Geschiedenis der Noordsche Compagnie

Part 14

Chapter 143,684 wordsPublic domain

Al deze handelingen, die mij toeschijnen den toets der kritiek zegevierend te kunnen doorstaan, getuigen van het loffelijk streven der Staten-Generaal, om de door hen in het leven geroepene compagnie zooveel mogelijk te helpen en aan den anderen kant toch niet de eischen te vergeten, die eene vrijzinnige staatkunde hun deed. Het was echter reeds vooraf te vreezen, dat de regeering, dus geslingerd tusschen de begeerte om eene uit haren aard uitsluitende vereeniging van onderdanen voort te helpen en den wensch om liberaal te blijven ook tegenover vreemden, niet altijd het rechte pad zou blijven bewandelen, maar dat zij dikwijls zou afwijken. En werkelijk gebeurde het zoo! Het toezicht, door de Staten aanvankelijk op de daden der compagnie gehouden, om haar te noodzaken de beginselen van uitsluiting, die zij aankleefde, ten minste niet tegenover vreemde natiën in praktijk te brengen[312], verflauwde langzamerhand en hield weldra geheel op. En toen de Noordsche Compagnie eenmaal de bezwaren van haren toestand te boven gekomen was en dus, terwijl zij den steun der Staten-Generaal geheel missen kon, hun toezicht en hunne waarschuwende stem meer dan ooit behoefde, gaf de regeering door het verlengen van het octrooi juist het eerste blijk van hare veranderde gezindheid. Maar het was niet het laatste! De Staten-Generaal namen in de geschillen der Noordsche Compagnie met Denemarken steeds, en soms ten onrechte, de partij hunner onderzaten, en toen in 1632 en 1633 de Franschen door de schepen der compagnie uit de Robbenbaai verdreven waren, namen de zoo vrijzinnig geprezene Staten tegenover de klachten der verongelijkten eene houding aan, die overtuigend bewees, dat ook zij zich soms door partijdigheid van het rechte pad lieten brengen[313].

[312] R. S.-G. 29 Apr. 1615, 16 Mrt. 1617, 4 Febr. 1622.--Instr. der Stn.-Gen. voor Quast en Schrobop dd. 29 Apr. 1614, 23 Mei 1616.

[313] Zie over de houding der Stn.-Gen. tegenover de N. C. en hare mededingers meer aan het einde van Hfdst. VIII en IX.--Vgl. over de hulp, door de regeering na den val der N. C. aan de Nederlandsche walvischvaarders verleend: Tegenw. Staat. I p. 592, 93.--De walvischvangst. I p. 21-24, II p. 88.

HOOFDSTUK III.

DE WALVISCHVANGST DER NOORDSCHE COMPAGNIE.

Wij hebben in het vorige hoofdstuk gezien, hoe de Noordsche Compagnie ingericht was en welke beginselen zij aankleefde; wij zullen nu trachten te schetsen, hoe die zonderling ingerichte vereeniging deze bekrompene beginselen bij haar bedrijf in toepassing bracht. Het laat zich vooruitzien, dat wij hier geen tafereel zullen kunnen ophangen van den weldadigen invloed, van het leven en de drukte, van de verbeteringen en bezuinigingen, die de vrije concurrentie aanbrengt; maar toch blijft het schouwspel aantrekkelijk genoeg. Het is belangwekkend, die kooplieden, die eenvoudige zeelieden der zeventiende eeuw zich te zien inspannen om een nieuw bedrijf te grondvesten; het is een tooneel, dat onze bewondering opwekt, te zien, hoe die onervaren mannen, van alle kanten besprongen en met den ondergang bedreigd, weldra den palm der overwinning wegdragen en al hunne mededingers in dat nog zoo kort geleden hun onbekende bedrijf overtreffen,--hoe zij, de bewoners van een spanne gronds, de barre en bijna ongekende kusten der IJszee met een drukte en gewoel vervullen, die nog na verloop van eeuwen algemeene belangstelling wekken.

