioneele voorstelling van de geschiedenis der Noordsche Compagnie leert ons dan ook, dat de eerste jaren tijden van later ongekenden voorspoed en overvloed waren, dat de rijke vangst steeds klom tot 1633 toe en dat eerst van toen af door de merkbare vermindering der visschen aan de kust, de Noordsche Compagnie kennis maakte met de slechte zijde van een avontuurlijken handel. Het nadeel door haar geleden, aanvankelijk gering, zou weldra zoozeer toegenomen zijn, dat de compagnie eerlang evenveel verloor als zij vroeger gewonnen had en zelve in 1642 de nering opgaf[426]. Men vergeet bij deze voorstelling echter te veel, dat een bedrijf als de walvischvangst uit zijnen aard zeer onderhevig is aan geluk en ongeluk, dat »groote perijculen,” ijsgang, storm, zware mist veel invloed op het resultaat van »’t onzeecker visschen” kunnen oefenen; men brengt bovendien te weinig in rekening de geringe ervaring en bekwaamheid der Nederlanders in 1614, gebreken door de overkomst van enkele Basken slechts weinig verholpen. Wij hebben dan ook reeds gezien, dat de bovenvermelde voorstelling, berustende op het verhaal van Zorgdrager,--een boek ter loops gezegd even voortreffelijk waar het door den schrijver zelven geziene zaken mededeelt, als slecht te vertrouwen waar het de ~geschiedenis~ der walvischvangst geldt,--althans wat het laatste gedeelte aangaat stellig onjuist is: de kustvisscherij gaf nog eenige jaren na den val der Noordsche Compagnie voordeel aan hen, die zich daarmede bezighielden, en het octrooi der vereeniging werd dan ook in 1642 zeer tegen den zin der aandeelhouders ingetrokken. Ook wat de rijke vangst betreft en het tijdstip van den grootsten bloei der walvischvangst zal het blijken, dat Zorgdrager geheel misgetast heeft. Reeds dadelijk volge hier eene opgave van het resultaat der walvischvangst over de eerste twintig jaren[427].
~Spitsbergen.~ ~Jan Mayen-eiland.~ 1612 slecht -- 1613 slecht (door roof der -- Engelschen) 1614 slecht -- 1615 zeer slecht -- 1616 slecht ? 1617 slecht (door roof der ? Engelschen) 1618-22 ? ? 1623 zeer goed ? 1624 goed zeer goed 1625 ? slecht 1626 slecht zeer goed 1627 ? ? 1628 slecht (alleen Vlissingen slecht (alleen Vlissingen gelukkig) gelukkig) 1629 ? ? 1630 ? ? 1631 ? zeer goed 1632 goed niets (het ijs blijft het eiland omringen)[428]
[426] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 192, 229.--De walvischvangst. II p. 87.--Scoresby, Account. II p. 52, 178.--Lindeman, Arkt. Fisch. p. 20.--Tegenw. Staat. I p. 590-92.
[427] Over de laatste tien jaren der N. C. vind ik geene opgaven medegedeeld.
[428] Deze opgaven zijn ontleend aan: Wassenaer, Hist. verh. V fol. 157, VII fol. 108, VIII fol. 86, 88, X fol. 106, XII fol. 8, XVI fol. 26.--Hist. du pays de Spitsberghe. p. 22, 25, 26.--Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 466, 67.--R. S.-G. 23 Apr. 1615.--Getuigenissen in zake de Eng. quaestie v. 1617, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.--Getuigenis v. Wybe Jansz. voor de regeering v. Amst. in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Req. der N. C. c. Vrolicq en v. Vrolicq c. de N. C. dd. 11 Mrt., 8 Apr. 1633, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.
Het blijkt dus reeds terstond: 1^{o}. dat de allereerste jaren der walvischvangst, wel verre van een resultaat te leveren, dat met den zoo geroemden overvloed der visschen overeenkwam, integendeel bizonder slecht uitvielen[429], 2^{o}. dat de Noordsche Compagnie ook in latere jaren, toen ervaring en bekwaamheid toenamen, volstrekt niet rekenen kon op een vaste ruime vangst, maar steeds afhing van verschillende omstandigheden, die op het resultaat der reis invloed oefenden, en 3^{o}. dat de jaren, waarin wij weten, dat de Noordsche Compagnie een meer dan gewoon aantal schepen uitzond (1614, 1615 en 1628) volstrekt niet als gunstig in de boeken der vereeniging aangeteekend stonden,--eene opmerking, die bewijst, dat het kleine getal schepen door de compagnie uitgezonden niet ~uitsluitend~ aan het bovenvermelde beginsel van »kleine vangst hooge prijzen” toegeschreven, maar evenzeer aan de betrekkelijk geringe ruimte van het terrein geweten moet worden.
[429] Dit wordt nog bevestigd door de N. C. zelve. (Req. der N. C. c. Clarke dd. 15 Mrt. 1619 (lees 1618) in: Noordsche togten. 2. Admiraliteit. R.-A.)
