Geschiedenis der Noordsche Compagnie

Part 13

Chapter 133,799 wordsPublic domain

[275] R. S.-G. 4 Febr. 1622.--N. Z. 17 Mrt. 1622.--Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.--Req. der N. C. aan de Stn. v. Holl. (dd. 18 Jan. 1642), in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.

[276] Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 15 Mrt. 1619 (lees: 1618), in: Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A.--Miss. der Zeeuwsche gedeput. aan de Stn. v. Zeel. dd. 19 Oct. 1616, in: Arch. Zeeland.

[277] N. Z. 17 Mrt. 1622.--Miss. der Stn. v. Zeel. aan de gedeput. v. Zeel. dd. 17 Mrt. 1622. (Bijl. v. N. Z.)--cf. Miss. v. Van Cracauw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.

[278] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.--Repartitie der Amst. kamer dd. 19 Mrt. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.

[279] Contr. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Contr. met de Friezen, bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 360.

»Den welstandt der Compaignie,” zoo spraken de bewindhebbers nog in 1636, »kan eene uijtbreijdinge niett lijden, maer moett gaen cleijn ende op menage, want hett ghewis is, hoe grootter equipage hoe meerder schade, want equipeert men sterck, ende vanght men weijnich, soo valt maer schade, vanght men veel mett grootte equipage, soo valt den vangst costelycken, ende wortt den prijs door de veelheijtt mede onder den voett gesmeten. Soo datt men mett vollen vangst oock well schade doen kan. Om proffijt te doen, soo moetmen mett menage equiperen ende vangen naer aduenant gheconsumeertt kan worden, ende mett de minste kosten sien hett meeste te vanghen, ende int beneficeren vanden traen soo moetten de leden den anderen verstaen[280].” Dit systeem was volgens de Noordsche Compagnie het ideaal van een verstandig beleid: tot haar einde toe volhardde zij daarbij. Reeds in 1616 was haar hoofdgrief tegen de kleine Noordsche Compagnie, dat zij de markt voor hare goederen bedierf[281], en nog twintig jaren later, toen eenige Hollandsche steden deel aan het octrooi wenschten te krijgen, verklaarden die van Amsterdam, dat de nieuwe leden »soo eenen anderen cours wertt ghesett” dan de tot nu toe gevolgde, niet alleen »haer lieden te spade daer ouer souden beclaghen,” maar dat de geheele compagnie eerlang »sou comen in een volcomen verderff ende ruine.”[282]

[280] Repartitie der Amst. bewindh. dd. 19 Mrt. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.

[281] „Cort advertissement” v. Kyen c. s. (dd. 29 Febr. 1616), in: Noordsche togten. 1 R.-A.--Kyen c. s. boden dan ook aan, het getal hunner schepen te beperken en de prijs hunner traan niet lager dan van die der N. C. te stellen, maar de N. C., die hoopte de kleinere vereeniging geheel te zullen kunnen weren, weigerde. („Cort advertissement.” l. c.)

[282] Repart. der Amst. bewindh. dd. 19 Mrt. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.

Wij hebben gezien, dat de Noordsche Compagnie, opgericht om de vrijheid van vaart en visscherij te helpen bevorderen, weldra ontaardde in een lichaam, dat alle gebreken van eene geoctrooieerde maatschappij in hooge mate in zich vereenigde. Ongetwijfeld lag het in den aard van het monopolie, dat deze richting zich allengs openbaarde, en het is den bewindhebbers te vergeven, dat zij, gesteund door participanten, die--minder lastig dan de aandeelhouders der Oost-Indische Compagnie--reeds tevreden waren, wanneer de uitdeelingen goed uitvielen en zich verder met de beginselen van de leiders der vereeniging niet bemoeiden[283], dien weg meer en meer bewandelden. Waren echter de Staten-Generaal, beroemd om hunne voor dien tijd verlichte inzichten, geneigd om zich door eene betrekkelijk kleine compagnie als de Noordsche meer en meer te laten medeslepen op den weg van bescherming en monopolie, ook toen de noodzakelijkheid daartoe weldra was opgehouden? Waren zij, die het toezicht over de handelingen der door hen geschapene compagnie oefenden, medeschuldig aan de richting dier handelingen? Laat ons ten slotte onderzoeken, in hoeverre de regeering de Noordsche Compagnie in haar egoistisch streven steunde.

