Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I

Chapter 9

Chapter 93,656 wordsPublic domain

In den _Lancelot_ vinden wij vele "wandele" of "dolende" ridders. Opmerkelijk is ook de plaats die de allegorie hier inneemt. Wij treffen hier o.a. reeds "'t wiel van avonturen" aan. Ook vrouw VENUS, die "den boom der minnen" in het harte der menschen plant; deze boom heeft twintig telgen: de eerste telg draagt "melthede", de tweede "oetmoedechede", de derde "sin ende wijshede" enz. Vooral in het derde deel, dat de vertaling bevat van de _Queste van den Grale_, vinden wij veel allegorie: zoo b.v. een grafsteen die de "hertheid van ertrike" voorstelt; de weg ter linkerhand is de weg der zondaren; zeven ridders zijn de zeven hoofdzonden; de tafelronde is de wereld; de oude en de nieuwe wet worden voorgesteld door eene vrouw op een serpent en eene op een leeuw gezeten[33].

De roman _van Ferguut_ heeft naar den inhoud iets eigens. FERGUUT immers is de zoon van een rijken dorper, wiens vrouw echter met den adel is vermaagschapt. Terwijl hij achter den ploeg loopt, komen eenige gezellen der Ronde Tafel, die op een wit hert jagen, voorbij. Verlangen om te worden als zij bevangt den jongen dorper. In een armelijke wapenrusting trekt hij naar ARTUR'S hof--evenals AIOL naar het hof te Parijs. ARTUR geeft hem den ridderslag. Hij trekt uit op avontuur, ziet de schoone GALIENE en wordt onder den invloed van de liefde tot haar langzamerhand een volmaakt ridder. Deze boerenzoon die ridder wordt en beschaafd door den invloed der liefde, is een type dier eeuw: type van den nieuwen adel uit de gemeenten gevormd door den landsheer; van de gemoedsontwikkeling der moderne volken onder den invloed der liefde.

Doch overigens is ook deze roman gelijk aan alle overige: ridder KEYE, ARTUR'S drossaart, een half komisch half verachtelijk personage, bespot den boerenzoon; FERGUUT overwint ridders, bevecht eene reuzin, neemt deel aan het beleg van eene stad enz.

Iets eigens hebben ook de romans van _Floris en Blancefloer_ en van _Partonopeüs en Melior_. In beide staat de liefde op den voorgrond, de avonturen--hoe talrijk en wonderbaarlijk ook--op den achtergrond. Maar in den eersten roman zien wij die liefde in een paar kinderen die samen opgroeien: een heidensch prinsje en een christelijke gravendochter. Door de ouders van FLORIS gescheiden, komen zij na tal van boeiend vertelde, met naïeve kunst fraai beschreven, avonturen weer samen; FLORIS wordt Christen en trouwt BLANCEFLOER. Later worden zij de grootouders van KAREL DEN GROOTE.

In het tweede verhaal hebben wij de bewerking van eene dergelijke stof als die van AMOR en PSYCHE. Een hooggeboren jong edelman, PARTONOPEÜS VAN BLOIS, op jacht verdwaald, wordt door een tooverschip naar een geheimzinnig prachtig kasteel gevoerd. Door onzichtbare handen bediend, gaat hij na den maaltijd rusten. In het donker vlijt eene jonkvrouw zich naast hem neer. Hij mag nimmer eene poging aanwenden haar gelaat te zien, dan zal zij hem later trouwen. Hij verbreekt zijne gelofte en daarmede hunne verhouding. Na eene scheiding van een paar jaren, waarin PARTONOPEÜS half waanzinnig rondzwerft, komen de gelieven weer samen. De geheimzinnige minnares blijkt de dochter van den Keizer van Constantinopel te zijn. Dat er een huwelijk volgt en PARTONOPEÜS Keizer van Constantinopel wordt, spreekt vanzelf.