Ten einde een duidelijk overzicht van de werking der Noordsche Compagnie te verkrijgen, doen wij het best haar in haar bedrijf te volgen: zij zelve wijst ons den weg, dien wij bij ons verhaal moeten gaan. Wij vinden haar reeds dadelijk bezig met het gereedmaken der walvischvloot. Zoodra de algemeene vergadering in het begin van Maart het getal schepen bepaald had, dat dit jaar naar het noorden zou zeilen, zetten de kamers zich ijverig aan het werk om de schepen, die elk volgens hare quote leveren mocht[314], voor de reis uit te rusten. Het eerst kwam het er op aan een geschikt schip te vinden. De dubbele bemanning, die men steeds meevoeren moest, vooral de ruime vangst, maakte het wenschelijk vrij groote schepen voor de walvischvangst te gebruiken. Maar in die dagen, toen men het ijs nauwelijks zag, was het gevaar, waaraan de vaartuigen blootstonden, daarentegen uiterst gering, en men koos dan ook meestal oude schepen, die voor eene verre reis niet meer deugden[315]. Waren voor de zeevisscherij kleine schepen voldoende[316], kapitale schepen van 2 tot 500 ton[317], met eene bemanning van 80 à 90 man[318] werden voor de visscherij in de baaien, die voor de compagnie altijd hoofdzaak bleef, gekozen[319].

[314] Dat het ~aantal~ der schepen, door elke kamer uitgerust, daarom niet altijd geheel geëvenredigd was aan haar aandeel in de compagnie, blijkt o. a. uit het feit, dat de Amsterdamsche kamer, die de helft der aandeelen bezat, in 1614 slechts 4 van de 11 schepen en jachten uitrustte. (Resol. Admir. Amst. 19 Apr. 1614.) Het komt mij daarom niet onwaarschijnlijk voor, dat slechts het aantal der ~sloepen~, die iedere kamer volgens hare quote in zee mocht brengen, door de algemeene vergadering bepaald werd. Daar die sloepen dikwijls in het noorden achterbleven, kon men met het zenden van weinige, zeer groote schepen, van veel volk en veel victualie voorzien, volstaan en de te groote vangst door naschepen laten afhalen.

[315] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 241.--De walvischvangst. I p. 32.--Scoresby, Account of the arctic regions. II p. 181.

[316] Raven, Iournael vande reyse nae Spitsberghen. p. 5.

[317] Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 467, 68.--Br. v. Catcher aan Heley, dd. 29 Juni 1623, bij: Purchas, l. c. III p. 787.--Een schip van 500 last was eene groote uitzondering. (1 last = 2 ton.)

[318] Raven (Iournael vande reyse nae Spitsberghen. p. 10) noemt een schip bemand met 86 man.

[319] Raven, Iournael. p. 3.

Eenmaal in het bezit van een geschikt schip, had men zich bezig te houden met de uitrusting, die zeer omslachtig was. De inrichting der compagnie zal er het hare toe bijgedragen hebben om de uitgaven te vermeerderen en om niet altijd dáar te doen besparen, waar het wenschelijk en noodig scheen. Hoe dit zij, men klaagde over groote kosten[320]. En geen wonder! Bij een groot schip behoorden toch niet alleen 4 à 6 sloepen, ruim genoeg om behalve den harpoenier en zijne gereedschappen eenen stuurman en vier roeiers te kunnen bevatten[321]; maar ook verschillende gereedschappen voor de walvischvangst, vaten of quarteelen om de gemaakte traan te bergen, of ten minste duigen, waaruit de kuiper ze timmeren kon, walvischlijnen van 200 vadem het stuk[322], voorgangers (kleine lijnen, die aan den harpoen bevestigd waren), harpoenen en lenzen om walvisschen en walrussen te vangen en te dooden moest men jaarlijks medevoeren. Want al liet men jaarlijks veel in het noorden achter voor het volgende jaar, steeds was er nieuw gereedschap noodig[323]. Daarbij kwamen de kosten tot wapening der schepen. Wel gingen er in de jaren, dat de strijd met buitenlanders het levendigst was, meestal konvooischepen mede naar het noorden, maar men wilde toch niet geheel onvoorbereid uitgaan. Reeds in 1614 voorzag de Noordsche Compagnie hare schepen dan ook van geschut en ammunitie[324], en toen de regeering de compagnie in 1617 had uitgenoodigd, zelve hare verdediging krachtig te bevorderen[325], besloot men, dat elk schip ten minste 8 ijzeren gotelingen zou moeten voeren om zich te kunnen verdedigen tegen mogelijke aanvallen[326]. Tot haren val toe volhardde de compagnie bij dezen voorzorgsmaatregel[327], en toen de tijden verbeterden had zij geene konvooischepen meer noodig om zich te handhaven[328].