[283] Wassenaar, Hist. verh. VIII fol. 96.--Geen pamphlet is mij bekend, dat klaagde over de handelwijze van de bewindhebbers der N. C., die toch ook de voor de O.-I. C. zoo kritieke jaren 1622-24 mede doorleefden.

In de eerste plaats komt natuurlijk bij het bespreken der hulp, van staatswege aan de Noordsche Compagnie verstrekt, het octrooi zelf in aanmerking. Wij hebben reeds opgemerkt, dat de Staten-Generaal slechts daarom eenheid onder de Nederlandsche walvischvaarders wilden, omdat zij het onmogelijk achtten op andere wijze den Engelschen ontzag in te boezemen, en dat zij het octrooi eerst verleenden, toen de Engelschen zelven door gewelddadig optreden het sein daartoe gegeven hadden. Het komt mij dan ook voor, dat de veroordeeling, door De la Court--en na hem door bijna alle schrijvers--over het beleid der Staten-Generaal in deze zaak uitgesproken, onverdiend is. De beroemde vijand van alle bescherming verklaart, dat de oprichting der Noordsche Compagnie »quaalik gedaan was,” omdat de walvischvangst na de opheffing van het octrooi sterk is toegenomen; »dog met het opregten der Geoctroyeerde Compagnien op Oost- en West-indien,” dus vervolgt hij, »was het een geheele andere saak: want het ~een noodsakelik quaad~ heeft schijnen te weesen, om datmen wilde handelen in ende omtrent soodaanige Landen, daar onse vyanden voor particulieren te sterk souden sijn geweest; sulks in alle manieren schijnd dienstig geweest te zijn, dien handel door een kragtig gewaapende hand te fondeeren; en dat vermits dit Land met den oorloge teegen den Koninge van Spanjen worstelende, alle sijne kragten noodig had, het seer voorsigtelik is geweest, die Geoctroyeerde Compagnien op te regten[284].” Uit het door De la Court zelven later aangevoerde[285] blijkt voldoende, dat men bij de oprichting der Noordsche Compagnie ~volkomen in hetzelfde geval was~ als bij de Oost- en West-Indische Compagniën[286], en had men ook bij deze vereenigingen eene proef met de opheffing genomen, de uitkomst zou ongetwijfeld evenzeer ten nadeele der octrooien zijn uitgevallen als het in 1642 met de Noordsche Compagnie het geval was. De woorden van De la Court zelven over de Oost- en West-Indische Compagniën bevatten dus de beste rechtvaardiging van het beleid der Staten-Generaal met betrekking tot de Noordsche.

[284] Aanwysing der heils. polit. Gronden. p. 84, 85.

[285] Aanwysing. p. 188, 191.

[286] Vgl. p. 75 Noot 3{[166]}.

Den inhoud van het octrooi deelde ik reeds boven mede. Het was den 27 Januari 1614 voor drie jaren verleend[287] en werd den 1 April 1615 voor nog een jaar verlengd[288]: met het jaar 1618 zou dus de visscherij weder openvallen. Maar reeds 24 Januari 1617 was het octrooi der Noordsche Compagnie, nu vereenigd met die van Zeeland, op nieuw verlengd, ditmaal voor vier jaren[289]: de eenige merkwaardige bepaling was, dat de regeering--gewaarschuwd door de geschillen der Noordsche Compagnie met de kleine Noordsche en met de Zeeuwen--zich de beslissing in twisten tusschen de leden der compagnie voorbehield[290]. Met het jaar 1621 eindigde echter ook dit octrooi en de Noordsche Compagnie drong op vernieuwing aan[291]. Maar onderwijl was er onder de Nederlandsche walvischvaarders een twist ontstaan, die zelfs door bemiddeling der Staten-Generaal niet bijgelegd kon worden. En daar alleen samenwerking van allen tegen den gemeenschappelijken vijand het doel der Staten met het verleenen van het octrooi der vereeniging geweest was, scheen het werkelijk de vraag of het vernieuwd zou worden. De Staten-Generaal, wien het onmogelijk was de twistenden te vereenigen, namen een voorloopigen maatregel en gaven aan beide partijen den 4 Februari 1622 verlof om voor dat jaar op zekere voorwaarden en met eene regeling, die ze ~dwong~ elkaar niet te hinderen, de walvischvangst gezamenlijk te oefenen[292]. De regeering oordeelde het nog steeds noodig, de Nederlandsche walvischvaarders als een vast aaneengesloten macht tegenover de Engelschen te stellen, en spaarde daarom geene pogingen om hen nog tot eenheid te brengen. De regeling van 1622 voldeed geheel aan hare verwachting: den 20 December 1622 werd in de statenvergadering een request voorgelezen van de drie Nederlandsche compagniën voor de walvischvangst, die »nu tsamen vereenicht” waren. Zij verzochten een nieuw octrooi, dat hun nu reeds twee dagen later voor twaalf jaren verleend werd[293].