Het bont en liefelijk spel van minne heeft in deze beide romans een historischen achtergrond: de nauwe aanraking tusschen Europa en het Oosten in den tijd der Kruistochten, aanraking ook tusschen Christendom en Heidendom; zegepraal van het eerste over het laatste, blijkbaar zoowel in de kerstening van FLORIS als in de kroning van PARTONOPEÜS. Elkanders tegenbeeld zijn deze romans o.a. door de verschillende wijze waarop de rollen van Christen en Heiden over de beide paren verdeeld zijn.

Blijkbaar zijn er, behalve de bovengenoemde, nog andere werken van deze soort te onzent bekend geweest. MAERLANT maakt nog melding van: _Tristan en Isoude, Octaviaan, Madocs droom, Amadas en Ydoine_[34]. Al zijn ons geene Nederlandsche bewerkingen dezer romans bewaard gebleven, er bestaat toch voldoende reden om ze, met het oog op de oorspronkelijke werken, hierbij te voegen. Want--wij stipten het reeds aan--men mag ter wille van een beter overzicht wel spreken van Keltische of Britsch-Fransche, Klassieke en Oostersche romans; doch in waarheid zijn al deze werken voortbrengsels van denzelfden geest. Ten deele zal dat reeds uit het voorgaand overzicht gebleken zijn. Het blijkt opnieuw, indien men er op let, hoe weinig al deze werken onderling verschillen. Wat voor klassieks hebben die zoogenaamd klassieke romans? Niets dan de namen van plaatsen en personen; voor het overige gelijken zij volkomen op de andere romans. Grieken en Trojanen, mannen zoowel als vrouwen, gevoelen, denken en spreken als middeleeuwsche Franschen, zijn gekleed en gewapend als zij. Het Oostersche van de zoogenaamd Oostersche romans ligt voornamelijk in het tooneel der handeling; er bestaat geen verschil tusschen PARTONOPEÜS en PARIS, tusschen BLANCEFLOER en een of andere Trojaansche jonkvrouw of weer tusschen deze en GALIENE of dergelijke heldinnen uit een Keltischen roman.

De vier door MAERLANT vervaardigde bewerkingen zijn niet lang na het midden der 13de eeuw gedicht (tusschen 1257 en 1264), de overige worden door hem in onderscheidene zijner werken genoemd en zullen dus wel tenminste zoo oud zijn als die vier, doch waarschijnlijk, tenminste ten deele, nog wel tot de eerste helft der 13de eeuw behooren.

Ook hier is weer de voorname vraag, die ons moet bezig houden, deze: welke waarde hebben de Nederlandsche bewerkingen dezer oorspronkelijk Fransche romans? Hoe hebben de vervaardigers dier bewerkingen hunne taak opgevat en uitgevoerd?

De Lancelot-compilatie biedt ons weinig gelegenheid om dat na te gaan; zoolang wij de onderscheiden werken, welke door VELTHEM zijn vereenigd, niet in hun oorspronkelijken vorm bezitten, kunnen wij bezwaarlijk uitmaken, wat van den oorspronkelijken Nederlandschen bewerker, wat van den compilator is. Naar het schijnt, heeft de bewerker van den eigenlijken Lancelot-roman zijn voorbeeld vrij letterlijk gevolgd[35]. Dat het godsdienstig element op menige plaats zooveel sterker is dan in den Franschen roman, moet misschien op rekening van VELTHEM worden gesteld. Of men hem ook de platte vergelijking moet toeschrijven van een bloedenden ridder bij een rund dat geslacht wordt, is moeilijk uit te maken[36]. Ook het duizendtal verzen dat wij van den roman _van Percevael_ in zijn oorspronkelijken vorm bezitten, geeft dien indruk van nauwe aansluiting bij het oorspronkelijke. De bewerker schijnt slechts hier en daar een opmerking van moralizeerenden aard ingevoegd te hebben[37].