[320] Aanwysing v. gronden en maximen. p. 75.--Scoresby, Account, II p. 56.--Repartitie der Amst. bewindh. N. C. dd. 19 Mrt. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.

[321] Req. v. Vrolicq aan de Stn.-Gen., in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 251, 332, 333.--De walvischvangst. p. IV.--Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.--Br. v. Salmon aan Sherwin dd. 24 Juni 1618,--van Catcher aan Heley dd. 17 Juni 1620,--van Fanne aan Heley dd. 24 Juni 1623, in: Purchas, Pilgrimes. III p. 733, 735, 736.

[322] Drie Voyagien na Groenlandt. p. 13.--Scoresby (Account. II p. 173) spreekt van 300 vadem, Zorgdrager (Groenl. vissch. p. 335) over latere tijden sprekende van 125.

[323] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 332, 33.--De walvischvangst. I. p. 35.--Martens, Voyage into Spitzb., bij: White, Spitzb. and Greenl. p. 119, 20, 25.--Corte Deductie ende Remonstr. der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Zie over den inhoud van een walvischvaarder de Nederlandsche en Engelsche schaderekeningen van 1617 en 18, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A., en: Lias loop. 1618. R.-A.--Om eenig denkbeeld te geven van de onkosten der reeders, ontleen ik daaraan de volgende, zeker nog al hoog getaxeerde cijfers. Een traanketel werd berekend op pd. vl. 66--14--4, een lijn op 1 pd. vl., 3 sloepen op 50 pd. vl., 1 lans op 5 sh., de harpoenen, lenzen en messen van een schip te zamen op 25 pd. vl., 6 gotelingen op ƒ 900, 1 musket op £ 1--10, 100 pond kruit op ƒ 45, 1 ton bier op £ 3, de victualie van de bemanning van een schip voor eene maand op 75 pd. vl., de gage van het scheepsvolk van een schip voor eene maand op pd. vl. 69--8--4, de bereidingskosten van 1 okshoofd spek tot traan in Nederland op ƒ 2.--Een beladen walvischvaarder werd in 1624 van een Duinkerker gerantsoeneerd voor ƒ 10,000 en ƒ 200 voor de zeilen. (Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 86.)--Verder blijkt nog, dat men voor eene reis medenam 2600 vaten (Eng. schaderekening), dat men voor de vangst van 1317 quarteelen 6 sloepen noodig oordeelde, dat eene vangst van 657 quarteelen geen voldoende vergoeding gaf voor de kosten der uitrusting van een schip, dat de reeders voor het opnemen van geld (in 1632) betalen moesten 8% (Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637) en dat de uitrusting hier te lande 40% duurder was dan in andere landen, waarschijnlijk omdat alle materiaal van buitenslands moest ingevoerd worden. (Req. v. de kl. N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 2. Admiraliteit. R.-A.)--Berghaus (Wat men van de aarde weet. II p. 337) spreekt ook van proviandschepen, die de vloten der N. C. vergezelden. Daarvan is mij van elders niets gebleken.--Verschillende opgaven van kosten en opbrengst der walvischvangst vindt men nog verspreid in: Dictums v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh, dd. 28 Mrt., 3 Apr. 1637, en in: Sent. v. de H. R. in zake als boven dd. 4 Apr. 1637.--Over de uitrusting van een schip in latere jaren en de onkosten der reeders vergelijke men: Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 335-36, 39-42, 46, 70, 71, 72.--De walvischvangst. I p. 34, 35, 89-116.--Martens l. c. p. 133, 34.--Scoresby, Account. II p. 151 (volgens tabellen in: De Koopman, en door Gerard Van Sante.)--Dooregeest, Rijper zeepostil. p. 353.