Bij al hetgeen deze onvolledige opgaven over het resultaat der vangst ons dus leeren, laten zij ons echter over eene zaak geheel in het duister. Wat verstond men onder een goede en slechte vangst, m. a. w. hoeveel kon de Noordsche Compagnie redelijkerwijze verwachten jaarlijks te zullen vangen? Het antwoord op deze vraag is niet gemakkelijk, daar ons nagenoeg alle gegevens voor eene statistiek van de jaarlijks ingevoerde hoeveelheid traan en baarden ontbreken. Wij moeten ons dus vergenoegen met den zeker eenigszins onzuiveren maatstaf, dien ons de algemeene begrootingen der Noordsche Compagnie aanbieden.
Bij de overeenkomsten, die de verschillende kamers der compagnie van tijd tot tijd met elkander sloten en waarbij zij ieders aandeel in de vangst regelden, werd namelijk het deel dat aan eene kamer toekwam uitgedrukt in quarteelen (vaten) traan; al deze deelen bij elkaar gevoegd vormden dus het getal quarteelen, dat men hoopte te vangen. Over de eerste jaren ontbreken die opgaven, eerst met het jaar 1622 vinden wij een cijfer genoemd: de Noordsche Compagnie begrootte toen haar jaarlijksche vangst op 21.000 quarteelen[430]. Sedert is een gedurige vermindering der opbrengst merkbaar. Bij het contract van 1630 werd de vangst op 17.500 quarteelen begroot[431], in 1636 op slechts 16.000[432]. Ik geef dadelijk toe, dat men op deze cijfers niet vast vertrouwen kan: naarmate het aandeel van sommige kamers op 1/3, 1/4, 1/5 of op kleinere breuken geschat werd, koos men een getal, dat ook in die breuken een ronde som kon geven; maar ongetwijfeld is de begrooting toch ~ongeveer~ de uitdrukking van hetgeen de Noordsche Compagnie krachtens vroegere ondervinding van hare vangst verwachtte[433].
[430] R. S.-G. 3 Febr. 1622.
[431] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.
[432] Versl. der confer. v. 14 Febr. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.
[433] Geheel geene gevolgtrekkingen kan men afleiden uit de vermeerdering der gewone begrooting met 1800 quarteelen in 1622, en met 3000 in 1636. (R. S.-G. 4, 11, 12 Febr. 1622.--Aitzema, Saken van Staet. II p. 360.--Tegenw. Staat. I p. 590.) Beide malen geschiedde deze vermeerdering ten gerieve van nieuwe leden (de kleine N. C. en de Friezen) wien men geen aandeel uit de gewone begrooting kon of wilde toeleggen om de rechten der overige kamers op de eens vastgestelde raming niet te krenken. Natuurlijk blijkt daaruit geheel niet, dat de vangst vermeerderd was. De begrooting der geheele vangst op 24.000 quarteelen in Juli 1636 (Aitzema, l. c. II p. 360), terwijl ze nog in Februari van hetzelfde jaar op slechts 16.000 begroot was (zie hiervóor p. 124 Noot 3{[432]}), geschiedde waarschijnlijk omdat men nog aan het onderhandelen was met acht Hollandsche steden, die men slechts in de N. C. wilde toelaten, indien de regeering door wering van alle concurrentie het der compagnie mogelijk maakte hare vangst op 24.000 quarteelen te brengen. (Versl. der confer. in 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.)
Slechts enkele opgaven geven een volkomen zuiveren maatstaf voor de begrooting van de geheele vangst der compagnie. Wij hebben gezien, dat het getal schepen, die de Noordsche Compagnie jaarlijks naar het noorden zond, hoogst zelden tot twintig klom[434]. Wanneer wij nu vernemen, dat een ~groot~ schip ongeveer 1000 quarteelen traan kon bevatten[435], en wanneer wij er aan denken, dat het niet zelden voorkwam, dat men een gedeelte der vangst op het land moest achterlaten of met naschepen laten vervoeren, kunnen wij gemakkelijk berekenen, dat de compagnie met eene vangst van 20.000 quarteelen tevreden kon zijn[436]. Eenige bewindhebbers verklaarden eenmaal zelfs, dat de groote en kleine Noordsche Compagniën tot 1622 toe--dus tot op het tijdstip waarop wij zagen, dat de vangst hun het meest inbracht,--~te zamen~ in geen jaar ooit meer hadden gevangen dan 19.000 quarteelen traan[437], eene opgave, die tot eene nog ongunstiger conclusie leidt dan de zoo even gemaakte berekening. Wij vernemen eindelijk, dat omstreeks 1640 een schip ~bij gunstige vangst~ tien walvisschen of zelfs enkele meer kon vermeesteren[438], en wanneer wij bedenken, dat éen walvisch gewoonlijk 60 à 70 quarteelen traan en 1000 à 1800 pond baarden leverde [439], komen wij tot de van elders bevestigde conclusie, dat de gouden tijden der naschepen toen reeds lang voorbij waren.
[434] Zie de statistiek op p. 109, 10.