Op vaster grond staan wij bij de bewerking van den _Ferguut_. Het is mogelijk doch niet waarschijnlijk, dat wij deze bewerking te danken hebben aan twee dichters, waarvan de tweede zijn werk bij vs. 2593 zou hebben begonnen. Doch in allen gevalle bestaat er geen reden, om het eerste deel der bewerking tegenover het tweede te stellen als het werk van een "hoofsch" tegenover dat van een "dorper" dichter; beide deelen der Nederlandsche bewerking ademen volkomen denzelfden geest die zeker eer dorperlijk dan hoofsch moet genoemd worden[38]. De dichter van den Franschen roman _Fergus_ was blijkbaar een bewonderaar van CRESTIENS DE TROIES. De Nederlandsche bewerker moet dat eveneens zijn geweest; in het Fransche oorspronkelijk gedicht wordt de naam van GALIENE'S kamenier niet genoemd; in de Nederlandsche bewerking heet zij LUNETTE, een naam dien de Nederlander waarschijnlijk had leeren kennen uit CRESTIENS' _Ivain_, waar de kamenier van IVAIN'S minnares denzelfden naam draagt[39].

De oorspronkelijke Fransche roman bevat goede of bevallige poëzie en de Nederlandsche bewerker heeft daarvan vrij wat weten te behouden. Zoo zijn b.v. de liefdesoverpeinzingen van GALIENE goed door hem weergegeven. Op een enkele plaats heeft hij de levendigheid van het oorspronkelijke verhoogd door den dialoog uit te breiden. Doch daarmede is dan ook gezegd, wat ten gunste dezer bewerking gezegd kan worden. Kenschetsend is wat hij overigens heeft gewijzigd, weggelaten of ingevoegd. Er is iets goedmoedigs in de herhaalde vertaling van _vilain_ door _vrient_; de zedigheid van den bewerker toont zich, waar uit de opsomming van GALIENE'S bekoorlijkheden de "mamelettes comme pumetes [Zijnoot: appeltjes.]" zijn verdwenen[40]. Had hij maar niets gewichtigers weggelaten. Doch men vergelijke de beschrijving der jacht in het oorspronkelijke bij die in het Nederlandsche verhaal. Duidelijk blijkt dan dat de bewerker, anders dan de dichter, die hertenjacht in het bosch niet heeft _gezien_; niet gezien "hoe de Koning gaat staan in de stijgbeugels om zijne jagers te roepen"; niet gehoord hoe "de bosschen weergalmen van de jachthorens"; niet opgemerkt "het hijgen en woelen" van het uitgeput hert en hoe het, verdronken in de rivier, komt bovendrijven met "den gezwollen buik, stijfstaand van het ingezwolgen water"[41]. Tal van platte uitdrukkingen zijn door den bewerker ingevoegd; zoo zegt hij b.v. van FERGUUT die als boerenzoon schrikt voor Koning ARTUR en zijne ridders: "Hi stont ende sweette als een das"; iemand iets betaald zetten, drukt hij uit met: iemand iets "aen sijn cleet wriven" of iemand "sijn vel verwarmen". FERGUUT blijft te lang weg van zijne minnares; "een vrouwenhart is niet van staal", waarschuwt de Nederlandsche dichter, en: "zijne rapen zouden wel eens kunnen aanbranden"[42].

In zijn ijver om GALIENE te verheffen overschrijdt de bewerker de grenzen van tact en kieschheid; zoo waar hij het doet voorkomen dat GENOVERE niets was in vergelijking van GALIENE en waar hij Koning ARTUR tot GALIENE doet zeggen: "ware GENOVERE dood, ik nam u tot vrouw".

Er zou wel meer te noemen zijn dat van den bewerker afkomstig is: eene uitweiding over het karakter der liefde en een licht komisch glimpje hier en daar o.a. in een spottend verkleinwoord[43]. Doch noodig is dat niet om op grond dezer bewerking het vermoeden uit te spreken, dat deze bewerker een zedig man zal zijn geweest, die wel eenig talent bezat, doch wien het ontbrak aan eene eenigszins levendige verbeelding en aan de gewenschte fijnheid van gevoel.