[324] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 94.--Corte Deductie der N. C., in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--In 1615 verklaarde de N. C. zich echter buiten staat, de kosten voor de verdediging harer schepen te dragen. (Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 1 Apr. 1615, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.)

[325] R. S.-G. 24 Jan. 1617.

[326] Contr. der N. C. met de Zeeuwen dd. 19 Mrt. 1617, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--In 1617, 18 en 25, dus in gevaarlijke tijden, ontmoeten wij dan ook op Spitsbergen Nederlandsche walvischvaarders met 10, 12, 14, 16, 18, eens zelfs met 22 stukken geschut. (Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 468.--Br. v. Salmon aan Sherwin dd. 24 Juni 1618, bij: Purchas l. c. III p. 733.--Wassenaer, Hist. verh. IX fol. 124.)

[327] Req. der N. C. aan de Stn. v. Holl. (v. 1642), in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.--Luzac, Hollands rijkdom. I p. 847.

[328] Aitzema, Saken v. Staet. II p. 629.--Zie hiervóor p. 99.

Maar wanneer de walvischvaarders geheel opgetuigd en van het noodige voorzien waren, bleef nog het moeielijkste gedeelte van de taak der reederij over: de bemanning moest gehuurd worden. In de tijden der compagnie, toen, zooals wij reeds zeiden, een schip, dat meer dan 80 man voerde, geene zeldzaamheid was, ofschoon men er ook van 70, enkelen van 60 vond[329], was niet alleen het vinden van bekwame, maar ook van genoeg manschappen eene zaak van belang. Het was van het uiterste gewicht, dat er niemand te kort schoot: ieder had in de visscherij zijne aangewezene plaats. De bemanning werd in twee afdeelingen verdeeld: de eerste, de eigenlijke scheepsgezellen en visschers, hield zich bijna alleen met de vischvangst zelve in de sloepen bezig; de overige personen, die door de Engelschen »land-men” genoemd werden[330], gingen dadelijk na aankomst aan land en hielden zich daar voor de bewerking van het gevangene bereid[331]. Wij willen ons voorloopig alleen met het scheepsvolk bezighouden[332]. Twee personen trekken daaronder de aandacht: de schipper en de harpoenier, die beiden evenals enkele anderen[333] boven hun loon nog een »partgeldt” naar evenredigheid der vangst verdienden en daarom veelal als »parteniers” van de overigen, »maandgelders” genaamd, werden onderscheiden[334]. De schipper, door elke kamer op hare eigene vaartuigen aangesteld, had aanvankelijk alleen het bevel over het schip en het scheepsvolk, met de visscherij zelve mocht hij zich niet inlaten; maar toen langzamerhand de kunst van het harpoeneeren en vangen der visschen meer algemeen bekend werd en de harpoeniers dus personen van minder belang werden, aarzelde men niet ook de visscherij onder zijn bevel te stellen. Met den titel van commandeur kreeg de bevelhebber van het schip toen onbeperkt gezag op zijnen bodem[335]; soms vervulde hij zelf den post van harpoenier[336]. Dat was echter in veel latere tijden; in de eerste jaren der walvischvangst zou zulk eene vereeniging van betrekkingen onmogelijk geweest zijn. Bij de geheele onbekendheid der Nederlanders met de walvischvangst hadden de reeders zich toch reeds in 1613 genoodzaakt gezien, eenige der met de walvischvangst sinds eeuwen bekende Basken naar Amsterdam te ontbieden. Dat jaar kwamen er 13 over[337], en naarmate de walvischvangst zich ontwikkelde, nam ook hun getal natuurlijk toe. Iedere sloep werd met drie Basken bezet[338] en op ieder schip waren dan ook gewoonlijk ten minste drie harpoeniers[339], die tevens de betrekkingen van speksnijder en kapper vervulden[340]; bovendien had men nog een of meer Baskische »maitres de chaloupe,” een »maitre de la ligne[341]” en in het begin ook verscheidene traankokers[342]. De vreemdelingen wisten zich onontbeerlijk te maken en stelden hunne eischen: onafhankelijk van den schipper moesten zij hun werk verrichten[343] en hun loon moest geëvenredigd zijn aan hunne moeite. Behalve hunne vaste bezoldiging, die trouwens behalve de kosten van vervoer en onderhoud niet meer dan ƒ 50 schijnt bedragen te hebben[344], kreeg dus elke harpoenier als »schietgelt” voor iedere levende of doode door hem in zee gevangen visch 40 rijksdaalders of ƒ 100[345], elke stuurman van een sloep ƒ 50; voor elke doode visch uit het schip gezien ontving de »eerste siender” 1 pond vlaamsch of ƒ 6[346]. Het lag in den aard der zaak, dat men trachten zou zulke veeleischende bedienden door goedkoopere te vervangen, en reeds in 1616 zien wij dan ook de Noordsche Compagnie pogingen aanwenden om de Basken door Nederlandsche harpoeniers te vervangen. Op vier sloepen, door haar met Basken bemand, besloot zij toen, al was misschien daardoor voor het oogenblik de winst geringer, een vijfde met Nederlanders bemand uit te rusten[347]. De proefneming beantwoordde aanvankelijk niet aan de verwachting: den Engelschen, die hunnen scheepsgezellen dadelijk hadden gelast den Basken de kunst af te zien[348], was het mislukt, en ook de Nederlanders hadden moeite een bedrijf aan te leeren, dat niet minder bekwaamheid dan moed vorderde. Maar door volharding kwam men toch de moeielijkheden te boven: in 1630 werd reeds de helft der sloepen met Nederlanders bezet[349] en hoewel zich nog in 1636 Basken op de Nederlandsche schepen bevonden[350], worden daarna toch meer en meer Nederlandsche harpoeniers genoemd[351]. Eindelijk werden de Basken geheel verdrongen; kort na den val der Noordsche Compagnie was hunne aanwezigheid op Nederlandsche walvischvaarders eene zeldzaamheid geworden[352].