[287] R. S.-G. 27 Jan., 27 Mrt. 1614.

[288] R. S.-G. 4 Apr. 1614, 1 Apr. 1615.--Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 1 Apr. 1615, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

[289] R. S.-G. 28 Dec. 1616, 21, 24 Jan. 1617.

[290] Gr. Placaetb. I p. 673, 74.--R. S.-G. 24 Jan. 1617.--Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Noorderkw. c. Amst. dd. 31 Mrt. 1635.--Van de bevoegdheid, die de regeering zich zelve dus toegekend had, maakte zij slechts hoogst zelden gebruik en altijd om de walvischvaarders tot eenheid te brengen. (cf. R. S.-G. 2 Sept. 1621, 25 Jan., 3, 4, 5 Febr. 1622, 24 Mrt., 14 Apr. 1623.)

[291] R. S.-G. 24 Aug., 1, 2 Sept., 6 Oct. 1621, 8 Jan. 1622.--Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 13 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 3. Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.--Req. der kl. N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 2. Admiraliteit. R.-A.

[292] R. S.-G. 25 Jan., 3, 4, 5 Febr. 1622.

[293] R. S.-G. 20, 22 Dec. 1622.

Het schijnt mij zeer twijfelachtig, of de Staten-Generaal ditmaal niet den goeden weg verlieten en overgingen tot bescherming, waar de omstandigheden zulk eenen voor het publiek belang schadelijken maatregel niet wettigden. Het gevaar toch voor buitenlandsche aanvallen was grootendeels geweken. Engeland deed in 1623 en 1624 nog wel pogingen om zijne uitsluitende pretensiën te handhaven, maar het had de macht niet om zijnen wil door te zetten. Denemarken, dat eerst in 1623 met de Nederlanders ernstig in conflict kwam, had nooit den ernstigen wil hen van Spitsbergen te verdrijven. Toch liet zich misschien het nieuwe octrooi als voorzorgsmaatregel wel verdedigen, maar zeker onverdedigbaar was het, dat de Staten tegelijkertijd een grooten stap op den weg der bescherming vooruit deden. Het octrooi van 1622 verschilde in vier punten met de vroegere, en het verschil was steeds ten nadeele der vrijheid. Reeds in de voorgaande bladzijden merkten wij op, dat ditmaal voor het eerst niet als vroeger aan nieuwe participanten gelegenheid werd gegeven om tot de Noordsche Compagnie toe te treden: de bescherming aan de vereeniging verleend ontaardde dus in eene bescherming van bepaalde personen. En wat de zaak nog erger maakte was, dat de voordeelen van het octrooi nu niet meer voor drie of vier jaren, maar voor den langen tijd van twaalf jaren aan dezelfde participanten gegund werden, terwijl de straf op inbreuken van het octrooi--vroeger alleen in verbeurdverklaring van schip en goed bestaande--nu met eene boete van ƒ 6000 voor elk schip verzwaard werd. Een laatste verschil met de vroegere octrooien was, dat in 1622--waarschijnlijk om »lorrendrayeriën” met kracht en zekerheid te weren--de bepaling gemaakt werd, dat niet alleen handel en visscherij, maar zelfs de vaart op Spitsbergen niet vrij meer zou zijn. Zelden kwam het zeker voor, dat een Nederlandsch schip, dat zich niet op de visscherij wilde toeleggen, naar het verafgelegene eiland kwam, maar de omstandigheid, dat het »havenen” aan deze eenige rustplaats in de IJszee tot 1642 niet geoorloofd was, kan toch niet anders dan ongunstig op de ontdekkingsreizen in het noorden gewerkt hebben[294].

[294] Vgl. Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 237.--De walvischvangst. I p. 31.