Meer talent dan uit de bewerking van den _Ferguut_ blijkt ons uit die van den _Partonopeüs_, waarvan groote fragmenten (meer dan 8000 verzen) tot ons zijn gekomen[44]. Dat deze bewerker onvoldoende kennis toont van ridderlijke kleeding en riddergebruik, raakt de aesthetische waarde zijner bewerking niet van nabij. Wel, dat hij hier het dramatisch element heeft verzwakt, daar het parallellisme van eenige mooie verzen heeft voorbijgezien of niet kunnen weergeven. Hij heeft den zinnelijken hartstocht hier en daar eenigermate getemperd; in overeenstemming daarmede is, dat hij het godsdienstig element versterkt en o.a. de vergelijking van MELIOR bij de maagd MARIA heeft weggelaten. Doch van meer gewicht dan dat alles is, dat hij op verscheidene plaatsen zijner bewerking toont dichter te zijn. Hij moge onbekend zijn met de namen van sommige kleedingstukken, met sommige gebruiken bij het geven van den ridderslag en het houden van een tournooi--aan _gevoel_ voor deze dingen ontbreekt het hem niet. Anders dan de bewerker van den _Ferguut_ heeft hij de jacht van PARTONOPEÜS op een wild zwijn blijkbaar wel voor oogen; hij voegt er zelfs een paar aardige trekjes aan toe: hij ziet den jachthond aan de "leise" (zeel), ziet hoe de honden met de oogen den ever volgen. In een troepje ridders dat komt aanrijden, heeft hij blijkbaar behagen:

scone gewapent quamen si echt [Zijnoot: achteraan.], scilt ane hals ende spere gerecht, helm op 't hovet, baniere gebonden, ende neder totter hant ontwonden.

Elders voegt hij een aardig beeld in; om uit te drukken dat menschen zich zelven ongeluk zouden berokkenen, zegt hij:

Dus souden wi die roede houwen daer men ons soude mede blouwen [Zijnoot: slaan.],

Fraaie verzen of brokken van het oorspronkelijk gedicht zijn niet zelden door even fraaie Nederlandsche weergegeven[45].

Hooger dan de _Partonopeüs_, het hoogst misschien van al deze bewerkingen, staat DIEDERIC VAN ASSENEDE'S _Floris ende Blancefloer_. Dat deze dichter er in geslaagd is, het liefelijk en schoon Fransch gedicht om te werken tot een zoo bekoorlijk en mooi Nederlandsch berijmd verhaal, moet toegeschreven worden vooral aan zijne idealistische opvatting der liefde. Het zaad der edele minne, afkomstig uit verhalen als _Tristram en Isoude_, _Paris en Helena_ en andere werken der hoofsche minne-epiek, was bij hem in goede aarde gevallen: geen dorperlijk gemoed--hij besefte het--kon de edele minne op den rechten prijs stellen; niet voor dezulken schrijft hij, maar voor clercken, leeken en hoofsche vrouwen die de liefde bij ervaring hebben leeren kennen[46]. Gemakkelijk viel hem zijn taak niet; zij viel hem zuur, zooals hij ons zelf zegt; met passen en meten verdietschte hij het "walsch":

men moet corten ende lingen die tale, salmen se te rime bringen.

en zijne soms onwelluidende of buitensporig lange verzen, zijne worsteling met de taal hier en daar getuigen daarvan[47]. Doch daartegenover staat, dat zijn werk op menige plaats de vergelijking met zijn voorbeeld veilig kan doorstaan; dat die deelen van het werk welke door hem zijn uitgebreid of waarin hij meer zelfstandig te werk gaat, beter zijn dan de overige; dat over het algemeen de naïeve bevalligheid van het oorspronkelijk gedicht door hem is gevoeld en op voortreffelijke wijze in zijn dietsch weergegeven.