[329] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 220.--Lindeman, Arkt. Fisch. p. 9.--Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 468.--Tijdens zee- en ijsvisscherij werd de dubbele bemanning natuurlijk afgeschaft; de schepen voerden toen 30 à 40 man. (Dooregeest, Rijper zee-postil. p. 353.)

[330] Pellham, Gods power and Providence, in: White, Spitzbergen and Greenland, p. 283.

[331] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 220.--De walvischvangst. I p. 28.

[332] Zie eene opgave der bemanning van een walvischvaarder in 1700 bij: Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 344, 45.

[333] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 339.

[334] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 215, 312.

[335] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 127.--De walvischvangst. I p. 27.--Van der Brugge, Journael vande Seven Matroosen. p. 46.--Req. v. Vrolicq aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1633, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.

[336] Dat de betrekking van harpoenier en speksnijder ook nog later in aanzien bleef, blijkt o. a. uit het voorbeeld van Jacob Hardebil, die eerst commandeur, later speksnijder werd. (Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 256.)

[337] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 88.--Hist. de Spitsberghe. p. 11.

[338] Br. v. Catcher aan Heley dd. 17 Juni 1620, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 735.

[339] Drie Voyagien na Groenlandt. p. 15.--Opschriften der getuigenissen van D’Hallegorey c. s. en Gasteloser c. s., in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

[340] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 346.

[341] Opschr. der getuigenissen van D’Hallegorey c. s. en Gasteloser c. s., in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

[342] Hist. de Spitsberghe. p. 11.

[343] Scoresby, Account. II p. 39.--De walvischvangst. I p. 27.--Luzac, Hollands rijkdom. I p. 346.--Tegenw. Staat. I p. 588.--Lindeman, Arkt. Fisch. p. 7.

[344] Een Duinkerksche reederij betaalde aan 6 Basken in 1616 voor loon „100 Croonen,” eene som die echter, waarschijnlijk door de kosten van vervoer en onderhoud, tot ƒ 700 verhoogd werd. (Sent. v. de H. R. in zake Lampsius c. Clarcque dd. 31 Juli 1620.)

[345] Drie Voyagien na Groenlandt. p. 15.

[346] Sent. v. h. Hof v. Holl. in zake Moutmaker c. Coman, dd. 31 Juli 1641.--Martens, Voyage into Spitzb., in: White, Spitzbergen and Greenland. p. 126.