Het monopoliestelsel won nu blijkbaar allengs in kracht: het octrooi, dat eerst met het einde van 1634 vervallen zou, werd reeds 25 October 1633 op geheel dezelfde voorwaarden als in 1622 zonder eenige moeielijkheid voor niet minder dan acht jaren vernieuwd[295]. Eerst toen dit octrooi met het einde van 1642 afgeloopen was, toen de Engelschen sinds achttien jaren geene vijandelijkheden meer gepleegd hadden en ook de Denen, al was het met leedwezen, in de vrije visscherij der Nederlanders uitdrukkelijk bewilligd hadden, zagen de Staten het verkeerde van hunne handelwijze in[296]. De aandrang van ~alle~ landprovinciën, die aandeel aan het octrooi wilden hebben, en die dus de moeielijkheid eener goede regeling bizonder verzwaarden, zal het hare daartoe bijgebracht hebben: hoe het zij, het octrooi werd in 1642 niet meer vernieuwd[297].

[295] R. S.-G. 18, 25 Oct. 1638.

[296] Reeds in 1636 had de N. C. te vergeefs om verlenging van octrooi aangehouden. (Versl. der 1^{e} en 2^{e} confer. met de N. C., conc.-rapp. aan de Stn. v. Holl., in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.) In 1642 herhaalde zij dit verzoek nadrukkelijk. (Req. der N. C. aan de Stn. v. Holl. dd. 18 Jan. 1642, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.)

[297] Aanwysing. p. 191.--De octrooien zijn o. a. afgedrukt in: Gr. Placaetb. I p. 669, 671, 673, 677.--De eenjarige verlengingen van 1615 en 1622 waren echter tot nog toe niet bekend; het schijnt niemand in het oog gevallen te zijn, dat de jaren zonder deze beide niet aansloten. (Zie o. a. Luzac, Holl. rijkdom. I p. 347.)

Nauw hing met het verleenen van octrooi samen het zorgen voor een behoorlijk geleide van de vloten der Noordsche Compagnie. Jaarlijks van den aanvang af verzocht de compagnie van de Staten-Generaal eenige oorlogschepen ter harer bescherming tegen Engelschen en andere vijanden; jaarlijks werd het verzoek aanvankelijk toegestaan. En terecht: hetzelfde motief, dat de regeering tot het verleenen van een octrooi gedreven had, moest haar ook bewegen tot het ondersteunen der compagnie met konvooischepen, zoolang zij zelve niet in staat was in hare verdediging te voorzien. Voornamelijk daaraan was het dan ook te danken, dat de Engelschen de walvischvaarders in de drie eerste jaren na de oprichting der Noordsche Compagnie met rust lieten. Maar toen begonnen de Staten ook te bedenken, dat juist om aan de Engelschen krachtigen weerstand te bieden, de compagnie was opgericht, en zij vermaanden haar dus om, nu betere tijden schenen te zijn aangebroken, zelve »wel ende sterck te equiperen ende uyt te varen opte Visscherije, dat sy die soude kunnen mainteneren jegens alle beletselen[298].” De aanval, door de Engelschen dien zomer (1617) op drie Zeeuwsche schepen aan Spitsbergen gedaan, de onaangenaamheden tusschen beide natiën in 1618 bewezen echter voldoende, dat de positie der Noordsche Compagnie op Spitsbergen voorloopig nog zeer gevaarlijk bleef en de konvooischepen werden tot 1620 toe zonder bezwaar toegestaan. In 1621 echter gaf de provincie Holland, de jaarlijksche uitgaven voor de Noordsche Compagnie moede, den verstandigen raad om, voordat men op nieuw tot het toestaan der konvooischepen overging, te onderzoeken of het algemeen belang door de walvischvangst voldoende gebaat werd om de gedurige uitgaven te wettigen[299]. De raad werd opgevolgd en het onderzoek schijnt een voor de Noordsche Compagnie ongunstig resultaat opgeleverd te hebben: althans juist dit jaar voor het eerst sinds hare oprichting werd het konvooi geweigerd, hoewel er geruchten in omloop waren, die van zware uitrustingen der Engelschen tegen de walvischvaarders spraken[300]. Sedert werd van het toestaan der konvooischepen door de Staten-Generaal geen vaste regel meer gemaakt; slechts wanneer bizondere omstandigheden het wenschelijk deden voorkomen, werd de walvischvloot door oorlogschepen begeleid. De Engelschen zagen weldra voor goed van eene aanvallende houding af; tegen de Denen kon de Noordsche Compagnie zich zelve handhaven en konvooischepen werden dus meer en meer eene zeldzaamheid. Toch vinden wij ze nog in 1639[301] en zelfs na den val der compagnie in 1652 genoemd[302].