Vermoedelijk eenigen tijd vóór DIEDERIC VAN ASSENEDE (c. 1220) heeft een Duitsch dichter, KONRAD FLEKE (FLECK), hetzelfde Fransche gedicht in zijne moedertaal bewerkt. In sommige opzichten, vooral in gemoedsontwikkeling, staat FLEKE boven DIEDERIC; daarentegen heeft deze de oorspronkelijke stof niet verwaterd zooals de Duitscher, die de 3000 Fransche verzen in 8000 Duitsche heeft overgezet en door zijne wijdloopige reflexies het verhaal in zijn gang belemmerd[48].

Wanneer wij ten slotte eene voorstelling trachten te verkrijgen van de kunstvaardigheid dezer bewerkers, voorzoover die zich openbaart in het bouwen van verzen en het vinden van rijmen, dan wordt ons dat moeilijk gemaakt door den toestand waarin o.a. de romans der Lancelot-compilatie tot ons zijn gekomen. Rekening houdend met dien stand van zaken, zijn wij geneigd aan te nemen: dat de verzen dezer romans over het algemeen ten minste zoo goed als die der Frankische romans, en dat de stoplappen minder talrijk zijn. Assoneerende rijmen vindt men o.a. in de romans _van Ferguut_ en _van Partonopeüs_. Daar, evenals in den _Walewein_ en den _Moriaen_, treft men vrij wat voorbeelden aan van het zoogenaamd _rime riche_ (gelijke klank bij verschil van beteekenis of van functie), zoowel waar het geoorloofd als waar het ongeoorloofd was. Het eigenaardig soort van rijm, dat wij in den _Renout van Montalbaen_ aantroffen, waar steeds een of andere heilige in den rijmnood moet voorzien, vinden wij in den _Ferguut_ terug[49].

Zooals onder de Frankische romans o.a. de _Aiol_ den overgang vormt van de vertalingen op een waarschijnlijk zelfstandig werk als _Karel en Elegast_, zoo staat hier de bewerking van _Floris en Blancefloer_ tusschen de vertaalde romans en een paar werken die mij voorkomen zelfstandig te zijn: _Moriaen_ en _Walewein_.

Ook de roman _van Moriaen_ is ons bewaard gebleven in de Lancelot-compilatie, doch schijnt slechts weinig onder VELTHEM'S handen te hebben geleden en nagenoeg in zijn oorspronkelijken vorm tot ons te zijn gekomen[50]. Zelfstandig en eenigermate oorspronkelijk mag deze roman heeten, aangezien er geen origineel bestaat. Ook de hoofdpersoon, een Moor, die voorgesteld wordt als een zoon van PERCEVAEL, schijnt oorspronkelijk[51]. Doch daarmede houdt de oorspronkelijkheid op. De zelfstandigheid van den schrijver bestaat hierin, dat hij eenige, uit andere Britsch-Fransche romans bekende, elementen heeft vereenigd tot een nieuw geheel, dat niet zonder verdienste is ten opzichte van taal en versbouw, doch overigens niets eigens noch veel kunstvaardigheid toont. Een overwonnen ridder die door zijn overwinnaar naar ARTUR'S hof wordt gezonden, tweegevechten, een jonkvrouw door een edel ridder uit de handen van een snoodaard verlost, bevrijding van den eenen tafelronde-gezel door een anderen, strijd met een monster, beleg van een sterk kasteel--dat alles behoort tot het vaste materiaal waaruit deze romans werden samengesteld.

Bovendien heeft de dichter gedurig den roman _van Karel en Elegast_ voor oogen gehad; op verscheidene plaatsen kan men zelfs woordelijke navolging opmerken[52].