[347] Instr. der Stn.-Gen. voor Schrobop, dd. 23 Mei 1616, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

[348] Comm. der Mosc. Comp. voor Edge voor de reis van 1611, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 710.

[349] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.

[350] Versl. der 1^{e} confer. met de N. C. dd. 14 Febr. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.

[351] In 1635 in de Sent. v. h. Hof v. Holl. in zake Moutmaker c. Coman, dd. 31 Juli 1641;--in 1639 bij: Dooregeest, Rijper zee-postil. p. 351;--in 1646 in de: Twee Journalen der Matroosen die overwinterden. p. 24.

[352] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 126.

Wanneer alles voor de reis gereed gemaakt was, verzamelden zich de schepen der verschillende kamers op de hun aangewezene plaatsen. Men heeft de jaarlijksche uitrustingen der Noordsche Compagnie op ongeveer 30 schepen begroot[353]. Deze berekening is gegrond op het feit, dat de Friezen, die voor 1/9 in de compagnie participeerden, 3 schepen uitrustten. Men heeft echter daarbij niet gelet op de omstandigheid, dat de bedoelde uitrusting der Friezen plaats had in 1635, dus voor hunne opneming in de compagnie, en dat het dus nog de vraag blijft of men den concurrenten, die er blijkbaar zeer op gesteld waren om leden der vereeniging te worden, een deel heeft ingeruimd zoo groot als zij met het oog op hunne finantiëele krachten misschien wel zouden gewenscht hebben. Ook geloof ik niet, dat de uitrustingen der Noordsche Compagnie gewoonlijk zelfs het lage cijfer van 30 schepen bereikt hebben. Ter bevestiging mijner meening volgt hier eene statistieke opgave, die, hoe uiterst onvolledig ook, toch eenigszins een denkbeeld geeft van de doorgaande sterkte der vloten.

~Spitsbergen~. ~Jan Mayen-eiland~. Schepen. Schepen. 1612 2 geene. 1613 5 geene. 1614 11[354] 3 (ter ontdekking.) 1615 11 2 (ter ontdekking.) 1616 4 9 (2 N. C.--5 kl. N. C.--2 uit Zeeland.) 1617 3 (alle uit Zeeland.) ? (7? N. C.[355]--? kl. N. C.--geene uit Zeeland.) 1618 23? (5 Zeel.--2 Noorderkwart.-- ? (geene uit Zeeland.) 1 Delft.[356]) 1619 11? (11 Ned. sch. in Fairhaven. ? (geene uit Zeeland.) [357]) 1620 2? (2 Ned. sch. in Fairhaven) ? (geene uit Zeeland.) 1621 ? ? (geene uit Zeeland.) 1622 ? ? 1623 5[358] ? 1624 20? (2 sch. uit Zeeland.) ? 1625 3 4 (2 andere schepen naar elders.[359]) 1626 ? ? 1627 ? ? 1628 ? 12 1629 ? ? 1630 6? (34 sloepen.) 9? (51 sloepen[360]) 1631 ? ? 1632 ? (1 sch. Hoorn, geen sch. ? (2 sch. Amst., 1 sch. Enkh.) Enkh., geen sch. Hoorn.) 1633 ? ? 1634 6 ? 1635 ? (1 sch. Harl., 2 sch. ? Stav.) 1636 ? ? 1637 ? ? 1638 ? ? 1639 ? (1 sch. Hoorn, 1 sch. ? (2 sch. Amst., 2 sch. Harl.) Hoorn, 1 sch. Harl. in de opene zee.[361]) 1640 ? ? 1641 ? ? 1642 ? ? (2 sch. Stav. in de opene zee.)

[353] Scoresby, Account of the arctic regions. II p. 144.

[354] Dit geeft op: Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 94.--Edge (Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 466) noemt er 14.

[355] Vlg. Edge (Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 467) meende een Zeeuwsch kapitein tien schepen op Spitsbergen te zullen vinden; drie Zeeuwen waren op het eiland, de overige 7 (Hollanders) waren dus op Jan Mayen-eiland. Waarschijnlijk waren er daar echter met de reeds dadelijk daarheen bestemde schepen meer: de N. Z. 26 Jan. 1617 noemen 14 of 15 schepen voor de geheele uitrusting.