[298] Gr. Placaetb. I p. 673.--R. S.-G. 24 Jan., 16 Mrt. 1617.

[299] R. H. verg. v. 20 Apr.-8 Mei 1621. p. 79. (Resolutie „’t versoeck te difficulteren, tot dat men sien sal wat profijt het publijck van dien Handel is genietende, te meer, soo verstaen wordt, dat daer door gheruineert worden de oude Neeringen van Oly-slaen, en van de Handelaers met Zaet.”)

[300] R. S.-G. 15 Mei 1621.

[301] Aitzema, Saken v. Staet. II p. 629.

[302] Gr. Placaetb. I p. 683, 84.--De statistiek der jaarlijksche konvooien is als volgt:

1614 3 schepen. (R. S.-G. 4 Apr., 29 Sept. 1614.--Miss. der Stn.- Gen. aan de Adm. v. de Maas, dd. 20 Aug. 1614, in: Coll. Bisdom. 160. R.-A.--Resol. Adm. Amst. 24 Apr., 2, 5 Mei 1614.)

1615 3 „ (R. S.-G. 20 Nov. 1614, 1 Apr. 1615.--Req. der N. C. dd. 1 Apr. 1615, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.)

1616 5 „ (R. S.-G. 28 Apr., 11, 12, 23 Mei, 2 Juni 1616.-- Req. der N. C. dd. 29 Apr. 1616, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Instr. der Stn.-Gen. voor Schrobop dd. 23 Mei 1616.)

1617 1 „ (R. S.-G. 20 Apr., 13, 15 Mei 1617.)

1618 2 „ (R. S.-G. 12, 30 Jan. 1618.--Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Noorderkwart, c. Amst. dd. 31 Mrt. 1635.)

1619 3 „ (R. S.-G. 23, 28 Mrt., 7, 15 Mei 1619.)

1620 1 „ (R. S.-G. 23, 27 Mrt., 13 Apr. 1620.--Req. der N. C. dd. 27 Mrt. 1620, in: Noordsche togten. 2. Admir. R.-A.)

1621 geene „ (R. S.-G. 28, 30 Apr., 15 Mei 1621.)

1622 geene „ (R. S.-G. 17, 29 Apr. 1622.)

1623 geene „ ------------------

1624 geene „ (R. S.-G. 14, 16 Mrt., 23 Apr. 1624.--Vgl. echter hierna Hfdst. VI ad 1624.)

1625 1 „ (R. S.-G. 26 Mrt., 10 Mei 1625.)

1626 2 „ (R. S.-G. 26 Febr., 23 Mrt. 1626.)

1627 2 „ (R. S.-G. 16 Mrt. 1627.)

1628 2 „ (R. S.-G. 1, 3 Mrt. 1628.)

1629 geene „ (R. S.-G. 11, 25 Apr., 2, 3, 16 Mei 1629.)

1630 geene „ ------------------

1631 geene „ (R. S.-G. 19 Apr. 1631.)

1632} tot }geene „ ------------------ 1638}

1639 1 „ (R. S.-G. 23 Apr., 15, 18 Juni 1639.--Aitzema, Saken v. Staet. II p. 629.)

1640} tot }geene „ ------------------ 1642}

De kleine N. C. verkreeg in 1618 en 1620 voor zich alleen nog eenig geschut ter leen. (R. S.-G. 17 Mrt., 21, 25 Apr. 1618.--4, 18, 28 Apr., 1 Mei 1620)

Aan het hoofd van het konvooi werd door de Staten-Generaal steeds een Commandeur-generaal geplaatst, die, bijgestaan door een raad uit de andere kapiteins der konvooischepen (als Vice-Admiraal en Schout-bij-Nacht) en zoo mogelijk ook uit de schippers van de schepen der compagnie, over alle zaken van belang besliste. Alles wat op de verdediging der schepen betrekking had, was uitsluitend aan dezen raad overgelaten, en de afscheiding tusschen krijgs- en handelszaken was zoo scherp, dat het aan de bemanning van het konvooi, die natuurlijk aan Spitsbergen meestal zonder werk was, verboden was den walvischvaarders in hun bedrijf de behulpzame hand te bieden anders dan tegen betaling[303]. Ter vergoeding van de kosten, door de Staten-Generaal voor het konvooi gemaakt, werd verder van de Noordsche Compagnie een vast »lastgelt” geheven, dat bestond in (1-1/2)% inkomend recht van de ingevoerde goederen[304]. Dat dit voor de regeering eene niet geheel te verwerpen bron van inkomsten was, blijkt uit het feit, dat in 1632 voor éen beladen walvischvaarder aan inkomend recht werd betaald ƒ 231--12 st. voor de traan, ƒ 189--12 st. voor de baarden[305].