Zelfstandige verwerking van motieven die men uit andere romans had leeren kennen, schijnt ook de roman _van Walewein_, waarvan door den dichter PENNINC ongeveer 7800 verzen werden gedicht en die met 3300 verzen door PIETER VOSTAERT werd voltooid[53]. Hier wordt ons verteld van onderscheidene "questen", door WALEWEIN volbracht. Een prachtig schaakbord, in koning ARTUR'S zaal verschenen en weer verdwenen, doet WALEWEIN zijn eersten tocht aanvangen. Het schaakbord blijkt te behooren aan koning WONDER; deze wil WALEWEIN het kleinood afstaan, indien hij daarvoor het wonderzwaard met de twee ringen krijgt, dat koning AMORAEN bezit. Een nieuwe zoektocht begint. Koning AMORAEN wil het zwaard slechts geven in ruil tegen de schoone IJSABELE, koning ASSENTIJN'S dochter. Op nieuw trekt WALEWEIN uit. Prins ROGES, lotgenoot van JOZEF-HIPPOLYTUS, door eene booze stiefmoeder in een vos herschapen, wijst hem den weg naar ASSENTIJN'S burcht. WALEWEIN wint IJSABELE, ook haar hart, en trekt terug naar koning AMORAEN. Deze redt hem uit de moeilijkheid eener keuze tusschen IJSABELE en het wonderzwaard door te overlijden. Voort gaat de reis naar koning WONDER, die WALEWEIN het schaakbord geeft in ruil tegen het zwaard, en ten slotte naar koning ARTUR die zijn schaakbord ontvangt.

Deze voornaamste avonturen zijn aangevuld met tal van andere minder belangrijke, zooals ze in deze romans plegen voor te komen.

Reeds vroeger spraken wij van het wonderbed dat de zwaarste wonden geneest; ook vinden wij hier een wonderboom in den lusthof van YSABELE en een gloeiende rivier rondom den burcht van koning ASSENTYN, om van den betooverden prins te zwijgen[54]. Zulke zaken vindt men eveneens in andere romans van deze soort. En zij zijn hier niet het eenige van dien aard. Een schaakspel dat vanzelf speelt, komt voor in de geschiedenis _van Peredur (Perceval)_; daar ook de vermelding van het "Castle of Wonders" of "van den wondere dat casteel" zooals het in den roman _van Lancelot_ genoemd wordt. Ook de bron der jeugd, waarvan hier verhaald wordt; de smalle brug, scherp als een scheermes; de onderscheidene tafels, waaraan verschillende leden eener hofhouding middagmalen, zijn ons van elders bekend[55].

Deze elementen zijn door beide bovengenoemde dichters vereenigd tot een geheel; want eenheid is er, al is zij niet van hooger orde dan die in het bekende sprookje:

Toen ging hij naar de Galg: "Galg, wil jij Man hangen? "Man wil niet Os dollen, "Os wil niet water slobberen ... ... Ja, zei Galg. En Galg hing Man, En Man dolde Os En Os slobberde water enz.

Of deze roman uit denzelfden tijd is als de overige van deze soort, valt moeilijk te beslissen. MAERLANT en JAN VAN HEELU kennen blijkbaar wel verhalen over _Walewein_; of zij echter het oog hebben juist op dezen roman[56]? Met het oog op het gevoel voor het ridderwezen, dat hier vrij sterk is, op het geringe komisch element en op de godsdienstige tint die over het gansche werk, vooral over dat van PENNINC, ligt, zou ik geneigd zijn dezen roman in allen gevalle tot de 13de eeuw, en eer tot de eerste helft daarvan dan tot de tweede te brengen. Ook de taal en het vrij groot aantal assoneerende rijmen schijnen ons daartoe recht te geven[57].

De ridderschap met hare hoog-zedelijke idealen, met haar macht en haar praal, met de fijnheid van hare vormen heeft de gemoederen van velen hier te lande aangetrokken, beheerscht of bekoord. De poëzie, uit dat ridderwezen en ridderleven geboren, heeft vooral den adel, maar waarschijnlijk ook de aanzienlijke en gegoede burgerij behaagd. Toch kan de indruk, door de ridderschap in haar streven en doen op ons volk gemaakt, niet zoo heel sterk zijn geweest.

Het feit alleen dat de ridderpoëzie zich te onzent ontwikkelde onder den invloed der Fransche ridderpoëzie, kan niet volstaan om die bewering te staven. Immers, ook in de overige landen van West-Europa was dat het geval. Doch--en dat feit weegt zwaarder--de volksziel nam hier te lande het ridderwezen niet zóó gretig in zich op, werd daardoor niet zoo krachtig bevrucht, dat uit die bevruchting een zelfstandige nationale ridderpoëzie werd geboren; eene _eigen_ ridderpoëzie, gelijk de Duitschers er eene bezitten in de werken van GOTTFRIED VON STRASSBURG, HARTMANN VON AUE, WOLFRAM VON ESCHENBACH en het nationaal-ridderlijk epos van _Nibelungen_ en _Gudrun_.

Waar wij den geest der Nederlandsche dichters in de door hen vertaalde of nagevolgde werken kunnen waarnemen, daar zien wij naast gevoel voor het ridderwezen in zijne onderscheidene uitingen, ook vroomheid en zedigheid die slechts matige sympathie koesteren voor de ridderidealen: die den hartstocht temperen, de kieschheid ontzien, moralizeerende opmerkingen invoegen; voorts merken wij niet zelden gemis aan verbeelding op. Opmerkelijk is, dat de eenige Frankische roman, dien wij voor een oorspronkelijk werk mogen houden, hooger staat dan de twee zelfstandig bewerkte Keltische romans. _Karel en Elegast_ staat niet veel lager dan de beste "Chansons-de-geste" uit den nationalen cyclus; _Moriaen_ en _Walewein_ veel lager dan de beste Fransche romans van den uitheemschen cyclus. Het ridderwezen in zijne eerste periode, die zich afspiegelt in de Frankische romans, heeft--zou men zeggen--sterker indruk gemaakt op het Nederlandsche volk en er meer sympathie gevonden, kon dus ook beter door hen vertolkt worden, dan dat der volgende periode, toen liefde, maar vooral zinnelijke liefde, hoofsche bevalligheid en fijne vormen overheerschend waren.

Maar hoe ook, het ridderwezen heeft op de ontwikkeling van ons volk ongetwijfeld invloed geoefend. De uit dat ridderwezen geboren poëzie heeft de ridderlijke idealen onder deze volken helpen verbreiden. Die idealen en die poëzie hebben er deels ingang gevonden, deels hebben zij afkeer gewekt en verzet doen ontstaan. Ook vonden zij, onder geestelijkheid en gemeenten, stroomingen der geesten, die, zoo zij al niet tegen den geest der ridderschap indruischten, dan toch in eene andere richting gingen. Dat verzet en die stroomingen in andere richting vragen nu onze aandacht.

AANTEEKENINGEN

[1] De hier geraadpleegde werken zijn o.a. doch vooral: LA CURNE DE SAINTE PALAYE, _Mémoire sur l'ancienne Chevalerie_; L. GAUTIER, _La Chevalerie_; A. SCHULZ, _Das höfische Leben zur Zeit der Minnesinger_; MOLL, a.w. II, 4, 235.

De geschiedenis van het ridderwezen in Nederland--aanlokkelijke maar zware taak--moet nog geschreven worden. Dr. J. TE WINKEL gaf een vlijtig bewerkte studie: _Het kasteel in de XIIIe eeuw_, later omgewerkt tot: _Het Ridderwezen geschetst volgens de ridderromans_. Maar het blijft de vraag, in hoeverre onze, meerendeels vertaalde, ridderromans hier als bronnen mogen dienen.

[2] De voornaamste uitkomsten van het wetenschappelijk onderzoek zijn hier zoo beknopt mogelijk samengevat, voorzoover noodig is om de Nederlandsche ridder-poëzie beter te begrijpen. Wat nog ontbreekt, zal verderop zijne plaats vinden. Ik maakte bij de samenstelling van dit overzicht gebruik van de algemeen bekende werken van GASTON PARIS (_Histoire poétique de Charlemagne_); L. GAUTIER, _Le Epopées Françaises_ (2e éd.); PIO RAJNA, _Le origini dell'epopea francese_; K. NYROP, _Den oldfranske heltedigtning_. Ik volgde vooral NYROP en de auteurs in PETIT DE JULEVILLE'S _Histoire_, I, 49-344.