[303] R. S.-G. 29 Apr. 1615.--Instr. der Stn.-Gen. voor Quast en Schrobop, dd. 29 Apr. 1614, 23 Mei 1616.

[304] Miss. der Stn.-Gen. aan de Admiralit. v. de Maas dd. 20 Aug. 1614, in: Coll. Bisdom. 160. R.-A.--Resol. Adm. Amst. 25 Aug. 1614.--R. S.-G. 24 Oct. 1642.--De konvooigelden werden later, waarschijnlijk in 1622 (R. S.-G. 12 Juli 1622), tot 2% verhoogd (Gr. Placaetb. I p. 682.--Luzac, Holl. rijkd. I p. 348) en eerst in 1675 afgeschaft. (Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 301.)

[305] Dictum v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 3 Apr. 1637.--„Corte Deductie” der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Gr. Placaetb. I p. 679.

Wij zagen dus, dat het verleenen van octrooi en het toestaan van konvooischepen--maatregelen van geheel gelijke strekking--volkomen gerechtvaardigd waren door den drang der omstandigheden; wij hadden echter tevens gelegenheid op te merken, dat de Staten-Generaal bij het eerste middel, weinig lettende op de eischen van het oogenblik, te lang voortgingen met hunne beschermende hand over de kooplieden uit te strekken, eene fout, die zij bij het tweede middel gelukkig wisten te vermijden. De hulp, voor het overige door de Staten-Generaal aan de compagnie verstrekt, draagt evenals de reeds besprokene ~over het geheel~ den stempel hunner vrijzinnige regeeringsbeginselen. Zij verleenden aan de compagnie allen noodzakelijken steun, maar zij handhaafden tevens vooral in den beginne ook tegenover de compagnie zelve het beginsel van gelijke rechten voor alle natiën, dat tot de oprichting eener geoctrooieerde vereeniging had geleid. Zoo bevalen zij den bevelhebbers van het konvooi ten strengste, alle aanvallen van vreemden op de schepen der compagnie te keer te gaan, maar om ook van hunne zijde alle vreemde walvischvaarders tot de visscherij toe te laten[306]; zoo weigerden zij standvastig de compagnie te volgen op den weg der bescherming door den invoer van traan en baarden van buitenslands te verbieden[307] en zoo werd ook de zeevisscherij van Nederlandsche »byvaerders” nooit door hen geweerd[308]. Van den anderen kant poogde de regeering de compagnie tegen inbreuken op haar octrooi langs slinksche wegen te beschermen door het plakkaat van 11 Maart 1633[309]. Zij maakte dadelijk een einde aan den windhandel in traan en baarden, die in de laatste jaren der compagnie een noodlottigen invloed dreigde te hebben. Een mandement van prins Frederik Hendrik ontsloeg de contractanten in zulke zaken van de levering, en hoewel men laag neerzag op dengene, die zich, zooals men zeide, »met Prins Frederik Hendrik behielp,” waren de nadeelige gevolgen van den windhandel door den maatregel natuurlijk voorkomen[310]. Ook John Osborne, een Engelschman, die door eene op aansporing van de bewindhebbers der Noordsche Compagnie gedane uitvinding veel bijgedragen had tot het rijzen van den prijs van het balein, werd dadelijk door de Staten-Generaal met een octrooi voor tien jaren begiftigd[311].

[306] Instr. der Stn.-Gen. voor Quast en Schrobop dd. 29 Apr. 1614, 23 Mei 1616.

[307] Zie hiervóor p. 89.

[308] Zie hiervóor p. 92.

[309] Zie hiervóor p. 90.--De „violateurs” van het octrooi der N. C. moesten op bevel der Stn.-Gen. door de konvooiers genomen en met schepen, vangst en gereedschappen in Nederland ingebracht worden om voor de admiraliteit terechtgesteld te worden. (Instr. der Stn.-Gen. voor Schrobop dd. 23 Mei 1616.)

[310] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 300.--Tegenw. Staat. I p. 593.

[311] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 87.--Zie meer hierna Hfdst. III.